Split, fiscale en financiële oplossingen die recht doen aan beide partners

Hèt alimentatierekenprogramma voor de professional




Raad van Advies

Agnes van Wieren
mr. A.R. (Agnes)
van Wieren
Eric Ebben
mr. dr. E.W.J (Eric)
Ebben
Frits van der Kamp
mr. F.H. (Frits)
van der Kamp


Raad van Advies

Nieuwsbrief oktober 2016

  • AOW-bedragen automatisch ingevuld (vanaf tarieven 2016)
  • Algemene heffingskorting in de jus-berekening aangepast
  • Programma Split-Online Congres 2016 compleet

Nieuwsbrief september II 2016

  • Weergave onverdeelde woning!!!
  • Aanpassen draagkracht (#137)
  • Aanmelden voor het congres
Naar alle Nieuwsbrieven >>

Gratis gebruikerscursus 16-12-2016   Meer info >>
Alimentatierekenen (beginner) 18-01-2017   Meer info >>
Gratis gebruikerscursus 03-02-2017   Meer info >>

Alimentatie

Naast het alimentatierekenprogramma Split-Online bieden wij ook nog een Kennisbank aan. Hieronder ziet u de twee laatst gepubliceerde artikelen.

Procedure: echtscheiding of zelfstandig alimentatieverzoek
(Mr. Carlijn van der Vegt-Boshouwers)

Juiste volgorde van werken

In internationale kwesties, waarbij er voor toepassing van Nederlands recht en/of rechtsmacht altijd een link moet zijn met Nederland (verblijfplaats, nationaliteit etc.) is het van belang de werkwijze binnen het (Nederlandse) IPR te kennen en te begrijpen. Op grond van art. 10:2 BW dient de Nederlandse rechter de regels van het internationaal privaatrecht en het door die regels aangewezen recht ambtshalve toe te passen. Dat laat onverlet dat advocaten in beginsel gehouden zijn in hun processtukken een standpunt in te nemen over de bevoegdheid van de rechter en het toepasselijk recht. Een verordening gaat altijd voor een verdrag en een verdrag gaat altijd voor het commune conflictenrecht.

In alle kwesties geldt dat altijd eerst dient te worden vastgesteld welke rechter bevoegd is kennis te nemen van een verzoek. Pas daarna kan antwoord worden gegeven op de vraag welk recht de als bevoegd aangewezen rechter moet toepassen. Indien men deze volgorde niet strikt hanteert, loopt men de kans niet-ontvankelijk te worden verklaard danwel zal het tot verrassingen leiden met betrekking tot de uitkomst van de procedure. Vertrouwen op ervaringen uit het verleden is niet verstandig, aangezien elke casus andere details en dus andere uitkomsten kent.

AlimentatieVerordening

De Nederlandse rechter is gehouden zijn bevoegdheid te toetsen aan de EG-Verordening nr. 4/2009 van de Raad van 18 december 2008 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijk recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen, oftewel de "AlimentatieVerordening". Deze verordening is op 18 juni 2011 voor Nederland in werking getreden en heeft directe werking. 

Uit artikel 1 van de AlimentatieVerordening volgt dat deze van toepassing is op onderhoudsverplichtingen die voortvloeien uit familiebetrekkingen, bloedverwantschap, huwelijk of aanverwantschap. Het moet dus gaan om onderhoudsverplichtingen die voortvloeien uit de wet (considerans 11). Rechtelijke uitspraken en alimentatieovereenkomsten vallen onder het toepassingsbereik van de AlimentatieVerordening. Ook wanneer de rechter wordt verzocht een voorlopige voorziening te treffen, dient de AlimentatieVerordening geraadpleegd te worden, evenals in het geval van een procedure over bijstandsverhaal. Tevens is de AlimentatieVerordening van toepassing op beslissingen van administratieve autoriteiten, mits deze waarborgen bieden inzake onpartijdigheid en het recht van partijen om te worden gehoord (considerans 12). 

Uit artikel 2 lid 1 onder 10 AlimentatieVerordening volgt dat als "onderhoudsgerechtigde" wordt gezien: "elke natuurlijk persoon aan wie levensonderhoud verschuldigd is of van wie wordt gesteld dat levensonderhoud aan hem verschuldigd is. 

Om vast te kunnen stellen of de Nederlandse rechter bevoegd is te oordelen over een alimentatiekwestie, moet allereerst duidelijk zijn of het gaat om een nevenverzoek in een echtscheidingsprocedure of om een zelfstandig verzoek. Vervolgens is relevant een onderscheid te maken tussen kinderalimentatie en partneralimentatie.

Indien een zaak is aangebracht bij een gerecht van een lidstaat (waaronder Nederland) die volgens de AlimentatieVerordening niet bevoegd is kennis te nemen van het verzoek, dient de rechter zich ambtshalve onbevoegd te verklaren, aldus artikel 10 AlimentatieVerordening. Uitzondering daarop is de situatie dat verweerder vrijwillig voor het gerecht verschijnt met een andere reden dan het louter betwisten van de rechtsmacht (stilzwijgende aanvaarding van rechtsmacht). Een en ander volgt uit artikel 5 AlimentatieVerordening.

Alimentatie als nevenverzoek

Indien de Nederlandse rechter bevoegd is kennis te nemen van een echtscheidingsverzoek (op grond van artikel 3 Brussel II-bis, dat handelt over verzoeken betreffende de staat van personen), dan is deze op grond van artikel 3 sub c AlimentatieVerordening tevens bevoegd kennis te nemen van een nevenverzoek dat ziet op een onderhoudsverplichting, tenzij de bevoegdheid van de echtscheidingsrechter slechts berust op de nationaliteit van één der partijen. Met andere woorden: als het gaat om twee Nederlanders die woonachtig zijn in Frankrijk, maar willen scheiden in Nederland, dan volgt de bevoegdheid van de Nederlandse rechter voor wat betreft de echtscheiding uit artikel 3 lid 1 b Brussel II-bis en de bevoegdheid van de Nederlandse rechter voor wat betreft de partneralimentatie uit artikel 3 sub c AlimentatieVerordening. De genoemde tenzij-bepaling is dan niet van toepassing, omdat beide partijen de Nederlandse nationaliteit hebben en niet slechts één van hen.

Inmiddels volgt uit jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie dat artikel 3 sub c AlimentatieVerordening in beginsel alleen relevant is voor wat betreft partneralimentatie. Het Hof bepaalde op 16 juli 2015 (HvJ EU 16-07-2015, C-18414, ECLI:EU:C:2015:479) dat een verzoek om kinderalimentatie alleen als een nevenverzoek kan worden beschouwd bij een verzoek op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid (artikel 3 sub d AlimentatieVerordening). De rechter die bevoegd is te oordelen over een echtscheidingsverzoek, kan zich alleen uitspreken over een kinderalimentatienevenverzoek wanneer deze rechter óók bevoegd is te oordelen over een nevenverzoek met betrekking tot ouderlijke verantwoordelijkheid. Artikel 3 sub d AlimentatieVerordening sluit daarmee de werking van artikel 3 sub c AlimentatieVerordening uit voor zover het kinderalimentatie betreft. Zie ook Hof Amsterdam 21-07-2015.

Alimentatie als zelfstandig verzoek

Ook wanneer het gaat om een zelfstandig alimentatieverzoek moet de Nederlandse rechter zijn bevoegdheid toetsen aan de AlimentatieVerordening. Bevoegdheid volgt dan uit artikel 3 sub a AlimentatieVerordening (gewone verblijfplaats verweerder), uit artikel 3 sub b AlimentatieVerordening (gewone verblijfplaats onderhoudsgerechtigde) danwel uit artikel 3 sub d AlimentatieVerordening (indien het een nevenverzoek is in een procedure over ouderlijke verantwoordelijkheid). 

Het is goed op te merken dat de AlimentatieVerordening steeds spreekt over "gewone verblijfplaats" en niet over "woonplaats". Daarmee wordt bedoeld de "maatschappelijke woonplaats", oftewel de plaats waar de betrokken persoon het permanente centrum van zijn of haar bestaan heeft gevestigd, met de bedoeling daar een duurzaam karakter aan te geven: de plaats waar het dagelijks leven zich feitelijk afspeelt. Een inschrijving in een gemeentelijke administratie is daarom nog geen bewijs van "gewone verblijfplaats".

Indien het niet een eerste vaststelling betreft maar een wijzigingsverzoek, geldt er wel een beperking. Uit artikel 8 AlimentatieVerordening volgt dat bij het indienen van een wijzigingsverzoek de bevoegdheid opnieuw moet worden vastgesteld. Indien de oorspronkelijke beslissing werd gegeven in een lidstaat of een verdragsluitende staat bij het Haags Alimentatieverdrag (voorloper van de AlimentatieVerordening) én de onderhoudsgerechtigde nog steeds gewone verblijfplaats heeft in die staat, kan de onderhoudsplichtige een wijzigingsprocedure alleen in die staat aanhangig maken zolang de onderhoudsgerechtigde daar gewone verblijfplaats houdt.

Rechtsmacht in geval van internationale partneralimentatie
(Mr. Carlijn van der Vegt-Boshouwers)

Partneralimentatie als nevenverzoek in echtscheiding

Indien de Nederlandse rechter bevoegd is kennis te nemen van een echtscheidingsverzoek (op grond van artikel 3 Brussel II-bis, dat handelt over verzoeken betreffende de staat van personen), is deze op grond van artikel 3 sub c AlimentatieVerordening tevens bevoegd kennis te nemen van een nevenverzoek dat ziet op een onderhoudsverplichting, tenzij de bevoegdheid van de echtscheidingsrechter slechts berust op de nationaliteit van één der partijen. Met andere woorden: als het gaat om twee Nederlanders die woonachtig zijn in Frankrijk, maar willen scheiden in Nederland, dan volgt de bevoegdheid van de Nederlandse rechter voor wat betreft de echtscheiding uit artikel 3 lid 1 b Brussel II-bis en de bevoegdheid van de Nederlandse rechter voor wat betreft de partneralimentatie uit artikel 3 sub c AlimentatieVerordening. De genoemde tenzij-bepaling is dan niet van toepassing, omdat beide partijen de Nederlandse nationaliteit hebben en niet slechts één van hen.

Partneralimentatie als zelfstandig verzoek

Indien voor het eerst partneralimentatie wordt verzocht (en dus niet als nevenverzoek), volgt de bevoegdheid van de rechter uit artikel 3 sub a (gewone verblijfplaats verweerder) of sub b (gewone verblijfplaats onderhoudsgerechtigde) van de AlimentatieVerordening.

Betreft het een voorlopige voorziening ex art. 821 Rv, dan kan bevoegdheid worden ontleend aan artikel 14 AlimentatieVerordening, zelfs als een rechter van een andere lidstaat bevoegd is kennis te nemen van het bodemgeschil.

Partneralimentatie en forumkeuze

Artikel 4 AlimentatieVerordening biedt partijen de mogelijkheid een forumkeuze uit te brengen met betrekking tot geschillen die tussen hen bestaan of zullen bestaan met betrekking tot een onderhoudsverplichting. Dit is niet mogelijk als het gaat om kinderalimentatie. Er geldt wel een beperking. Aangewezen kunnen worden:

  • sub a: de rechter van de lidstaat waar een van de partijen gewone verblijfplaats heeft
  • sub b: de rechter van de lidstaat waarvan een van de partijen de nationaliteit heeft
  • sub c: indien het een onderhoudsverplichting tussen (ex-)echtgenoten betreft:
    1. de rechter die bevoegd is kennis te nemen van geschillen in huwelijkszaken
    2. de rechter van de lidstaat waar partijen voor het laatst gedurende ten minste éénjaar hun gemeenschappelijke gewone verblijfplaats hebben gehad.

Voorwaarde is dan wel dat de genoemde voorwaarden vervuld zijn op het tijdstip van het sluiten van de forumkeuzeovereenkomst of op het tijdstip van het aanhangig maken van de zaak.

Een forumkeuzeovereenkomst wordt schriftelijk gesloten, maar verdere vormvoorschriften (zoals bijvoorbeeld in het huwelijksvermogensrecht) zijn er niet. Het is ook mogelijk om een forumkeuzeovereenkomst te sluiten vóór het huwelijk. Immers, men kan dan kiezen voor de bevoegdheid als omschreven in artikel 4 sub c onder II.

Partneralimentatie als wijzigingsverzoek

Indien het niet een eerste vaststelling betreft maar een wijzigingsverzoek, dan geldt er nog een beperking. Uit artikel 8 AlimentatieVerordening volgt dat bij het indienen van een wijzigingsverzoek de bevoegdheid opnieuw moet worden vastgesteld. Indien de oorspronkelijke beslissing werd gegeven in een lidstaat of een verdragsluitende staat bij het Haags Alimentatieverdrag (voorloper van de AlimentatieVerordening) én de onderhoudsgerechtigde nog steeds gewone verblijfplaats heeft in die staat, dan kan de onderhoudsplichtige een wijzigingsprocedure alleen in die staat aanhangig maken zolang de onderhoudsgerechtigde daar gewone verblijfplaats houdt.

Ambtshalve onbevoegd en stilzwijgende aanvaarding rechtsmacht

Indien een zaak is aangebracht bij een gerecht van een lidstaat (waaronder Nederland) die volgens de AlimentatieVerordening niet bevoegd is kennis te nemen van het verzoek, dan dient de rechter zich ambtshalve onbevoegd te verklaren, aldus artikel 10 AlimentatieVerordening. Uitzondering daarop is de situatie dat verweerder vrijwillig voor het gerecht verschijnt met een andere reden dan het louter betwisten van de rechtsmacht (stilzwijgende aanvaarding van rechtsmacht). Een en ander volgt uit artikel 5 AlimentatieVerordening.

Restbevoegdheid

Indien op grond van de artikelen 3, 4 of 5 AlimentatieVerordening geen bevoegde rechter kan worden aangewezen, en indien geen enkele rechter van een (niet-lid)staat die partij is bij het Verdrag van Lugano bevoegd is, dan bieden de artikelen 6 en 7 AlimentatieVerordening nog een vangnet. Bevoegdheid kan dan uit artikel 6 AlimentatieVerordening volgen op basis van gemeenschappelijke nationaliteit. Biedt artikel 6 AlimentatieVerordening ook geen soelaas, dan kan de rechter van een lidstaat op grond van artikel 7 AlimentatieVerordening nog bevoegdheid aanvaarden indien in een derde (niet-lid)staat waarmee het geschil nauw verbonden is, geen procedure kan worden gestart of dit onaanvaardbaar is. Er moet dan nog wel sprake zijn van voldoende nauwe verbondenheid met de lidstaat waar uiteindelijk geoordeeld moet worden.

kennisbank