Gerechtshof Den Haag 08-01-2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:93

Essentie (redactie)

Bij voldoende draagkracht vormt een wijziging in de inkomens- of gezinssituatie van partijen nog geen relevante wijziging van omstandigheden die noopt tot herberekening en aanpassing van de overeengekomen onderhoudsbijdrage en een andere onderlinge verdeling van de kosten van de kinderen. Er dient als er voldoende draagkracht is een draagkrachtvergelijking te worden gemaakt wanneer de alimentatie wordt vastgesteld. Maar niet zonder meer opnieuw bij iedere wijziging van omstandigheden.


Datum publicatie14-02-2025
Zaaknummer200.315.746/01
ProcedureHoger beroep
ZittingsplaatsDen Haag
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenAlimentatie; Wijziging van omstandigheden
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

“Wijziging van omstandigheden - in casu de geboorte van een kind en de wijziging van de zorgregeling - leidt niet tot wijziging van de kinderalimentatie zolang beide ouders in staat zijn om aan de overeengekomen onderhoudsverplichting te blijven voldoen en zij ook niet boven hun draagkracht worden belast. Een redelijke wetstoepassing brengt met zich dat bij voldoende draagkracht, een wijziging in de inkomens- of gezinssituatie van partijen, nog geen relevante wijziging van omstandigheden vormt die noopt tot herberekening en aanpassing van de overeengekomen onderhoudsbijdrage en een andere onderlinge verdeling van de kosten van de kinderen. Uit de wet volgt niet dat het hof dan zonder meer een draagkrachtvergelijking zou moeten maken. In deze zaak zal het hof dit ook niet doen omdat die vergelijking alleen tot gevolg zou hebben dat de ene ouder in een gunstiger situatie ten opzichte van de andere ouder wordt gebracht. Het hof meent dat een wijziging van de alimentatie onder die omstandigheden niet alleen in strijd met de strekking van artikel 1:401 jo 1:404 lid BW, maar ook in strijd met de gerechtvaardigde belangen van de minderjarigen.”

Volledige uitspraak


GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Familie

zaaknummer : 200.315.746/01

zaaknummer rechtbank : C/09/622746 / FA RK 21-8678

beschikking van de meervoudige kamer van 8 januari 2025

inzake

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. M. Groenleer te Den Haag,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. A. Krim te Haarlem.

In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming,

locatie: Den Haag,

hierna te noemen: de raad.

1Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Den Haag van 7 juni 2022, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, hierna: de bestreden beschikking.

2Het geding in hoger beroep

2.1

De vrouw is op 5 september 2022 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.

2.2

De man heeft op 19 oktober 2022 een verweerschrift ingediend.

2.3

De man heeft op 18 juli 2024 een akte verdeling vakanties, studiedagen, aanvangs- en einddagen/tijden vakanties ingediend.

2.4

Voorts zijn bij het hof ingekomen:

van de zijde van de vrouw:

- een journaalbericht van 29 april 2024, ingekomen op 29 april 2024,

van de zijde van de man:

- een journaalbericht van 29 april 2024, ingekomen op 29 april 2024;

- een journaalbericht van 24 juli 2024, met bijlagen, ingekomen op 30 juli 2024.

2.5

De raad heeft het hof bij brief van 16 juli 2024 laten weten niet ter zitting te zullen verschijnen.

2.6

Het hof heeft het verzoek van mr. Groenleer van 18 april 2024 om een extra schriftelijke ronde toe te staan, omdat er tussen de indiening van het hoger beroep en de door het hof geplande mondelinge behandeling twee jaren zijn verstreken en de omstandigheden in de tussentijd (volgens de vrouw) zijn gewijzigd, toegewezen en partijen daarbij in de gelegenheid gesteld op elkaars stukken te reageren. Nadien heeft het hof op verzoek van partijen uitstel verleend van de geboden (reactie)termijnen.

2.7

Vervolgens heeft mr. Groenleer bij journaalbericht van 16 juli 2024, ingekomen op 22 juli 2024, een nadere reactie ingediend. De man heeft bij e-mail van 26 augustus 2024 een nadere reactie ingediend en daarbij ook gereageerd op de reactie van de vrouw. Bij journaalbericht van 28 augustus 2024 heeft de man zijn reactie nog kort toegelicht.

2.8

Mr. Groenleer heeft het hof op voorhand een pleitnota toegezonden, ingekomen bij het hof op 28 augustus 2024. Mr. Krim heeft daartegen, bij journaalbericht van 28 augustus 2024, bezwaar gemaakt.

2.9

Het hof heeft partijen bij e-mail van 28 augustus 2024 verzocht nadere financiële stukken in het geding te brengen. Daarop heeft de vrouw het hof bij e-mail van 28 augustus 2024 van nadere stukken gediend. Ook de man heeft het hof bij e-mail van 28 augustus 2024 van nadere stukken gediend.

2.10

De mondelinge behandeling heeft op 29 augustus 2024 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Verschenen zijn:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, alsmede door mr. J.M. Bekooij, kantoorgenoot van haar advocaat;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat.

2.11

Na de zitting heeft de vader bij e-mail van 2 september 2024 nadere financiële stukken aan het hof doen toekomen. Naar aanleiding daarvan het hof mr. Groenleer bij e-mail van 6 september 2024 (met een kopie daarvan aan mr. Krim) in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op deze stukken en voorts om nadere financiële stukken verzocht, waarbij mr. Krim in de gelegenheid is gesteld om daarop te reageren.

2.12

Mr. Bekooij heeft het hof bij e-mail van 12 september 2024 bericht dat partijen met elkaar in onderling overleg zijn getreden om te proberen een oplossing in der minne te bereiken en dat de schikkingsonderhandelingen na de vakantie van mr. Krim zullen worden hervat. Mr. Krim heeft dat bericht bij e-mail van 12 september 2024 bevestigd.

2.13

Mr. Krim heeft bij e-mail van 26 september 2024 gereageerd op de door de vrouw op 12 september 2024 overgelegde stukken.

2.14

Bij e-mail van 8 oktober 2024 heeft mr. Bekooij het hof bericht dat partijen er niet zijn uitgekomen en zij heeft het hof verzocht een beschikking af te geven.

3De feiten

3.1

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

3.2

Partijen hebben een affectieve relatie gehad.

3.3

Zij zijn de ouders van de volgende thans nog minderjarige kinderen:

- [ de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats] , en;

- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] ,

hierna tezamen: de minderjarigen.

3.4

[ de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben de hoofdverblijfplaats bij de vrouw. De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over [ de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] uit.

3.5

Partijen hebben overeenkomstig het bepaalde in artikel 1:247a BW een ouderschapsplan opgesteld.

3.6

Bij beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 11 februari 2020 is - voor zover thans van belang - de inhoud van het door de ouders op 7 januari 2020 ondertekende ouderschapsplan, waarvan een afschrift aan die beschikking is gehecht, in de beschikking opgenomen.

4De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, met wijziging in zoverre van het ouderschapsplan van 7 januari 2020, zoals opgenomen in de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo van 11 februari 2020 voor zover dit ziet op het tweewekelijkse schema en de kinderalimentatie:

bepaald dat de minderjarigen bij de man zullen zijn:

- week 1 van woensdagmiddag 12.00 uur tot vrijdagavond 17.30 uur;

- week 2 van woensdagmiddag 17.30 uur tot maandagochtend 12.00 uur;

en deze regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken uitvoerbaar

bij voorraad verklaard;

bepaald dat de man aan de vrouw met ingang van de datum van die beschikking een kinderalimentatie ten behoeve van [ de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] van € 83,- per kind per maand zal betalen, zolang hij ouderschapsverlof geniet, en van € 73,- per kind per maand, zodra het ouderschapsverlof is afgelopen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, en de bepaling van deze bijdrage uitvoerbaar bij voorraad verklaard;

het meer of anders verzochte afgewezen.

4.2

De vrouw verzoekt het hof, met vernietiging van de bestreden beschikking en, opnieuw rechtdoende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. een zorgregeling te bepalen waarbij de minderjarigen in week 1 van vrijdag 9 uur tot maandag 9 uur bij de man zijn en in week 2 van woensdag 17.30 uur tot vrijdag 9 uur;

2. te bepalen dat de bijdrage van de man aan de vrouw in de kosten van verzorging en opvoeding van [ de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] met ingang van 7 juni 2022 € 226,50 per kind per maand bedraagt, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, waarbij de man zelf de kosten draagt voor de aanschaf van de (sport)kleding en de (sport)schoenen van de minderjarige wanneer zij bij hem verblijven, althans een zodanige bijdrage en ingangsdatum als het hof juist acht.

4.3

De man verzoekt het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het appel van de vrouw af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4.4

Nadien heeft de vrouw het hof (aanvullend) verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende:

1. een zorgregeling te bepalen waarbij de minderjarigen in week 1 van vrijdag 9 uur tot maandag 9 uur bij de man zijn en in week 2 van woensdag 17.30 uur tot vrijdag 9 uur;

2. te bepalen dat de bijdrage van de man aan de vrouw in de kosten van verzorging en opvoeding van [ de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] met ingang van 7 juni 2022 € 226,50 per kind per maand bedraagt, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, waarbij de man zelf de kosten draagt voor de aanschaf van de (sport)kleding en de (sport)schoenen van de minderjarigen wanneer zij bij hem verblijven, althans een zodanige bijdrage en ingangsdatum als het hof juist acht;

3. te bepalen dat eventueel door de vrouw te weinig ontvangen kinderalimentatie door de man aan haar moet worden nabetaald;

4. de man te veroordelen om de vrouw te vragen voor de minderjarigen te zorgen als hij daartoe niet in de gelegenheid is in zijn tijd met de minderjarigen;

5. te bepalen dat er 2 keer per week een video bel moment plaatsvindt tussen de minderjarigen en de ouder bij wie de minderjarigen die week niet zijn;

6. de man te veroordelen om terughoudend om te gaan met sociaal waar het de minderjarigen betreft;

7. te bepalen dat:

Studiedagen aansluitend (daarvoor of daarna) aan een week schoolvakantie (of meer weken vakantie) tellen mee bij de vakantie. De vakantie wordt evenredig verdeeld inclusief alle weekenden (dit staat los van de reguliere zorgverdeling).

Studiedagen die niet aansluiten op een schoolvakantie besteden de minderjarigen bij de ouder waar ze volgens de reguliere zorgverdeling verblijven.

Bij het maken van de verdeling van de vakanties (met uitzondering van de zomervakantie) zorgen partijen er te allen tijde voor dat de minderjarigen niet onnodig lang (langer dan een week) bij de ene of andere ouder verblijven, tenzij beide ouders akkoord zijn.

4.5

De man verzet zich daartegen. Hij verzoekt het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de aanvullende verzoeken van de moeder af te wijzen en bij wijze van aanvullende verzoeken:

- Te bepalen dat ouders in het vervolg, in afwijking van de gemaakte afspraak in het ouderschapsplan op pagina 8, zelf voor de opvang van de minderjarigen zorgen als zij daartoe niet in staat zijn.

- Te bepalen dat bij een hoger te betalen bedrag aan alimentatie ten behoeve van de minderjarigen de man een bedrag van minimaal € 50,- per maand per kind kan inhouden om kleding, sportkleding, schoenen sportschoenen van te kunnen aanschaffen.

5De motivering van de beslissing

Zorgregeling

Juridisch kader

5.1

Nu de ouders gezamenlijk zijn belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen is artikel 1:253a BW van toepassing op de voorliggende verzoeken. De rechter neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van de minderjarigen wenselijk voorkomt.

Oordeel van het hof

5.2

Het hof stelt vast dat er tussen de ouders sprake is van een enorm verharde strijd en het hof maakt zich daar ernstige zorgen over. De minderjarigen zijn nog jong en bevinden zich al lange tijd tussen de strijd van de ouders. Het hof twijfelt er niet aan dat de ouders ieder voor zich goede ouders zijn, die zeer betrokken zijn bij de minderjarigen en ook het beste met hen voor hebben. Het lijkt er echter op dat de ouders onderling vrijwel elke vorm van redelijkheid en normbesef naar elkaar als gezamenlijke ouders van de minderjarigen zijn kwijtgeraakt. Het wantrouwen tussen de ouders is groot en het lukt de ouders niet elkaar - in het belang van de minderjarigen - tegemoet te treden. Het hof acht dit schadelijk voor de ontwikkeling van de minderjarigen.

5.3

Het hof acht zich gelet op het voorgaande op dit moment onvoldoende voorgelicht om een beslissing te nemen over de wijziging van de zorgregeling. Het hof heeft op dit moment onvoldoende zicht op wat het belang van de minderjarigen in dezen vergt.

5.4

Het hof ziet daarom aanleiding, zoals ook ter zitting aan partijen is voorgehouden, de raad te verzoeken een onderzoek te verrichten en daarover rapport en advies uit te brengen. Het raadsonderzoek en het gemotiveerde raadsadvies moeten in ieder geval zien op de volgende concrete vragen van het hof:

- hoe dient de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken met de niet-verzorgende ouder van de minderjarigen eruit te zien?

- is een co-ouderschapregeling in het belang van de minderjarigen?

- is er voor de minderjarigen en/of de ouders (nadere) hulpverlening noodzakelijk, zo ja: welke hulp is in dat geval passend?

- welke andere bevindingen volgen uit het onderzoek die relevant zijn voor de te nemen beslissing ten aanzien van de zorgregeling?

5.5

Het staat de raad vrij om dit onderzoek zo nodig uit te breiden met een beschermingsonderzoek.

5.6

Het hof ziet geen aanleiding om gedurende het onderzoek van de raad een wijziging in de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling te brengen. In afwachting van het onderzoek en het advies van de raad zal het hof de verdere behandeling van de zaak vijf maanden aanhouden. Partijen zullen vervolgens door het hof in de gelegenheid worden gesteld binnen twee weken schriftelijk te reageren op het rapport en advies van de raad. Zo nodig bepaalt het hof een tweede mondelinge behandeling.

Kinderalimentatie

5.7

In genoemd ouderschapsplan zijn de ouders overeengekomen dat de man met ingang van de eerste dag van de maand dat de man of de vrouw een andere woning heeft betrokken en zolang de kinderen minderjarig zijn en bij de vrouw wonen een bedrag aan kinderalimentatie betaalt van € 269,- per kind per maand. Deze bijdrage is mede gebaseerd op een zorgkortingspercentage van 25%. Partijen zijn daarbij overeengekomen dat de kinderalimentatie voor het eerst per 1 januari 2021 zal zijn onderworpen aan de wettelijke indexering. In 2022 bedraagt de kinderalimentatie ingevolge de wettelijke indexering € 282,33 per maand per kind.

5.8

Tussen partijen is niet in geschil dat vanwege een discussie over het kopen van kleding, de alimentatie met ingang van 1 januari 2022 is verlaagd naar € 255,33 per maand. Hierbij is afgesproken dat de man kleding koopt voor de minderjarigen als zij bij hem zijn.

5.9

De vrouw heeft gegriefd tegen de wijziging van de alimentatie door de rechtbank met ingang van de datum van de beschikking. De vrouw is van mening dat het aandeel van de man tenminste € 226,50 per kind per maand dient te bedragen met ingang van 7 juni 2022, rekening houdend met de afspraak ten aanzien van de (sport)kleding dan wel een bedrag zoals het hof in goede justitie zal vermenen te behoren. Gelet op de inhoud van het dossier en wat op de zitting is behandeld begrijpt het hof het verzoek van de vrouw in hoger beroep aldus dat de vrouw meent dat de man nog steeds de overeengekomen, inmiddels geïndexeerde alimentatie kan en moet voldoen en dat, als er opnieuw moet worden gerekend met andere inkomensgegevens, de man ten minste een bedrag van € 226,50 per maand per kind zou moeten voldoen naast een bedrag van € 53,- voor de (sport) kleding van de kinderen. Het hof wijst ook op het verweerschrift in eerste aanleg van de vrouw, waarin zij zich verzet tegen wijziging van de alimentatie en naar voren heeft gebracht dat wat de man stelt, op zich geen wijziging van de alimentatie met zich brengt (randnummer 18).

5.10

Ter zitting is gebleken dat de rechtbank van onjuiste dan wel onvolledige gegevens is uitgegaan bij de berekening van de draagkracht van de man en van zijn partner. In eerste aanleg was namelijk niet bekend dat de partner van de man inkomen uit dividend geniet. Daarnaast is in hoger beroep duidelijk geworden dat het inkomen van de man hoger is (in 2022 € 100.359,- volgens de aangifte IB 2022) dan de rechtbank op basis van pro forma berekeningen aan haar beoordeling ten grondslag heeft gelegd (€ 89.073,- althans € 84.913,-). Dit betekent dat de grief van de vrouw slaagt en dat allereerst opnieuw moet worden bezien of het verzoek van de man tot wijziging van de overeengekomen alimentatie, kan worden toegewezen.

5.11

De man heeft daartoe aangevoerd dat gelet op de uitbreiding van de zorgregeling gerekend moet worden met een zorgkortingspercentage van 35% in plaats van 25% en dat hij onderhoudsplichtig is geworden voor zijn dochter [minderjarige 3] die op [geboortedatum] 2022 is geboren.

5.12

Artikel 1:401, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat een rechterlijke uitspraak of overeenkomst betreffende levensonderhoud bij latere uitspraak kan worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.

5.13

Het hof zal allereerst beoordelen of de gewijzigde zorgregeling en de geboorte van [minderjarige 3] tot gevolg hebben dat de kinderalimentatie die de man met de vrouw in 2020 is overeengekomen, moet worden herzien. Het hof merkt daarbij op dat een redelijke wetstoepassing met zich mee brengt dat bij voldoende draagkracht, een wijziging in de inkomens- of gezinssituatie van partijen, nog geen relevante wijziging van omstandigheden vormt die noopt tot herberekening en aanpassing van de overeengekomen onderhoudsbijdrage en een andere onderlinge verdeling van de kosten van de kinderen. Er dient als er voldoende draagkracht is een draagkrachtvergelijking te worden gemaakt wanneer de alimentatie wordt vastgesteld. Maar niet zonder meer opnieuw bij iedere wijziging van omstandigheden. In deze zaak zal het hof dit ook niet doen omdat dit alleen tot gevolg zou hebben dat de ene ouder ten koste van de andere ouder in een betere positie wordt gebracht. Indien het hof dit uitgangspunt wel zou volgen, zou dit in deze zaak betekenen dat vanaf 2022 (en eigenlijk vanaf 2021, zijnde het jaar nadat partijen het ouderschapsplan hebben ondertekend) ieder jaar ten minste één nieuwe alimentatieberekening zou moeten worden gemaakt, rekening houdend met de steeds wijzigende financiële gegevens/omstandigheden van de man en de vrouw. Dit terwijl de gewijzigde omstandigheden in de levens van deze ouders zoals het verkrijgen van eigen woonruimte, de geboorte van een kind, het gaan samenwonen met een nieuwe partner, een wijziging in de zorgregeling, tijdelijk meer of minder werk en een tijdelijke WW-uitkering, niet zonder meer relevant zijn in de zin van de wet en ook niet direct aanleiding geven tot wijziging. Beide ouders zijn en blijven immers in staat om aan hun onderhoudsverplichtingen te voldoen en worden niet boven hun draagkracht belast. Het hof realiseert zich dat partijen in de loop van deze procedure er steeds meer van uit zijn gegaan dat dit uitgangspunt wel door het hof zou worden gehanteerd, zoals ook blijkt uit de mail van 13 september 2024 van mr. Bekooij, waarin zij schrijft dat partijen het er over eens zijn dat er knippen moeten worden gemaakt en wel over de jaren 2022, 2023 en 2024. Het hof acht dit uitgangspunt echter niet alleen in strijd is met de strekking van artikel 1:401 jo 1:404 lid BW, maar ook in strijd met de gerechtvaardigde belangen van de minderjarigen. Veelvuldige wijziging van de alimentatie kan onder meer leiden tot onzekerheid over de financiële situatie van de minderjaren. Een dergelijke onzekerheid geeft grotere kans op gevoelens van onveiligheid bij minderjarigen, zeker als de minderjarigen zoals in deze zaak, afhankelijk zijn van stabiele middelen voor hun basale behoeftes en hobby’s. Ook kan de voortdurende onenigheid over alimentatie en conflicten daarover minderjarigen emotioneel belasten en leiden tot verlies van vertrouwen als zij ervaren dat een ouder minder financiële verantwoordelijkheid neemt dan afgesproken of de andere ouder financiële druk ervaart. Als de man dan ook, ondanks de wijzigingen die zich in zijn omstandigheden hebben voorgedaan, nog steeds in staat is om met de vrouw in de volledige behoefte van de minderjarigen te voorzien en óók zijn aandeel in de kosten van [minderjarige 3] kan voldoen (en daarmee dus niet boven zijn draagkracht wordt belast), zal de alimentatie niet worden gewijzigd en zal het hof het verzoek van de man alsnog afwijzen. De overeengekomen onderhoudsbijdrage houdt dan immers noch door de gewijzigde zorgregeling noch door de geboorte van [minderjarige 3] op aan de wettelijke maatstaven te voldoen.

5.14

Om vast te stellen of het gewijzigde zorgkortingspercentage en de geboorte van [minderjarige 3] tot gevolg hebben dat de man boven zijn draagkracht wordt belast zal het hof allereerst de financiële gevolgen daarvan voor de draagkracht van de onderhoudsplichtige ouders beoordelen. Daarbij stelt het hof voorop dat partijen het erover eens zijn dat de behoefte van de minderjarigen totaal € 1.495,- per maand bedraagt (geïndexeerd naar 2022), derhalve afgerond € 748,- per maand per kind en dat de behoefte van [minderjarige 3] € 830,- per maand bedraagt.

De draagkracht van de man

Inkomen van de man

5.15

Het hof stelt ten aanzien van het inkomen van de man het volgende vast:

- uit de aangifte inkomstenbelasting 2022 volgt een inkomen uit arbeid van € 98.631,- en een inkomen uit uitkering van € 1.728,-, derhalve totaal € 100.359,-;

- uit de aangifte inkomstenbelasting 2023 volgt een inkomen van € 104.139,-.

Op dat inkomen dient de fiscale bijtelling van de auto van zaak van € 554,83 bruto per maand in mindering te worden gebracht, zodat het inkomen in 2022 € 93.701,04 bruto bedroeg en in 2023 € 97.481,04 bruto.

5.16

De man is in 2024 minder gaan werken. Hij werkt thans 34 uur per week in plaats van 40 uur per week. Niet in geschil is dat zijn huidige inkomen totaal € 101.923,- bruto bedraagt.

5.17

Het hof acht het gelet op de zorgtaken die de man heeft voor [minderjarige 3] niet verwijtbaar dat hij minder is gaan werken. Bovendien, zo stelt het hof vast, is er geen sprake van een forse inkomensdaling. Het hof gaat daarom voorbij aan de stelling van de vouw dat de inkomensdaling aan de zijde van de man voor zijn rekening en risico dient te komen.

5.18

Het hof concludeert dat het inkomen van de man in de afgelopen jaren niet ingrijpend is gewijzigd.

5.19

Het hof acht het redelijk om voor het inkomen van de man uit te gaan van het gemiddelde over de periode 2022-2024, derhalve een bedrag van € 97.701,- bruto per jaar. Op basis hiervan bedraagt het netto besteedbare (NBI) van de man € 4.888,- per maand.

5.20

Op grond van de draagkrachttabel 2022 bij het rapport Alimentatienormen 2022 heeft de man met dit NBI een draagkracht van afgerond € 1.681,- per maand (70% [4.888 – (0,3 x 4.888 + 1.020)]).

De draagkracht van de partner van de man

Inkomen partner van de man

5.21

Het hof stelt ten aanzien van het inkomen van de partner van de man het volgende vast:

- uit de aangifte inkomstenbelasting 2022 volgt een inkomen uit arbeid van € 29.775,- en een inkomen uit uitkering van € 1.381,-, derhalve totaal € 31.156,-;

- uit de aangifte inkomstenbelasting 2023 volgt een inkomen uit arbeid van € 24.680,-.

5.22

Uit de salarisspecificaties van de partner van de man over de maanden juni, juli en augustus 2024 blijkt dat het salaris van de partner van de man licht is gestegen naar € 2.160,- per maand, hetgeen neerkomt op een bedrag van € 25.920,- per jaar.

5.23

Ook voor het inkomen van de partner van de man zal het hof uitgaan van een gemiddeld inkomen over de periode 2022-2024, derhalve een inkomen van gemiddeld € 27.252,- per jaar.

5.24

Niet in geschil is dat de partner van de man naast haar inkomen uit arbeid ook inkomen uit verhuur geniet. Uit de door de man overgelegde stukken en zijn toelichting daarop volgt dat de huur aanvankelijk € 1.800,- per maand bedroeg, dat die huur vanwege de jaarlijkse indexering is verhoogd naar € 1.900,- per maand en vervolgens naar € 2.000,- per maand. Het hof acht het redelijk om, gelet op de maken kosten in verband onder meer met de gemeentelijke belastingen en onderhoud, rekening te houden met een bedrag aan huurinkomsten van € 1.600,- netto per maand.

5.25

Ter zitting hierover ondervraagd is gebleken dat de partner van de man ook inkomen uit dividend ontvangt. Het hof acht het op basis van productie 50 aannemelijk dat het gaat om een bedrag van totaal € 627,53 netto per maand, derhalve € 7.530,- netto per jaar.

5.26

Op basis van het voorgaande bedraagt het NBI van de partner van de man € 4.412,- per maand.

5.27

Volgens de hiervoor vermelde methode heeft de partner van de man een draagkracht van € 1.448,- per maand.

5.28

Uit het voorgaande volgt dat de man en zijn partner tezamen voldoende draagkracht (totaal € 3.129,-) hebben om in de kosten van [minderjarige 3] (van € 830,- per maand) te voorzien en dat de man daarnaast vanuit zijn draagkracht nog steeds volledig kan voorzien in de kosten van [de minderjarige 2] en [ de minderjarige 1] voor zover deze volgens de afspraak tussen partijen voor zijn rekening komen, inclusief de zorgkorting op basis van een zorgkortingspercentage van 35%.

5.29

Dit leidt ertoe dat de bestreden beschikking vernietigd dient te worden en het verzoek van de man tot wijziging van de kinderalimentatie alsnog dient te worden afgewezen. De vrouw heeft nog gevraagd om opname van de afspraak van partijen ten aanzien van de (sport) kleding van de minderjarigen in het dictum. Het hof zal dit verzoek afwijzen. Partijen zijn het erover eens dat dat de man een bedrag van € 53,- per maand aanwendt voor de aanschaf van (sport)kleding voor de minderjarigen als zij bij hem zijn. Dit bedrag wordt door hem op de overeengekomen alimentatie ingehouden en het is aannemelijk dat hij dit ook aanwendt voor de aankoop van (sport)kleding voor de kinderen. De afspraak die partijen hierover hebben gemaakt bindt partijen maar leent zich niet voor opname in het dictum. Het is aan partijen om overeenstemming te bereiken over welke kleding met dit bedrag moet worden aangeschaft en welke kleding nog voor rekening van de vrouw komt die in principe alle verblijfsoverstijgende kosten draagt.

5.30

Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

6De beslissing

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking ten aanzien van de kinderalimentatie;

wijst het inleidend verzoek van de man tot wijziging van de kinderalimentatie alsnog af;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

verzoekt de raad een onderzoek in te stellen conform hetgeen hiervoor onder rechtsoverweging 5.4 en 5.5 is overwogen;

verzoekt de raad tijdig vóór de hierna te noemen pro forma datum rapport en advies uit te brengen aan het hof, onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de raadslieden van partijen;

houdt iedere verdere beslissing aan tot zaterdag 31 mei 2025.

Deze beschikking is gegeven mrs. A.E. Sutorius-Van Hees, S.H.M. van der Heiden en B. du Fossé, bijgestaan door mr. A. Wijtzes als griffier, en is op 8 januari 2025 door mr. A.A.F. Donders uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.



© Copyright 2009 - 2025 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733