Datum publicatie | 19-02-2025 |
Zaaknummer | 440894 |
Procedure | Eerste aanleg - enkelvoudig |
Zittingsplaats | Zutphen |
Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
Trefwoorden | Erfrecht; Testamentair erfrecht |
Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid is onaanvaardbaar dat de nalatenschap moet worden afgewikkeld volgens het versterferfrecht. De afwikkeling dient te geschieden conform het concept-testament.Volledige uitspraak
Civiel recht
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: C/05/440894 / HZ ZA 24-308
Vonnis van 12 februari 2025
in de zaak van
[eiseres] ,
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. A.C. Koekkoek,
tegen
[gedaagde] ,
in hoedanigheid van vereffenaar van de nalatenschap van de heer [erflater] ,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. Y. De Groot-Amtari.
1De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 13 november 2024
- de akte met producties 16-18 van [eiseres]
- de akte met productie 19 van [eiseres]
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 16 januari 2025,
- de spreekaantekeningen van [eiseres] .
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
[eiseres] en de heer [erflater] (hierna: erflater) hadden een affectieve relatie met elkaar, naar [eiseres] tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard gedurende bijna vijf jaren.
Op 25 augustus 2023 heeft erflater met [notaris] (hierna: de notaris) op haar kantoor een bespreking gevoerd over het opstellen van een testament.
Op 18 september 2023 heeft de notaris een ontwerpakte van het testament (hierna: de ontwerpakte) gemaild aan erflater. Op 5 maart 2024 heeft erflater de ontwerpakte, voorzien van doorhalingen en correcties, waaronder de tekst “controle 4 mrt 2024” (hierna: het concept-testament), gemaild naar de notaris. Elke pagina van de het concept-testament is door erflater geparafeerd.
In erflaters begeleidende e-mail aan de notaris staat onder meer: “Zie PDF bijlagen met correcties, graag opmaken ter ondertekening kantoor [notaris] ”.
Erflater en [eiseres] hadden het voornemen op 17 mei 2024 met elkaar in het huwelijk te treden. Ten tijde van het overlijden van erflater waren zij reeds in ondertrouw gegaan.
Op [maart] 2024 is erflater onverwacht overleden.
[zuster van erflater] , zuster van erflater en zijn erfgenaam bij versterf, en haar beide meerderjarige kinderen, erfgenamen bij plaatsvervulling, hebben de nalatenschap van erflater verworpen.
Bij beschikking van 1 augustus 2024 heeft deze rechtbank [gedaagde] benoemd tot vereffenaar in de nalatenschap van erflater.
In een brief van 21 mei 2024 van [gemachtigde 1] als gemachtigde van [eiseres] aan mr. J.A.M. Nijman als gemachtigde van genoemde [zuster van erflater] staat het volgende:
” Enerzijds heb ik [zuster van erflater] ( [zuster van erflater] , toevoeging rechtbank) horen zeggen dat ze [erflater] (erflater, toevoeging rechtbank) op enig moment telefonisch gesproken had en dat hij haar had aangegeven dat hij met [eiseres] ( [eiseres] , toevoeging rechtbank) zou gaan trouwen en dat hij in dat kader ook zijn testament zou veranderen zodanig dat [eiseres] vanaf dat moment zijn erfgenaam zou zijn en niet langer [zuster van erflater] . Als gevolg daarvan was het [zuster van erflater] bekend wat de bedoeling was van [erflater] en daarmee was zij ook bereid ermee in te stemmen dat zijn nalatenschap naar [eiseres] zou gaan, ondanks dat het concept-testament dat volledig in lijn daarmee is opgesteld net niet meer op tijd gepasseerd heeft kunnen worden.”.
In een brief van 9 december 2024 aan de advocaat van [eiseres] schrijft de notaris:
“De vraag van [erflater] over het opstellen van zijn testament kwam binnen via een email […]
In die email schreef hij onder meer letterlijk: Ik ben 17 juli jongstleden in ondertrouw gegaan met [eiseres] en wij zijn voornemens te trouwen op 17 mei 2024. […] Ik wil vastleggen dat mijn vermogen bij sterfte overgaat naar [eiseres] , maar niet naar haar zoon als [eiseres] zou overlijden. Ik denk eraan een stichting op te richten, waarbij deze stichting ten doel heeft de financiering van educatie naar jongeren die willen werken in de Gastronomie in Nederland en/of België. Graag advies hieromtrent. […]
Zoals hij in zijn email ook al had aangegeven vertelde [erflater] dat hij een eigen stichting wilde oprichten, die zijn vermogen zou verkrijgen als [eiseres] er ook niet meer zou zijn. Het had daarbij de Stichting Cas Spijkers Academie als voorbeeld voor ogen. Zoiets wilde hij ook zelf opzetten. […]
Gezien de omvang van het vermogen van [erflater] gaf ik hem het advies om aan te sluiten bij een bestaande stichting (bijvoorbeeld het Cultuur Fonds) en daar een Fonds op Naam op te richten of om aan te sluiten bij een stichting die nu al een doelstelling heeft waarin [erflater] zich kon vinden. Hij dacht daarbij aan educatie op het gebied van voeding, bijvoorbeeld aan de Universiteit Wageningen.
We spraken af dat ik een ontwerp van zijn testament zou maken met een toelichting en dat hij ging onderzoeken of er een stichting is waarbij hij een Fonds op naam kan oprichten of dat hij toch liever aansluit bij een bestaande stichting, die een doel heeft dat hij steunt. […]
Op 22 september 2023 kwamen [erflater] en [eiseres] samen op bespreking voor hun huwelijkse voorwaarden. Omdat [erflater] zijn testament persoonlijk wilde behandelen kwam zijn testament nauwelijks ter sprake. Aan het einde van de bespreking gaf hij wel aan geen eigen stichting of fonds op naam op te willen richten, maar aan te willen sluiten bij een bestaand goed doel, waarvan ik de naam nog zou ontvangen.
[…]”.
3Het geschil
[eiseres] vordert - samengevat - dat de rechtbank voor recht zal verklaren dat de erfopvolging van de nalatenschap van erflater niet op grond van het wettelijk versterferfrecht plaats dient te vinden, maar op grond van de als productie 3 bij dagvaarding overgelegde conceptversie van het testament.
[eiseres] legt aan haar vordering het volgende ten grondslag. Het versterferfrecht moet op grond van de redelijkheid en billijkheid buiten toepassing worden verklaard als bedoeld in artikel 6:2 Burgerlijk Wetboek (BW), omdat toepassing van het versterferfrecht in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
[gedaagde] refereert zich aan het oordeel van de rechtbank en concludeert dat de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, een beslissing neemt die zij in goede justitie juist acht.
Op de stellingen van partijen, voor zover van belang, zal onder de beoordeling worden ingegaan.
4De beoordeling
Productie 23 bij dagvaarding, waaraan [eiseres] in haar vordering refereert, is het concept-testament.
Behoudens uitzonderingen die in deze zaak niet aan de orde zijn, bepaalt artikel 4:94 BW dat een uiterste wil alleen kan worden gemaakt bij een notariële akte of bij een aan een notaris in bewaring gegeven onderhandse akte. Deze bepaling strekt ertoe dat de notaris ten tijde van het passeren van de akte kan controleren of de inhoud van de akte overeenstemt met de wil van erflater. De notariële akte waarborgt dus dat deze de wil van erflater correct weergeeft.
Volgens artikel 4:109 lid 1 BW is een uiterste wil nietig, indien daaraan de vereiste ondertekening door de erflater ontbreekt.
Het concept-testament is geen notariële akte en is evenmin bij de notaris in bewaring gegeven. Daarmee staat vast dat het concept-testament niet kwalificeert als een uiterste wil in de zin van de wet. Dit heeft tot gevolg van de nalatenschap van erflater – in beginsel – volgens het versterferfrecht moet worden afgewikkeld.
Waar [eiseres] in de onderbouwing van haar vordering refereert aan artikel 6:2 BW, doelt zij, naar de rechtbank begrijpt, op lid 2 van dat artikel, dat luidt als volgt:
“Een tussen hen (schuldeiser en schuldenaar, toevoeging rechtbank) krachtens wet, gewoonte of rechtshandeling geldende regel is niet van toepassing, voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.”
Het Gerechtshof Amsterdam overwoog in zijn arrest van 3 december 2024 (ECLI:NL:GHAMS:2024:3326) als volgt:
“4.2.4 Het hof stelt voorop dat de wettelijke regeling van erfopvolging van artikel 4:1 BW tot uitgangspunt neemt dat de erfopvolging plaatsvindt via het (wettelijk) stelsel van versterf, en dat daarvan kan worden afgeweken bij een uiterste wilsbeschikking. Artikel 4:42 BW schrijft voor dat een uiterste wilsbeschikking alleen bij uiterste wil kan worden opgemaakt; aan het opmaken daarvan stelt artikel 4:94 BW specifieke vormvereisten. Uitgezonderd enkele in de wet beschreven noodgevallen (zie de artikelen 4:97 - 4:107 BW) , kan een uiterste wil alleen worden opgemaakt bij een notariële akte of bij een aan een notaris in bewaring gegeven onderhandse akte.
Het hof ziet zich in deze zaak allereerst voor de vraag gesteld of op grond van de redelijkheid en billijkheid van het hiervoor beschreven wettelijke stelsel kan worden afgeweken. Het hof is van oordeel dat artikel 6:2 lid 2 BW de rechter de mogelijkheid biedt om in bepaalde gevallen een rechtsregel buiten toepassing te laten (zie ook: (Hof Den Haag 12 mei 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:891). Hoewel dit artikel in boek 6 van het burgerlijk wetboek is opgenomen, zijnde het algemeen gedeelte van het verbintenissenrecht, is het hof van oordeel dat ook in het kader van het erfrecht van het wettelijk stelsel kan worden afgeweken indien toepassing van dat stelsel naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Uit de wetsgeschiedenis van artikel 6:2 lid 2 BW blijkt immers niet dat - buiten de aangegeven gevallen voor analogische toepassing - geen plaats zou zijn om in bepaalde gevallen een rechtsregel buiten toepassing te laten. Het wordt aan de vrije waardering van de rechter overgelaten daartoe over te gaan indien hij daartoe voldoende grond aanwezig acht (Parlementaire Geschiedenis BW Boek 6, p. 837).
[…]
Het hof overweegt voorts dat een rechter terughoudend dient te zijn met het buiten toepassing laten van een rechtsregel; hij zal deze regel alleen buiten toepassing kunnen laten als toepassing daarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbare gevolgen zou hebben. Daarvoor moet er sprake zijn van uitzonderlijke bijkomende omstandigheden, nu het wettelijk stelsel de gerechtigdheid van de erfgenamen die door de wet zijn aangewezen tot uitgangspunt neemt, en het beginsel van rechtszekerheid daarin een belangrijke rol speelt.”.
De rechtbank maakt deze overwegingen tot de hare.
Haar stelling dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de nalatenschap van erflater volgens het versterferfrecht wordt afgewikkeld en dat de nalatenschap moet worden afgewikkeld overeenkomstig het concept-testament, baseert [eiseres] op de feiten en omstandigheden die zijn vermeld onder de feiten. Daaraan voegt zij toe dat volstrekte zekerheid bestaat dat het concept-testament overeenstemt met de uiterste wil van erflater op het moment van diens overlijden.
De rechtbank overweegt het volgende. Gezien die hiervoor bedoelde feiten en omstandigheden staat volgens de rechtbank vast dat erflater het voornemen had zijn uiterste wil te laten vastleggen in een notariële akte en dat dat voornemen uitsluitend niet tot uitvoering is gekomen als gevolg van het onverwachte overlijden van erflater. Dit oordeel berust op het volgende. Tijdens zijn eerste gesprek met de notaris op 25 augustus 2023 heeft erflater zijn wensen met betrekking tot zijn uiterste wil met de notaris besproken, waarna zij hem op 18 september 2023 de ontwerpakte heeft gestuurd. Het concept-testament heeft hij op 5 maart 2024, dus in het zicht van het huwelijk, aan de notaris geretourneerd met de aan het slot van r.o. 2.3 geciteerde tekst. Kort voor de datum waarop [eiseres] en erflater in het huwelijk zouden treden, is erflater overleden. Ter zitting heeft [eiseres] verklaard dat erflater aanvankelijk financieel niet in staat was de kosten van de notaris te dragen en dat daarom na 18 september 2023 geruime tijd is verstreken alvorens erflater het concept-testament aan de notaris heeft geretourneerd zonder een afspraak te maken voor het passeren van de notariële akte.
Voor de beantwoording van de vraag of het concept-testament de uiterste wil van erflater correct weergeeft, acht de rechtbank het volgende van belang. In de ontwerpakte is [eiseres] als enig erfgenaam opgenomen. De in het concept-testament opgenomen doorhalingen en correcties hebben daarop geen betrekking en erflater heeft dus geen blijk gegeven van een wens die erfstelling aan te passen (integendeel: in de rechterkantlijn van het concepttestament staat bij die erfstelling een krul) en er is dan ook geen enkele aanleiding, mede in het licht van het voorgenomen huwelijk, eraan te twijfelen dat die erfstelling overeenkomstig de wil van erflater is.
In de ontwerpakte is sprake van een zgn. tweetrapsmaking. Volgens de ontwerpakte is de verwachter “Stichting Prins Bernahard Cultuurfonds”. Volgens [eiseres] kwam dat “uit de koker van” de notaris. Laatstgenoemde heeft, als informant tijdens de mondelinge behandeling, bevestigd dat zij die naam heeft geopperd en dat valt ook te lezen in haar brief van 9 december 2024 (r.o. 2.9). Tot de correcties van erflater behoort de doorhaling van die naam met in plaats daarvan de vermelding van “Stichting Cas Spijkers Academie” als verwachter. Voorts hoort tot de correcties logischerwijze de doorhaling van bepalingen in de ontwerpakte die rechtstreeks voortvloeien uit de vermelding van de Stichting Prins Bernhard Fonds als verwachter in de ontwerpakte. Volgens de eerdergenoemde brief van 9 december 2024 van de notaris heeft erflater tegenover de notaris de Stichting Cas Spijkers Academie genoemd als voorbeeld van een door hem te kiezen/aan te wijzen verwachter. De vermelding van de Stichting Prins Bernhard Fonds als verwachter in het concept-testament is geheel in lijn met het advies van de notaris aan erflater om aan te sluiten bij een bestaande stichting.
In de ontwerpakte was een drietal legaten opgenomen. Deze zijn in het concept-testament doorgehaald met vermelding van het woord “vervallen” in de linkerkantlijn.
Het concept-testament bevat nog enkele aanpassingen, dit betreft de (omcirkelde) woorden 1% wettelijk” in de linkerkantlijn bij artikel 5 onder het kopje “
[notaris] heeft tijdens de mondelinge behandeling als informante verklaard dat zij de absolute overtuiging heeft (“uit de grond van mijn hart”) dat het concept-testament de wil van erflater weergeeft.
Voor de beantwoording van de vraag of het concept-testament de uiterste wil van erflater correct weergeeft, kent de rechtbank geen betekenis toe aan het tijdsverloop sedert 18 september 2023. Daaromtrent heeft [eiseres] namelijk ter zitting verklaard dat erflater geen financiële middelen had om de kosten van de notaris te dragen en dat hij om die reden nog geen afspraak had gemaakt voor het passeren van de notariële akte, terwijl aanwijzingen voor enige andere reden voor dat tijdsverloop ontbreken.
Op grond van het bovenstaande concludeert de rechtbank dat vaststaat dat het concept-testament de wil van erflater correct weergeeft. De rechtbank heeft ook de overtuiging dat erflater een notariële akte bevattende die uiterste zou hebben doen passeren indien hij niet voortijdig zou zijn overleden.
Onder deze – naar het oordeel van de rechtbank: uitzonderlijke – omstandigheden is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat erfopvolging van de nalatenschap van erflater geschiedt volgens het versterferfrecht en dient deze te geschieden volgens het concept-testament. De vordering is daarom toewijsbaar.
Nu [gedaagde] zich refereert aan het oordeel van de rechtbank, ziet de rechtbank geen aanleiding tot het uitspreken van een proceskostenveroordeling. De proceskosten zullen worden gecompenseerd als hierna omschreven.
Een beslissing bestaande uit een verklaring voor recht (r.o. 5.1), leent zich naar zijn aard niet voor een uitvoerbaarverklaring bij voorraad, terwijl dat ten aanzien van de beslissing tot compensatie van de proceskosten (r.o. 5.2) niet is gevorderd, en daarom zal de gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad worden afgewezen.
5De beslissing
De rechtbank
verklaart voor recht dat de erfopvolging van de nalatenschap van erflater niet op grond van het wettelijk versterferfrecht plaats dient te vinden, maar op grond van het concept-testament, door [eiseres] in het geding gebracht als haar productie 3,
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. O. Nijhuis en in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2025.
© Copyright 2009 - 2025 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733