Essentie (redactie)
Man verzoekt vrouw te verbieden zijn achternaam nog te gebruiken. Uit art. 1:9 lid 1 BW volgt dat vrouw bevoegd is om na ontbinding huwelijk door echtscheiding de geslachtsnaam van man te blijven voeren. Blijkens lid 2 kan de vrouw de aan haar toegekende bevoegdheid slechts ontnomen worden indien geen afstammelingen in leven zijn en dan alleen wanneer daartoe gegronde redenen bestaan. Nu partijen samen twee (in leven zijnde) kinderen hebben, kan vrouw recht om geslachtsnaam man te blijven voeren niet worden ontzegd.
Datum publicatie | 18-03-2025 |
Zaaknummer | C/09/644140 / FA RK 23-1781 |
Procedure | Eerste aanleg - meervoudig |
Zittingsplaats | Den Haag |
Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
Trefwoorden | Alimentatie; Familievermogensrecht; Overig; Geslachtsnaam (art. 1:5 t/m 1:9 BW) |
Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Partneralimentatie en verdeling huwelijksgemeenschap. Berekening vergoedingsrechten i.v.m. aflossing op hypotheek en verbeteringen aan de woning, artikel 1:87 lid 2 sub a en b BW.Volledige uitspraak
Meervoudige Kamer
Rekestnummers: FA RK 23-1781 (echtscheiding) / FA RK 23-9006 (verdeling)
Zaaknummers: C/09/644140 (echtscheiding) / C/09/658147 (verdeling)
Datum beschikking: 28 februari 2025
Scheiding
Beschikking op het op 1 maart 2023 ingekomen verzoek van:
[de vrouw] ,
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R.A.M. Jorna te ’s-Gravenhage.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de man] ,
de man,
zonder bekende woon- of verblijfplaats,
advocaat: mr. J.W.G. van der Wallen te Rijswijk.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
-
het verzoekschrift van de zijde van de vrouw, ingekomen op 1 maart 2023;
-
het verweerschrift met zelfstandige verzoeken van de zijde van de man, ingekomen op 29 september 2023;
-
het verweerschrift tegen de zelfstandige verzoeken van de zijde van de vrouw, ingekomen op 28 november 2023;
-
de brief van 17 juni 2024, met bijlagen, van de zijde van de vrouw;
-
het aanvullende verzoekschrift van de zijde van de vrouw, overgelegd ter zitting van
25 juni 2024; -
het verweerschrift tegen de aanvullende verzoeken van de zijde van de man, ingekomen op 2 september 2024;
-
het gewijzigde verzoekschrift van de zijde van de vrouw, ingekomen op 1 oktober 2024;
-
de brief van 18 december 2024, met bijlagen, van de zijde van de vrouw;
-
het verweerschrift met aanvullende zelfstandige verzoeken van de zijde van de man, ingekomen op 20 december 2024.
Op 25 juni 2024 is de zaak op de zitting behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw met haar advocaat, alsmede de man. Van deze zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Op de zitting heeft de rechtbank regie gevoerd en een aantal regiebeslissingen genomen.
Op 16 januari 2025 is de behandeling op de zitting voortgezet. Hierbij zijn verschenen: de vrouw met haar advocaat en de man met zijn advocaat. Van de zijde van de vrouw en de man zijn pleitnotities overgelegd en voorgedragen.
Na de zitting van 16 januari 2025 heeft de rechtbank het volgende stuk ontvangen:
- het bericht van 16 januari 2025, met bijlagen (loonstroken), van de zijde van de vrouw.
Feiten- Partijen zijn gehuwd op [dag] 1996 te [plaats 1] in gemeenschap van goederen.
- Deze rechtbank heeft op 5 maart 2024 voorlopige voorzieningen getroffen, inhoudende dat:
-
de vrouw met ingang van 1 mei 2024 bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan de [adres 1] te [plaats 2] ;
-
de vrouw aan de man met ingang van 5 maart 2024 voorlopig een partneralimentatie van € 1.531,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.
Verzoek en verweer
De vrouw verzoekt in haar laatste stuk (de brief van 18 december 2024) de echtscheiding uit te spreken en:
- de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap van partijen vast te stellen zoals uit de als productie 70 primaire en subsidiaire in het geding gebrachte vermogensverdelingsvoorstellen blijkt en
primair de vrouw te machtigen om alles te doen wat noodzakelijk is om de goederenrechtelijke eigendomsoverdracht van de verschillende goederen zoals hieronder opgesomd sub a tot en met d aan de vrouw en sub e tot en met g aan de man, te realiseren, met bepaling dat de beschikking in de plaats treedt van de voor de eigendomsoverdracht en levering noodzakelijke toestemming en/of handtekening van de man en/of notariële akte of een deel daarvan, waarin de goederenrechtelijke levering plaatsvindt;
subsidiair de man te veroordelen om binnen vier weken na betekening van het vonnis zijn volledige medewerking te verlenen aan de goederenrechtelijke levering van de verschillende goederen zoals hieronder opgesomd sub a tot en met d aan de vrouw en sub e tot en met g aan de man, onder oplegging van een dwangsom van € 1.000,- per dag of dagdeel waarin de man in gebreke blijft zijn volledige medewerking te verlenen;
aan de vrouw:
a. het appartementsrecht rechtgevende op het gebruik van het appartement aan de [adres 1] te [plaats 2] ;
b. het appartementsrecht rechtgevende op het gebruik van het appartement aan de [adres 2] te [plaats 2] ;
c. het tegoed op de Spaarpolis [nummer 1] , behorend bij Spaarhypotheek [nummer 2] dat verpand is aan de ING bank ter meerdere zekerheid van de hypothecaire geldleningen van partijen bij die bank, onder de verplichting dat de vrouw de volgende hypothecaire geldleningen als eigen schuld zal voldoen:
i. ING lineaire hypotheek [nummer 3] met zekerheid op de [adres 2] / en [adres 1] groot € 43.478,22;
ii. ING [nummer 2] spaarhypotheek leningdeel 1.0 met zekerheid op de [adres 1 en adres 2] , groot € 103.008,11;
iii. ING [nummer 2] aflossingsvrije hypotheek leningdeel 2.0 met zekerheid op de [adres 1 en adres 2] groot nihil;
iv. ING [nummer 4] lineaire hypotheek leningdeel 1.0 met zekerheid op de [adres 1 en adres 2] groot € 29.375,73;
v. ING [nummer 4] aflossingsvrije hypotheek leningdeel 1.1 met zekerheid op de [adres 1 en adres 2] groot
€ 78.400,-;
vi. en voorwaardelijk ook de ING [nummer 5] lineaire hypotheek met zekerheid op de [adres 3] groot
€ 21.600,-, alleen voor zover deze woning aan de man wordt toegescheiden;
d. het onverdeeld aandeel van 50% in de onroerende zaken staande en gelegen te Frankrijk [postcode 1] , [plaats 3] , voor een waarde van € 57.500,-, en te bepalen dat de vrouw ter zake deze verdeling ten titel van overbedeling aan de man € 28.750,- dient te betalen;
aan de man:
e. primair het appartementsrecht rechtgevende op het gebruik van het appartement aan de [adres 3] te [plaats 2] ;
subsidiair voor het geval de rechtbank niet bepaalt dat de vrouw de verplichtingen uit de hypotheekschuld ING [nummer 5] lineaire hypotheek met zekerheid op de [adres 3] groot € 21.600,- op zich neemt, de vrouw te machtigen om de woning voornoemd mede namens de man te gelde te maken door deze te verkopen en te leveren en daarbij te bepalen dat:
i. de vrouw gerechtigd zal zijn tot de helft van de verkoopopbrengst van deze woning, na aflossing daaruit van de lening tot zekerheid waarvan hypotheek op de woning is gevestigd en na betaling uit de verkoopopbrengst van de kosten en lasten die verband houden met de verkoop van de woning;
ii. de vrouw gemachtigd is om alles te doen wat de verkopende makelaar noodzakelijk acht voor een vlotte verkoop van deze woning;
iii. de beschikking in de plaats komt van de noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring van de man tot het in de verkoop geven van het onroerend goed bij een makelaar;
iv. de man te veroordelen tot medewerking, in de ruimste zin van het woord, waaronder begrepen afgifte van een sleutel aan de door de vrouw in te schakelen makelaar voor de bezichtiging door potentiële kopers en dat de woning voor iedere bezichtiging is schoongemaakt en opgeruimd;
v. de beschikking in de plaats komt van de voor de eigendomsoverdracht en levering van het onroerende goed noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van de man;
f. het onverdeeld aandeel van 50% in de onroerende zaak staande en gelegen te Frankrijk in [postcode 2] [plaats 4] , voor een waarde van
€ 42.200,-, en te bepalen dat de man ter zake deze verdeling ten titel van overbedeling aan de vrouw € 21.100,- dient te betalen;
g. het onverdeeld aandeel van 50% in de onroerende zaak staande en gelegen te Frankrijk [postcode 3] [plaats 5] , voor een waarde van € 25.000,- en te bepalen dat de man ter zake deze verdeling ten titel van overbedeling aan de vrouw € 12.500,- dient te betalen;
-
de man te veroordelen om aan de vrouw te betalen een bedrag van € 7.861,- in verband met achtergehouden huurpenningen tot 31 december 2024, te vermeerderen met de helft van de door de man nog na 1 januari 2025 te ontvangen huurpenningen ad € 1.410,- per maand, een en ander zolang er sprake is van gemeenschappelijke eigendom van het betreffende goed, en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum verzoekschrift, dan wel de datum van beschikking, tot aan de dag der algehele voldoening;
-
de man te veroordelen om aan de vrouw te betalen een bedrag van € 2.699,39 (privé uitgaven man tot 5 maart 2024), althans een door uw rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het verzoekschrift, dan wel de datum van beschikking, tot aan de dag der algehele voldoening;
-
de man te veroordelen om aan de vrouw te betalen een bedrag van € 2.200,- (advocaatkosten man), althans een door uw rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van dit verzoekschrift, dan wel de datum van beschikking, tot aan de dag der algehele voldoening;
-
de man te veroordelen om aan de vrouw te betalen een bedrag van € 1.958,38 in verband met privé uitgaven man die na 5 maart 2024 nog uit de en/of rekening van partijen zijn betaald, althans een door uw rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het verzoekschrift, dan wel de datum van beschikking, tot aan de dag der algehele voldoening;
-
de man te veroordelen om aan de vrouw te betalen een bedrag van € 619,36 (door vrouw betaalde onderhoudskosten), althans een door uw rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het verzoekschrift, dan wel de datum van beschikking, tot aan de dag der algehele voldoening;
-
voorwaardelijk, voor het geval de rechtbank een partneralimentatie vaststelt, de alimentatieduur te beperken primair tot één jaar en subsidiair tot drie jaar,
een en ander met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De man voert – onder referte ten aanzien van het verzoek tot echtscheiding – verweer.
Daarnaast verzoekt de man in zijn laatste stuk (het verweerschrift met aanvullende zelfstandige verzoeken van 20 december 2024) zelfstandig:
-
de vrouw te verbieden om de achternaam van de man “ [achternaam] ” na de echtscheiding nog te gebruiken;
-
in het kader van de verdeling van de huwelijksgemeenschap aan de man toe te delen:
de onroerende zaak aan de [adres 2] te [plaats 2] , inclusief de inboedel, met 50% van het Spaarfonds [nummer 2] ;
de onroerende zaak aan de [adres 3] te [plaats 2] met resthypotheek ad € 15.200,45 per 16 december 2024;
de onroerende zaak te [plaats 4] , Frankrijk voor wat betreft het aandeel van de vrouw;
de onroerende zaak te [plaats 5] , Frankrijk voor wat betreft het aandeel van de vrouw;
de Mercedes met kenteken [kenteken 1] voor de getaxeerde waarde ad € 1.500,-;
de Mercedes met kenteken [kenteken 2] voor de getaxeerde waarde ad € 1.000,-;
de Allianz NLD levensverzekering [nummer 6] ;
de roerende zaken: eettafel en stoelen, tv-stoel, Lundia modulaire bed, Lundia modulaire kledingkast, kluis en de container met inhoud;
de inboedel in de woning aan de [adres 3] te [plaats 2] ;
- met ingang van de datum van de echtscheiding een door de vrouw aan de man te betalen partneralimentatie van € 4.166,- per maand vast te stellen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen,
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.
Beoordeling
Echtscheiding
De vrouw stelt zich op het standpunt dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht en zij verzoekt daarom de echtscheiding uit te spreken. Alhoewel de man niet wil scheiden, verzet hij zich niet tegen het verzoek van de vrouw. De rechtbank zal het verzoek tot echtscheiding dan ook als niet weersproken en op de wet gegrond toewijzen.
Gebruik achternaam
De man verzoekt de vrouw te verbieden om zijn achternaam na de echtscheiding nog te gebruiken. De rechtbank zal dit verzoek afwijzen en overweegt daartoe als volgt. Uit artikel 1:9 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de vrouw bevoegd is om na de ontbinding van het huwelijk door echtscheiding de geslachtsnaam van de man te blijven voeren. Blijkens lid 2 van voormeld artikel kan de rechtbank de vrouw de aan haar toegekende bevoegdheid slechts ontnemen indien uit het huwelijk geen afstammelingen in leven zijn en dan alleen wanneer daartoe gegronde redenen bestaan. Nu partijen samen twee (in leven zijnde) kinderen hebben, kan de vrouw het recht om de geslachtsnaam van de man te blijven voeren niet worden ontzegd.
Partneralimentatie
Behoefte van de man
De rechtbank zal de huwelijksgerelateerde behoefte van de man conform de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie berekenen aan de hand van de hofnorm. Hierbij wordt de behoefte van de onderhoudsgerechtigde vastgesteld op 60% van het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van het uiteengaan van partijen minus de eventuele kosten van de kinderen. Partijen zijn in de tweede helft van 2023 feitelijk uit elkaar gegaan.
Vaststaat dat de man ten tijde van het uiteengaan van partijen geen inkomsten had anders dan zijn aandeel in de huurinkomsten. De volledige huurinkomsten zullen hierna worden
meegenomen bij de berekening van het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de vrouw.
Aan de zijde van de vrouw gaat de rechtbank uit van een inkomen uit loondienst van
€ 83.054,- bruto per jaar, zoals blijkt uit de jaaropgave 2023. Daarnaast wordt rekening gehouden met de door de vrouw gestelde en door de man niet betwiste netto huurinkomsten van € 695,- per maand ( [adres 3] ) en € 928,- per maand ( [adres 2] ), zijnde in totaal € 19.476,- per jaar.
Sinds 2016 ontvangt de vrouw rente over papieren schenkingen van haar vader. De vrouw heeft de door har vader geschonken bedragen steeds direct aan hem terug geleend tegen een rente van 6%. Vanaf 2019 gaat het om een bedrag van € 29.323,- per jaar. Van 2018 tot en met 2021 heeft de vrouw vanuit de rente-inkomsten jaarlijks € 20.000,- afgelost op de hypotheekschuld die betrekking heeft op het appartement aan de [adres 2] . Deze jaarlijkse aflossingen hebben ertoe geleid dat de netto huuropbrengst van het appartement aan de [adres 2] is gestegen. De rechtbank acht het gelet op het voorgaande niet juist om bij de berekening van het netto besteedbaar gezinsinkomen rekening te houden met de volledige rente-inkomsten van € 29.323,- per jaar. Er zou dan voor wat betreft een bedrag van € 20.000,- sprake zijn van een dubbeltelling. Aldus zal rekening worden gehouden met rente-inkomsten van € 9.323,- per jaar (€ 29.323,- minus € 20.000,-). Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw onvoldoende onderbouwd dat dit bedrag niet ten goede is gekomen aan het gezin. Op de zitting heeft de vrouw zelf aangegeven dat zij vanuit haar privévermogen soms uitgaven deed, zoals het collegegeld van de kinderen.
Voor wat betreft de waarde van het box 3 vermogen sluit de rechtbank aan bij de aangifte inkomstenbelasting 2022 (banktegoeden € 117.319,-, onroerende zaken € 606.844,-, uitgeleend geld € 490.915,-, schulden € 103.156,-).
Rekening houdend met de arbeidskorting berekent de rechtbank het NBI van de vrouw ten tijde van het uiteengaan op € 5.249,- per maand. Dit is ook het netto besteedbaar gezinsinkomen.
Evenals in de voorlopige voorzieningenprocedure zal de rechtbank een bedrag van € 900,- aan kosten van de kinderen in mindering brengen op het netto besteedbaar gezinsinkomen. Het betreft kosten voor de meerderjarige dochter van partijen. De man heeft onvoldoende betwist dat partijen ten tijde van hun uiteengaan deze kosten voldeden.
De rechtbank berekent de behoefte van de man op basis van bovenstaande conform de hofnorm op € 2.609,- netto per maand in 2023 (60% van (€ 5.249,- minus € 900,-)). Geïndexeerd naar 2025 bedraagt de behoefte van de man € 2.951,- netto per maand.
Aanvullende behoefte van de man
Op de hiervoor berekende netto behoefte van de man moet zijn eigen inkomen dan wel verdiencapaciteit in mindering worden gebracht.
Hoewel de man een goede opleiding heeft genoten (de man heeft de HTS gedaan), heeft hij sinds 2008 geen betaalde baan meer gehad. De rechtbank is met de vrouw van oordeel dat de man onvoldoende heeft onderbouwd dat hij niet kan gaan werken. Door de man zijn geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij op medische gronden niet in staat is om betaald werk te verrichten. Daarnaast heeft hij ook niet gesolliciteerd, want uit de stelling van de man volgt dat hij alleen heeft rondgevraagd in zijn netwerk.
Gelet op de leeftijd van de man (de man is 63 jaar oud) acht de rechtbank de man in staat om 28 uur per week te werken. Uitgaande van het minimumloon van € 14,06 bruto per uur, berekent de rechtbank de verdiencapaciteit van de man op € 1.706,- bruto per maand exclusief vakantiegeld, zijnde € 1.769,- netto per maand.
Nu, zoals hierna zal blijken, de appartementen aan de [adres 3] en de [adres 2] aan de vrouw zullen worden toegedeeld, zal de man na de echtscheiding geen huurinkomsten meer hebben.
Met inachtneming van de eigen verdiencapaciteit van de man is er sprake van een netto aanvullende behoefte van € 1.182,- per maand (€ 2.951,- minus € 1.769,-) en een bruto aanvullende behoefte van € 2.213,- per maand.
Draagkracht van de vrouw
Bij de berekening van de financiële draagkracht van de vrouw gaat de rechtbank uit van de loonstroken over de maanden oktober, november en december 2024. Hieruit blijkt een salaris van € 8.012,72 per maand, een Individueel Keuze Budget (IKB) van € 1.322,10 per maand, een pensioenpremie van € 566,81 per maand en een premie AP van € 11,21 per maand.
Zoals hierna zal blijken, zullen de appartementen aan de [adres 3] en de [adres 2] aan de vrouw worden toegedeeld. De rechtbank zal dan ook rekening houden met huurinkomsten van € 695,- per maand ( [adres 3] ) en € 928,- per maand ( [adres 2] ), zijnde in totaal € 19.476,- per jaar.
Tot slot houdt de rechtbank rekening met rente-inkomsten van € 29.323,- per jaar in verband met de papieren schenkingen van de vader van de vrouw.
Voor wat betreft de waarde van het box 3 vermogen sluit de rechtbank aan bij de aangifte inkomstenbelasting 2023 (banktegoeden € 137.649,-, onroerende zaken € 935.752,-, uitgeleend geld € 510.715,-, schulden € 94.456,-). Aangezien het saldo op de RentePlus Rekening inmiddels nihil is, zal een bedrag van € 69.110,- van de waarde van de banktegoeden worden afgetrokken. Van de waarde van de onroerende zaken zal een bedrag van € 87.292,- worden afgetrokken, omdat, zoals hierna zal blijken, de woning in [plaats 5] , Frankrijk zal worden verkocht en de woning in [plaats 4] , Frankrijk aan de man zal worden toegedeeld.
Rekening houdend met de arbeidskorting berekent de rechtbank het NBI van de vrouw op
€ 7.189,- per maand.
Voor de bepaling van de draagkracht van de vrouw zal de rechtbank conform de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie de draagkrachtformule van 60% x [NBI – (0,3 x NBI + 1.310)] toepassen. Hieruit volgt een draagkracht van de vrouw van € 2.233,- per maand (60% x [7.189 – (2.157 + 1.310)]). Gebruteerd komt dit neer op € 3.571,- per maand.
De rechtbank gaat voorbij aan het standpunt van de vrouw dat bij de bepaling van haar draagkracht rekening moet worden gehouden met haar bijdragen aan de kinderen van partijen (€ 122,65 per maand voor de werkende dochter en € 622,50 per maand voor de studerende zoon). De rechtbank begrijpt dat voor de vrouw gevoelsmatig de kinderen voorgaan op de man. Gezien de leeftijd van de kinderen (27 en 25 jaar), heeft de vrouw echter geen wettelijke onderhoudsverplichting meer jegens hen, terwijl zij wel een wettelijke onderhoudsverplichting heeft jegens de man.
Conclusie
Nu de bruto aanvullende behoefte van de man (€ 2.213,- per maand) lager is dan de draagkracht van de vrouw (€ 3.571,- bruto per maand), wordt de partneralimentatie begrensd tot de hoogte van de bruto aanvullende behoefte van de man. De partneralimentatie zal dan ook worden vastgesteld op een bedrag van € 2.213,- per maand.
Limitering
De vrouw heeft verzocht de partneralimentatie te limiteren primair tot één jaar en subsidiair tot drie jaar. Zij voert daartoe aan dat de echtscheidingsprocedure al lange tijd loopt en dat de man desondanks nog geen enkele poging heeft gedaan om zelf inkomen te verwerven. Naar de mening van de vrouw kan niet van haar worden verwacht dat zij de man nog veel langer blijft onderhouden.
De rechtbank zal het verzoek van de vrouw afwijzen. Zij overweegt daartoe dat het limiteren van partneralimentatie een ingrijpende beslissing is. Vanwege de ingrijpende gevolgen van limitering worden hoge eisen gesteld aan de door de alimentatieplichtige te stellen, en zo nodig te bewijzen, omstandigheden die limitering zouden rechtvaardigen. De rechtbank ziet in wat de vrouw heeft gesteld onvoldoende aanleiding om de partneralimentatie te limiteren tot één dan wel drie jaar. Daarbij merkt de rechtbank op dat in het voorgaande reeds is uitgegaan van een verdiencapaciteit aan de zijde van de man. Niet gebleken is dat de man over één dan wel drie jaar volledig in zijn eigen levensonderhoud kan voorzien.
Uitvoerbaarverklaring bij voorraad
De man heeft verzocht om de beslissing op het verzoek tot vaststelling van partneralimentatie uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Volgens artikel 288 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan de rechter de eindbeschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaren, maar volgens artikel 233 lid 1 Rv is dat niet mogelijk als uit de wet anders voortvloeit.
Uit de wet vloeit op grond van artikel 826 lid 1 onder c Rv voort dat de op 5 maart 2024 door deze rechtbank gewezen voorlopige voorziening inzake partneralimentatie op dit moment nog behoort te gelden. Daarmee verdraagt zich niet dat de beslissing op de nevenvoorziening partneralimentatie uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. Daarom zal de rechtbank het verzoek om uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de nevenvoorziening partneralimentatie afwijzen.
Aanhechten berekeningen
De door de rechtbank gemaakte berekeningen zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.
Verdeling huwelijksgemeenschap
Nu niet is gesteld of gebleken dat partijen huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt, moet gelet op het bepaalde in de artikelen 1:93 en 1:94 BW (tekst tot 1 januari 2018) worden aangenomen dat tussen hen een algehele gemeenschap van goederen bestaat.
Bij de verdeling van de gemeenschap van goederen moet als uitgangspunt worden genomen dat partijen in gelijke mate delen in de baten van de gemeenschap, terwijl ieder de lasten van de gemeenschap voor de helft moet dragen. Als wettelijke peildatum voor het vaststellen van de omvang van de huwelijksgemeenschap geldt de datum van indiening van het verzoekschrift, zijnde 1 maart 2023. Als peildatum voor de waardering geldt in het beginsel de datum van feitelijke verdeling.
Door partijen zijn de volgende bestanddelen van de huwelijksgemeenschap naar voren gebracht:
1. de appartementen aan de [adres 1 en adres 2] te [plaats 2] en de hieraan gekoppelde hypothecaire schulden;
2. het appartement aan de [adres 3] te [plaats 2] en de hieraan gekoppelde hypothecaire schuld;
3. het 50% aandeel in de woning in [plaats 5] , Frankrijk;
4. het 50% aandeel in de twee woningen in [plaats 3] , Frankrijk;
5. het 50% aandeel in de woning in [plaats 4] , Frankrijk;
6. de polis van levensverzekering bij Allianz;
7. de bankrekeningen;
8. de inboedel;
9. de auto’s;
10. de creditcardschuld;
11. de aanslag inkomstenbelasting 2022.
Ad 1. De appartementen aan de [adres 1 en adres 2] te [plaats 2] en de hieraan gekoppelde hypothecaire schulden
Partijen hebben twee appartementen aan de [adres 1 en adres 2] te [plaats 2] : een benedenwoning (nummer [adres 1] ) en de woning daarboven (nummer [adres 2] ). Het appartement aan de [adres 1] is de voormalige echtelijke woning en het appartement aan de [adres 2] wordt verhuurd. In opdracht van de rechtbank hebben partijen de appartementen bindend laten taxeren (het appartement aan de [adres 1] tegen de waarde in het economisch verkeer en het appartement aan de [adres 2] tegen de waarde in verhuurde staat). De getaxeerde waarde van het appartement aan de [adres 1] bedraagt € 695.000,- en de getaxeerde waarde van het appartement aan de [adres 2] € 300.000,-.
Op dit moment zijn er nog drie schulden ten behoeve waarvan hypothecaire zekerheid is gevestigd op zowel de [adres 2] als de [adres 1] : ING lineair
[nummer 3] (hoogte per 15 januari 2025: € 37.904,22), ING [nummer 4] leningdeel 1.0 en ING [nummer 4] leningdeel 1.1 (totale hoogte per 15 januari 2025: € 102.567,48). De schuld ING [nummer 2] is recent afgelost vanuit het Spaarfonds dat is vrijgevallen.
Tussen partijen is niet in geschil dat het appartement aan de [adres 1] aan de vrouw zal worden toegedeeld tegen de getaxeerde waarde van € 695.000,-. Partijen maken beiden aanspraak op toedeling van het appartement aan de [adres 2] tegen de getaxeerde waarde van € 300.000,-.
De rechtbank acht het gezien de slechte verstandhouding tussen partijen niet wenselijk dat de eigendom van de appartementen aan de [adres 1 en adres 2] wordt gesplitst. Naar verwachting zal er een onwerkbare situatie ontstaan als partijen samen in een Vereniging van Eigenaren zullen zitten. Het inschakelen van een VvE-beheerder, zoals de advocaat van de man op de zitting heeft geopperd, biedt geen oplossing, omdat partijen ook dan gezamenlijk belangrijke beslissingen zullen moeten nemen. Op de zitting heeft de man bovendien aangegeven dat hij mogelijk zelf (tijdelijk) zijn intrek wil nemen in één van de kamers van het appartement aan de [adres 2] . Partijen zullen elkaar dan steeds tegenkomen, wat vanwege de spanningen tussen partijen zeer onwenselijk is. Ook als de man niet zelf in het appartement gaat wonen, maar alle kamers verhuurd blijven, zal hij als huisbaas regelmatig in het pand aanwezig moeten zijn.
Gelet op het voorgaande en omdat de man financieel niet in staat is om de beide appartementen over te nemen, terwijl de vrouw hiertoe wel in staat is (de vrouw heeft een positief hypotheekadvies overgelegd en kan ook nog geld lenen bij haar vader), zal de rechtbank zowel het appartement aan de [adres 2] als het appartement aan de [adres 1] toedelen aan de vrouw. De toedeling van de appartementen zal plaatsvinden onder de verplichting voor de vrouw om de man te doen ontslaan uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hiervoor genoemde hypothecaire schulden en onder verrekening van de waarde bij helfte met de man.
De vrouw heeft (primair) verzocht om te bepalen dat deze beschikking in de plaats treedt van de voor de eigendomsoverdracht van de appartementen noodzakelijke toestemming en/of handtekening van de man. Gezien het verloop van de onderhavige procedure (de man heeft meermaals zijn standpunten en verzoeken gewijzigd), alsmede het gegeven dat de man graag had gewild dat het appartement aan de [adres 2] aan hem was toegedeeld, ziet de rechtbank aanleiding om het verzoek van de vrouw toe te wijzen. Zij zal bepalen dat deze beschikking ex artikel 3:300 BW in de plaats treedt van de voor de eigendomsoverdracht noodzakelijke toestemming en/of handtekening van de man indien hij niet binnen twee weken na de eerste uitnodiging van de notaris daartoe meewerkt aan de eigendomsoverdracht.
Ad 2. Het appartement aan de [adres 3] te [plaats 2] en de hieraan gekoppelde hypothecaire schuld
Het appartement van partijen aan de [adres 3] te [plaats 2] wordt verhuurd. In opdracht van de rechtbank hebben partijen het appartement bindend laten taxeren tegen de waarde in verhuurde staat. De waarde is vastgesteld op € 280.000,-. Op het appartement is hypothecaire zekerheid gevestigd ten behoeve van de schuld ING [nummer 5] (hoogte per 15 januari 2025: € 14.933,48).
Aanvankelijk waren partijen het erover eens dat het appartement zou worden toegedeeld aan de man. Op de zitting heeft de man echter aangegeven dat hij het appartement niet meer toegedeeld wenst te krijgen, ook niet in het geval het appartement aan de [adres 2] aan de vrouw wordt toegedeeld. De vrouw heeft daarop verzocht het appartement aan haar toe te delen. Zij kan geld lenen bij haar vader om de man uit te kopen.
Partijen zijn het niet eens over de waarde waartegen het appartement aan de vrouw moet worden toegedeeld. Naar de mening van de vrouw moet worden uitgegaan van de getaxeerde waarde in verhuurde staat, terwijl de man wenst uit te gaan van de waarde in het economisch verkeer (onverhuurde staat).
De rechtbank zal het appartement aan de [adres 3] toedelen aan de vrouw tegen de getaxeerde waarde in verhuurde staat van € 280.000,-. Het appartement wordt op dit moment verhuurd en het huurcontract loopt nog tot in ieder geval december 2025. Daar komt bij dat het appartement ooit door partijen is aangeschaft voor de verhuur.
De toedeling van het appartement zal plaatsvinden onder de verplichting voor de vrouw om de man te doen ontslaan uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hiervoor genoemde hypothecaire schuld en om via de transporterende notaris aan de man de helft van de overwaarde (te weten de taxatiewaarde van het appartement van € 280.000,- minus de omvang van de hypothecaire schuld op de datum van de notariële overdracht) te voldoen.
Gelet op dat wat hiervoor is overwogen ten aanzien van de appartementen aan de [adres 1 en adres 2] , ziet de rechtbank aanleiding om ook ten aanzien van het appartement aan de [adres 3] te bepalen dat deze beschikking in de plaats treedt van de voor de eigendomsoverdracht van het appartement noodzakelijke toestemming en/of handtekening van de man. De rechtbank zal bepalen dat deze beschikking ex artikel 3:300 BW in de plaats treedt van de voor de eigendomsoverdracht noodzakelijke toestemming en/of handtekening van de man indien hij niet binnen twee weken na de eerste uitnodiging van de notaris daartoe meewerkt aan de eigendomsoverdracht.
Ad 3,4 en 5. Het 50% aandeel in de onroerende zaken te Frankrijk
Partijen zijn samen met hun twee kinderen eigenaar van een viertal woningen in Frankrijk (de kinderen zijn ieder voor 25% eigenaar en partijen samen voor 50%).
Aanvankelijk waren partijen het erover eens dat het aandeel in de woning in [plaats 5] zou worden toegedeeld aan de man. Op de zitting heeft de man echter aangegeven dat hij het aandeel in deze woning niet meer toegedeeld wenst te krijgen. Nu ook de vrouw het aandeel in de woning in [plaats 5] niet wil overnemen, zal de woning moeten worden verkocht. Volgens de vrouw gaan de kinderen akkoord met de verkoop van de woning in [plaats 5] . De rechtbank gaat voorbij aan het verzoek van de vrouw om ter zake de verkoop van de woning in [plaats 5] een ‘spoorboekje’ op te nemen. Aangezien er naast partijen nog twee andere eigenaren zijn, kan de rechtbank niet bepalen welke stappen moeten worden gevolgd. Daarbij komt dat de woning in Frankrijk is gelegen. De rechtbank geeft partijen in overweging om één van de twee makelaars die de woning hebben getaxeerd opdracht te geven de woning te verkopen.
Partijen zijn het erover eens dat het aandeel in de twee woningen in [plaats 3] zal worden toegedeeld aan de vrouw tegen de getaxeerde waarde van in totaal € 57.500,- en dat het aandeel in de woning in [plaats 4] zal worden toegedeeld aan de man tegen de getaxeerde waarde van € 42.200,-. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.
Op de zitting heeft de vrouw met betrekking tot het aandeel van partijen in de onroerende zaken in Frankrijk haar primaire verzoek om te bepalen dat de beschikking in de plaats treedt van de voor de eigendomsoverdracht noodzakelijke toestemming en/of handtekening van de man, ingetrokken. De vrouw handhaaft haar subsidiaire verzoek om de man te veroordelen zijn medewerking te verlenen aan de eigendomsoverdracht op straffe van een dwangsom. De rechtbank zal dit verzoek afwijzen. Aangezien de man het eens is met de verkoop van de woning in [plaats 5] en de toedeling van de woningen in [plaats 3] en [plaats 4] ziet de rechtbank niet in waarom hij hieraan zijn medewerking niet zou verlenen.
Ad 6. De polis van levensverzekering bij Allianz
Partijen zijn het erover eens dat de polis van levensverzekering bij Allianz aan de man zal worden toegedeeld tegen de waarde per heden. De rechtbank zal aldus beslissen.
Ad 7. De bankrekeningen
Tot de gemeenschap behoren de volgende gemeenschappelijke bankrekeningen:
-
ING Oranje Spaarrekening [nummer 7]
-
ING Oranje Spaarrekening [nummer 8]
-
ING Betaalrekening [rekeningnummer 1]
-
RentePlus Rekening Centraal Beheer [rekeningnummer 2]
Ad a) ING Oranje Spaarrekening [nummer 7]
Partijen zijn het erover eens dat deze bankrekening moet worden toegedeeld aan de vrouw tegen een waarde van nihil. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.
Ad b) ING Oranje Spaarrekening [nummer 8]
Partijen zijn het erover eens dat deze bankrekening moet worden toegedeeld aan de vrouw. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw voldoende gemotiveerd dat het saldo op deze rekening op 1 maart 2023 van € 2.004,34 nadien volledig is aangewend voor gezamenlijke kosten. De rekening zal dan ook aan de vrouw worden toegedeeld tegen een waarde van nihil.
Ad c) ING Betaalrekening [rekeningnummer 1]
Partijen zijn het erover eens dat deze bankrekening moet worden toegedeeld aan de vrouw tegen het saldo per heden. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.
Ad d) RentePlus Rekening Centraal Beheer [rekeningnummer 2]
Partijen zijn het erover eens dat deze bankrekening moet worden toegedeeld aan de vrouw. Op de peildatum van 1 maart 2023 bedroeg het saldo op deze rekening € 61.992,51, terwijl het huidige saldo nihil bedraagt. De man maakt aanspraak op de helft van het saldo van
€ 61.992,51. Tegelijkertijd heeft hij erkend dat de rekening na 1 maart 2023 is gebruikt voor gezamenlijke kosten, onder andere de hoge kosten van de overlegscheiding. De man stelt zich op het standpunt dat de vrouw na 1 maart 2023 een veel groter bedrag van de rekening heeft onttrokken dan hijzelf. De vrouw heeft dit weersproken en de man heeft aan zijn stelling geen conclusie verbonden. Voor zover de man heeft willen stellen dat hij ter zake nog een vordering heeft op de gemeenschap, heeft hij deze stelling onvoldoende onderbouwd. Aangezien het huidige saldo op de rekening nihil bedraagt, zal de rechtbank de rekening toedelen aan de vrouw tegen een waarde van nihil.
De man heeft nog gesteld dat de volgende bankrekeningen op naam van de vrouw ook tot de gemeenschap behoren:
ING Spaarloonrekening [rekeningnummer 3]
ASN Ideaalsparen [rekeningnummer 4]
Ad e) ING Spaarloonrekening [rekeningnummer 3]
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw genoegzaam aangetoond dat deze rekening al vóór de peildatum was opgeheven. Ten aanzien van deze rekening zal de rechtbank dus geen beslissing nemen.
Ad f) ASN Ideaalsparen [rekeningnummer 4]
Op de zitting heeft de vrouw toegelicht dat deze rekening van januari 2014 tot en met juli 2017 heeft gefunctioneerd als gezamenlijke spaarrekening. In augustus 2017 zou het volledige saldo zijn overgemaakt naar een nieuwe gezamenlijke rekening. Volgens de vrouw is de rekening bij ASN vanaf dat moment exclusief door haar gebruikt en enkel gevoed met schenkingen en rente over papieren schenkingen van haar vader. Zowel ten aanzien van de schenkingen als ten aanzien van de revenuen daarvan is door de vader van de vrouw bepaald dat deze niet zullen vallen in enige huwelijksgoederengemeenschap. Naar de mening van de vrouw valt het huidige saldo van de rekening bij ASN dan ook buiten de gemeenschap.
De man heeft betwist dat de rekening bij ASN sinds augustus 2017 uitsluitend is gevoed met schenkingen en rente-inkomsten van de vrouw. Volgens hem stortte de vrouw op deze rekening ook inkomsten uit arbeid, zoals bijvoorbeeld haar vakantiegeld. Het saldo moet naar de mening van de man dan ook wel degelijk worden gedeeld.
De rechtbank kan niet vaststellen of de rekening bij ASN enkel is gevoed met schenkingen en rente over papieren schenkingen van de vader van de vrouw. De vrouw heeft wel aangetoond dat zij sinds 2016 op deze rekening jaarlijks rente over papieren schenkingen van haar vader ontvangt (in december 2017 een bedrag van € 14.592,-, in december 2018 een bedrag van € 21.928,- en in de jaren daarna telkens in december een bedrag van
€ 29.323,-). In totaal heeft de vrouw sinds 2017 een bedrag van € 212.458,- aan rente-inkomsten ontvangen. De papieren schenkingen zijn gedaan onder uitsluitingsclausule, waarbij geldt dat de uitsluitingsclausule zich mede uitstrekt over de verschuldigde rente. Het betreft dan ook privévermogen van de vrouw. Vanuit de rente-inkomsten is in totaal
€ 80.000,- afgelost op de hypotheekschuld, zodat nog € 132.458,- (€ 212.458 minus
€ 80.000,-) aan rente-inkomsten resteert. Op de zitting heeft de vrouw verklaard dat het saldo op de rekening bij ASN op dit moment € 53.410,89 bedraagt. Dit laatste is door de man niet betwist. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw gelet op het voorgaande voldoende onderbouwd dat dit saldo is opgebouwd uit resterende rente-inkomsten. De rechtbank zal dan ook bepalen dat de rekening bij ASN wordt toegedeeld aan de vrouw, zonder nadere verrekening van het saldo met de man.
Ad 8. De inboedel
De vrouw stelt zich op het standpunt dat de inboedel van de appartementen aan de [adres 1 en adres 2] al is verdeeld, omdat de man bij zijn vertrek uit de voormalige echtelijke woning veel spullen heeft meegenomen. De man is het hier niet mee eens en wenst nog de eettafel met stoelen, de opa-stoel, het Lundia bed, de Lundia kledingkast, de kluis en de container met inhoud toegedeeld te krijgen. De vrouw stemt ermee in dat de
opa-stoel en het Lundia bed aan de man worden toegedeeld. Voor wat betreft de container met inhoud hebben partijen op de zitting met elkaar afgesproken dat zij op 26 januari 2025 samen zullen kijken wat er in de container zit en dat zij de inhoud vervolgens zullen verdelen. De vrouw heeft aangegeven dat als er in de container zit wat de man zegt dat erin zit, dat hij dan de gehele inhoud van de container mag hebben. Uiterlijk 1 juli 2025 zal de man de container op zijn kosten weghalen.
De rechtbank zal de opa-stoel en het Lundia bed toedelen aan de man en de overige inboedel van de appartementen aan de [adres 1 en adres 2] aan de vrouw, een en ander zonder nadere verrekening van de waarde. De rechtbank kan niet vaststellen wat er aan inboedel aanwezig was en is in de woningen aan de [adres 1 en adres 2] , maar zij gaat ervan uit dat de inboedel zo eerlijk is verdeeld.
Aangezien het appartement aan de [adres 3] gemeubileerd wordt verhuurd, zal de rechtbank de inboedel in het appartement aan de [adres 3] toedelen aan de vrouw. Rekening houdend met de waarde van een normale inboedel in een tweekamerappartement, bepaalt de rechtbank de waarde van de inboedel in het appartement aan de [adres 3] op € 3.000,-. Dit betekent dat de vrouw de man € 1.500,- moet betalen.
Ad 9. De auto’s
Tot de gemeenschap behoren vier auto’s.
Twee auto’s (een auto van het merk Audi met kenteken [kenteken 3] en een auto van het merk Mercedes met kenteken [kenteken 4] ) staan al jaren in een halfopen schuur bij de woning in [plaats 4] , Frankrijk. De man heeft taxatierapporten overgelegd waaruit een waarde van deze auto’s blijkt van nihil. Volgens de vrouw zijn de auto’s respectievelijk € 2.000,- en € 10.000,- waard. Zij baseert zich hierbij op verkoopadvertenties van soortgelijke auto’s. Geen van partijen wenst de auto’s toegedeeld te krijgen.
De rechtbank zal de twee hiervoor genoemde auto’s toedelen aan de man, omdat ze staan op het terrein van de woning die aan de man zal worden toegedeeld. Daar komt bij dat de auto’s op naam van de man staan. Op basis van de door de man overgelegde taxatierapporten en foto’s van de auto’s gaat de rechtbank ervan uit dat de auto’s geen waarde hebben. De auto’s zullen dan ook aan de man worden toegedeeld tegen een waarde van nihil.
Voor wat betreft de twee andere auto’s (een auto van het merk Mercedes met kenteken
[kenteken 1] en een auto van het merk Mercedes met kenteken [kenteken 2] ) geldt dat de man taxatierapporten heeft overgelegd waaruit waarden blijken van respectievelijk
€ 1.500,- en € 1.000,-. De man wenst de auto’s enkel toegedeeld krijgen voor deze bedragen. Volgens de vrouw zijn de auto’s respectievelijk € 12.000,- en € 10.000,- waard. Ook hier baseert de vrouw zich op verkoopadvertenties van soortgelijke auto’s. Zij verzoekt de auto’s voor deze bedragen toe te delen aan de man.
Nu de man taxatierapporten heeft overgelegd, zal de rechtbank de auto’s toedelen aan de man tegen de door hem gestelde waarden van € 1.500,- en € 1.000,-. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw de door haar gestelde waarden onvoldoende onderbouwd. De vrouw heeft ook niet verzocht haar in de gelegenheid te stellen de auto’s zelf te laten taxeren.
De rechtbank acht het niet redelijk dat de vrouw de helft van de door de man (zonder overleg met de vrouw) gemaakte taxatiekosten zou moeten voldoen. De taxatiekosten komen dan ook volledig voor rekening van de man.
Ad 10. De creditcardschuld
Naar de rechtbank begrijpt verzoekt de vrouw te bepalen dat zij de creditcardschuld van
€ 1,15 als eigen schuld voor haar rekening zal nemen, onder de verplichting van de man om een bedrag van € 0,58 aan haar te vergoeden. Nu de man geen verweer heeft gevoerd tegen dit verzoek, zal de rechtbank het verzoek toewijzen.
Ad 11. De aanslag inkomstenbelasting 2022
Naar de rechtbank begrijpt verzoekt de vrouw te bepalen dat zij de schuld aan de belastingdienst aangaande de aanslag inkomstenbelasting 2022 van € 1.517,- als eigen schuld voor haar rekening zal nemen, onder de verplichting van de man om een bedrag van € 758,50 aan haar te vergoeden. Nu de man geen verweer heeft gevoerd tegen dit verzoek, zal de rechtbank het verzoek toewijzen.
Vergoedingsrechten vrouw in verband met aflossingen op de hypotheek en verbeteringen aan de woning
De vrouw stelt dat zij op grond van artikel 1:95 lid 2 BW vergoedingsvorderingen op de gemeenschap heeft. In dit kader heeft zij het volgende naar voren gebracht.
In 2014 heeft de vrouw van haar vader een schenking van € 88.500,- ontvangen. In de onderhandse schenkingsakte van 30 april 2014 is opgenomen dat het geschonken bedrag uiterlijk op 31 december 2016 door de begiftigde zal worden besteed aan de eigen woning van de begiftigde, hetzij aan de aflossing van een eigenwoningschuld (hypotheekschuld) of een verbouwing van de eigen woning. Daarnaast is bepaald dat het geschonken bedrag niet zal vallen in enige gemeenschap van goederen. Vanuit het geschonken bedrag heeft de vrouw in 2014 € 39.600,- afgelost op de hypothecaire schuld ING [nummer 4] leningdeel 1.1. Dit was de maximaal toelaatbare aflossing van 20% van het oorspronkelijke hypotheekbedrag van € 198.000,-. Praktisch het gehele restant van € 48.900,- is in 2015 uitgegeven aan nieuwe kozijnen, beglazing en dakisolatie voor de appartementen aan de [adres 1 en adres 2] .
Van 2015 tot en met 2018 heeft de vrouw een viertal papieren schenkingen ontvangen van haar vader. In de notariële schenkingsakten is een uitsluitingsclausule opgenomen die zich mede uitstrekt over de verschuldigde rente. Sinds 2016 ontvangt de vrouw rente over de papieren schenkingen. In 2016 een bedrag van € 7.278,-, in 2017 een bedrag van € 14.592,-, in 2018 een bedrag van € 21.928,- en in de jaren daarna telkens een bedrag van
€ 29.323,-. Vanuit de rente-inkomsten heeft de vrouw van 2018 tot en met 2021 jaarlijks
€ 20.000,- afgelost op de hypothecaire schuld ING [nummer 4] leningdeel 1.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw voldoende aangetoond dat zij een schenking van € 88.500,- van haar vader heeft ontvangen en dat hiermee een bedrag van
€ 39.600,- is afgelost op de hypotheek van partijen. Door de vrouw is niet alleen een onderhandse schenkingsakte overgelegd, maar ook een bankafschrift van de spaarrekening van de vader van de vrouw waaruit blijkt dat hij op 1 mei 2014 een bedrag van € 88.500,- heeft overgemaakt naar zijn betaalrekening. Alleen een bankafschrift van de overschrijving van de betaalrekening van de vader van de vrouw naar de (inmiddels opgeheven) betaalrekening van partijen ontbreekt. Blijkens een overgelegd bankafschrift van de spaarrekening van de vrouw is op 12 mei 2014 een bedrag van € 48.900,- ontvangen vanaf de betaalrekening van partijen met omschrijving ‘bewaren voor besteding eigen woning’. Door de vrouw is een door zowel de vrouw als de man ondertekende opdrachtbevestiging met betrekking tot kunststof kozijnen van 8 oktober 2014 overgelegd. In de opdrachtbevestiging is een totaalprijs van € 45.000,- opgenomen. Gelet op de overgelegde stukken en het besprokene op de zitting acht de rechtbank voldoende aannemelijk dat de door de vrouw gestelde verbeteringen hebben plaatsgevonden en dat deze vanuit het geschonken bedrag van de vader van de vrouw zijn bekostigd.
Ook de door de vrouw gestelde aflossingen op de hypotheek van in totaal € 80.000,- vanuit rente-inkomsten heeft de vrouw voldoende aangetoond. Door de vrouw zijn bankafschriften van de betaalrekening van partijen overgelegd waaruit blijkt dat in december 2018, december 2019, december 2020 en december 2021 telkens een bedrag van € 20.000,- vanaf de spaarrekening van de vrouw bij ASN is ontvangen met omschrijving ‘extra aflossing hypotheek’. Op haar spaarrekening bij ASN ontvangt de vrouw de rente over de papieren schenkingen (ook hiervan is bewijs overgelegd).
Uit artikel 1:95 lid 2 BW volgt dat het beloop van de vergoedingsrechten van de vrouw moet worden bepaald overeenkomstig artikel 1:87 BW.
De hoogte van het vergoedingsrecht van de vrouw in verband met de aflossingen op de hypotheek moet op basis van artikel 1:87 lid 2 sub a BW als volgt worden berekend:
hypotheekaflossingen / aankoopwaarde woning x waarde woning ten tijde van de afrekening
Anders dan de vrouw gaat de rechtbank ervan uit dat de aflossingen enkel kunnen worden toegerekend aan het appartement aan de [adres 2] . Partijen hebben het appartement aan de [adres 1] gekocht in 1994 (voor een bedrag van omgerekend € 103.008,-) en het appartement aan de [adres 2] in 2002 (voor een bedrag van
€ 272.500,-). Bij de aankoop van het appartement aan de [adres 2] is een nieuwe hypotheek van € 375.508,- afgesloten waarbij zekerheid is gevestigd op beide appartementen. In deze hypotheek is de oude hypotheek die was afgesloten bij de aankoop van het appartement aan de [adres 1] ter hoogte van € 103.008,- meegenomen (ING [nummer 2] , inmiddels volledig afgelost vanuit het Spaarfonds). Voor de aankoop van het appartement aan de [adres 2] is € 272.500,- geleend (nu ING [nummer 4] leningdeel 1.0 en ING [nummer 4] leningdeel 1.1). De vrouw heeft enkel afgelost op ING [nummer 4] leningdeel 1.1.
Gelet op het voorgaande berekent de rechtbank het vergoedingsrecht van de vrouw op
€ 119.600,- / € 272.500,- x € 300.000,- = (afgerond) € 131.670,-.
De hoogte van het vergoedingsrecht van de vrouw in verband met de verbeteringen aan de woning moet op basis van artikel 1:87 lid 2 sub b BW als volgt worden berekend:
investering / (waarde woning ten tijde van de investering + investering) x waarde woning ten tijde van de afrekening
Nu uit de overgelegde opdrachtbevestiging een totaalprijs van € 45.000,- blijkt, zal de rechtbank uitgaan van een investering ter hoogte van dat bedrag. De verbeteringen hebben betrekking op zowel het appartement aan de [adres 2] als het appartement aan de [adres 1] . De rechtbank zal de waarde van beide appartementen dan ook bij elkaar optellen. Voor wat betreft de waarde van de appartementen in 2015 gaat de rechtbank conform de berekening van de vrouw uit van de WOZ-waarde per 1 januari 2016, zijnde in totaal € 651.000,-.
Gelet op het voorgaande berekent de rechtbank het vergoedingsrecht van de vrouw op
€ 45.000,- / (€ 651.000,- + € 45.000,-) x € 995.000,- = (afgerond) € 64.332,-.
Vergoedingsrecht gemeenschap
De vrouw stelt dat zij een bedrag van € 11.252,- aan de gemeenschap moet vergoeden vanwege het feit dat in 2019 per abuis schenkbelasting is betaald vanaf de gemeenschappelijke betaalrekening van partijen. De rechtbank zal overeenkomstig het voorgaande beslissen. Zij gaat voorbij aan de stelling van de man dat het bedrag dat de vrouw aan de gemeenschap moet vergoeden mogelijk hoger is. De man heeft hiertoe geen begin van bewijs geleverd, terwijl het op zijn weg had gelegen om een en ander aan te tonen.
Regresvorderingen vrouw
Vordering ter zake door de man achtergehouden huurinkomsten
De vrouw stelt dat de man zich tot en met december 2024 een bedrag van € 15.722,- aan huurinkomsten heeft toegeëigend doordat hij aan de huurders heeft laten weten dat de huur naar zijn privérekening moest worden overgemaakt dan wel contant aan hem moest worden betaald. De vrouw maakt aanspraak op de helft van dit bedrag, te vermeerderen met de helft van de door de man nog na 1 januari 2025 te ontvangen huurpenningen ad € 1.410,- per maand, een ander zolang er sprake is van gemeenschappelijk eigendom van het betreffende goed.
De rechtbank overweegt als volgt.
Per 5 maart 2024 (de ingangsdatum van de voorlopige partneralimentatie) komt ieder van partijen de helft van de netto huurinkomsten toe. Dit staat ook uitdrukkelijk vermeld in de beschikking voorlopige voorzieningen van 5 maart 2024 van deze rechtbank. Voor zover de vrouw niet de helft van de netto huurinkomsten is toegekomen, heeft zij voor dat bedrag een vordering op de man. De rechtbank heeft onvoldoende informatie om vast te stellen hoe hoog het bedrag is dat de vrouw nog toekomt en zal het verzoek van de vrouw daarom afwijzen. Dit laat echter onverlet dat partijen ten aanzien van alle huurinkomsten nog een nadere berekening dienen te maken.
Vordering ter zake privé-uitgaven die de man tot 5 maart 2024 vanaf de gemeenschappelijke rekening heeft gedaan
De vrouw stelt dat de man in de periode van september 2023 tot 5 maart 2024 (de ingangsdatum van de voorlopige partneralimentatie) vanaf de gemeenschappelijke rekening uitgaven van in totaal € 2.699,39 heeft gedaan die niet kwalificeren als kosten van de huishouding. Omdat er sprake was van roodstand op de gemeenschappelijke rekening heeft de vrouw het saldo moeten aanzuiveren vanuit haar privévermogen. Zij meent om die reden een vordering op de man te hebben van € 2.699,39.
De rechtbank overweegt als volgt.
Ondanks het feit dat partijen sinds september 2023 feitelijk uit elkaar zijn, zijn zij nog altijd echtgenoten. Op grond van artikel 1:81 BW zijn echtgenoten verplicht elkaar over en weer het nodige te verschaffen. De vrouw is dus, ook gedurende de scheidingsprocedure, onverminderd onderhoudsplichtig jegens de man. Gelet op het voorgaande, en nu in de periode tot 5 maart 2024 nog geen voorlopige partneralimentatie gold, zal het verzoek van de vrouw worden afgewezen.
Vordering ter zake door de man vóór 5 maart 2024 vanaf de gemeenschappelijke rekening betaalde advocaatkosten
De vrouw stelt dat de man in de periode van 14 november 2023 tot 7 februari 2024 vanaf de gemeenschappelijke rekening in totaal € 2.200,- aan advocaatkosten heeft betaald. Omdat er sprake was van roodstand op de gemeenschappelijke rekening heeft de vrouw het saldo moeten aanzuiveren vanuit haar privévermogen. Zij meent om die reden een vordering op de man te hebben van € 2.200,-.
De rechtbank zal ook dit verzoek afwijzen nu het uitgaven betreft die zijn gedaan in de periode tot 5 maart 2024 (de ingangsdatum van de voorlopige partneralimentatie).
Vordering ter zake privé-uitgaven die de man na 5 maart 2024 vanaf de gemeenschappelijke rekening heeft gedaan
De vrouw stelt dat de man na 5 maart 2024 (de ingangsdatum van de voorlopige partneralimentatie) vanaf de gemeenschappelijke rekening uitgaven van in totaal € 1.958,38 heeft gedaan, terwijl hij vanaf 5 maart 2024 al zijn uitgaven diende te betalen vanuit de door de rechtbank vastgestelde voorlopige partneralimentatie. Omdat er sprake was van roodstand op de gemeenschappelijke rekening heeft de vrouw het saldo moeten aanzuiveren vanuit haar privévermogen. Zij meent om die reden een vordering op de man te hebben van
€ 1.958,38.
Nu de man de hoogte van de door hem na 5 maart 2024 vanaf de gemeenschappelijke rekening gedane uitgaven niet heeft betwist, zal de rechtbank het verzoek van de vrouw toewijzen. Per 5 maart 2024 betaalt de vrouw een voorlopige partneralimentatie aan de man. Vanaf die datum dient de man dan ook zijn eigen kosten te betalen.
Vordering ter zake door de vrouw betaalde onderhoudskosten gemeenschappelijk onroerend goed
De vrouw stelt dat zij in mei 2024 vanuit haar privévermogen twee facturen van in totaal
€ 619,36 heeft betaald ter zake het onderhoud van de appartementen aan de [adres 1 en adres 2] . Naar de rechtbank begrijpt verzoekt de vrouw vast te stellen dat de man de helft van dit bedrag aan haar dient te betalen.
De rechtbank zal dit verzoek afwijzen, omdat de vrouw de facturen niet heeft overgelegd en voorts niet kan worden vastgesteld of het ging om noodzakelijke kosten.
Vergoedingsrecht/regresvorderingen man
Hoewel in de stukken van de man meermaals is aangegeven dat de man nog recht heeft op bepaalde bedragen, zijn in het petitum geen vergoedings- of regresvorderingen opgenomen, zodat de rechtbank reeds om die reden geen vergoedingsrecht of regresvordering van de man kan vaststellen.
Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat de man de door hem gestelde vordering van
€ 13.008,11 op geen enkele wijze heeft onderbouwd. Ook als juist is dat de man, zoals hij stelt, een bedrag van € 13.008,11 uit hoofde van een levensverzekering die vóór het huwelijk is afgesloten, heeft geïnvesteerd in het appartement aan de [adres 2] , dan heeft de man voor dat bedrag geen vergoedingsvordering. Ook een voorhuwelijkse levensverzekering van partijen maakt immers deel uit van de gemeenschap van goederen.
Proceskosten
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.
Beslissing
De rechtbank:
*
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [dag] 1996 te [plaats 1] ;
*
bepaalt dat de vrouw aan de man met ingang van de dag dat de beschikking van echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand een partneralimentatie van € 2.213,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
stelt de verdeling van de huwelijksgemeenschap als volgt vast, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand:
1. aan de man worden toegedeeld:
de helft van de verkoopopbrengst van het 50% aandeel in de onroerende zaak te [plaats 5] , Frankrijk;
het 50% aandeel in de onroerende zaak te [plaats 4] , Frankrijk, tegen een waarde van € 42.200,-, onder verrekening van de waarde bij helfte met de vrouw;
de polis van levensverzekering bij Allianz ( [nummer 6] ) tegen de waarde per heden, onder verrekening van de waarde bij helfte met de vrouw;
de opa-stoel en het Lundia bed, zonder nadere verrekening van de waarde daarvan met de vrouw;
de auto van het merk Audi met kenteken [kenteken 3] tegen een waarde van nihil;
de auto van het merk Mercedes met kenteken [kenteken 4] tegen een waarde van nihil;
de auto van het merk Mercedes met kenteken [kenteken 1] tegen een waarde van € 1.500,-, onder verrekening van de waarde bij helfte met de vrouw;
de auto van het merk Mercedes met kenteken [kenteken 2] tegen een waarde van € 1.000,-, onder verrekening van de waarde bij helfte met de vrouw;
2. aan de vrouw worden toegedeeld:
de appartementsrechten rechtgevende op het gebruik van de appartementen aan de [adres 1 en adres 2] te [plaats 2] , onder de verplichting om de man te doen ontslaan uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire schulden (ING lineair [nummer 3] , ING [nummer 4] leningdeel 1.0 en ING [nummer 4] leningdeel 1.1) en onder verrekening van de overwaarde (te weten de taxatiewaarde van de appartementen van in totaal € 995.000,- minus de omvang van de hypothecaire schulden op de datum van de notariële overdracht) bij helfte met de man,
het appartementsrecht rechtgevende op het gebruik van het appartement aan de [adres 3] te [plaats 2] , onder de verplichting om de man te doen ontslaan uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire schuld (ING [nummer 5] ) en onder verrekening van de overwaarde (te weten de taxatiewaarde van het appartement van € 280.000,- minus de omvang van de hypothecaire schuld op de datum van de notariële overdracht) bij helfte met de man;
de helft van de verkoopopbrengst van het 50% aandeel in de onroerende zaak te [plaats 5] , Frankrijk;
het 50% aandeel in de onroerende zaken te [plaats 3] , Frankrijk, tegen de taxatiewaarde van in totaal € 57.500,-, onder verrekening van de waarde bij helfte met de man;
de ING Oranje Spaarrekening [nummer 7] tegen een waarde van nihil;
de ING Oranje Spaarrekening [nummer 8] tegen een waarde van nihil;
de ING Betaalrekening [rekeningnummer 1] tegen het saldo per heden, onder verrekening van het saldo bij helfte met de man;
de RentePlus Rekening Centraal Beheer [rekeningnummer 2] tegen een waarde van nihil;
de ASN Ideaalsparen [rekeningnummer 4] , zonder nadere verrekening van het saldo met de man;
de inboedel van de appartementen aan de [adres 1 en adres 2] te
[plaats 2] , met uitzondering van de opa-stoel en het Lundia bed, zonder nadere verrekening van de waarde daarvan met de man;
de inboedel in het appartement aan de [adres 3] te [plaats 2] tegen een waarde van € 3.000,-, onder verrekening van de waarde bij helfte met de man;
bepaalt dat indien de man niet binnen twee weken na de eerste uitnodiging van de notaris daartoe meewerkt aan de eigendomsoverdracht van de appartementsrechten rechtgevende op het gebruik van de appartementen aan de [adres 2] en [adres 1] te
[plaats 2] alsmede de eigendomsoverdracht van het appartementsrecht rechtgevende op het gebruik van het appartement aan de [adres 3] te [plaats 2] deze beschikking ex artikel 3:300 van het Burgerlijk Wetboek in de plaats treedt van de voor de eigendomsoverdracht noodzakelijke toestemming en/of handtekening van de man;
*
bepaalt dat de vrouw de creditcardschuld (ING Creditcard [nummer 9] ) van € 1,15
voor haar rekening zal nemen, onder de verplichting van de man om een bedrag van € 0,58
aan de vrouw te vergoeden;
*
bepaalt dat de vrouw de schuld aan de belastingdienst aangaande de aanslag
inkomstenbelasting 2022 van € 1.517,- voor haar rekening zal nemen, onder de verplichting
van de man om een bedrag van € 758,50 aan de vrouw te vergoeden;
*
bepaalt dat de vrouw een vergoedingsvordering op de gemeenschap heeft van € 131.670,- in verband met aflossingen op de hypotheek vanuit privévermogen;
*
bepaalt dat de vrouw een vergoedingsvordering op de gemeenschap heeft van € 64.332,- in verband met verbeteringen aan de appartementen aan de [adres 1 en adres 2] vanuit privévermogen;
*
bepaalt dat de vrouw een bedrag van € 11.252,- aan de gemeenschap moet vergoeden vanwege het feit dat in 2019 per abuis schenkbelasting is betaald vanaf de gemeenschappelijke betaalrekening van partijen;
*
bepaalt dat de man aan de vrouw een bedrag van € 1.958,38 moet betalen ter zake
privé-uitgaven die na 5 maart 2024 door de man zijn gedaan vanaf de gemeenschappelijke rekening;
*
verklaart deze beschikking – met uitzondering van de echtscheiding en de partneralimentatie – uitvoerbaar bij voorraad;
*
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. C.S.F. de Nijs, C.L. Strop en A.M. van der Vliet, rechters, bijgestaan door mr. C.P.E. van de Fliert-Verburg als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 28 februari 2025. |
||
© Copyright 2009 - 2025 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733