Essentie (redactie)
Hof houdt bij berekening draagkracht vrouw voor kinderalimentatie rekening met aflossing op schulden (o.a. advocaatkosten) van € 250 per maand. Hof wijst man op meten met twee maten. Op de man rust ook een inspanningsverplichting om alles in het werk te stellen om zoveel mogelijk inkomsten te verwerven om daarmee in de kosten van de kinderen te kunnen voorzien. Hof veroordeelt man in proceskosten in appel. Man had kunnen weten dat draagkracht vrouw zeer gering was en dat een procedure haar weer op hoge kosten zou jagen.
Datum publicatie | 25-11-2024 |
Zaaknummer | 200.337.397 |
Procedure | Hoger beroep |
Zittingsplaats | Arnhem |
Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
Trefwoorden | Alimentatie; Verdiencapaciteit (NBI); Familieprocesrecht; Proceskosten |
Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Kinderalimentatie, partijen hebben niet alle op grond van artikel 2.1.2 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven benodigde financiële stukken in het geding gebracht. Aan de zijde van de onderhoudsplichtige is sprake van bijzondere omstandigheden, die maken dat de vrouw onvoldoende draagkracht heeft om bij te dragen in de kosten van de kinderen die de onderhoudsgerechtigde maakt.Volledige uitspraak
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.337.397
(zaaknummer rechtbank Overijssel 294362)
beschikking van 12 november 2024
in de zaak van
[verzoeker] ,
wonende te [plaats1] ,
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. M. Tijken,
en
[naam1] , handelende onder de naam [naam2],
gevestigd te [plaats1] ,
in haar hoedanigheid van bewindvoerder over alle goederen die (zullen) toebehoren aan:
[verweerster] ,
wonende te [woonplaats1] ,
verder te noemen: de vrouw,
verweerster in hoger beroep,
advocaat: mr. T.R. Oude Veldhuis.
1De procedure in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo (hierna: de rechtbank), van 8 november 2023, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, verder ook te noemen: de bestreden beschikking.
2De procedure in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-
het beroepschrift met producties, ingekomen op 2 februari 2024;
-
het verweerschrift met producties;
-
een journaalbericht van mr. Oude Veldhuis van 19 september 2024 met producties.
De mondelinge behandeling heeft op 24 september 2024 plaatsgevonden.
Aanwezig waren:
- de man bijgestaan door zijn advocaat;
- de vrouw bijgestaan door haar advocaat.
3. De feiten
Het huwelijk van partijen is [in] 2017 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank van 13 juli 2017 in de registers van de burgerlijke stand.
De man en de vrouw zijn de ouders van:
-
[de minderjarige1] , geboren [in] 2010,
-
[de minderjarige2] , geboren [in] 2014,
-
[de minderjarige3] , geboren [in] 2014 en
-
[de minderjarige4] , geboren [in] 2015.
Zij hebben gezamenlijk het gezag over de kinderen.
De man en de vrouw hebben de gevolgen van echtscheiding geregeld in (onder meer) het door hen beiden op 4 juli 2017 ondertekende ouderschapsplan. In de echtscheidingsbeschikking heeft de rechtbank bepaald dat de inhoud van het ouderschapsplan deel uitmaakt van die beschikking.
De ouders zijn – voor zover in deze procedure van belang – in het ouderschapsplan overeengekomen dat
-
[de minderjarige1] en [de minderjarige4] hoofdverblijf hebben bij de vrouw en [de minderjarige2] en [de minderjarige3] bij de man,
-
als verblijfsregeling de daarin omschreven co-ouderschapsregeling zal worden uitgevoerd,
-
in verband met dit co-ouderschap over en weer geen sprake zal zijn van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding door een van de ouders aan de andere ouder (hierna ook: kinderalimentatie).
Met ingang van 15 februari 2019 is door de kantonrechter in de rechtbank vanwege het hebben van problematische schulden een bewind ingesteld over de goederen die aan de vrouw (zullen) toebehoren.
De ouders hebben de afgelopen jaren diverse procedures gevoerd, onder meer over het hoofdverblijf van de kinderen en de zorgregeling. Bij beschikking van 16 maart 2021 heeft de rechtbank bepaald dat (ook) de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige1] en [de minderjarige4] bij de man is. Bij beschikking van de rechtbank van 24 juni 2021 is het verzoek van de man tot het vaststellen van kinderalimentatie voor de vier kinderen ten laste van de vrouw afgewezen bij gebreke van draagkracht van de vrouw mede als gevolg van niet verwijtbare en niet vermijdbare schulden.
Bij beschikking van 10 augustus 2023 heeft de rechtbank bepaald dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige3] bij de vrouw is. [de minderjarige3] verbleef feitelijk van 9 november 2022 tot en met 9 januari 2023 bij de vrouw en woont sinds 28 april 2023 bij haar.
4Het geschil
In de bestreden beschikking heeft de rechtbank – voor zover hier van belang – het verzoek van de man (ontvangen op 28 maart 2023) om de afspraak in het ouderschapsplan over de kosten van de kinderen te wijzigen en te bepalen dat de vrouw € 125 per kind per maand zal bijdragen in de kosten van de kinderen afgewezen.
De man is het niet eens met die beslissing en komt daartegen in hoger beroep.
De man verzoekt het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende het ouderschapsplan te wijzigen en/althans te bepalen dat de vrouw aan hem een kinderalimentatie zal betalen met ingang van:
-
28 maart 2023 (datum indiening verzoek bij de rechtbank) van € 36 per kind per maand voor alle kinderen;
-
8 augustus 2023 tot en met 9 augustus 2023 van € 13 per kind per maand voor alle kinderen;
-
9 augustus 2023 tot en met 31 augustus 2023 van € 19 per kind per maand voor [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige4] ;
-
1 september 2023 met een bedrag van € 85 per kind per maand voor [de minderjarige1] , [de minderjarige2] , en [de minderjarige4] ,
-
althans een bedrag en met ingang van zodanige datum als het hof juist acht,
kosten rechtens.
De vrouw voert verweer en verzoekt het hof – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – de man in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans het beroep ongegrond te verklaren en de bestreden beschikking al dan niet onder aanvulling en/of verbetering van gronden te bekrachtigen.
5De overwegingen voor de beslissing
Ontvankelijkheid
In hoger beroep staat tussen de ouders niet ter discussie dat sprake is van gewijzigde omstandigheid in de zin van artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek die een onderzoek rechtvaardigt naar de verdeling van de kosten van de kinderen tussen de ouders. Wel is in geschil of deze gewijzigde omstandigheid ook tot wijziging van de afspraak in het ouderschapsplan (dat over en weer geen sprake zal zijn van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding) zou moeten leiden. Het is hier aan de man als verzoekende partij om aan te tonen dat hier sprake is van een rechtens relevante wijziging. Als er eenmaal een wijziging van omstandigheden is, waardoor de eerdere alimentatie-afspraak niet langer aan de wettelijke maatstaven voldoet, moet de alimentatierechter op grond van alle ten tijde van zijn beschikking bestaande relevante omstandigheden een nieuwe alimentatie vaststellen.
Processtukken
In deze procedure klemt het dat noch door de man, noch door de vrouw alle op grond van artikel 2.1.2 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven benodigde financiële stukken in het geding zijn gebracht. Dat komt voor hun rekening en risico. Het hof zal het verzoek van de man om een kinderalimentatie vast te stellen, beoordelen aan de hand van de grieven met inachtneming wat de man en de vrouw daarover op de zitting hebben verklaard als ook op basis van de (financiële) gegevens waarover het beschikt. Het hof wijst partijen en hun advocaten erop dat als zij een oordeel vragen van een rechterlijke instantie, het op hun weg ligt om het dossier compleet aan het hof te presenteren, duidelijke en met stukken onderbouwde standpunten in te nemen en relevante feiten en omstandigheden (tijdig) naar voren te brengen, bij gebreke waarvan op grond van artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) de rechter de gevolgtrekking kan maken die hij geraden acht.
Ingangsdatum
Artikel 1:402 BW laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn, de datum van het inleidend processtuk en de datum waarop de rechter beslist.
Het hof ziet anders dan de man verzoekt, geen reden om de ingangsdatum met terugwerkende kracht te laten ingaan op het moment van indiening van het inleidend verzoek bij de rechtbank op 28 maart 2023. Het hof zal daarom net als de rechtbank aansluiten bij de datum van de beschikking van de rechtbank van 8 november 2023. Het hof neemt hierbij in overweging dat de man op het moment van indiening van zijn verzoek bij de rechtbank geen ingangsdatum heeft verzocht. Eerst ter zitting bij de rechtbank heeft de man verzocht om de kinderalimentatie met terugwerkende kracht vast te stellen. Het hof weegt daarnaast ook mee dat de man de door hem verzochte kinderalimentatie zal moeten afdragen aan de gemeente omdat hij een bijstandsuitkering ontvangt. Gebleken is dat de gemeente geen verplichting aan de man heeft opgelegd om een bijdrage in het levensonderhoud van de kinderen te verzoeken, in tegendeel onweersproken is door de vrouw gesteld dat de gemeente niet achter de door de man gestarte procedure staat in verband met ook de kosten daarvan in de vorm van het verstrekken van bijzondere bijstand voor advocaatkosten en griffierechten. Het hof vindt net als de rechtbank dat de hoogte van de door de man gewenste kinderalimentatie, dus nog los van de vraag of de vrouw dergelijke bedragen kan betalen, tot in elk geval de datum van de bestreden beschikking niet opwegen tegen de administratieve kosten die ook met een inhouding gepaard zullen gaan.
wijze van berekening kinderalimentatie
Het hof neemt de systematiek van berekening van de kinderalimentatie op basis van de richtlijnen van het rapport alimentatienormen van de Expertgroep Alimentatie als uitgangspunt. Het hof zal de berekening aan deze beschikking hechten. Het hof bespreekt hierna alleen de punten waarover de man de vrouw van mening verschillen en – al dan niet – een afwijking van die richtlijnen bepleiten.
kosten van de kinderen
De hoogte van het aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen (hun behoefte) wordt vastgesteld op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen dat partijen hadden toen zij nog een gezin vormden met de kinderen (inclusief het kindgebonden budget (KGB) waarop partijen toen aanspraak hadden) en de NIBUD-tabellen “Eigen aandeel van ouders in de kosten van kinderen”.
De man heeft in zijn inleidend verzoek en in zijn verzoek in hoger beroep, behalve een verwijzing naar een behoefteberekening, niets gesteld over de behoefte van de kinderen. De advocaat van de man heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep toegelicht dat partijen in 2017 beiden een bijstandsuitkering ontvingen van € 987 en recht hadden op een KGB van € 237 per maand. Hij heeft in de door hem overgelegde stukken berekend dat het netto besteedbaar gezinsinkomen in 2017 € 2.211 per maand bedroeg. Op grond van dit gezinsinkomen en de NIBUD-tabel 2017-II bedroeg het aandeel van de ouders in de kosten van de vier kinderen destijds in totaal € 719 per maand, ofwel € 180 per kind per maand, aldus de man.
De advocaat van de vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling bevestigd dat partijen destijds beiden recht hadden op een bijstandsuitkering, maar aangegeven niet te weten of het door de man berekende netto besteedbare gezinsinkomen klopt. Het hof stelt vast dat eenzelfde behoefteberekening als de man als productie 1 bij zijn brief van 9 oktober 2023 in eerste aanleg heeft overgelegd, ook door de vrouw is toegevoegd aan de diverse draagkrachtberekeningen die zij als productie 3, 4, 7 en 11 bij haar verweerschrift in hoger beroep heeft ingediend.
De man noch de vrouw heeft bewijsstukken overgelegd van de (hoogte van de) uitkering en het KGB dat zij in 2017 ontvingen. Het ligt het niet erg voor de hand dat de man en de vrouw in 2017 als gehuwden beiden een bijstandsuitkering ontvingen. Het is een feit van algemene bekendheid dat een bijstandsuitkering voor gehuwden lager is dan twee keer de uitkering voor een alleenstaande. Als wordt uitgegaan van een bijstandsuitkering voor gehuwden en het bijbehorende KGB waarop de ouders in 2017 aanspraak konden maken, leidt dat tot een lagere behoefte dan de man stelt. Echter de vrouw is niet opgekomen tegen de door de man gestelde behoefte en het hof vindt - mede gelet op de onduidelijkheid - dat het niet aan haar is om ambtshalve, ten nadele van de kinderen, de behoefte nu op een lager bedrag vast te stellen.
Het hof zal daarom de onbetwiste berekening van de man over de hoogte van de kosten van de kinderen volgen. In lijn daarmee stelt het hof de behoefte van de kinderen in 2017 vast op in totaal € 719 per maand. Geïndexeerd naar 2023 hebben de kinderen dan behoefte aan afgerond in totaal € 828 per maand, ofwel € 207 per kind per maand.
draagkracht
De ouders dienen samen, naar rato van hun draagkracht (en bij onvoldoende draagkracht tot de grens daarvan) te voorzien in de behoefte van de kinderen. Op beide ouders rust een inspanningsverplichting om alles in het werk te stellen om zoveel mogelijk inkomsten te verwerven om daarmee in de kosten van de kinderen te kunnen voorzien.
draagkracht van de vrouw
De man heeft gesteld dat sinds de beschikking van 24 juni 2021 sprake is van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden omdat de draagkracht van de vrouw zou zijn toegenomen. De vrouw heeft dat betwist.
In de beschikking van 24 juni 2021 is geoordeeld dat de vrouw geen draagkracht heeft vanwege een inkomen op bijstandsniveau (inkomen uit arbeid aangevuld met een uitkering op grond van de Participatieweg) als ook vanwege niet verwijtbare en niet vermijdbare schulden. In de bestreden beschikking van 8 november 2023 heeft de rechtbank geoordeeld dat de vrouw gelet op haar inkomen (per 1 september 2023 € 1.811,25 per maand exclusief vakantietoeslag) en niet verwijtbare en niet vermijdbare schulden een dermate lage draagkracht heeft (€ 27), dat vaststelling hiervan niet opweegt tegen de administratieve kosten die met een eventuele inhouding gepaard zullen gaan. Het verzoek van de man is daarom afgewezen.
Het hof zal hierna bij de berekening van de draagkracht van de vrouw om pragmatische redenen uitgaan van de door haar overgelegde salarisspecificatie over januari 2024. Daaruit blijkt dat haar salaris € 1.901,81 bruto per maand bedraagt exclusief de vakantietoeslag van 8%. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de vrouw meegedeeld dat zij een verlenging van haar contract heeft gekregen voor één jaar. Voorlopig kan de vrouw zich dus dit inkomen blijven verwerven. Voor wat betreft het KGB over 2024 sluit het hof aan bij het door de man op de zitting genoemde bedrag van € 73 per maand (€ 876 per jaar), omdat nadere stukken ontbreken maar door de vrouw wel is erkend dat dat bedrag ongeveer overeenstemt met het bedrag dat de vrouw ontvangt.
Zoals uit de aangehechte draagkrachtberekening blijkt heeft de vrouw heeft dan een netto besteedbaar inkomen van € 2.086 per maand.
Bij een dergelijk inkomen is de draagkrachtruimte van de vrouw € 183. Daarvan dient zij in principe 70% aan te wenden voor de kinderen. Dat is een bedrag van € 133 per maand, ofwel € 33 per kind per maand.
De vrouw heeft echter aangevoerd dat bij de berekening van haar draagkracht rekening moet worden gehouden met een aflossing op schulden van € 250 per maand. Op
12 april 2024 had de vrouw volgens het overzicht van haar bewindvoerder nog een schuld aan haar advocaat van € 2.000,86 en een schuld aan haar moeder van € 750. In december van dit jaar zal zij - uitgaande van een aflossing van € 250 per maand - haar advocaatschuld hebben afgelost. Zij zal echter voor de bijstand van haar advocaat in deze procedure op korte termijn een nieuwe factuur voor een bedrag van ongeveer € 2.000 ontvangen. De vrouw stelt dat zij nadat de advocaatkosten volledig zijn afgelost, zal gaan afbetalen op de schuld aan haar moeder. Verder heeft de vrouw aangevoerd dat rekening moet worden gehouden met de kosten die zij maakt voor de uitvoering van de zorgregeling tussen de man en [de minderjarige3] en de zorgregeling tussen haar en [de minderjarige4] . De reiskosten (88 kilometer per twee weken) komen volledig voor haar rekening. De vrouw stelt dat het redelijk is dat ongeveer een kwart van deze kosten als extra lasten in aanmerking wordt genomen. Verder betaalt zij incidenteel kosten voor de kinderen zoals voor de kapper.
De man voert hiertegen verweer omdat hij vindt dat er geen sprake is van evenwicht in de kosten van de kinderen die de ouders ieder voor hun rekening nemen, nu drie van de vier kinderen bij hem verblijven.
Het draagkrachtloos inkomen van een onderhoudsplichtige kan op basis van de richtlijnen van de Expertgroep alimentatie worden verhoogd met niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten. Advocaatkosten moeten ook aan de hand van deze richtlijnen worden beoordeeld.
Het hof is van oordeel dat de vrouw voldoende nader onderbouwd heeft gesteld dat zij maandelijks met extra kosten te maken heeft die niet begrepen zijn in normale kosten voor levensonderhoud. De komende tijd zal zij nog moeten blijven afbetalen op een schuld aan haar advocaat, mede als gevolg van het feit dat de man (wederom) een procedure is gestart, en de schuld van de vrouw aan haar moeder moet zij vervolgens ook nog aflossen. Het hof gaat daarom uit van voortzetting van het huidige aflossingsbedrag van € 250 per maand. De vrouw draagt verder alle reiskosten voor [de minderjarige3] en [de minderjarige4] in het kader van de uitvoering van de zorgregelingen en uit de stukken blijkt dat de vrouw in verband met haar onderbewindstelling extra kosten heeft van € 133,10 per maand.
Aan de vaststelling van kinderalimentatie wordt een hoge prioriteit toegekend, maar het hof is van oordeel dat in dit geval sprake is van bijzondere omstandigheden. Gelet op de beperkte financiële middelen en draagkracht(ruimte) van de vrouw, is het hof van oordeel dat zij onvoldoende draagkracht heeft om bij te dragen in de kosten van de kinderen die de man maakt voor de kinderen. Dat geldt ook als rekening wordt gehouden met het feit dat haar werkelijke woonlast (de vrouw heeft ter zitting aangegeven dat zij met € 500 per maand bijdraagt in de woonlasten van haar partner bij wie zij inwoont) lager is dan haar forfaitaire woonbudget van € 623 per maand. Het hof komt daarom tot de conclusie dat weliswaar aan de zijde van de vrouw sprake is van een wijziging van omstandigheid echter dit betreft geen rechtens relevante wijziging. Het verzoek van de man zal daarom worden afgewezen.
draagkracht man
Hoewel het hof niet toekomt aan een beoordeling van de draagkracht van de man, zal het hof hier wel een overweging aan wijden. Het hof doet dat omdat de man ook in deze procedure veel van de vrouw verwacht en daarbij voor haar een andere maatstaf lijkt aan te leggen dan voor zichzelf. Zo wijst de man er ter zitting op dat de vrouw als moeder onderhoudsplichtig is en moet bijdragen aan de kosten van de kinderen, wat ook waar is, maar hij laat na om ook zijn eigen rol daarin te benoemen. Op de man rust als ouder namelijk ook een inspanningsverplichting om alles in het werk te stellen om zoveel mogelijk inkomsten te verwerven om daarmee in de kosten van de kinderen te kunnen voorzien, zoals ook hiervoor onder 5.2 is overwogen.
Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is daarom ook besproken in hoeverre de man zelf in staat is om inkomsten te verwerven en wat hij aan inspanningen verricht om bij te dragen in de kosten van de kinderen.
De man heeft toegelicht dat hij sinds het huwelijk geen betaalde werkzaamheden verricht omdat hij de zorg voor de kinderen heeft. Hij stelt dat hij van de gemeente tot 2025 een vrijstelling heeft gekregen om te solliciteren omdat de kinderen onder toezicht gesteld zijn en dat hij volgend jaar een re-integratietraject kan gaan volgen bij de gemeente. Het hof vindt deze niet nader onderbouwde stellingen van de man onvoldoende om te kunnen concluderen dat man kennelijk (en al jarenlang) niet in staat is om (enige) betaalde werkzaamheden te verrichten. Overigens is de ondertoezichtstelling van de kinderen sinds eind 2023 beëindigd. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling aan het hof desgevraagd meegedeeld dat hij een zeer gevarieerd arbeidsverleden heeft en over een uitgebreid CV (van wel dertien kantjes) beschikt. Het is daarnaast een feit van algemene bekendheid dat de arbeidsmarkt momenteel zonder meer als goed kan worden beschouwd.
6De slotsom
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen leiden de grieven van de man niet tot een andere eindconclusie en slaagt het hoger beroep van de man niet. Het hof zal de bestreden beschikking daarom bekrachtigen.
Proceskosten
Het hof ziet aanleiding om de man te veroordelen in de proceskosten in hoger beroep. De man beschikte naar het oordeel van het hof ten tijde van het indienen van het beroepschrift over voldoende financiële gegevens van de vrouw om in te kunnen schatten dat haar draagkracht zeer gering was en dat een procedure de vrouw weer op hoge kosten zou jagen. Daarbij komt dat het hof bedenkingen heeft bij de drijfveren van de man voor het voeren van de onderhavige procedure in hoger beroep en het beslag dat hij daarmee op de rechtspraak legt. Het hof is van oordeel dat de man nodeloos procedeert en de vrouw onnodig op kosten jaagt.
De door de man aan de vrouw te betalen proceskosten stelt het hof vast op € 349 aan griffierecht en € 1.716 voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief
(2 punten x € 858 (Tarief I)).
7De beslissing
Het hof, beschikkende in hoger beroep/in het principaal en het incidenteel hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 8 november 2023 ten aanzien van de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen van partijen;
veroordeelt de man tot betaling aan de vrouw van de proceskosten, aan de zijde van de vrouw begroot op € 349,- aan griffierecht en € 1.716 voor salaris advocaat;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. I.G.M.T. Weijers-van der Marck,
M.P. den Hollander en A.E. Ernes, bijgestaan door de griffier, en is op 12 november 2024 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Draagkracht van de vrouw:
© Copyright 2009 - 2025 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733