Essentie (redactie)
Afwijzing verzoek tot vervallen verklaringschriftelijke aanwijzing die is gegeven in het kader van de regiefunctie van de GI. Tracking horloge kan bijdragen aan loyaliteitsconflict van het kind omdat het suggereert dat het gevaarlijk kan zijn bij moeder en het kind dan vader kan bellen terwijl vader niet vindt dat er ook gevaar kan zijn in zijn opvoedsituatie. Het is het in het belang van het kind dat hij met zowel de vader als de moeder onbelast en onbezorgd contact kan hebben. Daar draagt het tracking-horloge niet aan bij.
Datum publicatie | 14-10-2024 |
Zaaknummer | C/09/640393 / JE RK 22-2712 |
Procedure | Eerste aanleg - enkelvoudig |
Zittingsplaats | Den Haag |
Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
Trefwoorden | Jeugdbescherming / Jeugdwet; 1:263 e.v. BW Aanwijzing GI |
Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot vervallen verklaring schriftelijke aanwijzingVolledige uitspraak
Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaaksgegevens: C/09/640393 / JE RK 22-2712
Datum uitspraak: 20 januari 2023
in de zaak naar aanleiding van het op 29 december 2022 ingekomen verzoekschrift van:
hierna te noemen: de vader,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat: mr. F.R.G. Drenth te Baarn.
betreffende:
- [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [woonplaats] ,
Het procesverloop
Bij beschikking d.d. 29 december 2022 van de kinderrechter in deze rechtbank is het verzoek van de vader tot het treffen van een voorlopige voorziening, zoals bedoeld in artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering strekkende tot schorsing van de schriftelijke aanwijzing, afgewezen. De behandeling van het verzoek is voor het overige aangehouden tot deze zitting.
De kinderrechter heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder thans ook:
- voornoemde beschikking d.d. 29 december 2022 en de daarin genoemde stukken;
- het e-mailbericht met bijlage d.d. 30 december 2022 van de advocaat van de vader;
- de verweerschriften met bijlagen d.d. 3 januari 2023 van de gecertificeerde instelling.
Op 6 januari 2023 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld. Daarbij zijn verschenen:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- mevrouw [naam 1] , mevrouw [naam 2] en mevrouw [naam 3] namens de gecertificeerde instelling.
Opgeroepen en niet verschenen is de moeder.
Feiten
De gecertificeerde instelling heeft de vader een schriftelijke aanwijzing gegeven op
28 december 2022, met de volgende inhoud:
-
In de kerstvakantie verblijft [de minderjarige] van 21 december tot en met 23 december bij moeder (zoals gewone regeling ook zou zijn).
-
Op 23 december om 12:30 uur haalt vader [de minderjarige] op bij school, [de minderjarige] verblijft bij vader tot en met 30 december 15:00 uur. Overdacht van vader aan moeder bij de Albert Heijn op 30 december om 15.00 uur.
-
[de minderjarige] verblijft van 30 december tot en met 8 januari bij moeder.
Daarnaast heeft de gecertificeerde instelling afspraken gemaakt over de overdrachten en de
bezoeken:
- De vriend van de moeder is niet aanwezig bij overdracht.
- Er is geen strijd tussen volwassenen in het bijzijn van [de minderjarige] .
- Overdracht vindt op een rustige en respectvolle manier plaats.
- [de minderjarige] heeft geen tracking horloge om.
Voor de overige feiten verwijst de kinderrechter naar de beschikking d.d. 29 december
2022.
Verzoek en verweer
Het verzoek strekt er toe de schriftelijke aanwijzing van 28 december 2022 geheel dan wel gedeeltelijk vervallen te verklaren. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting ligt het volgende aan het verzoek ten grondslag. Kortgezegd stelt de advocaat zich allereerst op het standpunt dat de schriftelijke aanwijzing niet zorgvuldig tot stand is gekomen. Er is alvorens het besluit de omgang vanaf 30 december 2022 vast te stellen niet met de vader overlegd. De omgang is op 16 december 2022 vastgesteld. De vader had hierop geen inspraak.
De vader had met de moeder overeenstemming bereikt over het overdrachtsmoment van [de minderjarige] op 1 januari 2023. Dit heeft de gecertificeerde instelling niet serieus onderzocht. Zo is er niet bij de moeder gecontroleerd of er inderdaad overeenstemming was over de ophaaldatum van 1 januari 2023. Nu de ouders overeenstemming hadden bereikt over de ophaaldatum, was het afgeven van de schriftelijke aanwijzing niet noodzakelijk en daarmee onzorgvuldig. Ten tweede is de schriftelijke aanwijzing ondeugdelijk en onvoldoende gemotiveerd. De gecertificeerde instelling heeft niet gemotiveerd waarom het in [de minderjarige] zijn belang is dat hij op 30 december 2022 bij de moeder moest zijn. Ook is niet gemotiveerd waarom [de minderjarige] het tracking-horloge niet mag dragen. De reactie van de vader op de aankondiging ten aanzien van het tracking-horloge en de omgang is niet serieus meegewogen. De gecertificeerde instelling had het geven van de schriftelijke aanwijzing bovendien kunnen voorkomen door met de vader te communiceren waar het probleem ligt omtrent het horloge. Dit is niet eerder met de vader besproken. Nu er geen overleg en overreding heeft plaatsgevonden, kan niet worden gesproken van een situatie waarin er sprake is van het noodzakelijk inzetten van de schriftelijke aanwijzing. Verder gaat de gecertificeerde instelling eraan voorbij dat er voor [de minderjarige] ook gezondheidsrisico’s waren. Tot slot is de schriftelijke aanwijzing in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, aangezien niet uit het besluit blijkt dat de belangen van [de minderjarige] en de vader zijn meegewogen.
De vader heeft daaraan toegevoegd dat hij het van meet af aan niet eens was de bezoekregeling en de afspraak omtrent het tracking-horloge. Het had geen nut om daar eerder tegen in bezwaar te gaan, omdat er bij de gecertificeerde instelling sprake is van tunnelvisie. De vader heeft het tracking-horloge voor [de minderjarige] gekocht naar aanleiding van de vermissing en de dood van het kind Gino. Door het tracking-horloge weet de vader waar [de minderjarige] is. Ook zit er een SOS-knop op het horloge waarmee [de minderjarige] hem in geval van nood kan bellen. De vader maakt zich zorgen over de situatie bij de moeder, maar hij ziet niet in waarom dit het loyaliteitsconflict bij [de minderjarige] zou aanwakkeren.
De gecertificeerde instelling heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. De gecertificeerde instelling betwist dat de schriftelijke aanwijzing onzorgvuldig tot stand is gekomen. De afspraken zoals weergegeven in de schriftelijke aanwijzing zijn in overleg met zowel de vader als de moeder opgesteld. Op 16 december 2022 zijn de afspraken naar de ouders per e-mail verzonden en zij zijn hier allebei mee akkoord gegaan. De bezoekregeling is in het belang van [de minderjarige] , omdat hij daardoor met beide ouders tijd kan doorbrengen tijdens de feestdagen en de kerstvakantie. [de minderjarige] heeft de gehele Kerst bij de vader doorgebracht. Het is voor [de minderjarige] belangrijk dat hij ook een feestmoment bij de moeder kan zijn. Daarom is ervoor gekozen om het overdrachtsmoment op 30 december 2022 te laten plaatsvinden. De volgens de vader bestaande overeenstemming tussen ouders over het uitstellen van het overdrachtsmoment tot 1 januari 2023 is niet bij de moeder gecontroleerd, omdat de vraag of er al dan niet (naderhand) overeenstemming was, niet doorslaggevend was. De afgesproken datum is in het belang van [de minderjarige] op 30 december 2022 en daarom is er aan die datum vastgehouden, ongeacht een eventuele instemming van moeder met uitstel. De gecertificeerde instelling heeft daarbij rekening gehouden met de richtlijnen van het RIVM en het stappenplan van de Kinderombudsman. De schriftelijke aanwijzing was noodzakelijk om de bezoekregeling voor [de minderjarige] intact te houden. [de minderjarige] bevindt zich in een ernstig loyaliteitsconflict vanwege de scheiding van de ouders. De huidige situatie laat opnieuw zien dat de vader structureel niet in het belang van [de minderjarige] denkt en hem met deze strijd belast. De vader maakt misbruik van het tracking-horloge om continu zicht te kunnen houden op [de minderjarige] wanneer hij bij de moeder verblijft. Het horloge vormt opnieuw een middel waarmee ernstige druk op [de minderjarige] wordt uitgeoefend. [de minderjarige] communiceert via het horloge met de vader en dit versterkt het loyaliteitsconflict waarin [de minderjarige] verkeert. Het zodanig onder druk zetten van een kind is gelijk aan ernstige kindermishandeling.
Beoordeling
Een gecertificeerde instelling is bevoegd een schriftelijke aanwijzing als bedoeld in artikel 1:263 BW te geven als het gaat om de uitvoering van de taak van de gecertificeerde instelling, de aanwijzing de verzorging en opvoeding van de minderjarige(n) betreft, en de gezaghebbende ouder(s) niet instemmen met het plan van aanpak of daaraan onvoldoende medewerking verlenen of de aanwijzing noodzakelijk is om concrete bedreigingen in de ontwikkeling van de minderjarige(n) weg te nemen.
Een schriftelijke aanwijzing dient te worden beschouwd als een beschikking in de zin van artikel 1:3 van de Algemene Wet bestuursrecht (hierna: Awb). Dit betekent dat aan de hand van het bepaalde in de hoofdstukken 3 en 4 Awb beoordeeld moet worden of bij de besluitvorming door de gecertificeerde instelling de algemene voorschriften over zorgvuldigheid, evenredigheid en een deugdelijke motivering in acht zijn genomen. Daarbij geldt dat motiveringsgebreken kunnen worden hersteld, zo nodig ook nog ter zitting. In jeugdzaken is die herstelmogelijkheid van bijzonder belang omdat de kinderrechter ex nunc oordeelt over het geschil. De schriftelijke aanwijzing dient het doel van de ondertoezichtstelling te dienen en in het belang van de minderjarige te worden geacht.
Op grond van artikel 1:264, eerste lid BW kan de kinderrechter op verzoek van een met het gezag belaste ouder een schriftelijke aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen verklaren.
Nu het verzoek binnen twee weken na toezending of uitreiking van genoemde beslissing aan de verzoeker ter griffie van deze rechtbank is ingediend, is de vader ontvankelijk in zijn verzoek.
Op grond van de stukken en het besprokene ter zitting is de kinderrechter van oordeel dat de schriftelijke aanwijzing in stand gelaten dient te worden en overweegt daartoe als volgt.
Allereerst stelt de kinderrechter vast dat de onderhavige schriftelijke aanwijzing is gegeven ter uitvoering van de taak van de gecertificeerde instelling, en de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] betreft. In dat verband is relevant dat reeds bij uitspraak van de familierechter in deze rechtbank van 22 september 2022 een zorgregeling is vastgesteld waar onder regie van de gecertificeerde instelling naartoe wordt gewerkt. Deze zorgregeling houdt in dat [de minderjarige] bij de moeder is:
- drie weekenden per maand van vrijdag uit school tot maandag naar school;
-
in de vierde van de maand van woensdag uit school tot vrijdag naar school;
-
de helft van de vakanties en feestdagen.
De rechtbank heeft de gecertificeerde instelling daarbij in overweging gegeven om bij het opbouwen van de zorgregeling in overleg te treden met andere betrokken hulpverleners, zoals van Stichting De Binnenvest, van Family Supporters en de huisarts.
Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting heeft de gecertificeerde instelling – conform bovengenoemde beschikking – een concrete bezoekregeling opgesteld voor de kerstvakantie van 2022-2023. Uit de stukken, waaronder de diverse e-mailberichten, de vooraankondiging en de motivering van de schriftelijke aanwijzing, kan niet anders worden afgeleid dan dat de gecertificeerde instelling bij het vormgeven van de bezoekregeling voor de kerstvakantie uitvoering heeft gegeven aan (de overwegingen van) de beschikking van de rechtbank van 22 september 2022 en op die voet een (eerlijke) verdeling voor de kerstvakantie en de feestdagen heeft gemaakt. De gecertificeerde instelling heeft onbetwist gesteld dat daarover overleg met zowel de vader als de moeder aan vooraf is gegaan en dat zij Family Supporters bij haar stappen heeft betrokken. De bezoekregeling met de daarbij horende afspraken over de overdrachten en de bezoeken is vervolgens op 16 december 2022 per e-mail aan de ouders toegezonden. De kinderrechter concludeert dan ook dat de afspraken over het overdrachtsmoment van [de minderjarige] op 30 december 2022 en over het tracking-horloge reeds bekend waren en besproken waren. De kinderrechter is op grond van het vorenstaande van oordeel dat de gecertificeerde instelling niet onzorgvuldig te werk is gegaan.
De kinderrechter overweegt daarbij dat de stelling van de vader ter terechtzitting dat hij het van begin af aan niet eens was met de bezoekregeling en de afspraak over het tracking-horloge, maar dit niet bespreekbaar heeft gemaakt, dit niet anders maakt. Hij had immers tijdens de voorafgaande gesprekken, of in antwoord op het e-mailbericht d.d. 16 december 2022 dit kenbaar kunnen maken
Ten aanzien van de door de vader gestelde overeenstemming om het overdrachtsmoment uit te stellen, overweegt de kinderrechter het volgende. Op 27 december 2022 heeft de advocaat namens de vader te kennen gegeven dat het onverantwoord is om [de minderjarige] op 30 december naar zijn moeder te laten gaan in verband met de quarantaine en dat de vader [de minderjarige] daarom op 30 december 2022 om 15:00 uur niet zal meegeven aan moeder. In antwoord daarop heeft de gecertificeerde instelling in haar e-mailbericht van 27 december 2022 de bezoekregeling en afspraken nogmaals herhaald (en gespecificeerd) en daarin vermeld dat de bezoekregeling, ongeacht de coronabesmetting van [de minderjarige] en de vader, van kracht blijft. Nadien zijn de bezoekregeling en de afspraken één op één overgenomen in de vooraankondiging van de schriftelijke aanwijzing van 27 december 2022 en vervolgens in de op 28 december 2022 gegeven schriftelijke aanwijzing. De vader heeft (bij monde van zijn advocaat) op de aankondiging van 27 december slechts gereageerd met een herhaling van zijn mededeling dat het overdrachtsmoment met goedvinden van de moeder wordt uitgesteld.
Namens de vader is betoogd dat zijn reactie op de aankondiging ten aanzien van de omgang niet serieus is meegewogen en dat de overeenstemming tussen de ouders over het overdrachtsmoment van [de minderjarige] op 1 januari 2023 niet serieus is onderzocht. Dat de reactie van de vader niet heeft geleid tot een afwijking van het voorgenomen besluit, betekent niet dat de reactie van de vader niet is meegenomen in de besluitvorming. De gecertificeerde instelling heeft ter zitting toegelicht dat de al dan niet bestaande overeenstemming tussen de ouders niet doorslaggevend was voor de handhaving van het overdrachtsmoment op 30 december 2022, maar dat het ging om de belangen van [de minderjarige] . Gelet hierop is de kinderrechter van oordeel dat de gecertificeerde instelling bij de weging van de belangen niet onzorgvuldig te werk is gegaan en in redelijkheid tot deze schriftelijke aanwijzing heeft kunnen komen.
Voorts is de kinderrechter van oordeel dat de gecertificeerde instelling de noodzaak van de afspraak over het tracking-horloge voldoende duidelijk heeft gemaakt. Hoewel in de schriftelijke aanwijzing zelf geen motivering is gegeven, heeft de gecertificeerde instelling dit verzuim in haar verweerschrift en ter zitting hersteld. Hiervoor is relevant dat [de minderjarige] opgroeit tussen twee ouders met complexe echtscheidingsproblematiek. Ook na hun scheiding ontbreekt het de ouders aan constructieve communicatie. [de minderjarige] zit klem tussen hen en bevindt zich als gevolg daarvan in een loyaliteitsconflict. Door het tracking-horloge houdt de vader het loyaliteitsconflict in stand. Met de gecertificeerde instelling is de kinderrechter van oordeel, dat het horloge bijdraagt aan een ongelijkheid tussen de ouders. Met het horloge maakt de vader duidelijk dat [de minderjarige] bij de moeder in nood kan zijn en dat hij de vader op dat moment moet kunnen waarschuwen. De vader heeft ter zitting aangegeven dat [de minderjarige] inderdaad bij de moeder in onveiligheid kan verkeren, terwijl dit bij hem volstrekt niet het geval kan zijn. Los van het feit dat deze stelling niet gestaafd wordt door de voorgeschiedenis van beide ouders, is het in het belang van [de minderjarige] dat hij met zowel de vader als de moeder onbelast en onbezorgd contact kan hebben. Daar draagt het tracking-horloge niet aan bij.
Op grond van voorgaande overwegingen is de kinderrechter van oordeel dat de gecertificeerde instelling de schriftelijke aanwijzing op goede gronden heeft gegeven. De kinderrechter zal het verzoek tot vervallen verklaring daarom afwijzen.
Derhalve zal als volgt worden beslist.
Beslissing
De kinderrechter:
wijst af het verzoek tot vervallen verklaren van de schriftelijke aanwijzing van 28 december 2022;
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking gegeven door mr. R.G. de Lange-Tegelaar, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.D.C. Donker Ladrón de Guevara als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 januari 2023. |
Ingevolge artikel 807 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering staat tegen deze beslissing geen hoger beroep open, maar slechts cassatie in het belang der wet. |
© Copyright 2009 - 2025 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733