Gerechtshof Den Haag 13-03-2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:353


Datum publicatie13-03-2025
Zaaknummer200.321.335/01
ProcedureHoger beroep
ZittingsplaatsDen Haag
Formele relatiesEerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2022:432 (niet gepubliceerd op Rechtspraak.nl)
RechtsgebiedenCiviel recht; Verbintenissenrecht
TrefwoordenKinderen; Adoptie;
Tuchtrecht / aansprakelijkheid
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

‘Afstandsmoeders’-zaak; heeft Raad voor de Kinderbescherming in de periode 1956-1984 onrechtmatig gehandeld jegens moeders die hun kind in die periode hebben afgestaan ter adoptie? onjuiste/onvolledige voorlichting? ontvankelijkheid; gelijksoortigheidsvereiste 3:305a BW; verjaring; naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar?

Volledige uitspraak


GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht

Team Handel

Zaaknummer hof : 200.321.335/01

Zaaknummer rechtbank : C/09/598248 / HA ZA 20-825

Arrest van 13 maart 2025

in de zaak van

1 [appellante 1] ,

wonend in [woonplaats] ,

2. Stichting Bureau Clara Wichmann,

gevestigd in Amsterdam,

appellantes in het principaal hoger beroep,

geïntimeerden in het incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. L.-M. Komp, kantoorhoudend in Amsterdam,

tegen

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid),

gevestigd in Den Haag,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellant in het incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. M.M. van Asperen, kantoorhoudend in Den Haag.

Het hof zal partijen hierna als volgt noemen:

  • appellantes sub 1 en 2 gezamenlijk: de Moeders,

  • appellante sub 1: [appellante 1] ,

  • appellante sub 2: BCW,

  • geïntimeerde: de Staat.

1De zaak in het kort

1.1

In de periode 1956-1984 heeft een groot aantal ongehuwde moeders hun kind ter adoptie afgestaan. BCW komt in deze procedure op voor de belangen van deze moeders. Zij vordert dat het hof voor recht verklaart dat de Staat (meer in het bijzonder: de Raad voor de Kinderbescherming, hierna: de Raad) onrechtmatig heeft gehandeld door de vrouwen die in de periode 1956-1984 zijn gescheiden van hun kind, eenzijdig, onvolledig of onjuist te informeren over hun rechten en/of de praktische mogelijkheden om hun kind op te voeden.

1.2

[appellante 1] heeft in 1970 als ongehuwde moeder afstand gedaan van haar zoon. Zij vordert een verklaring voor recht dat de Staat onrechtmatig tegenover haar heeft gehandeld en zij wil daarnaast dat de Staat in een vervolgprocedure wordt veroordeeld om schadevergoeding aan haar te betalen.

1.3

De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen op inhoudelijke gronden.

1.4

Het hof verklaart BCW niet-ontvankelijk in haar vordering. Het hof kan namelijk niet in het algemeen een oordeel geven over de vraag of de Raad onrechtmatig heeft gehandeld jegens de achterban van BCW. Bij de beoordeling daarvan moet het hof de bijzondere omstandigheden van de individuele moeders betrekken. De belangen van de moeders zijn echter onvoldoende gelijksoortig. Zij lenen zich dus niet voor bundeling in een collectieve actie.

1.5

De rechtsvordering van [appellante 1] is verjaard. Het beroep van de Staat op verjaring is niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.

1.6

Hoewel het hof aan een inhoudelijke beoordeling van de zaak niet toekomt, is de uitkomst in zoverre hetzelfde als bij de rechtbank, dat de vorderingen niet worden toegewezen. Zoals hierna zal worden overwogen betekent het feit dat het hof in deze procedure oordeelt dat de Staat juridisch niet aansprakelijk is voor het leed van de Moeders als gevolg van de scheiding van hun kind, níet dat die scheiding “dus” hun eigen schuld is. De Moeders hadden destijds geen reële keuzevrijheid ten aanzien van de afstand ter adoptie en dit was het gevolg van het samenspel van maatschappelijke, sociale en religieuze verhoudingen in die tijd. Ook betekent de verjaring van de rechtsvordering níet dat het leed is verjaard.

2Procesverloop in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:

  • de dagvaarding van 21 april 2022, waarmee de Moeders in hoger beroep zijn gekomen van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 26 januari 2022;

  • de memorie van grieven van de Moeders, met bijlagen;

  • de memorie van antwoord in principaal appel tevens memorie van grieven in incidenteel appel van de Staat;

  • de memorie van antwoord in incidenteel appel van de Moeders;

  • de bijlagen 92-110 die de Moeders ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling hebben overgelegd.

2.2

Op 29 november 2024 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd.

3Feitelijke achtergrond

De aanloop naar deze zaak in de periode 2014-2019: het WODC-rapport van 2017, instelling Aanmeldpunt en aansprakelijkstellingen in 2019
3.1

In oktober 2014 heeft het KRO-programma Brandpunt in een televisie-uitzending met als titel “Moederziel alleen” aandacht besteed aan het verzwegen leed van wat werd genoemd ‘afstandsmoeders’ 1. In vervolg op Kamervragen daarover en een rondetafelgesprek heeft de toenmalige Minister van Veiligheid en Justitie in 2015 besloten om het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum van het Ministerie van Veiligheid en Justitie (hierna: het WODC) een verkennend onderzoek te laten uitvoeren om meer inzicht te krijgen in de problematiek en de lessen die hier voor het heden uit getrokken kunnen worden.

3.2

Het verkennende onderzoek is (in opdracht van het WODC) uitgevoerd door de Radboud Universiteit en afgerond in 2017. Het verslag daarvan staat in het rapport “Beklemd in de scharnieren van de tijd” (hierna: het WODC-rapport). Dit rapport gaat over het beleid, de praktijk en de ervaringen bij afstand ter adoptie door niet-gehuwde moeders in Nederland tussen 1956 en 1984. Het beginpunt van het onderzoek wordt gemarkeerd door de inwerkingtreding van de Adoptiewet in 1956 2, het eindpunt door de inwerkingtreding van de Wet afbreking zwangerschap (Waz) in 1984 3. Volgens het WODC-rapport is de stem van de afstandsmoeder (bewust of onbewust) genegeerd in de maatschappelijke dialoog over afstand ter adoptie.

3.3

In het WODC-rapport staat onder meer het volgende (grotendeels samengevat en zakelijk weergegeven):

  • Naar schatting hebben tussen 1956 en 1984 tussen de dertien- en veertienduizend vrouwen afstand gedaan van één of meerdere kinderen. De groep is zeer divers, door onder meer verschillen in leeftijd, achtergrond en betrokkenheid van verschillende tehuizen. Het bekende beeld van zwangere tienermeisjes gaat maar ten dele op; veel geadopteerde kinderen zijn afgestaan door meerderjarige, en sommige zelfs door gehuwde vrouwen.

  • Binnen de onderzoeksperiode zijn twéé fasen te onderscheiden: een eerste fase tot circa 1970/1975, waarin ongehuwd zwangere meisjes en vrouwen in alle opzichten (slechte economische vooruitzichten en maatschappelijk stigma) in een benarde situatie zaten, en een tweede fase daarna waarin belangrijke veranderingen optraden en zowel de achtergrond als de bejegening van de ongehuwd/ongewenst zwangere meisjes en vrouwen snel veranderde.

  • Ongehuwde moeders werden lange tijd gezien als ‘gevallen vrouwen’, omdat zij buiten het huwelijk om gemeenschap hadden gehad. Dat strookte niet met het huwelijksideaal en de maatschappelijk gewenste rol als ‘huisvrouw’. Door vooral protestant-christelijke en rooms-katholieke kringen (in de destijds verzuilde samenleving) werden tehuizen opgericht waarin de vrouwen werden opgevangen en bijgestaan. Enerzijds werd dit gezien als een christelijke plicht, anderzijds vond men dat deze groep vrouwen een bedreiging vormde voor de morele orde en daarom (her)opgevoed moest worden. Sommige vrouwen brachten hun zwangerschap door bij een gastgezin of bij familie.

  • Na de Tweede Wereldoorlog werd de ongehuwde moeder in de pedagogiek en psychiatrie steeds meer geproblematiseerd. Begin jaren zestig werd de ongehuwde moeder beschouwd als een sociaal pathologisch fenomeen en gelijkgeschakeld met andere verschijnselen van ‘onmaatschappelijkheid’ zoals prostitutie en alcoholisme. Anders dan voorheen werd geconcludeerd dat het kind van een ongehuwde moeder beter af zou zijn bij een pleeggezin.

  • Eind jaren zestig wakkerde de toenemende professionalisering van de hulpverlening het debat aan. Religieuze en vrijwillige hulpverleners werden geleidelijk vervangen door degelijk opgeleide maatschappelijk werkers. Vanaf midden jaren zeventig werd met name door de maatschappelijk werkers de boodschap uitgedragen dat maatschappelijke uitsluiting van de ongehuwde moeder misplaatst en ongewenst was.

  • In beginsel was de hulpverlening aan ongewenst zwangere meisjes en vrouwen niet principieel voor of tegen het afstaan van een kind. In het merendeel van de onderzochte dossiers, getuigt de rapportage van een zorgvuldig, afgewogen proces, waarin al dan niet het besluit werd genomen het kind af te staan ter adoptie. De conclusie op basis van dit verkennende onderzoek (er is geen diepgravend onderzoek verricht naar de procedures van de tehuizen) is dat er geen aanwijzingen zijn dat in Nederland tussen 1956 en 1984 sprake is geweest van formele dwang (dwang door wetshandhavers) bij afstand ter adoptie.

  • Over informele dwang (dwang die buiten de wettelijke kaders plaatsvindt) is minder stellig een uitspraak te doen. Er waren veel personen die invloed konden uitoefenen op de moeder, ook degenen die binnen de vastgelegde protocollen opereerden. Het is te betwijfelen of afwijkingen van het protocol ook gerapporteerd werden. Er is in de dossiers geen bewijs van afwijkingen gevonden.

  • Uit de interviews blijkt dat zeker sprake is geweest van gepercipieerde informele dwang tot het afstaan van het kind. De ervaringen van de moeders “laten zien dat huisartsen, maatschappelijk werkers, ouders en andere betrokkenen een moeder dusdanig onder druk konden zetten, dat zij bij het maken van de keuze haar kind af te staan geen gehoor meer kon geven aan haar eigen wens om het kind te houden.

  • Bovendien lijkt er ook in veel gevallen sprake te zijn geweest van drang. Vooral bij minderjarige moeders waren de ouders een belangrijke machtsfactor bij de besluitvorming. De maatschappelijk werker kon deze invloed niet altijd afdoende doorbreken, ook al probeerden hulpverleners door een-op-eengesprekken te achterhalen wat de moeder eigenlijk zelf wilde. “De boodschap van de omgeving om het kind af te staan kon echter al dusdanig door een moeder zijn geïnternaliseerd dat zij niet in staat was om werkelijk autonoom een afweging te maken.” Meerderjarige moeders leken meer invloed te hebben, maar ook bij hun keuze werd gekeken naar de standpunten van de ouders, ook al hadden deze vrouwen een baan en een zelfstandig bestaan. “Voor hen was vaak een belangrijke overweging dat zij niet zelfstandig in staat waren om een kind op te voeden. Tegenwicht bieden aan de ouders was vaak moeilijk voor hulpverleners.”

  • Naast de ouders konden ook hulpverleners, zowel maatschappelijk werkers als huisartsen, al te zeer van invloed zijn op de besluitvorming. “Met hun professionele kennis konden zij het vooruitzicht op ongehuwd moederschap dusdanig kleuren dat een moeder ervan overtuigd raakte dat zij haar kind niet zelfstandig kón opvoeden.” De informanten geven aan dat zij destijds niet afdoende zijn geïnformeerd, noch over de gevolgen van de afstand ter adoptie, noch over hun rechten en mogelijkheden – zoals het recht op een bijstandsuitkering na 1965 – als alleenstaande ouder.

  • De normatieve maatschappelijke en godsdienstige druk in met name de jaren vijftig, zestig en de vroege jaren zeventig lijkt voor veel geïnterviewde afstandsmoeders doorslaggevend te zijn geweest. “De dreiging zichzelf door ongehuwd moederschap buiten de samenleving te plaatsen, was voor veel vrouwen genoeg reden om te besluiten het kind af te slaan.” Aan de moeder werd door hulpverleners verteld dat zij na de afstand ter adoptie verder kon gaan met haar leven: ze kon een opleiding afmaken, gaan werken en een man vinden om een gezin mee te stichten. De conservatieve opvattingen leken in de jaren vijftig, zestig en vroege jaren zeventig onaantastbaar. De normatieve druk die afstandsmoeders in het verleden hebben ervaren, heeft hun dan ook reële keuzevrijheid ten aanzien van afstand ter adoptie ontnomen. Bijna alle geïnterviewde vrouwen stellen dat zij ten tijde van hun zwangerschap de gevolgen van de afstand ter adoptie nooit hebben kunnen overzien; het verdriet door de scheiding van hun kind is dusdanig groot

dat de gevolgen ervan pas later in het leven duidelijk worden.

- Vanaf de jaren zeventig verdween langzaam maar zeker de morele afkeuring rond seksualiteit buiten het huwelijk om en rond ongehuwd moederschap. De keuzemogelijkheden van onbedoeld zwangere vrouwen breidden zich daardoor in relatief korte tijd uit. Veel afstandsmoeders lijken door hun ongewenste zwangerschap dan ook beklemd te zijn geraakt in de scharnieren van de tijd, waarbij afstand ter adoptie de enige uitweg leek ondanks dat ingrijpende maatschappelijke veranderingen zich al aan de horizon aan het aftekenen waren.

3.4

De WODC-onderzoekers pleiten voor een (gelijkwaardige) plaats voor de afstandsmoeder in ons maatschappelijk bewustzijn, en met haar voor de afstandsvader. Op die manier kan er volgens het rapport voor de afstandsouders openlijk aandacht komen voor de grote emotionele gevolgen die afstand ter adoptie heeft op een mensenleven. De onderzoekers pleiten ook voor een vervolgstudie, waarin een grotere groep afstandsouders aan het woord kan komen.

3.5

De minister voor Rechtsbescherming (hierna: de Minister) heeft vervolgens een verdiepend onderzoek aangekondigd in verband met, samengevat, afstand en binnenlandse adopties in de jaren 1956-1984. Met het oog op dit onderzoek is op 30 september 2019 een startconferentie gehouden. Ook is in september/oktober 2019 door en onder auspiciën van het Ministerie van Veiligheid en Justitie het zogenoemde Aanmeldpunt binnenlandse afstand en adoptie 1956-1984 (hierna ook wel: het Aanmeldpunt) ingericht, waarbij mensen zich konden opgeven als potentieel deelnemer aan het verdiepende onderzoek. [appellante 1] is een van de aanmelders.

3.6

Bij brief van 9 september 2019 heeft [appellante 1] de Staat aansprakelijk gesteld voor het leed en de schade die de Staat volgens haar onrechtmatig aan haar heeft toegebracht in verband met haar onvrijwillige scheiding en afstand van haar zoon.

3.7

Bij brief van 6 november 2019 heeft ook BCW de Staat aansprakelijk gesteld op grond van onrechtmatige daad in verband met het leed en de schade die de Staat volgens BCW heeft toegebracht aan de afstandsmoeders die haar achterban vormen. Bij brief van 20 mei 2020 heeft BCW aangekondigd dat zij naast [appellante 1] namens alle betrokken vrouwen zal optreden in een procedure tegen de Staat. De Staat heeft aansprakelijkheid van de hand gewezen.

Juridisch kader in de onderzoeksperiode

3.8

Net als nu was in de jaren 1956-1984 uitgangspunt dat de familierechtelijke band tussen moeder en kind behouden moest blijven en dat de Staat slechts onder bijzondere omstandigheden in het belang van het kind mocht ingrijpen. Ouders hadden de plicht èn het recht hun kinderen zelf te verzorgen en op te voeden en op dat uitgangspunt kon en mocht slechts inbreuk worden gemaakt als de ouders kennelijk niet in staat of niet bereid waren dit te doen.

3.9

De eerste Kinderwet uit 1901 4 voorzag in de mogelijkheid tot een kinderbeschermingsmaatregel in de vorm van ontheffing van of ontzetting uit de voogdij of de ouderlijke macht, uit te spreken door de rechter. Van ouderlijke macht werd gesproken als een kind binnen het huwelijk was geboren, bij kinderen die buiten het huwelijk werden geboren was sprake van voogdij. De zogenaamde ‘voogdijraad’ werd opgericht als vraagbaak voor de rechter. De voogdijraad kreeg ook een toezichthoudende taak, namelijk voor zover na ontheffing de voogdij werd opgedragen aan een vereniging of ‘stichting of instelling van weldadigheid’.

3.10

De naam van de voogdijraad werd in 1954 gewijzigd in ‘raad voor de kinderbescherming’. 5 Ieder arrondissement had een eigen raad. Op grond van artikel 1:461 BW (oud) had elke raad de plicht om zich op de hoogte te houden van de ontwikkeling van de kinderbescherming in zijn gebied, de samenwerking te bevorderen van de aldaar werkzame instellingen van kinderbescherming en om op verzoek of uit eigen beweging autoriteiten en instellingen te adviseren.

3.11

In 1956 is na een jarenlange parlementaire discussie de Adoptiewet in werking getreden. 6 Deze wet voerde de adoptie van een kind in als een maatregel van kinderbescherming in het belang van het kind. Adoptie was een nieuw instituut en ingegeven door de omstandigheid dat het aantal pleegkinderen in Nederland veel groter geworden was door de eerder ingevoerde maatregelen van ontheffing en ontzetting en door de toename van weeskinderen na de Eerste en Tweede Wereldoorlog. Beoogd werd met de mogelijkheid van adoptie de positie van die (als pleegkind in een gezin opgenomen) kinderen te verstevigen.

3.12

In de wetsgeschiedenis is destijds ook aandacht besteed aan het doen van afstand door de ongehuwde moeder. Volgens de memorie van toelichting 7 werd ervoor gevreesd dat invoering van de mogelijkheid van adoptie het vrijwillig afstaan van kinderen zou bevorderen, waarbij in het bijzonder gedacht werd aan ongehuwde moeders “die gevaar lopen onder de indruk van de naderende geboorte of onmiddellijk daarna gehoor te geven aan raadgevingen om het kind dadelijk af te staan aan een van de vele echtparen die een pleegkind verlangen". De wetgever achtte het echter niet waarschijnlijk dat de invoering van adoptie tot vergroting van dit gevaar zou leiden, omdat er voorheen ook al veel meer vraag naar pleegkinderen was, dan ‘aanbod’. Daarnaast zou de mogelijkheid van adoptie er juist aan kunnen bijdragen dat de moeders niet zouden ingaan op onderhandse bemiddelingspogingen, maar zich tot een kinderbeschermingsinstantie zouden wenden, met de kans dat zij dan overtuigd zouden worden van de plicht en de mogelijkheid om hun kind zelf groot te brengen. De wetgever zag wel in dat ook na invoering van de adoptiemogelijkheid een reëel gevaar zou blijven bestaan voor het buitenwettelijk afstaan en opnemen van pleegkinderen en meende dat dit gevaar het meest de ongehuwde moeder bedreigde. Om dit gevaar tegen te gaan zag de wetgever allereerst een taak voor de particuliere instellingen die zich toelegden op de hulp en steun aan de ongehuwde moeder met daarnaast de Raad als centraal punt aan de zijde van de overheid. Omdat onderkend werd dat het, ondanks de activiteiten van deze organisaties, toch niet mogelijk zou zijn om alle gevallen van afkeurenswaardige en schadelijke onderhandse bemiddelingspogingen tegen te gaan, werd voorgesteld om het uit winstbejag bevorderen van de opneming van pleegkinderen als misdrijf strafbaar te stellen. Verder blijkt uit de memorie van antwoord 8 dat erop werd vertrouwd dat de mogelijkheid van adoptie de neiging tot het afstaan van kinderen niet zou stimuleren. Verwacht werd dat de instellingen voor maatschappelijk werk en kinderbescherming zich door de mogelijkheid van adoptie niet zouden laten verleiden tot het in de hand werken van het afstaan van kinderen. De Minister van Justitie gaf de verzekering dat hij bereid was te bevorderen dat de raden voor de kinderbescherming en de kinderpolitie zich daarvoor zouden hoeden.

3.13

De gang van zaken na invoering van de Adoptiewet was als volgt. Als een vrouw had besloten afstand te doen van haar kind werd dit gemeld aan de Raad, bijvoorbeeld door de particuliere instelling waar zij verbleef of door de huisarts. De Raad was als enige instantie bevoegd om de rechter om een kinderbeschermingsmaatregel te verzoeken, meer in het bijzonder om de rechter te verzoeken om de vrouw te ontzetten of te ontheffen uit de ouderlijke macht (in geval van een gehuwde moeder) dan wel uit de voogdij (in geval van een ongehuwde moeder). Ontzetting was de meest vergaande maatregel en was alleen mogelijk op een beperkt aantal gronden zoals slecht levensgedrag, onbekwaamheid of strafrechtelijke veroordeling. Ontheffing was alleen mogelijk als het belang van de kinderen zich daartegen niet verzette en op de grond dat de ouder-voogd “ongeschikt of onmachtig” was om “zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen”. Een ontheffing kon in beginsel alleen worden uitgesproken als de ouder-voogd zich daar niet tegen verzette. Als de rechtbank dit in het belang van het kind noodzakelijk achtte, kon zij een (ouder-)voogd hangende het onderzoek naar ontheffing of ontzetting geheel of gedeeltelijk schorsen in de uitoefening van zijn voogdij en het kind voorlopig toevertrouwen aan de Raad die daarmee ook de zorg voor het kind had. Gedurende die periode werd het kind ondergebracht bij een tijdelijk pleeggezin of in een kindertehuis. Als de rechtbank een ontheffing uitsprak, moest zij voorzien in de benoeming van een voogd en toeziend voogd. De voogdij kon worden opgedragen aan een rechtspersoon, zoals een voogdijvereniging of -stichting, die zich bereid moest verklaren de voogdij te aanvaarden. De Raad moest de pleeggezinnen en inrichtingen waar de met voogdij belaste rechtspersonen de kinderen hadden geplaatst, bezoeken zo vaak hij dat dienstig vond ter beoordeling van de toestand van het kind. Een ouder-voogd die van de voogdij was ontheven (of daaruit was ontzet) kon op grond van artikel 1:425 BW (oud) de rechter verzoeken te worden hersteld in het gezag over zijn of haar kind. Als dit niet gebeurde kon een pleeggezin nadat een kind daar een jaar had verbleven, de adoptie aanvragen. Bij minderjarigheid van de biologische moeder kon adoptie pas tot stand komen als de moeder meerderjarig was geworden.

Geboorte zoon van [appellante 1] , de ontheffing en de adoptie: begin 1968 - begin 1974

3.14

[appellante 1] is in mei 1967 in verwachting geraakt en op 15 februari 1968 bevallen van een zoon, [de zoon] (hierna: de zoon). [appellante 1] was destijds 21 jaar oud en ongehuwd. De vader van het kind was haar toenmalige vriend. [appellante 1] is bevallen in de Sint Paula Stichting tehuis voor moeder en kind in Oosterbeek (hierna: de Paula Stichting). De Paula Stichting was een rooms-katholieke instelling voor de opvang van ongehuwd zwangere vrouwen.

3.15

De Paula Stichting heeft de raad voor de kinderbescherming in Arnhem (hierna: de Raad Arnhem) schriftelijk geïnformeerd over de geboorte van de zoon. De Paula Stichting heeft de Raad Arnhem ook bericht dat [appellante 1] aanvankelijk haar baby wilde houden, maar dat zij later heeft besloten afstand van hem te doen. Daarop heeft de rechter, op 25 maart 1968, op verzoek van de Raad Arnhem, de voogdij van [appellante 1] over haar zoon geschorst en hem voorlopig aan de Raad Arnhem toevertrouwd. Op 4 december 1968 heeft de rechter [appellante 1] op verzoek van de Raad Arnhem ontheven uit de voogdij over haar zoon. De Nijmeegse R.K. Stichting voor Kinderbescherming is toen benoemd tot voogdes over de zoon. Deze stichting en de Paula Stichting waren particuliere organisaties die niet met overheidsmiddelen waren gefinancierd. Zij bestaan niet meer.

3.16

De zoon van [appellante 1] heeft vanaf zijn geboorte tot 5 oktober 1970 verbleven bij de Paula Stichting. Op die datum (toen hij dus ruim 2,5 jaar oud was) is hij opgenomen in een pleeggezin. Daarna is na een beschikking van de rechter de voogdij over hem overgegaan op de pleegouders en weer later, op 31 oktober 1973, heeft de rechter de adoptie door dit echtpaar uitgesproken. De adoptiebeslissing is op 23 januari 1974 ingeschreven in de registers van de Burgerlijke Stand van de gemeente Renkum en daarmee onherroepelijk geworden.

3.17

[appellante 1] heeft haar zoon op 29 augustus 2018 voor het eerst weer ontmoet en heeft sindsdien contact met hem.

3.18

[appellante 1] heeft na de ontmoeting met haar zoon in 2018 de dossiers over haar en haar zoon opgevraagd bij de Paula Stichting en de Raad voor de Kinderbescherming. Zij heeft deze dossiers, voor zover aan haar verstrekt, begin 2019 ingezien.

3.19

In januari 2019 (45 jaar na de adoptie) heeft [appellante 1] een brief aan de Minister geschreven waarin zij ingaat op haar persoonlijke situatie, op het verdriet dat zij heeft doordat zij afstand heeft gedaan van haar zoon en op de omstandigheden waaronder zijn afstand en adoptie hebben plaatsgevonden.

Bureau Clara Wichmann; verklaringen andere moeders

3.20

BCW is een stichting die volgens haar statuten onder meer tot doel heeft het bevorderen van emancipatie van vrouwen, het verbeteren van hun rechtspositie en maatschappelijke en sociale positie en het bestrijden van hun discriminatie, in het bijzonder door het voeren van rechtszaken. BCW komt in deze zaak op voor de belangen van die moeders die in de periode 1956-1984 tegen hun wil zijn gescheiden en afstand hebben gedaan van hun kind en die eenzijdig, onvolledig en/of onjuist zijn geïnformeerd over hun rechten en/of de praktische mogelijkheden om hun kind zelf op te voeden.

3.21

In het dossier bevinden zich (naast een aantal steunverklaringen) in totaal twaalf schriftelijke verklaringen van moeders die in de periode van 1961 tot 1974 zijn bevallen en die afstand hebben gedaan van één of meer kinderen. De omstandigheden waaronder dit volgens de verklaringen is gebeurd, verschillen onderling, maar gemene deler is dat de moeders zich door meerdere betrokkenen (onder meer door hun ouders, kerk en hulpverleners) onder druk gezet hebben gevoeld om afstand te doen van hun kind en dat zij verklaren geen informatie te hebben gekregen over de mogelijkheden zelf hun kind op te voeden.

Ontwikkelingen ná de aansprakelijkstellingen van eind 2019

3.22

Op verzoek van de Minister heeft het WODC het Verwey Jonker Instituut opgedragen om het hiervóór onder 3.5 genoemde verdiepende onderzoek te verrichten. Het doel van dit verdiepende onderzoek was om vanuit de optiek van alle betrokkenen (afstandsouders, afstandskinderen, adoptieouders en hulpverleners) een completer beeld te verkrijgen van de wijze waarop de binnenlandse afstand en adoptie verliepen tussen 1956 en 1984.

3.23

Er zijn problemen ontstaan rond het hiervóór (in 3.5) genoemde Aanmeldpunt. Zo waren er problemen in verband met de bemensing van het Aanmeldpunt, de wijze van verslaglegging van gesprekken met betrokkenen en het verwerken en opslaan van die verslagen in overeenstemming met privacywetgeving. Een Commissie van onafhankelijke deskundigen en de Auditdienst Rijk hebben in opdracht van de Minister onderzoek naar die problemen verricht en daarover gerapporteerd. 9 De Minister heeft in 2021 besloten om het onderzoek van het Verweij Jonker Instituut stop te zetten naar aanleiding van de hiervoor genoemde problemen met het Aanmeldpunt. 10

3.24

In 2021 is door de Tweede Kamer een motie aangenomen 11 waarin de regering verzocht wordt om geen beroep meer te doen op eventuele verjaringstermijnen bij rechtszaken over binnenlandse adopties in het verleden. De Minister heeft in reactie op Kamervragen van het Kamerlid Van Nispen toegelicht waarom in deze zaken toch een beroep op verjaring moet kunnen worden gedaan. 12

3.25

In 2024 is de Commissie Onderzoek naar binnenlandse afstand en adoptie in de periode 1956–1984, onder voorzitterschap van prof. dr. M. de Winter (hierna: de Commissie De Winter) gestart met zijn onderzoek. De verwachting is dat dit onderzoek in mei 2025 zal zijn afgerond. De verantwoordelijk staatssecretaris heeft toegezegd dat hij passende gevolgen aan de resultaten van het onderzoek zal verbinden en daarbij ook de mogelijkheid tot het inroepen van een verjaringsverweer in procedures over deze gebeurtenissen opnieuw zal bezien. 13

3.26

In een brief van 23 juli 2024 hebben de UN Special Rapporteur on violence against women and girls, its causes and consequences en de Special Rapporteur on the promotion of truth, justice, reparation and guarantees of non-recurrence aandacht gevraagd voor de gebeurtenissen rond afstand en adoptie in Nederland in de periode 1956–1984 en de mogelijke rol van de Raad voor de Kinderbescherming daarbij. Zij hebben onder meer zorgen geuit over de wijze waarop de schade en het trauma van de moeders in Nederland is geadresseerd en over het beroep op verjaring. De Staat heeft bij brief van 22 september 2024 gereageerd. Hij heeft in die reactie verwezen naar het lopende onderzoek van de Commissie De Winter dat hij wil afwachten.

3.27

De stichting De Nederlandse Afstandsmoeder en de stichting Verleden in Zicht hebben bij brief van 14 oktober 2024 op deze brief van de Staat gereageerd. Zij herkennen zich niet in het beeld dat de Staat daarin schetst. Ook twijfelen zij aan de bereidheid van de Commissie De Winter om alle openliggende vragen te onderzoeken en vinden zij dat de Commissie bevooroordeeld is en dat de Staat zich onvoldoende coöperatief opstelt.

Overig

3.28

In het dossier bevindt zich onder meer een door de Moeders overgelegd rapport van prof. dr. M. van den Hout , klinisch psycholoog, van juni 2020, getiteld “Ter adoptie afstaan van pasgeborenen door ongehuwde moeders (1956-1980); waarom er pas recent vorderingen tegen de Staat werden ingesteld”. Van den Hout zet in dit rapport uiteen waarom naar zijn mening psychologisch verklaarbaar is dat pas recent een vordering tegen de Staat is ingesteld en waarom betrokkenen dat niet eerder deden/konden doen. Hieronder wordt op dit rapport teruggekomen.

4De procedure bij de rechtbank

4.1

De Moeders hebben de Staat gedagvaard en (na eiswijziging) samengevat gevorderd dat de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. wat betreft [appellante 1]: (i) voor recht verklaart dat de Staat onrechtmatig ten opzichte van [appellante 1] heeft gehandeld en aansprakelijk is voor de schade die zij heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van de onrechtmatige gedragingen van de Staat en (ii) de Staat veroordeelt tot vergoeding van de materiële en immateriële schade die [appellante 1] als gevolg van dit onrechtmatig handelen en nalaten heeft geleden, nader op te maken bij staat en te vermeerderen met rente vanaf de dag waarop zij feitelijk van haar zoon werd gescheiden, dan wel vanaf de dag waarop zij definitief uit de voogdij over haar zoon werd ontheven;

  2. wat betreft BCW: voor recht verklaart dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld ten opzichte van de vrouwen die in de periode 1956 tot 1984 van hun kind zijn gescheiden en daarbij eenzijdig en/of onvolledig en/of onjuist waren geïnformeerd over hun rechten en/of de praktische mogelijkheden ten aanzien van de opvoeding van hun kind;

  3. wat betreft beiden: de Staat te veroordelen in de kosten van dit geding.

4.2

De Moeders hebben hiertoe aangevoerd dat de Staat zijn internationaalrechtelijke verplichting om de familierechtelijke betrekkingen te beschermen (onder andere voortvloeiend uit artikel 8 EVRM) heeft geschonden. Hij heeft volgens hen ook gehandeld in strijd met de op hem rustende wettelijke verplichtingen en ongeschreven zorgvuldigheidsnorm die hem ertoe verplichtte [appellante 1] en de moeders voor wie BCW opkomt te behoeden voor de scheiding van hun kind. De Moeders verwijten de Staat (meer in het bijzonder de Raad) dat hij actief eraan heeft bijgedragen dat moeders tegen hun wil afstand hebben gedaan van hun kind en dat hij in elk geval onvoldoende heeft gedaan om dat te voorkomen. De Raad was de ‘spin in het web’ in het traject dat leidde tot afstand en uiteindelijk adoptie. De Raad was immers de enige instantie die de rechter kon verzoeken om de ontheffing of ontzetting van de moeder uit de ouderlijke macht/de voogdij. Door toedoen of nalaten van de Raad zijn de Moeders eenzijdig, onvolledig en/of onjuist geïnformeerd over hun rechten en praktische mogelijkheden om hun kind op te voeden. Volgens [appellante 1] staan er veel onjuistheden in haar dossiers. Zij stelt dat zij door alle betrokken instellingen onder druk is gezet om afstand te doen van haar zoon en dat zij niet is voorgelicht.

4.3

De Staat heeft de ontvankelijkheid van BCW betwist. Bovendien heeft hij zich ten aanzien van zowel [appellante 1] als BCW beroepen op verjaring. De Staat heeft ook inhoudelijk verweer gevoerd tegen de vorderingen.

4.4

De rechtbank heeft, samengevat, als volgt geoordeeld:

  • BCW is ontvankelijk in haar vordering.

  • Er zijn goede gronden voor de conclusie dat het beroep van de Staat op verjaring slaagt, maar de rechtbank wijst de vorderingen op andere (inhoudelijke) gronden af.

  • De Staat heeft niet onrechtmatig gehandeld ten opzichte van de achterban van BCW en [appellante 1] . Redengevend is dat niet is komen vast te staan dat de Raad in de periode 1956-1984 structureel of, in het concrete geval van [appellante 1] , bij de uitoefening van zijn taken in verband met de afstand en adoptie van kinderen van de achterban van BCW of van [appellante 1] fouten heeft gemaakt die juridisch verwijtbaar zijn in de door de Moeders gestelde zin. De rechtbank baseert zich wat betreft de vordering van BCW in belangrijke mate op het WODC-rapport uit 2017. Daaruit blijkt onder meer dat er geen aanwijzingen zijn dat er formele dwang is geweest, maar dat de betrokken afstandsmoeders zich destijds wel informeel onder dwang voelden staan om hun kind af te staan. Ook blijkt daaruit dat zij toen bij die afstand geen reële keuzevrijheid hebben gehad vanwege de normatieve druk van de omgeving (vanuit ouders en hulpverleners zoals huisartsen en maatschappelijk werkers). Volgens het rapport is het ontbreken van die keuzevrijheid het gevolg van het samenspel van maatschappelijke, sociale en religieuze verhoudingen in die periode. Mede hierom kan niet worden gezegd dat de Raad onrechtmatig ten opzichte van de afstandsmoeders heeft gehandeld. Dat geldt temeer nu het niet de taak was van de Raad om de individuele moeders voor te lichten en te adviseren over praktische en juridische mogelijkheden.

  • Ook in het geval van [appellante 1] heeft de Raad (waarbij het ging om de Raad Arnhem) volgens de rechtbank niet onrechtmatig gehandeld. Een belangrijke reden daarvoor is dat partijen verschillende standpunten hebben over de feitelijke gang van zaken destijds, waarbij de herinnering van [appellante 1] daarover veelal afwijkt van de inhoud van de rapportages van de Raad Arnhem. De rechtbank kan nu, ruim vijftig jaar later, niet vaststellen wie van de partijen gelijk heeft.

5De vorderingen in hoger beroep

5.1

De Moeders zijn in hoger beroep gekomen omdat zij het niet eens zijn met het vonnis. Zij hebben verschillende bezwaren tegen het vonnis aangevoerd en vorderen hetzelfde als bij de rechtbank.

5.2

Met grief 1 voeren de Moeders aan dat de rechtbank de taken en bevoegdheden van de Raad te beperkt en onjuist heeft uitgelegd. De Raad was de ‘spin in het web’. De wetgever heeft met de invoering van de Adoptiewet aan de Raad de rol van ‘beschermheer’ van de betrekking tussen de (ongehuwde) moeder en het kind toegekend. De Raad moest de moeders beschermen tegen de maatschappelijke, sociale en religieuze druk tot het doen van afstand. Deze taak vloeide onder meer voort uit de wet, artikel 8 EVRM en de ongeschreven zorgvuldigheidsnorm. De Raad had op grond daarvan onder meer een algemene toezichthoudende taak op de particuliere instellingen. Ook was de Raad rechtstreeks betrokken bij het maatschappelijk werk ter ondersteuning van de moeder en, door het onderzoek naar de gezinssituatie, bij individuele gevallen van afstand. Bovendien had de Raad de taak om de individuele moeders voor te lichten over de praktische en juridische mogelijkheden om hun kind zelf op te voeden. De Moeders wijzen er op dat een ongehuwde moeder ook destijds het wettelijk recht had om haar eigen kind te verzorgen en op te voeden. Grief 2 ziet specifiek op de beoordeling van de vordering van BCW en houdt in dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de Raad niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens de achterban van BCW. BCW verwijt de Raad onder meer dat deze onderzoeksrapporten niet of onvoldoende heeft gecontroleerd dan wel zelf onzorgvuldig heeft opgesteld en dat de Raad geen of onjuiste informatie en voorlichting heeft gegeven aan de vrouwen, terwijl bekend was dat de vrouwen die voorlichting niet of onvoldoende kregen in de particuliere instellingen. Grief 3 heeft betrekking op de beoordeling van de vordering van [appellante 1] en houdt in dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de Raad Arnhem niet onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld. Volgens [appellante 1] is de Raad Arnhem ten onrechte blindelings uitgegaan van de juistheid van de rapporten van de Paula Stichting, terwijl daar aantoonbaar onjuistheden in stonden. Ook verwijt [appellante 1] de Raad Arnhem dat deze geen zelfstandig, volledig en objectief onderzoek heeft gedaan, niet ervoor heeft gezorgd dat [appellante 1] adequate hulp en bijstand kreeg, naliet haar in het besluitvormingsproces te betrekken en ten onrechte na de ontheffing geen verzoek tot herstel van de voogdij heeft gedaan toen haar zoon nog lange tijd in de Paula Stichting verbleef. Met grief 4 voeren de Moeders aan dat de verjaringstermijn nog niet is verstreken en subsidiair, voor zover dat al wel het geval is, dat de verjaring moet worden doorbroken, omdat het beroep van de Staat op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

5.3

De Staat heeft verweer gevoerd. De Staat heeft in de eerste plaats aangevoerd dat de vorderingen zijn verjaard. Verder heeft hij de (overige) grieven bestreden. De Staat heeft in incidenteel hoger beroep één grief aangevoerd. Deze incidentele grief strekt ertoe dat BCW niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar vordering, omdat volgens de Staat niet aan het gelijksoortigheidsvereiste van 3:305a BW is voldaan.

6De beoordeling door het hof

Inleiding
6.1

Dit is een dossier vol leed. Dat leed is reëel en invoelbaar; de juridische beoordeling van de vorderingen hierna doet daar niets aan af. Het hof heeft oog voor dit leed. Dat dit leed nog altijd voortduurt werd opnieuw duidelijk door de indringende, ter zitting afgelegde verklaringen. Niet ter discussie staat dat sprake is van een zwarte bladzijde in de geschiedenis van Nederland (aldus ook de Staat, ter zitting bij de rechtbank). Naar schatting hebben tussen de dertien- en veertienduizend vrouwen tussen 1956 en 1984 een (of meerdere) kind(eren) afgestaan ter adoptie. In die tijd werd anders gekeken naar en gedacht over ongehuwde zwangere vrouwen dan nu. Zwangerschap buiten het huwelijk werd veelal als een schande gezien en de moeders werden in het algemeen niet (goed) in staat geacht om hun kind alleen op te voeden. Uit alle overgelegde verklaringen van moeders en ook uit het WODC-rapport (zie 3.3. hierboven) blijkt dat ongehuwde moeders door een samenspel van maatschappelijke, sociale en religieuze factoren geen reële mogelijkheid kregen om ervoor te kiezen hun kind zelf op te voeden. Er werd grote druk op hen uitgeoefend door allerlei betrokkenen uit hun omgeving, waaronder hun ouders, huisarts, de kerk en betrokken hulpverlenende instanties, om hun kind ter adoptie af te staan.

6.2

Kern van het betoog van de Moeders is dat de Raad voor de Kinderbescherming hen tegen die maatschappelijke, sociale en religieuze druk had moeten beschermen en dat de Raad onrechtmatig heeft gehandeld door dat niet te doen. De Moeders stellen dat de Raad daarom aansprakelijk is voor hun leed. De op dat standpunt gebaseerde vorderingen vereisen een beoordeling aan de hand van juridische criteria en dat betekent dat het hof ook een aantal formele vragen moet beantwoorden. Dat komt ongetwijfeld koud en afstandelijk over op de Moeders maar het is onvermijdelijk in een juridische procedure dat ook dergelijke formele punten worden beoordeeld. Zo moet, voordat kan worden toegekomen aan de inhoudelijke vraag of de Raad inderdaad onrechtmatig heeft gehandeld, eerst worden nagegaan of in deze zaak plaats is voor een collectieve actie zoals BCW namens haar achterban heeft ingesteld - oftewel, in juridische termen, of BCW in de vordering kan worden “ontvangen” en dus “ontvankelijk” is. Ook moet worden beoordeeld of het beroep van de Staat op verjaring moet worden gehonoreerd.

6.3

Het hof is tot de conclusie gekomen dat beide formele vragen in het nadeel van de Moeders moeten worden beantwoord: BCW is niet-ontvankelijk in haar vordering en de vordering van [appellante 1] is verjaard. Het hof zal dit hierna motiveren. Alvorens dit te doen, hecht het hof eraan op te merken dat het feit dat de Staat in deze procedure niet aansprakelijk kan worden gehouden voor het leed van de Moeders, niet betekent dat daarmee de geschiedenis ingaat dat het “dus” de eigen schuld is van de Moeders dat zij zijn gescheiden van hun kind. Zoals gezegd blijkt uit het WODC-rapport afdoende dat zij slachtoffer zijn geweest van de destijds bestaande maatschappelijke, sociale en religieuze opvattingen. Verder geldt de rechtsvordering van BCW weliswaar is verjaard, maar dat het hof beseft dat het leed van de Moeders natuurlijk nooit “verjaart”. Het hof spreekt de hoop uit dat het vervolg van het buitengerechtelijk traject met de grootst mogelijke zorgvuldigheid maar ook – binnen die zorgvuldigheidsgrenzen – met de grootst mogelijke voortvarendheid en transparantie zal worden voortgezet.

Bureau Clara Wichmann is niet-ontvankelijk: niet voldaan aan het gelijksoortigheidsvereiste

6.4

Niet in geschil is dat de gebeurtenissen waarop de vordering van BCW betrekking heeft, hebben plaatsgevonden vóór 15 november 2016, zodat op grond van artikel 119a lid 2 Overgangswet, artikel 3:305a BW (oud) van toepassing is (zie in diezelfde zin het vonnis, r.o. 5.11.).

6.5

Voor de keuze van BCW voor een collectieve actie op grond van dat artikel is op zichzelf begrip op te brengen. Een collectieve actie is minder belastend voor individuele vrouwen en lijkt efficiënter. Dit laatste – een efficiënte en effectieve rechtsbescherming ten behoeve van de belanghebbenden – is ook de reden waarom de wetgever de collectieve actie in het leven heeft geroepen. Dat neemt echter niet weg dat een dergelijke actie alleen mogelijk is als de belangen ter bescherming waarvan de collectieve vordering strekt voldoende gelijksoortig zijn en zich daarom lenen voor bundeling. Dit veronderstelt dat ook de feitelijke vragen en rechtsvragen die aan de orde zijn in de collectieve vordering voldoende gelijksoortig zijn en zich daarom lenen voor gezamenlijke behandeling en beoordeling in één procedure. Dit gelijksoortigheidsvereiste, dat is neergelegd in het eerste lid van artikel 3:305a BW (oud), gaat niet zo ver dat de belangen van degenen ten behoeve van wie de collectieve actie wordt ingesteld, identiek of zelfs overwegend gelijk moeten zijn, maar het betekent wel dat de rechter bij de beoordeling van de vordering zodanig moet kunnen abstraheren van de bijzonderheden van individuele gevallen, dat de beoordeling niet anders zou kunnen uitvallen dan in een individueel geval. 14 Alleen dan kan in één procedure worden geoordeeld over de door de rechtsvordering aan de orde gestelde geschilpunten en vorderingen, zonder dat daarbij de bijzondere omstandigheden aan de kant van de individuele belanghebbenden betrokken behoeven te worden. 15

6.6

Volgens de Staat is niet aan dit gelijksoortigheidsvereiste voldaan en het hof is het daarmee eens. BCW voert terecht aan dat de Raad betrokken was bij álle individuele zaken waarin moeder en kind werden gescheiden en de moeder uit de ouderlijke macht/voogdij werd ontheven of ontzet, omdat alleen de Raad een dergelijke maatregel kon verzoeken. Dat laat echter onverlet dat de feiten en omstandigheden in de individuele zaken over een periode van maar liefst 28 jaar te zeer van elkaar verschillen om de in deze procedure voorliggende vragen in algemene zin te kunnen beantwoorden zonder inachtneming van die verschillen. Let wel, het gaat hier niet om de inhoudelijke vraag of de vordering is verjaard en (zo niet) of de Raad onrechtmatig heeft gehandeld. Het gaat hier om een voorvraag, te weten of het voor de rechter (het hof) überhaupt mogelijk is om de inhoudelijke vragen in algemene zin te beantwoorden zonder rekening te houden met de bijzondere omstandigheden van elke afzonderlijke zaak. Het hof beantwoordt die voorvraag ontkennend en legt dat hierna uit.

6.7

BCW vordert een verklaring voor recht dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld ten opzichte van de vrouwen die in de periode 1956 tot 1984 van hun kind zijn gescheiden en daarbij eenzijdig en/of onvolledig en/of onjuist zijn geïnformeerd over hun rechten en/of de praktische mogelijkheden ten aanzien van de opvoeding van hun kind. Aanvankelijk strekte de vordering van BCW tot een verklaring voor recht dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld jegens de vrouwen die in de periode 1956 tot 1984 “tegen hun wil” van hun kind zijn gescheiden. De Staat heeft bij conclusie van antwoord aangevoerd dat daarmee niet aan het gelijksoortigheidsvereiste was voldaan omdat het element “tegen hun wil” alleen op individuele basis kan worden vastgesteld. Het hof acht dat een juiste constatering. Hierna heeft BCW haar vordering gewijzigd in bovenstaande zin. De Staat heeft echter al in eerste aanleg en vervolgens opnieuw in zijn incidentele grief in hoger beroep terecht opgemerkt dat ook na deze wijziging de kern van het standpunt van BCW is gebleven dat de moeders zich gedwongen hebben gevoeld afstand te doen van hun kind en dat voor een deel van die moeders de scheiding tegen hun wil was (zie onder meer memorie van grieven onder 1, 3, 163, 164). Ook de rechtbank is van deze uitleg van de vordering uitgegaan (vonnis 1.1. en 5.14-5.15) en BCW is hier in hoger beroep (begrijpelijk) niet tegenop gekomen.

6.8

Het hof twijfelt er niet aan dat de vrouwen die in deze procedure een verklaring hebben afgelegd, hun kind bij zich hadden willen houden en dat dit ook geldt voor vele andere vrouwen die in de periode van 1956 tot 1984 afstand hebben gedaan. Dat brengt echter niet mee dat het mogelijk is om in algemene zin te beoordelen in hoeverre de Raad in al die zaken zelfstandig aan de scheiding heeft bijgedragen en of het handelen/nalaten van de Raad in die gevallen onrechtmatig is geweest. Zoals gezegd strekt de vordering zich uit over een periode van 28 jaar. In deze lange periode hebben naar schatting 13.000 à 14.000 vrouwen afstand gedaan van hun kind. In dit dossier bevinden zich (naast een aantal steunverklaringen) twaalf schriftelijke verklaringen van moeders die bevallen zijn in de periode van 1961 tot 1974 (dus gedurende 14 jaar van die totale 28 jaar, met dien verstande dat acht van de twaalf verklaringen betrekking hebben op een nog kortere periode van 1961 tot 1969). Uit die verklaringen volgt dat de moeders zich gedwongen hebben gevoeld afstand te doen, en het WODC-rapport van 2017 ondersteunt de stelling dat van een reële keuzevrijheid geen sprake is geweest. De afgelegde verklaringen en de in het WODC-rapport gegeven casusvoorbeelden maken echter óók duidelijk dat de omstandigheden waaronder door de vrouwen afstand is gedaan onderling (sterk) verschilden. Zo kan het verschil maken welke leeftijd de vrouw had (en of zij al dan niet meerderjarig was) en wat haar sociaaleconomische omstandigheden waren. Daarnaast is het relevant of de vrouw in de periode van afstand doen in een particuliere instelling verbleef (dat gold namelijk niet voor alle vrouwen), welke instelling dat was (er waren destijds meerdere instellingen werkzaam in de zorg voor ongehuwde moeders) en of deze instelling zich met de besluitvorming over de afstand heeft bemoeid en zo ja, op welke wijze en in welke mate. Verder is relevant of de vrouw destijds al dan niet informatie heeft gekregen van zo’n particuliere instelling of van andere betrokkenen over haar rechten en de praktische (on)mogelijkheden om het kind op te voeden en ook is van belang of bepaalde instellingen (zoals kerk, school of werkgever) of personen (huisarts, ouders of overige familie) druk op de vrouw hebben uitgeoefend bij het nemen van de beslissing over afstand en zo ja, in welke mate.

6.9

Dit is slechts een kleine opsomming van de mogelijke verschillen in individuele zaken, waarvan niet zomaar kan worden geabstraheerd bij het geven van een juridisch oordeel over de onrechtmatigheid van het handelen van de Raad. Dat wordt niet anders door de stelling van BCW in hoger beroep dat sprake is geweest van routinematig en structureel onrechtmatig handelen van de Raad. BCW heeft in dat verband aangevoerd dat de Raad onrechtmatig beleid heeft gevoerd (volgens haar gericht op de scheiding van moeder en kind), structureel onvoldoende toezicht op de particuliere instellingen heeft gehouden en heeft nagelaten in te grijpen om de scheiding te voorkomen. Voorop staat dat deze verwijten inhoudelijk niet hetzelfde zijn als het in de vordering genoemde verwijt van een gebrekkige voorlichting. Afgezien daarvan geldt dat zo’n algemene formulering van verwijten niet meebrengt dat van de vele verschillen tussen de individuele gevallen kan worden geabstraheerd. Dat geldt dus ook voor het specifieke, in de vordering vermelde verwijt van een gebrekkige voorlichting: voor zover op basis van de stukken al zou kunnen worden vastgesteld dat sprake was van een bepaald patroon van handelen van de Raad en dat dit patroon min of meer onveranderd is gebleven gedurende de 28 jaar van 1956 tot 1984 (hetgeen het hof betwijfelt), betekent dat nog niet dat in algemene zin kan worden vastgesteld dat het uit dat patroon volgende handelen/nalaten van de Raad onrechtmatig was jegens de betrokken moeders, ongeacht de verschillen tussen de afzonderlijke gevallen. Of er “eenzijdig en/of onvolledig en/of onjuist” is geïnformeerd en of dat onrechtmatig was jegens de desbetreffende moeder, hangt immers ook af van de behoeften en specifieke omstandigheden van die moeder, en van de vraag in hoeverre de Raad er in het concrete geval redelijkerwijs van uit mocht gaan dat de vrouw al door anderen was geïnformeerd. Het is bijvoorbeeld niet zo dat in algemene zin kan worden geoordeeld dat de Raad onrechtmatig jegens de moeder heeft gehandeld (telkens) wanneer zij geen specifieke informatie over een uitkering verstrekte; dit kan immers onder meer afhangen van de vraag in hoeverre voor de Raad kenbaar moest zijn dat dit voor de besluitvorming van de betrokken vrouw (nog) relevant was en van de vraag in hoeverre de Raad er van mocht uitgaan dat de vrouw die informatie al had.

6.10

In het verlengde van het voorgaande geldt het volgende. Op zich merkt BCW terecht op dat ook na een succesvolle collectieve actie afzonderlijke vervolgprocedures nodig kunnen zijn om te bepalen of de individuele belanghebbenden op basis van de toegewezen verklaring voor recht aanspraak kunnen maken op schadevergoeding. In zo’n vervolgprocedure moet dan worden vastgesteld of de gegeven verklaring voor recht ook geldt voor de desbetreffende individuele belanghebbende en of aan de overige eisen voor aansprakelijkheid is voldaan. In dit geval is echter van belang dat, ook al zou het hof kunnen vaststellen dat er een bepaald patroon van handelen van de Raad was gedurende die 28 jaar (wat als zodanig al de vraag is) en dat dit patroon in algemene zin als onrechtmatig kan worden beschouwd (idem), een dergelijk oordeel noodgedwongen zo ruim en algemeen geformuleerd zou moeten zijn, dat onduidelijk zou zijn voor welke moeders dit zou gelden en dat in een individueel geval de gehele onrechtmatigheidsbeoordeling opnieuw uitgevoerd zou moeten worden. Dat is niet de bedoeling van een collectieve actie. Er zijn overigens ook geen aanknopingspunten gegeven voor een indeling in categorieën van gevallen, voor zover zo’n indeling al mogelijk zou zijn.

6.11

BCW heeft ter ondersteuning van haar stelling dat wel sprake is van gelijksoortige belangen nog naar een aantal uitspraken verwezen. Het hof is echter met de Staat van oordeel dat de vergelijking met deze zaken niet opgaat.

- In de Trafigura-zaak waarin het hof Amsterdam op 14 april 2020 uitspraak deed 16 kwam een stichting in een collectieve actie op voor de slachtoffers van afvalstortingen door een gecharterd schip. Het hof overwoog dat weliswaar mogelijk sprake was van bepaalde verschillen, bijvoorbeeld wat betreft de chemische samenstelling van de afzonderlijke stortingen, de momenten waarop de stortingen waren gedaan en de specifieke gevolgen voor de slachtoffers, maar dat wel als onbetwist vaststond dat er op of rond een bepaalde datum (afval)stoffen door het schip waren gestort in en rond Abidjan. De vorderingen waren gebaseerd op de stelling dat dit onbetwiste feit een grondslag voor aansprakelijkheid van Trafigura opleverde. De rechter kon een algemeen oordeel over de onrechtmatigheid van de stortingen geven zonder daarbij de zojuist bedoelde verschillen te betrekken. Zoals uit de vorige overwegingen blijkt, is dat in de onderhavige zaak niet mogelijk.

- De vergelijking met de zaak waarin de rechtbank Amsterdam op 20 november 2019 17 uitspraak deed gaat evenmin op. De rechtbank oordeelde in deze collectieve actie van Stichting Car Claim tegen een aantal autofabrikanten dat de omstandigheid dat aan kopers van auto’s verschillende informatie was medegedeeld niet aan de bundelbaarheid van de vorderingen op basis van non-conformiteit in de weg stond. In dat verband was cruciaal dat voor alle gevallen wèl vaststond dat bij de verkopen niets was medegedeeld over de aanwezigheid van een verboden Manipulatie-instrument en dat de wel verstrekte informatie (die inderdaad van geval tot geval verschillend geweest kon zijn) in geen geval een waarschuwing inhield voor de aanwezigheid daarvan of voor het niet voldoen aan de regelgeving. Wat wel was medegedeeld kon daarom niet ongedaan maken wat was verzwegen, zodat de verschillen in informatieverstrekking niet aan de bundelbaarheid in de weg stonden. Ook dit is anders in de onderhavige zaak, waarin de verschillen tussen de individuele gevallen nu juist wel bepalend zijn voor de vraag of de Raad onrechtmatig heeft gehandeld of niet.

- Tot slot heeft BCW verwezen naar de uitspraak van het hof Amsterdam van 29 juli 2014 18 in de collectieve actie van stichting Fortis-Effect tegen de Staat en Fortis. Daarin het ging om de vraag of de Staat en Fortis onrechtmatig hadden gehandeld omdat zij vanwege het misleidende karakter van bepaalde mededelingen zich hadden moeten onthouden van het openbaar maken daarvan. Bij de beantwoording van die vraag kon het hof abstraheren van de bijzondere omstandigheden aan de zijde van de beleggers. Ongeacht die omstandigheden waren de mededelingen immers misleidend en daarom onrechtmatig. De verschillen tussen de individuele gevallen waren pas relevant bij de vervolgvragen, zoals de vraag naar het causaal verband, de eventuele eigen schuld en de omvang van de schade. Het hof herhaalt dat dit anders ligt in deze zaak, waarin zoals gezegd de vraag of de Raad onrechtmatig heeft gehandeld mede afhangt van de specifieke omstandigheden van elk individueel geval afzonderlijk.

6.12

Het valt eveneens te betwijfelen of de andere voorliggende voorvraag (namelijk of de rechtsvordering van BCW is verjaard, respectievelijk of de verjaring kan worden doorbroken) in algemene zin kan worden beantwoord zonder dat daarbij de bijzondere omstandigheden van de individuele gevallen moeten worden betrokken. Dit kan gezien het voorgaande echter in het midden blijven. Ten overvloede overweegt het hof dat voor zover deze vraag in dit geding al in algemene zin beantwoord zou kunnen worden, er voorshands geen grond is om op dat punt in de zaak van BCW anders te oordelen dan in de zaak van [appellante 1] . Zoals het hof hierna zal uiteenzetten, is het hof van oordeel dat de vordering van [appellante 1] is verjaard en dat deze verjaring niet kan worden doorbroken met een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid.

6.13

De conclusie luidt dat de vordering van BCW niet-ontvankelijk is.

6.14

Het hof komt nu toe aan de vordering van [appellante 1] .

De vordering van [appellante 1] is verjaard; de verjaring kan niet worden doorbroken

Verjaringstermijn verstreken; geen doorlopende gebeurtenis

6.15

Zoals de rechtbank terecht heeft geoordeeld is de langst denkbare verjaringstermijn in deze zaak de verjaringstermijn van twintig jaar op grond van artikel 3:310 lid 1 BW. 19 Deze twintig jaar vangt aan op het tijdstip waarop de schadeveroorzakende gebeurtenis plaatsvindt. De rechtszekerheid eist (in het bijzonder met betrekking tot deze absolute termijn van twintig jaar) een naar objectieve maatstaven vaststaand aanvangstijdstip. Dit aanvangstijdstip is dus niet afhankelijk van persoonlijke omstandigheden van de schuldeiser. De termijn begint te lopen door het intreden van de schadeveroorzakende gebeurtenis, zelfs als de benadeelde van het bestaan van zijn vordering niet op de hoogte is, als het vooralsnog onzeker is of er schade zal zijn, of als de schade zich pas later heeft gemanifesteerd. 20

6.16

Volgens [appellante 1] is haar schade (pijn en verdriet door het gemis van haar kind) veroorzaakt door onrechtmatig handelen/nalaten van de Raad rond de scheiding van haar kind. De Raad zou zich niet voldoende hebben ingespannen om te voorkomen dat [appellante 1] tegen haar wil afstand zou doen van hun kind en zou zelfs op afstand hebben aangestuurd. Dit betekent dat de verjaringstermijn van twintig jaar in elk geval is beginnen te lopen tussen 1968 (feitelijke scheiding van haar kind) en 1974 (onherroepelijk worden van de adoptie op 23 januari 1974) en dat de termijn dus op zijn laatst in 1994 al was voltooid, 25 jaar voordat [appellante 1] de Staat in september 2019 aansprakelijk stelde.

6.17

Het hof is met de Staat en anders dan [appellante 1] van oordeel dat de gebeurtenis waardoor de Raad de schade zou hebben veroorzaakt geen doorlopende gebeurtenis is. Er is dus geen reden om aan te nemen dat de verjaringstermijn pas (veel) later is gaan lopen. De Staat voert terecht aan dat [appellante 1] de eventuele schadeveroorzakende gebeurtenis lijkt te verwarren met de schade, althans met de gevolgen van die gebeurtenis. Het blijvend gemis respectievelijk het blijvend schuldgevoel is immers het gevolg van de scheiding van haar kind waarvoor [appellante 1] de Staat verantwoordelijk houdt en is dus niet de schadeveroorzakende gebeurtenis zelf.

6.18

[appellante 1] verwijt de Staat ook dat hij het schuldgevoel zou hebben laten herleven door zijn (gestelde) onrechtmatig handelen niet te erkennen en niet naar buiten toe uit te dragen dat de afstand niet aan de Moeders/aan haar zelf is te wijten. Wat daar ook van zij, deze omstandigheid maakt niet dat sprake is van een voortdurend onrechtmatig handelen van de Raad/de Staat. Zou dat anders zijn, dan (zo stelt de Staat terecht) zou dit betekenen dat een vordering wegens gesteld onrechtmatig handelen nooit zou verjaren als de aangesprokene de onrechtmatigheid van zijn handelen of nalaten niet (openlijk) zou erkennen. Een dergelijke (veronder)stelling vindt geen steun in het recht. De Staat merkt in dit verband ook nog terecht op dat de Hoge Raad al eerder heeft uitgemaakt dat de mogelijkheid om een fout alsnog recht te zetten, (ook) niet meebrengt dat sprake is van een voortdurende gebeurtenis. 21

6.19

In het verlengde daarvan geldt dat de verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad in de Zandvoortse parkeergarage-zaak 22 [appellante 1] niet kan helpen. De schade was in die zaak veroorzaakt door de voortdurende aanwezigheid van een oprit zonder grondkerende voorziening en de gronddruk die het gewicht van die oprit langdurig bleef uitoefenen op een muur. De aansprakelijkheid voor de schade die hierdoor was ontstaan was gebaseerd op artikel 6:174 BW. Dit artikel ziet op de aansprakelijkheid voor schade die het gevolg is van het gebrek in een opstal (de oprit) en is daarmee gekoppeld aan (de aanwezigheid van) een schadeveroorzakende toestand (de gebrekkigheid van de opstal) en niet aan een schadeveroorzakende gedraging, zoals in de onderhavige zaak. Omdat in het geval van de oprit de schadeveroorzakende gebeurtenis niet kon worden herleid tot één moment, oordeelde de Hoge Raad dat de twintigjarige verjaringstermijn in zo’n geval gaat lopen zodra de schadeveroorzakende gebeurtenis is opgehouden te bestaan. Dat strookt volgens de Hoge Raad met hetgeen in artikel 3:310 lid 3 BW is geregeld voor de in artikel 3:310 lid 2 BW genoemde gevallen. Dat is niet te vergelijken met de situatie in deze zaak waarin [appellante 1] schade door gedwongen afstand lijdt en aanvoert dat de schadeveroorzakende gebeurtenis pas eindigt als de Staat het door hem “(mede) gecreëerde en schadelijke beeld dat de gedwongen afstand een ‘eigen keuze’ was (…) rechtzet”. Inzet van de vordering is zoals gezegd dat de Staat (de Raad) onrechtmatig heeft gehandeld door niet te voorkomen dat [appellante 1] tegen haar wil van haar kind werd gescheiden en/of door zelfs op die scheiding aan te sturen. Dát is dus de schadeveroorzakende gebeurtenis, waarvan wel degelijk kan worden bepaald wanneer deze plaatsvond, en niet de instandhouding van een bepaald beeld.

6.20

Anders dan in de zaak Zorica Jovanovic t. Servië 23 wist [appellante 1] dat haar kind bij de Paula Stichting verbleef en later in een verpleeggezin werd opgevangen (zij wist ook in welk gezin). Het hof is het met de Staat eens dat de vergelijking met die zaak alleen daarom al niet opgaat. Ook de verwijzing naar de ‘International Convention for the Protection of All Persons from Enforced Disappearance’ kan [appellante 1] niet helpen. Zoals de Staat terecht (en onweersproken) opmerkt, geldt voor de toepassing van dat verdrag als ‘enforced disappearance’: “the arrest, detention, abduction or any other form of deprivation of liberty by agents of the State or by persons or groups of persons acting with the authorization, support or acquiescence of the State, followed by a refusal to acknowledge the deprivation of liberty or by concealment of the fate or whereabouts of the disappeared person, which place such a person outside the protection of the law”. Zo’n situatie doet zich hier niet voor. [appellante 1] wijst ook nog op de ‘Inter-American Convention on Forced Disappearance of Persons’, maar zij legt niet uit waarom dit Inter-Amerikaanse verdrag relevant zou zijn voor haar zaak, en dat valt zonder toelichting ook niet in te zien.

Geen verlenging van de verjaringstermijn (artikel 3:321 lid 1 onder f BW)

6.21

[appellante 1] doet ook nog een beroep op de verlengingsgrond van artikel 3:321 lid 1 onder f BW (deze bepaling heeft directe werking op grond van artikel 68a Overgangswet). Volgens [appellante 1] heeft de Staat het bestaan van de schuld opzettelijk verborgen gehouden. Onder verwijzing naar het hierboven (3.28) vermelde rapport van klinisch psycholoog prof. dr. Van den Hout uit juni 2020, stelt [appellante 1] dat sprake is geweest van een collectief zwijgen waardoor alle moeders die afstand hebben gedaan, onder wie zijzelf, niet eerder in staat zijn geweest een vordering in te stellen. Volgens [appellante 1] is dat mede het gevolg van handelen van de Staat: de Raad indoctrineerde de moeders met de schadelijke gedachte dat zij niet geschikt waren om hun kind op te voeden, dat hun kind beter af was bij een pleeggezin en dat de beslissing om afstand te doen hun eigen keuze – en daarmee hun ‘eigen schuld’ – was geweest. Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt, aldus [appellante 1] , dat begrip, kennis en inzicht in de redenen waarom gebeurtenissen iemand zijn overkomen, plus acceptatie dat die omstandigheden buiten de macht van het slachtoffer lagen, belangrijke randvoorwaarden zijn voor de verwerking van het opgelopen trauma. Dit proces van traumaverwerking is volgens [appellante 1] bij haar vertraagd/geblokkeerd door toedoen van de Staat, die haar (en de andere moeders) immers had geïndoctrineerd en nooit zijn eigen verantwoordelijkheid heeft erkend. Daardoor hebben vrouwen, waaronder zijzelf, pas tientallen jaren later beseft dat de scheiding van hun kind niet hún schuld was, maar dat zij slachtoffer waren van de tijdgeest en van een falende overheid. Omdat de Staat niets heeft gedaan om die schadelijke overtuiging ongedaan te maken, heeft hij geprofiteerd van zijn eigen onrechtmatig handelen en van het verborgen blijven (het verzwijgen) van het bestaan van dat onrechtmatig handelen, zo betoogt [appellante 1] . Zij voert daarbij aan dat in de rechtspraak is uitgemaakt dat het verzwijgen of nalaten essentiële informatie mee te delen die het instellen van een vordering mogelijk moeten maken, ook kan kwalificeren als ‘opzettelijk verborgen houden’. Volgens [appellante 1] moet ervan worden uitgegaan dat zij en de moeders tot aan de instelling van het Aanmeldpunt op 1 september 2019 niet in staat waren om een vordering in te stellen en dat het bestaan van de schuld dus al die tijd verborgen is geweest. Vanwege de toepasselijkheid van artikel 3:321 lid 1 onder f BW zou de termijn echter met zes maanden zijn verlengd, zodat zowel de aansprakelijkstelling van [appellante 1] als die van BCW op tijd was.

6.22

Met de Staat is het hof van oordeel dat dit betoog geen succes heeft, alleen al omdat geen sprake is geweest van een opzettelijk verborgen houden en evenmin van het opzettelijk verborgen houden van (de opeisbaarheid van) een schuld als bedoeld in artikel 3:321 lid 1 onder f BW (dat wil zeggen van het opzettelijk verborgen houden van (rechts)feiten die de grond vormen voor het bestaan van de vordering) 24. De weigering om het bestaan van een vordering te erkennen (en dus ook: het nalaten om de eigen verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid te erkennen respectievelijk uit te dragen) valt niet onder artikel 3:321 lid 1 onder f BW. Bovendien gaat het hof niet mee in de stelling dat [appellante 1] tot 1 september 2019 niet in staat was een vordering in te stellen (zie ook hierna onder 6.32). Van een verborgen zijn van een schuld tot die datum is daarom ook geen sprake.

Beroep op verjaring niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar

6.23

De vordering van [appellante 1] is dus verjaard. Daarmee komt het hof toe aan de beoordeling van de vraag of het beroep van de Staat op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Hierna zal het hof uiteenzetten waarom het deze vraag ontkennend beantwoordt.

6.24

Hierboven is al overwogen dat de lange verjaringstermijn van twintig jaar van artikel 3:310 lid 1 BW een objectief en in beginsel absoluut karakter heeft. Daaraan liggen zwaarwegende argumenten ten grondslag, waaronder de rechtszekerheid en de omstandigheden dat door tijdsverloop bewijsproblemen kunnen ontstaan en getuigenverklaringen minder betrouwbaar worden. De Hoge Raad houdt dan ook strikt de hand aan de verjaringsregels, ook als dat uit het ‘oogpunt van individuele gerechtigheid’ moeilijk te aanvaarden is. 25 Slechts in uitzonderlijke gevallen zal een beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid 26 onaanvaardbaar zijn. De vraag of van zo’n uitzonderlijk geval sprake is moet worden beantwoord met in achtneming van alle omstandigheden van het zich voordoende geval en aan de hand van op de zaak toegesneden gezichtspunten (zoals, niet limitatief, opgesomd in het Schelde-arrest 27), die de benadeelde in staat stellen uiteen te zetten waarom hij of zij ondanks het verstrijken van de verjaringstermijn, inhoudelijk moet kunnen procederen over zijn of haar vordering. 28

6.25

Hierboven is al gewezen op het belang van de rechtszekerheid en op de omstandigheid dat door het verstrijken van de tijd bewijsmateriaal (bewijsstukken, getuigen) verloren gaat. AG Snijders wijst er in zijn conclusie in de Sri Lankaanse adoptiezaak 29 op dat het daardoor steeds moeilijker wordt om alle relevante feiten te achterhalen en om over de feiten in een procedure over de verwijtbaarheid een debat te voeren dat recht doet aan de feiten zoals deze werkelijk waren. De AG merkt daarbij op dat dit niet alleen een belang van de aangesproken partij is, maar ook van de rechtspleging, die niet behoort te leiden tot beslissingen met een feitelijke basis die onvoldoende verantwoord is. Mede gelet daarop heeft de AG in zijn conclusie ervoor gepleit om voor het kunnen maken van een uitzondering op de verjaring de eis te stellen dat (a priori) vaststaat dat de vordering bestaat. Hoewel dit inderdaad als voordeel heeft dat niet eerst een onderzoek moet worden uitgevoerd naar een vordering waarvan het bestaan door tijdsverloop onzeker is om op basis daarvan te kunnen bepalen of al dan niet een beroep op de verjaring kan worden gedaan, ziet het hof voor het stellen van een eis in de door de AG bepleite zin onvoldoende grond. Het hof acht het niet juist om bij voorbaat uit te sluiten dat de verjaring zou kunnen worden doorbroken als het bestaan van de vordering níet a priori vaststaat. Dat neemt niet weg dat het hof wel met de AG eens is dat de (on)zekerheid over het bestaan van de vordering (ook) een relevant gezichtspunt is (dat dus aan de opsomming in het hiervoor vermelde Schelde-arrest kan worden toegevoegd): als het bestaan van de vordering min of meer vaststaat, worden van een aantal van de met de rechtszekerheid samenhangende bezwaren (zoals die rondom getuigenverklaringen) van minder gewicht. In dit geval geldt dat het antwoord op de vraag of [appellante 1] een vordering op de Staat heeft, nog open ligt. Partijen zijn het niet eens over wat er destijds precies is gebeurd en hoe het handelen van de Raad moet worden gekwalificeerd. In zoverre is er een duidelijk verschil met de Indonesische executie-zaak, 30 waarin dit hof het beroep op verjaring als onaanvaardbaar heeft aangemerkt: in die zaak had de Staat de onrechtmatigheid van standrechtelijke executies (ook onder het destijds geldende recht) erkend en was de buitengewone ernst en de grote mate van verwijtbaarheid daarvan ook niet in geschil.

6.26

Ter onderbouwing van haar stelling dat het beroep op verjaring in deze zaak naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, voert [appellante 1] onder meer aan dat sprake is geweest van verborgen schade. Het hof overweegt dat het bij ‘verborgen schade’ moet gaan om schade die pas aan het licht komt nadat de toepasselijke verjaringstermijn al is verstreken. Daarvan kan in dit geval niet worden gesproken: de pijn door en het verdriet over het gemis van haar zoon waren immers vanaf het begin voor [appellante 1] kenbaar.

6.27

Daarmee is de kous echter nog niet af. Anders dan de Staat heeft betoogd, gelden de mogelijke onaanvaardbaarheid van het beroep op verjaring in uitzonderlijke gevallen en de daarbij behorende gezichtspunten namelijk niet uitsluitend in het geval van verborgen schade. Een dergelijke beperking volgt niet uit de formulering van het Schelde-arrest (of uit andere arresten van de Hoge Raad). Op grond van de rechtspraak van het EHRM geldt dat de verjaringsregeling het recht op toegang tot de rechter van art. 6 EVRM niet in de kern mag aantasten. De beperking die de verjaring op die toegang meebrengt, moet daarom in het gegeven geval gerechtvaardigd kunnen worden door en dus niet onevenredig zijn aan het met de verjaring gediende belang. Met de AG in zijn hierboven aangehaalde conclusie 31 is het hof van oordeel dat van onevenredigheid in die zin niet alleen sprake kan zijn als het gaat om verborgen schade, maar ook als de benadeelde om een andere reden de vordering redelijkerwijs niet eerder kon instellen. Dat laatste kan bijvoorbeeld 32 het geval zijn als de benadeelde niet wist en ook niet kon te weten dat zijn schade een gevolg was van een onrechtmatige daad (een ‘verborgen onrechtmatige daad’).

6.28

Volgens [appellante 1] doet dit zich ook in haar situatie voor. Zoals hierboven (onder 6.22, in het kader van het beroep op de verlengingsgrond van artikel 3:321 lid 1 onder f) al weergegeven stelt zij dat zij als gevolg van het collectief zwijgen niet eerder dan in het najaar van 2019 in staat was om een vordering in te stellen. Dit collectief zwijgen was volgens haar het resultaat van een “giftige mix van schaamte, schuldgevoel en onverwerkt trauma naar aanleiding van traumatische ervaringen die mede veroorzaakt zijn door toedoen van de Raad”. Onder verwijzing naar het hiervoor al genoemde rapport van Van den Hout voert [appellante 1] aan dat de maatschappelijke ontwikkelingen vanaf de jaren ’70 de traumaverwerking nog verder vertraagden: de maatschappij werd weliswaar liberaler, maar hierdoor brokkelde ook het maatschappelijke begrip voor de keuze van de moeders af, wat het schuldgevoel en eigenverwijt versterkte. Tot het moment waarop het collectief zwijgen werd verbroken door een gebaar van de Staat, waardoor de moeders in staat werden gesteld tot een herattributie van verantwoordelijkheid en beseften dat zij (mede) door toedoen van de Staat geen reële keuzevrijheid hadden gehad, waren de moeders – en dus ook [appellante 1] – niet in staat een vordering in te stellen. De psychologische afstand tot het rechtssysteem was simpelweg te groot en de moeders hadden al die tijd feitelijk geen toegang tot het recht, aldus nog steeds [appellante 1] . Zij merkt daarbij op dat deze algemene psychologische verklaring volgens Van den Hout ook op haar van toepassing is. Volgens [appellante 1] (en BCW) is het niet goed mogelijk om één punt in de tijd aan te wijzen waarop voor alle vrouwen het collectief zwijgen werd verbroken, omdat traumaverwerking voor elke moeder anders verloopt, en dat iedere keuze daarom per definitie arbitrair is. Zij achten het echter “op grote schaal niet onlogisch” om aan te sluiten bij het moment van instellen van het Aanmeldpunt gedwongen afstand en adoptie in september/oktober 2019, omdat juist door gebruik van het woord ‘gedwongen’ het besef doordrong dat geen sprake was geweest van een vrije keuze. [appellante 1] heeft hierbij voorop gelopen: zij stelde de Staat al in september 2019 aansprakelijk.

6.29

Het hof volgt [appellante 1] niet in deze redenering. [appellante 1] is steeds op de hoogte geweest van de feiten en omstandigheden waarop zij haar stellingen over het onrechtmatig handelen en nalaten van de Raad baseert; die stellingen vinden hun grondslag immers in haar eigen herinneringen over de gebeurtenissen in 1968-1974. Zij was zich ook bewust van haar schade (haar pijn en verdriet). Dat het psychologisch verklaarbaar is dat [appellante 1] de Raad niet eerder de schuld heeft gegeven en de Staat aansprakelijk heeft gesteld, betekent nog niet in juridische zin dat [appellante 1] objectief gezien niet eerder in staat moet worden geacht een vordering tegen de Staat in te stellen en dat de verjaring daarom moet worden doorbroken. Het hof roept in herinnering dat de Hoge Raad strikt de hand houdt aan de absolute verjaringstermijn van twintig jaar, óók als dat uit het oogpunt van individuele gerechtigheid moeilijk te aanvaarden is. Het feit dat sprake is van een schrijnende situatie – en dat is zonder twijfel het geval – is dus onvoldoende. Het hof wijst hierbij ook nog op een belangrijk verschil tussen de korte verjaringstermijn van 5 jaar van artikel 3:310 lid 1 BW en de lange verjaringstermijn van 20 jaar van datzelfde artikellid. De korte termijn begint te lopen op het moment dat de benadeelde bekend is met het bestaan van de vordering en met de aansprakelijke persoon. Daarmee neemt deze verjaringstermijn pas een aanvang als de benadeelde daadwerkelijk in staat is een vordering in te stellen. Op die manier kan onder omstandigheden rekening worden gehouden met een individueel verwerkingsproces. Dat is echter alleen het geval voor zover de lange verjaringstermijn nog niet is verstreken. Met de woorden ‘in ieder geval’ in het eerste lid van artikel 3:310 BW heeft de wetgever omwille van de rechtszekerheid een duidelijke objectief bepaalbare grens getrokken (van 20 jaar), waarna de rechtsvordering verjaart ongeacht of de benadeelde in staat is geweest om deze in te stellen. Het ligt dan niet voor de hand om – in het kader van een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid – zo’n verwerkingsproces toch reden te laten zijn om alsnog een uitzondering aan te nemen op de lange verjaringstermijn. Dit geldt temeer nu duidelijk is dat met afwijkingen van de lange verjaringstermijn uiterste terughoudendheid moet worden betracht.

6.30

Het beroep van [appellante 1] op de uitspraak van dit hof in de zaak van de executies in Indonesië 33 gaat niet op. In die zaak leefden de benadeelden in dorpen in een land en omgeving die niet waren te vergelijken met de omstandigheden in Nederland en hadden zij door hun juridische, maatschappelijke, culturele, politieke en economische positie lange tijd feitelijk geen toegang tot het recht. De geestelijke afstand tot toegang tot het recht waar [appellante 1] aan refereert is niet vergelijkbaar met de feitelijke afstand in de Indonesische zaken. De strenge rechtspraak rond de lange wettelijke verjaringstermijn is gewezen in de context van de Nederlandse rechtstaat, met de daarbij behorende mogelijkheden van informatievoorziening, rechtshulp en rechtsbijstand. De Staat wijst er terecht op dat dit ook de context is van deze zaak.

6.31

[appellante 1] voert ook nog aan dat de Staat het de Moeders in de periode na de afstand en adoptie praktisch onmogelijk maakte om binnen de verjaringstermijn een vordering in te stellen. In dat verband hebben de Moeders gewezen op de volgende, volgens hen opgeworpen obstakels:

  • i) De moeders werd niet medegedeeld welke instanties betrokken waren, waardoor de rol van de Raad lange tijd onduidelijk bleef.

  • ii) De dossiers van de Raad waren (voor een deel) gearchiveerd, maar moeders ondervonden systematisch grote moeite om daadwerkelijk hun stukken te kunnen inzien en werden meer dan eens van het kastje naar de muur gestuurd. Ook [appellante 1] moest een half jaar meermalen bellen voordat het haar lukte om inzage te krijgen in haar dossier.

  • iii) De particuliere instellingen en doorgangshuizen van destijds zijn niet langer meer alle ‘actief’ en dat bemoeilijkt toegang tot de dossiers en rapporten. Ook [appellante 1] kwam er min of meer per toeval achter dat op de locatie waar voorheen de Paula Stichting was gevestigd nog dossiers aanwezig waren. Haar dossier kwam na een half jaar boven water.

  • iv) Een deel van de gegevens is ook vernietigd en de keuze die de Raad daarin heeft gemaakt, lijkt volstrekt willekeurig te zijn.

  • v) De moeders konden vaak pas toegang krijgen tot de dossiers van de Raad als zij daartoe toestemming hadden gekregen van hun (afstands)kinderen dan wel pleegouders of adoptieouders in het geval waarin de kinderen minderjarig waren. Met name die toestemmingseis van de afstandskinderen vormde voor veel vrouwen het meest in het oog springende obstakel. Die toestemming konden veel moeders tientallen jaren namelijk niet krijgen omdat moeder en kind vaak geen contact meer hadden en dus ook geen contactgegevens hadden van elkaar, zoals aanvankelijk ook het geval was bij [appellante 1] . Toen [appellante 1] contact opnam met de Raad deelde die haar mee dat zij haar dossier alleen gezamenlijk met haar afgestane zoon mocht inzien. Uiteindelijk heeft [appellante 1] haar zoon gevraagd om schriftelijk toestemming tot inzage te geven, op basis waarvan de Raad instemde met haar verzoek om inzage.

  • vi) Het was niet ongebruikelijk dat adoptieouders probeerden om de moeders de toegang tot de dossiers te onthouden.

6.32

Daargelaten dat niet (is onderbouwd dat) al deze obstakels op [appellante 1] van toepassing zijn (in het bijzonder (i), (iv) en (vi)), geldt dat deze obstakels, ook in onderlinge samenhang bezien, onvoldoende basis vormen voor de aanname dat [appellante 1] (al dan niet door toedoen van de Staat) niet in staat is geweest om binnen 20 jaar een vordering tegen de Staat in te stellen of ten minste haar vordering te stuiten. Aannemelijk is dat de zoektocht naar en het inzage krijgen in de relevante dossiers moeizaam en frustrerend is geweest. Dat het niet mogelijk was om binnen de verjaringstermijn de dossiers op te sporen en in te zien, is echter niet onderbouwd. Zonder onderbouwing is dat niet op voorhand aannemelijk (zo was in een ander geval kennelijk al in 1993-1994 sprake van inzage in een dossier 34). Bovendien is niet duidelijk waarom inzage in de dossiers noodzakelijk was om een vordering in te stellen. De vordering van [appellante 1] is immers zoals gezegd grotendeels gebaseerd op haar eigen herinneringen aangaande het handelen en nalaten van de Raad (onder meer: onvoldoende voorlichting geven en te veel druk uitoefenen). Daarvoor had zij de dossiers niet nodig, temeer nu volgens haar de dossiers ook nog eens onjuiste informatie zouden bevatten.

6.33

Het argument dat de Staat in geen enkel belang wordt getroffen als de verjaring zou worden doorbroken, overtuigt evenmin. De Staat heeft terecht tegengeworpen dat het voor hem lastig is zich ruim 50 jaar later te verweren tegen (onder meer) de stelling dat er onwaarheden in de dossiers staan en dat de Raad bepaalde onrechtmatige handelingen heeft verricht. Dat klemt temeer nu [appellante 1] zich mede beroept op een algemeen patroon dat haar stellingen zou bevestigen. Voor dat algemene patroon is mede de gang van zaken bij andere vrouwen van belang. Zoals de Staat opmerkt zullen vele getuigen niet meer werkzaam zijn voor de Raad of niet meer in leven zijn, en is het hoe dan ook de vraag of zij zich de precieze gebeurtenissen 50 jaar later goed zullen kunnen herinneren.

6.34

Het is juist dat het recht van moeder en kind om bij elkaar te blijven een fundamenteel recht is. Dat de scheiding diepe wonden heeft geslagen is evident. Dat betekent echter niet dat het handelen van de Raad in de zaak van [appellante 1] als zo verwijtbaar moet worden aangemerkt dat de verjaring daarom moet worden doorbroken. Wat de Raad precies heeft gedaan of nagelaten en hoe dat handelen en nalaten moeten worden gekwalificeerd staat immers nog geenszins vast en aan de vaststelling daarvan komt het hof in deze procedure niet toe. Het hof roept nogmaals in herinnering dat de omstandigheid dat sprake is van een schrijnend geval niet voldoende is om de verjaring te doorbreken.

6.35

Tot slot is los van hetgeen hiervoor (6.27-6.34) is overwogen, het volgende van belang. Zelfs als [appellante 1] zou worden gevolgd in haar stelling dat zij lange tijd niet in staat was om een vordering in te stellen, dan geldt dat zij in elk geval niet voldoende heeft onderbouwd dat zij een vordering heeft ingesteld binnen een redelijke termijn nadat zij daartoe alsnog in staat mocht worden geacht (dit gezichtspunt wordt ook genoemd in het eerder aangehaalde Schelde-arrest, en wel als gezichtspunt g). Als redelijke termijn wordt in het algemeen een termijn van twee jaar gehanteerd en er is niets aangevoerd op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat in dit geval een langere termijn gerechtvaardigd zou zijn. [appellante 1] (en met haar BCW) laat de termijn van twee jaar pas beginnen in het najaar van 2019, op het moment van instellen van het Aanmeldpunt gedwongen afstand en adoptie. Naar het oordeel van het hof is dit een te willekeurig moment en is er onvoldoende reden om aan te nemen dat [appellante 1] , pas toen in staat was een vordering in te stellen, en niet al (vele) jaren eerder, of in elk geval al in de periode oktober 2014–mei 2017. De ervaringen van de afstandsmoeders vormden al sinds 2014 onderwerp van parlementair debat. Naar aanleiding van de uitzending van het programma Brandpunt in oktober 2014 zijn er Kamervragen gesteld en al in het WODC-rapport van mei 2017 werd geconcludeerd dat de moeders geen reële keuzevrijheid hadden gehad. Dat dit slechts een verkennend onderzoek was, maakt niet dat [appellante 1] de Staat toen niet aansprakelijk had kunnen stellen. Zoals hierboven (6.28) overigens al is overwogen hebben de Moeders ook toegegeven dat elke keuze voor een moment waarop het collectief zwijgen werd doorbroken in feite arbitrair is en dat september/oktober 2019 niet het moment was waarop voor elke moeder het collectief zwijgen werd doorbroken. Ook in dat licht bezien is er onvoldoende grond om aan te nemen dat [appellante 1] pas in het najaar van 2019, althans niet eerder dan in het najaar van 2017 (twee jaar voor de aansprakelijkstelling) in staat was juridische stappen te zetten en dat dus aan het vereiste van de redelijke termijn is voldaan. Het feit dat [appellante 1] pas bij kennisname van de dossiers van de Raad en van de Paula Stichting zag wat de gevolgen voor haar zoon waren geweest, leidt evenmin tot de conclusie dat zij niet eerder in staat was haar vordering in te stellen, hoe schrijnend de situatie van haar zoon ook was. [appellante 1] komt in dit geding niet op voor de belangen van haar zoon.

6.36

De conclusie luidt dat de rechtsvordering van [appellante 1] is verjaard. Het verweer van de Staat slaagt.

Ten overvloede: enkele algemene inhoudelijke overwegingen

6.37

Ten overvloede wijdt het hof nog enkele overwegingen aan de inhoudelijke stellingen van de Moeders.

6.38

Naar het oordeel van het hof gaan de Moeders uit van een te ruime uitleg van de taak van de Raad op grond van de wet en de wetsgeschiedenis.
Het is juist dat ook in de periode 1956-1984 uitgangspunt was dat de familierechtelijke band tussen moeder en kind behouden moest worden en dat artikel 8 EVRM positieve verplichtingen meebracht voor de Staat op dat punt. Net als nu nog steeds geval is, was het echter ook toen onder bepaalde bijzondere omstandigheden en in het belang van het kind mogelijk om een uitzondering op dit uitgangspunt te aanvaarden, zoals in het geval van ontheffing uit de ouderlijke macht na een beslissing tot afstand ter adoptie.
De vordering van de Moeders is in de kern gebaseerd op de stelling dat de Raad hen had moeten beschermen tegen de druk van de destijds bestaande maatschappelijke, sociale en religieuze vooroordelen. Zij leiden uit de wetgeschiedenis van de Adoptiewet af dat de wetgever de Raad indertijd die taak van ‘beschermheer’ heeft toegekend. Naar het oordeel van het hof valt dit echter niet als zodanig uit die wetsgeschiedenis af te leiden. Wat daar wel uit blijkt is dat de wetgever oog had voor het gesignaleerde risico dat de introductie van een wettelijke vorm van adoptie het doen van afstand zou kunnen bevorderen, omdat zo’n legale optie te verkiezen zou zijn boven een alternatief langs onderhandse kanalen. De wetgever achtte niet waarschijnlijk dat dit gevaar door de invoering van de adoptiemogelijkheid zou worden vergroot (zie ook hierboven onder 3.12). De wetgever verwachtte dat instellingen voor maatschappelijk werk en kinderbescherming zich door de mogelijkheid van adoptie niet zouden laten verleiden tot het in de hand werken van het afstaan van kinderen en hij gaf de verzekering dat hij zou bevorderen dat de Raad zich daarvoor zou hoeden. Dat betekent echter niet dat de wetgever de Raad dus de taak toekende om de moeders te beschermen tegen de druk van maatschappelijke, sociale en religieuze vooroordelen. Van een dergelijke druk rept de wetsgeschiedenis niet. Dat het vooroordelen waren (en dus onjuist en af te keuren), was bovendien in die tijd geen vaststaand gegeven waarover consensus bestond; uit de wetsgeschiedenis blijkt ook niet dat de wetgever daar wel van uit is gegaan. De moeders, hun familie, de kerk en andere betrokkenen maakten deel uit van de maatschappij, net zoals de Raad en overigens ook de wetgever. Zij werden dus allen beïnvloed door de daarin levende opvattingen, die ook niet statisch waren, maar steeds in ontwikkeling (vergelijk in dat verband het WODC-rapport, 3.3 hierboven).

6.39

Dit neemt uiteraard niet weg dat de Raad wel verplicht was zorgvuldig met de belangen van de moeders om te gaan en een zorgvuldigheidsverplichting had ten opzichte van de moeders. Of die plicht zo ver ging als de Moeders stellen, betwijfelt het hof. Voorshands komt het hof het inhoudelijk oordeel van de rechtbank juist voor waar het gaat om de onrechtmatigheidsvraag. Wat hiervan echter ook zij, niet uitgesloten is dat de Raad in individuele gevallen niet aan de op hem rustende zorgvuldigheidsverplichting heeft voldaan, bijvoorbeeld door niet de in redelijkheid van hem te verwachten informatie te verschaffen. Na zoveel jaren kan moeilijk worden nagegaan of en in hoeverre hiervan sprake is geweest, en in hoeverre dit dan in relevante mate heeft bijgedragen aan het genomen afstandsbesluit gezien het feit dat ook veel andere betrokkenen invloed uitoefenden op dat besluit (denk aan de ouders, de kennissen uit de leefomgeving, de particuliere instellingen). Zoals hierboven overwogen komt het hof aan zo’n inhoudelijke beoordeling ook niet toe.

6.40

Het hof benadrukt nogmaals dat het feit dat het hof in deze procedure oordeelt dat de Staat juridisch niet aansprakelijk is, niet betekent dat de scheiding van de moeders van hun kind “dus” hun eigen schuld is geweest. Het betekent evenmin dat hun leed niet wordt erkend. Zoals hierboven al overwogen staat niet ter discussie dat veel vrouwen ten aanzien van wel of geen afstand doen ter adoptie geen reële keuzevrijheid hebben gehad en dat sprake is van een zwarte bladzijde in de geschiedenis van Nederland.

Conclusie, proceskosten en slotopmerkingen

6.41

De conclusie is dat het hoger beroep van de Moeders niet slaagt. Het incidenteel hoger beroep van de Staat slaagt wel. Omdat het hof anders dan de rechtbank van oordeel is dat BCW niet in haar vorderingen kan worden ontvangen, zal het hof het vonnis voor zover dat is gewezen tussen BCW en de Staat vernietigen, en opnieuw rechtdoende, BCW niet-ontvankelijk verklaren in haar vorderingen. Het vonnis tussen [appellante 1] en de Staat wordt bekrachtigd.

6.42

Het hof zal de Moeders als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het principaal hoger beroep en zal BCW daarnaast ook veroordelen in de kosten van het incidenteel hoger beroep. Het hof zal verder bepalen dat de Moeders nakosten en wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd zijn, zoals gevorderd. De kostenveroordelingen zullen uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, eveneens zoals gevorderd.

7Beslissing

Het hof:

- vernietigt het vonnis van de rechtbank Den Haag van 26 januari 2022, zoals dat is gewezen tussen Bureau Clara Wichman en de Staat, en in zoverre opnieuw rechtdoende: verklaart Bureau Clara Wichmann niet-ontvankelijk in haar vorderingen;

- bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Den Haag van 26 januari 2022, zoals dat is gewezen tussen [appellante 1] en de Staat;

- veroordeelt de Moeders in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde de Staat begroot op € 783,- aan griffierecht en € 3.642,- aan salaris advocaat in het principaal hoger beroep, te vermeerderen met de wettelijke rente als deze kosten niet binnen veertien dagen na heden zijn voldaan;

- veroordeelt Bureau Clara Wichmann daarnaast ook in de kosten van het incidenteel beroep, aan de zijde van de Staat begroot op € 1.824,-, te vermeerderen met de wettelijke rente als dit bedrag niet binnen veertien dagen na heden is voldaan;

- bepaalt dat als de Moeders niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze proceskostenveroordeling(en) hebben voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, zij de kosten van die betekening ad € 178,- moeten betalen, plus extra nakosten van € 92,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als deze niet binnen veertien dagen na betekening zijn voldaan;

- verklaart deze kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mr. E.M. Dousma-Valk, G. Dulek-Schermers en mr. E. Bauw en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2025 in aanwezigheid van de griffier.

1

Het hof heeft er nota van genomen dat de Moeders de term ‘afstandsmoeders’ als kwetsend ervaren, omdat die lijkt te impliceren dat zij bewust voor afstand hebben gekozen. Het hof zal de term daarom zo weinig mogelijk gebruiken, maar ontkomt er soms niet aan, omdat de term gebruikelijk is geworden en in veel stukken voorkomt. Voor het hof houdt de term geen waardeoordeel in.

2

Wet tot invoering van de mogelijkheid van adoptie en wijziging, in verband daarmede, van het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en het Wetboek van Strafrecht: wet van 26 januari 1956, Stb 1956, 42, zoals gewijzigd bij wet van 11 december 1958, houdende vaststelling van Boek l van het nieuwe Burgerlijk Wetboek met uitzondering van de titels 9 en 10, Stb. 1958, 590 en ingevoerd bij Invoeringswet Boek 1 nieuw B.W. (wet van 3 april 1969. Stb. 167) en in werking getreden bij besluit van 4 juni 1969. Stb. 1969, 256. Sinds 1 januari 1970 is de adoptie geregeld in de artikelen 1:227-1:229 BW.

3

Wet van 1 mei 1981, houdende regelen met betrekking tot het afbreken van zwangerschap, Stb. 1981, 257.

4

Wet van 6 februari 1901, S. 62, tot wijziging en aanvulling van de bepalingen in het B.W. omtrent de vaderlijke macht en de voogdij en daarmede samenhangende artikelen, alsmede van een daarmede verband houdende voorschrift in het W.v.B.Rv., in werking getreden 1 december 1905.

5

Stb. 1954, 602.

6

Zie voetnoot 2.

7

MvT Adoptiewet, Kamerstukken II, 1953/54, 3530, nr. 3 (productie 58).

8

MvA, Kamerstukken II, 1955/56, 3530, nr. 35b (productie 70).

9

Het Aanmeldpunt Afstand en adoptie in Nederland: vertrouwen is mensenwerk, Rapportage van de Commissie van onafhankelijke deskundigen inzake het onderzoek naar binnenlandse afstand en adoptie onder voorzitterschap van prof. dr. C. Finkenauer.

10

Brief van de Minister aan de Voorzitter van de Tweede Kamer van 9 november 2021, Kamerstukken II 2020 -2021, 31 265, nr. 97.

11

Kamerstukken II, 2021/22, 35 925-VI, nr. 62, motie van de leden Van Nispen en Van der Staaij.

12

Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2022/23, nr. 3196, 39.

13

Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2024/25, nr. 263.

14

Kamerstukken II 2017/18, 34 608, nr. 6, p. 18.

15

Kamerstukken II 1991/92, 22 486, nr. 3, p. 27. Zie ook HR 26 februari 2010.ECLI:NL:HR:2010:BK5756 (Plazacasa), r.o. 4.2.

16

Gerechtshof Amsterdam 14 april 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:1157.

17

Rechtbank Amsterdam 20 november 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:8741.

18

Gerechtshof Amsterdam 29 juli 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:3005.

19

Artikel 2004 BW (oud) in samenhang met artikel 68a en 73 Overgangswet NBW.

20

Vgl. HR 27 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1887, r.o. 3.1.2.

21

Zie de in de vorige voetnoot genoemde uitspraak van de Hoge Raad uit 2020, r.o. 3.1.5.

22

HR 22 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:412.

23

EHRM 26 maart 2013, nr. 21794/08.

24

HR 1 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE7347, r.o. 3.4.2.

25

Vgl. o.a. HR 3 november 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1867, NJ 1998, 380.

27

HR 28 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5635 (De Schelde).

28

HR 24 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:494 (Maersk), r.o. 3.3.8.

29

ECLI:NL:PHR:2023:958 sub 8.9-8.13.

30

Gerechtshof Den Haag 1 oktober 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:2524.

31

Conclusie AG sub 8.6. (zie voor vindplaats voetnoot 29).

32

Zie voor een ander voorbeeld de al in voetnoot 30 genoemde uitspraak (executie Indonesië).

33

Zie wederom voetnoot 30.

34

Zie producties 40A. In de als productie 40A overgelegde verklaring staat dat de betrokken moeder maar een half uurtje leestijd kreeg en dat er veel onleesbaar was gemaakt, maar uit de verklaring kan ook worden opgemaakt dat zij niettemin langs deze weg de voor haar relevante informatie te weten is gekomen.



© Copyright 2009 - 2025 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733