Rechtbank Gelderland 17-10-2024, ECLI:NL:RBGEL:2024:7083

Essentie (redactie)

Gezagsbeëindiging artikel 1:266 BW en artikel 8 EVRM. Ouders zijn niet verschenen. De gezagsbeëindiging is noodzakelijk in het belang van de minderjarigen, omdat de instandlating van het gezag hun belangen en ontwikkeling verder zou schaden. Geloofsovertuiging ouders waarbij zij geloven dat elk gezinslid de reïncarnatie is van een bijbels figuur. Geïsoleerd gezinssysteem waarbij ouders hun kinderen niet in de huidige maatschappij willen laten opgroeien. Beschikking uitvoerbaar bij voorraad.


Datum publicatie23-10-2024
ZaaknummerC/05/439345 / FA RK 24-2558
ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsArnhem
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenJeugdbescherming / Jeugdwet; Gezagsbeëindigende maatregel 1:266 BW/schorsing gezag
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Gezagsbeëindiging artikel 1:266 BW en artikel 8 EVRM. Ouders zijn niet verschenen. De gezagsbeëindiging is noodzakelijk in het belang van de minderjarigen, omdat de instandlating van het gezag hun belangen en ontwikkeling verder zou schaden. Beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Volledige uitspraak


RECHTBANK GELDERLAND

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Arnhem

Zaaknummer: C/05/439345 / FA RK 24-2558

Datum uitspraak: 17 oktober 2024

Beschikking van de rechtbank over de gezagsbeëindiging

in de zaak van

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Gelderland, locatie Arnhem,

hierna te noemen de Raad,

over

[naam kind 1] , geboren op [geboortedatum] 2021 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen [kind 1] ,

[naam kind 2] , geboren op [geboortedatum] 2023 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen [kind 2] .

De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:

[naam moeder] ,

hierna te noemen de moeder,

wonende in [woonplaats] ,

[naam vader] ,

hierna te noemen de vader,

wonende in [woonplaats] ,

gezamenlijk te noemen de ouders,

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Gelderland, gevestigd te Arnhem,

hierna te noemen de GI.

1Het verloop van de procedure

1.1.

De rechtbank neemt de volgende stukken mee in haar beoordeling:

- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 29 juli 2024.

1.2.

De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2024. Daarbij waren aanwezig:

- een vertegenwoordiger van de Raad;

  • twee vertegenwoordigers van de GI;

  • mr. A. Winters, als toegevoegd advocaat van de moeder.

1.3.

De zaak is gelijktijdig behandeld met de zaken over de geschillenregeling (met zaaknummer C/05/440909 / JE RK 24/937) en over de gedeeltelijke uitoefening gezag (met zaaknummer C/05/440611 / JE RK 24/916).

1.4.

De ouders zijn niet verschenen op de zitting. Aan beide ouders is een advocaat toegevoegd. Voor de moeder was dat mr. A. Winters te Nijmegen en voor de vader mr. B.J. Driessen te Nijmegen. Mr. Driessen heeft de rechtbank voorafgaand aan de zitting laten weten dat de vader hem heeft verteld dat hij niet naar de zitting wil komen en ook geen deel uit wil maken van de procedure. Ook heeft de vader daarbij aangegeven dat de advocaat niet namens hem mocht verschijnen of zijn belangen mocht behartigen. Mr. Driessen heeft aangegeven (daarom) niet te zullen verschijnen. Ten aanzien mr. Winters geldt dat zij tijdens de mondelinge behandeling is verschenen en heeft aangegeven niet in contact te zijn geweest met de moeder, ondanks veelvuldige pogingen daartoe. Zij heeft zich daarom niet vrij geacht namens de moeder te spreken.

2De feiten

2.1.

De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [kind 1] en [kind 2] .

2.2.

[kind 1] en [kind 2] verblijven sinds 17 juni 2024 in het huidige perspectief-biedende pleeggezin.

2.3.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft eerder bij beschikkingen van:

  • 13 november 2023 [kind 1] en [kind 2] voorlopig onder toezicht gesteld tot 10 februari 2024 en een (spoed)machtiging verleend hen uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 8 december 2023;

  • 22 november 2023 de machtiging tot uithuisplaatsing verleend hen uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 10 februari 2024;

  • 27 november 2023 de GI gedeeltelijk met het gezag belast over de kinderen met betrekking tot het geven van toestemming voor medische behandeling zijnde een kindergeneeskundig en forensisch medisch onderzoek, voor de duur van de uithuisplaatsing;

  • 8 februari 2024 [kind 1] en [kind 2] onder toezicht gesteld tot 8 februari 2025 en een machtiging verleend hen uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg, ook tot 8 februari 2025;

  • 28 februari 2024 een door de GI aan de ouders op 18 januari 2024 gegeven schriftelijke aanwijzing bekrachtigt.

2.4.

De GI heeft zich bij brief van 17 juli 2024 bereid verklaard om de voogdij te aanvaarden.

3Het verzoek

3.1.

De Raad verzoekt het gezag van de ouders te beëindigen en de GI tot voogd over [kind 1] en [kind 2] te benoemen, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

4De beoordeling

4.1.

De rechtbank wijst het verzoek toe en beëindigt daarmee het gezag van de ouders en belast de GI met de voogdij over [kind 1] en [kind 2] . Ook verklaart de rechtbank deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. De rechtbank legt hierna de beslissing uit.

4.2.

Een gezagsbeëindiging is de meest vergaande maatregel van kinderbescherming. Uit artikel 1:266 lid 1 onder a BW, gelezen in samenhang met artikel 8 EVRM, volgt kort gezegd dat de rechtbank het gezag van een ouder kan beëindigen, indien:

  • de minderjarige ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd

  • de ouder niet binnen een voor de minderjarige aanvaardbare termijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding kan dragen;

  • de gezagsbeëindiging in het belang van het kind noodzakelijk is;

  • de gezagsbeëindiging in het concrete geval in redelijke verhouding staat tot het na te streven doel;

  • het doel van de gezagsbeëindiging niet met een minder ingrijpend alternatief kan worden bereikt.

4.2.1.

De rechtbank is van oordeel dat de kinderen nog steeds ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. [kind 1] en [kind 2] groeiden bij hun ouders op in een geïsoleerd gezinssysteem. Zij kwamen niet of nauwelijks buiten en er was daardoor geen zicht op hun ontwikkeling of opvoedsituatie. Veel van de zorgen zien op de geloofsovertuiging van de ouders. Zo blijkt uit de stukken dat de ouders meerdere keren hebben aangegeven dat ieder gezinslid een reïncarnatie is van een bijbelfiguur; de vader de reïncarnatie van Jezus, de moeder van Maria, [kind 1] van Judas en [kind 2] van Susanna. Het is de hulpverlening, de Raad en de GI niet gelukt om met de ouders in gesprek te gaan over hun geloofsovertuiging en wat dit betekent voor de (opvoedsituatie van de) kinderen. Dat maakte – in combinatie met het gebrek aan toezicht op de thuissituatie – dat de kinderen in 2023 uit huis zijn geplaatst en onder toezicht zijn gesteld. Daarna bleek al snel dat de kinderen achterliepen in hun ontwikkeling op meerdere terreinen, zoals in spraak, sociaal-emotionele ontwikkeling en in het bijzonder in de hechtingsontwikkeling. De kinderen vertonen bij de pleegouders gedrag dat volgens de Raad duidt op onveilige hechting.

4.2.2.

Sinds de uithuisplaatsing is er, ondanks intensieve inspanning daartoe, geen constructief contact geweest tussen de ouders en de GI en evenmin tussen de ouders en de kinderen. De ouders wijzen de GI de deur, plaatsten berichten over hen op sociale media en gaven vooral te kennen dat zij niet in samenwerking of gesprek wilden. Een van de redenen die zij (volgens de GI) aandroegen was dat de kinderen tijdens de ‘wederopstanding’ zouden worden teruggebracht. Ook zouden zij hebben aangegeven dat zij hun kinderen niet willen laten opgroeien in de huidige maatschappij. Ook na een door de rechtbank bekrachtigde schriftelijke aanwijzing van de GI zijn de ouders niet overgegaan tot contact met de GI.
De ouders hebben ook geen enkele poging gedaan om te achterhalen hoe het met de kinderen gaat en hebben zich evenmin laten betrekken bij beslissingen over hun kinderen. Voor de kinderen was de uithuisplaatsing op zichzelf al een impactvolle breuk in hun hechtingsontwikkeling, maar door het uitblijven van betekenisvol en frequent contact met hun ouders is de situatie extra ingrijpend. Dit leidt tot de conclusie dat de aanvaardbare termijn voor [kind 1] en [kind 2] inmiddels is verstreken. De kinderen kunnen hun hechtingsbehoefte namelijk niet langer uitstellen en hebben een stabiele, voorspelbare opvoedomgeving nodig waarbij ze mogen vertrouwen op een duurzaam verblijf bij hun huidige opvoeders.

4.2.3.

De rechtbank is van oordeel dat de gezagsbeëindiging noodzakelijk is in het belang van [kind 1] en [kind 2] . Zij hebben een uitdrukkelijk belang om op te groeien in een fysiek en emotioneel veilige en stabiele opvoedomgeving en om zich – voor zover mogelijk – leeftijdsadequaat en gezond te kunnen ontwikkelen en veilig te kunnen hechten. Het belang dat zij, evenals de ouders, hebben bij een voortzetting van de familieband weegt niet op tegen de schadelijke gevolgen van de instandlating van die familieband. Dit heeft namelijk tot concreet gevolg dat de ouders de kinderen afgeschermd houden van de buitenwereld en de ‘huidige maatschappij’; dat hebben de ouders in zoverre wel duidelijk gemaakt aan de betrokken instanties. Op dit moment valt van hen redelijkerwijs niets meer te verwachten. Uit de stukken blijkt dat de grootouders (moederszijde) graag betrokken willen zijn bij [kind 1] en [kind 2] . De rechtbank hoopt dat zij in de toekomst mogelijk een rol kunnen vervullen in het leven van de kinderen. Daarnaast is de gezagsbeëindiging noodzakelijk, omdat die maatregel samenhangt met het perspectief van [kind 1] en [kind 2] op een stabiele opvoedomgeving. Daarvoor is nodig dat voortvarend beslissingen kunnen worden genomen ten aanzien van de kinderen. Om te voorkomen dat de perspectief-biedende pleegouders overbelast raken, is het nodig dat [kind 1] een aantal ochtenden per week naar de peuterspeelzaal kan. En ook moet er GGZ-hulp voor [kind 1] komen. Gelijktijdig met deze procedure zijn er aanhangige verzoeken van de GI om de aanmelding van [kind 1] bij een kinderdagverblijf en bij een gespecialiseerde GGZ instelling gericht op traumabehandeling te bewerkstelligen. Eerder zijn ook al dergelijke procedures noodzakelijk geweest over (vervangende) toestemming voor kindergeneeskundig en forensisch medisch onderzoek.

4.2.4.

Dit alles leidt de rechtbank tot de conclusie dat het gedrag van de ouders en het weigeren van iedere samenwerking, toestemming en ieder dialoog direct tot gevolg heeft dat de belangen van de kinderen worden geschaad. De gezagsbeëindiging heeft als doel dat [kind 1] en [kind 2] voor zover mogelijk veilig en gezond kunnen opgroeien en om verdere schade aan hun ontwikkeling te beperken. Van een minder bezwarend alternatief om dat doel te kunnen bereiken is niet gebleken. De ouders weigeren immers alle medewerking. Het gezag in stand laten zou ertoe leiden dat er keer op keer, voor iedere handeling, iedere aanmelding voor school of voor andere belangrijke stappen in het leven van [kind 1] en [kind 2] vervangende toestemming of overheveling van het gezag moet worden gevraagd. Dat is niet in hun belang.

4.3.

Omdat de beëindiging van het gezag van de ouders ertoe zal leiden dat een gezagsvoorziening over [kind 1] en [kind 2] komt te ontbreken, dient de rechtbank op grond van artikel 1:275 lid 1 BW een voogd over hen te benoemen. De GI heeft zich bereid verklaard de voogdij op zich te nemen. De rechtbank is daarom van oordeel dat de GI moet worden belast met de voogdij.

4.4.

De rechtbank zal deze beschikking ook uitvoerbaar bij voorraad verklaren.
Zij vindt het namelijk belangrijk dat (medische) hulp voor de kinderen niet langer vertraagd kan worden door de inactiviteit en onwil van de ouders. Hetzelfde geldt voor de aanmelding op het kinderdagverblijf. Door de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren kan de GI als voogd meteen de benodigde hulp inzetten voor de kinderen en de noodzakelijke aanmeldingen doen.

5De beslissing

De rechtbank:

5.1.

beëindigt het ouderlijk gezag van [naam vader] , geboren op [geboortedatum] 1983 in [geboorteplaats] en [naam moeder] , geboren op [geboortedatum] 1984 in [geboorteplaats] over [kind 1] en [kind 2] ;

5.2.

benoemt tot voogd over genoemde minderjarigen, de gecertificeerde instelling, Stichting Jeugdbescherming Gelderland;

5.3.

verzoekt de griffier om krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een aantekening te maken van deze beslissing in het centraal gezagsregister;

5.4.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.E. Allegro, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 17 oktober 2024, in aanwezigheid van mr. G. Vlemmings als griffier.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

  • door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden.



© Copyright 2009 - 2025 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733