Essentie (redactie)
Afwijzing verzoek wijziging kinderalimentatie. Hoewel vaststaat dat de vader onderhoudsplichtig is geworden voor [minderjarige 3] en [minderjarige 4], maakt dit nog niet dat de huidige bijdrage voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet meer in overeenstemming is met zijn draagkracht. Vader en [partner vader] houden samen, na betaling van de bijdrage voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2], meer dan voldoende draagkracht over om in de kosten van [minderjarige 3] en [minderjarige 4] te voorzien.
Datum publicatie | 20-02-2025 |
Zaaknummer | C/16/578284 / FL RK 24-721 |
Procedure | Eerste aanleg - enkelvoudig |
Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
Trefwoorden | Alimentatie; Wijziging van omstandigheden; Samengestelde gezinnen |
Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Samengesteld gezin. Aanwezigheid nieuw gezin onvoldoende reden voor wijziging van de kinderalimentatie. De draagkracht van vader is voldoende om aan al zijn onderhoudsverplichtingen te voldoen, mede gelet op de draagkracht van zijn nieuwe partner. Daarom geen splitsing van zijn draagkracht.Volledige uitspraak
Familierecht
Zaaknummer: C/16/578284 / FL RK 24-721
Kinderalimentatie
Beschikking van 30 januari 2025
in de zaak van:
[de vader],
wonende in [plaatsnaam],
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. M. van den Eshof,
e n
[de moeder],
wonende in [plaatsnaam],
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. F.A. de Munnik-Hoogendoorn.
1De procedure
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
-
het verzoekschrift van de vader met bijlagen, binnengekomen op 17 juni 2024;
-
het bericht van de vader van 5 augustus 2024 met een bijlage;
-
het verweerschrift van de moeder met bijlagen;
-
het bericht van de moeder van 2 januari 2025, met bijlagen;
-
het bericht van de vader van 3 januari 2025, met bijlagen, en;
-
het bericht van de vader van 6 januari 2025, met bijlagen.
Het verzoek en verweer zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling van 16 januari 2025. Hiervan zijn aantekeningen gemaakt. Tijdens deze behandeling zijn via videobellen gehoord:
-
de vader, bijgestaan door zijn advocaat, en
-
de moeder, bijgestaan door haar advocaat.
De rechtbank heeft partijen in de gelegenheid gesteld om nog nader overleg te voeren. Bij berichten van 22 januari 2025 hebben zij de rechtbank bericht dat zij geen overeenstemming hebben bereikt. Daarbij heeft de vader, zoals tijdens de mondelinge behandeling is besproken, zijn salarisspecificatie over december 2024 overgelegd.
2Waar gaat het over?
Wat staat vast?
De vader en de moeder zijn de ouders van:
-
[minderjarige 1], geboren op [datum];
-
[minderjarige 2], geboren op [datum].
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] staan ingeschreven op het adres van de moeder.
Op 25 augustus 2020 heeft de rechtbank bepaald dat de vader een bedrag van € 318 per kind per maand aan kinderalimentatie voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aan de moeder moet betalen. Na correctie voor de inflatie (geïndexeerd) is dit € 366,51 per kind per maand met ingang van 1 januari 2024 en € 390,33 per kind per maand met ingang van 1 januari 2025. 1
De vader is op 13 september 2022 getrouwd met [partner vader]. Zij zijn samen de ouders van:
-
[minderjarige 3], geboren op [datum];
-
[minderjarige 4], geboren op [datum].
De moeder is op 14 juni 2023 getrouwd met [partner moeder]. Omdat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] deel uitmaken van het gezin van de moeder en [partner moeder], is (ook) [partner moeder] voor hen onderhoudsplichtig.
Daarnaast heeft [partner moeder] vier kinderen uit een eerdere relatie, van wie er drie nog jonger zijn dan 21 jaar. Voor een aantal van hen geldt een co-ouderschapsregeling, zodat zij de helft van de tijd in het gezin van de moeder en [partner moeder] verblijven. Daarmee is de moeder als stiefouder ook voor hen onderhoudsplichtig.
Wat ligt voor?
De vader wil dat dit bedrag wordt gewijzigd in € 27,- per kind per maand, met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift (17 juni 2024). Volgens hem zijn de omstandigheden gewijzigd en voldoet zijn bijdrage niet meer aan de wettelijke maatstaven. Doordat hij nu ook onderhoudsplichtig is voor [minderjarige 3] en [minderjarige 4] moet zijn draagkracht worden verdeeld over de verschillende kinderen en wel naar rato van hun behoefte. De behoefte van [minderjarige 3] en [meerderjarige 4] is daarbij duidelijk hoger dan die van [minderjarige 1] en [minderjarige 2], omdat hun moeder, [partner vader], een hoog inkomen heeft en zij dus een hoge welstand gewend zijn. Daardoor blijft er minder over voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2].
De moeder is het niet eens met het verzoek. Zij wil dat het verzoek wordt afgewezen. Voor het geval de rechtbank de kinderalimentatie toch wijzigt, verzoekt zij deze vast te stellen op € 235 per kind per maand. Allereerst stelt zij dat er geen reden is om de kinderalimentatie opnieuw te berekenen. Volgens haar hoeft de bijdrage pas te worden gewijzigd als het bestaansniveau van het nieuwe gezin van de vader zodanig wordt aangetast dat instandhouding van de bijdrage niet kan worden gevergd. Hier lijdt het nieuwe gezin van de vader niet onder de kinderalimentatie, ook omdat [partner vader] een hoog inkomen heeft. Daartegenover staat dat zij en haar partner ook voor meerdere kinderen onderhoudsplichtig zijn en bij een aanpassing van de bijdrage voor hen een tekort zou ontstaan.
Voor zover de rechtbank toch tot een wijziging over zou gaan, stelt zij dat de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] veel hoger ligt dan eerder volgens de behoeftetabellen is vastgesteld. Ook zou bij een herberekening de draagkracht op een andere manier moeten worden verdeeld dan de vader voorstelt. In de methode die de vader hanteert, gaat namelijk het grootste deel van zijn draagkracht naar [minderjarige 3] en [minderjarige 4], terwijl juist hun moeder [partner vader] het meest te besteden heeft. Daardoor blijft er in het gezin van vader juist veel draagkracht over, terwijl [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tekort zouden komen.
3De beoordeling
Conclusie
De rechtbank wijst het verzoek van de vader af. Dat betekent dat de eerder vastgestelde kinderalimentatie in stand blijft en de vader die moet blijven betalen en een achterstand daarin alsnog zal moeten voldoen. De rechtbank legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt. Daarbij gaat zij in op de standpunten van partijen, voor zover die voor de beoordeling van belang zijn.
Geen reden om de alimentatie te verlagen
De rechtbank kan de alimentatie opnieuw berekenen als de omstandigheden zijn gewijzigd, waardoor de bijdrage niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet. 2 Niet iedere wijziging van omstandigheden leidt dus tot een wijziging van de alimentatie, maar alleen die wijzigingen die maken dat de bijdrage ofwel niet meer in overeenstemming is met de behoefte van de kinderen ofwel met de draagkracht van de onderhoudsplichtigen. Het zou ook niet wenselijk als iedere verandering in de financiële situatie van een van de ouders zou maken dat de alimentatie herberekend moet worden. Dit zou steeds tot nieuwe discussies (en mogelijk ook procedures) tussen de ouders kunnen leiden, wat gepaard kan gaan met de nodige spanningen waar de kinderen last van kunnen ondervinden. Hier hebben de ouders ook al meerdere procedures achter de rug over de zorgregeling, waardoor de ouders en hun kinderen nog meer dan anders gebaat zijn bij rust en voorspelbaarheid. Ook neemt de rechtbank in aanmerking dat bij de berekening van kinderalimentatie in een situatie als deze, waarin meerdere onderhoudsverplichtingen samenlopen, hooguit kan worden gekomen tot een benadering van de werkelijkheid. Ook dat maakt dat niet te lichtzinnig moet worden overgegaan tot een herberekening.
Hoewel vaststaat dat de vader onderhoudsplichtig is geworden voor [minderjarige 3] en [minderjarige 4], maakt dit nog niet dat de huidige bijdrage voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet meer in overeenstemming is met zijn draagkracht. Zijn eigen draagkracht heeft de vader, op basis van het gemiddelde van zijn recente salarisspecificaties, berekend op € 1.048 per maand. 3 Dat is nog steeds voldoende om de bijdrage voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van (in totaal afgerond) € 780 per maand te betalen. Weliswaar is de vader daarnaast nog onderhoudsplichtig geworden voor [minderjarige 3] en [minderjarige 4], maar de vader en [partner vader] houden samen, na betaling van de bijdrage voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2], meer dan voldoende draagkracht over om in de kosten van [minderjarige 3] en [minderjarige 4] te voorzien. De vader heeft de kosten van [minderjarige 3] en [minderjarige 4] namelijk zelf becijferd op (in totaal) € 1.551 per maand
4 en de draagkracht van [partner vader] op
€ 2.208 per maand 5. Daarmee is de draagkracht van [partner vader] op zichzelf al voldoende om in die kosten te voorzien. Er is dan geen reden om, zoals de vader in zijn berekeningen heeft gedaan, zijn draagkracht te verdelen (splitsen) over de vier kinderen, waardoor een veel lager bedrag beschikbaar zou zijn voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Volgens de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is een dergelijke verdeling van de draagkracht namelijk pas aan de orde als iemands draagkracht onvoldoende is om aan al diens onderhoudsverplichtingen volledig te voldoen.
6 Zoals hiervoor uiteengezet, is daarvan hier geen sprake. Het feit dat de vader inmiddels een nieuwe gezinssituatie met bijbehorende onderhoudsverplichtingen is aangegaan, is hier onvoldoende om zijn bijdrage aan de kosten van [minderjarige 1] en [minderjarig 2] nu te verlagen. De rechtbank houdt daarom de eerder vastgestelde bijdrage in stand.
Proceskosten
De vader en de moeder moeten allebei hun eigen proceskosten betalen, omdat zij elkaars ex-partners zijn.
4De beslissing
De rechtbank:
wijst het verzoek van de vader af;
bepaalt dat de vader en de moeder allebei hun eigen proceskosten moeten betalen.
Dit is de beslissing van rechter mr. M.P. den Hollander, tot stand gekomen in samenwerking met mr. J.A.M.H. de Wit, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2025 in aanwezigheid van de griffier. |
||
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden. |
||
Bijlage: indexering eerdere kinderalimentatie
Bijlage 1: indexering eerdere kinderalimentatie.
Spreekaantekeningen van de vader.
Productie 13
Productie 7.
Hoge Raad 9 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:314, rov. 3.3.2, Hoge Raad 3 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:157, rov. 3.3.2 en Hoge Raad 27 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1480 rov. 3.2.
© Copyright 2009 - 2025 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733