Rechtbank Den Haag 03-01-2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:4612


Datum publicatie26-03-2025
ZaaknummerC/09/661770 / FA RK 24-1275
ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsDen Haag
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenIPR familierecht; Allowances; Behoefte alimentatiegerechtigde internationaal; Draagkracht alimentatieplichtige internationaal; IPR pensioenverdeling bij scheiding;
Familievermogensrecht;
Familieprocesrecht; Nevenvoorzieningen
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Echtscheiding met nevenvoorzieningen.

Volledige uitspraak


Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 24-1275 (echtscheiding), FA RK 24-4048 (verdeling)

Zaaknummer: C/09/661770 (echtscheiding), C/09/667534 (verdeling)

Datum beschikking: 3 januari 2025

Echtscheiding met nevenvoorzieningen

Beschikking op het op 19 februari 2024 ingekomen verzoek van:

[de vrouw] ,

de vrouw,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. S.J. Hasselaar-Veltkamp te ’s-Gravenhage.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man] ,

de man,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. P.R. Beishuizen te ’s-Gravenhage.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • het verzoekschrift;

  • het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift;

- het verweer tegen het zelfstandig verzoek;

- het F9-formulier van 13 november 2024 van de vrouw, inhoudende een aanvullend verzoekschrift, met bijlagen;

- het F9-formulier van 15 november 2024 van de man, met bijlagen;

- de F9-formulieren van 19 november 2024 van de vrouw, met bijlagen;

- het F3-formulier van 21 november 2024 van de man, inhoudende een aanvullend

verweerschrift, met bijlagen.

Op 25 november 2024 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:

  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en een tolk, B. van Nieuwenhuizen;

  • de man, bijgestaan door zijn advocaat en een tolk, F.J. Klunder;

  • [naam 1] namens de Raad voor de kinderbescherming (de Raad).

Door de advocaat van de man is op de zitting een alimentatieberekening overgelegd.

Feiten

- Partijen zijn gehuwd op [dag] 2008 te [plaats 1] , Sierra Leone.

- Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:

- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2014 te [geboorteplaats 1] ;

- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2017 te [geboorteplaats 1] ;

- De man heeft de Spaanse nationaliteit en de vrouw heeft de Amerikaanse nationaliteit.

Verzoek en verweer

Het verzoek, zoals dat na wijziging luidt, strekt tot echtscheiding, met nevenvoorzieningen tot:

- vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over de kinderen, in die zin dat zij de ene week bij de vrouw verblijven en de andere week bij de man, waarbij het wisselmoment op vrijdag plaatsvindt, alsmede een wekelijks belmoment tussen de vrouw en de kinderen in de week dat zij niet bij haar zijn, op woensdag om 18.00 uur;

- vaststelling van een verdeling van de vakanties en feestdagen bij helfte, waarbij de vrouw ieder jaar uiterlijk voor 1 september een voorstel/schema zal toesturen aan de man, waarop de man binnen één maand reageert en indien de man nalaat te reageren, het voorstel van de vrouw zal gelden;

- vaststelling dat indien de kinderen bij de man verblijven, hij hen naar alle sport en buitenschoolse activiteiten zal brengen;

- vervangende toestemming, die de toestemming van de vader vervangt voor het (verder) behandelen van beide kinderen bij de psycholoog, mevrouw [naam 2] ;

- vaststelling van kinderalimentatie van € 107,- per maand, door de vrouw aan de man te voldoen, bij vooruitbetaling te voldoen, met ingang van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand;

- vaststelling van door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie van € 931,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen, met ingang van de te wijzen beschikking;

- vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, conform

het voorstel van de vrouw, zoals opgenomen van het verweerschrift op zelfstandige verzoeken en aanvullend verzoek;

  • bepaling van een gebruiksvergoeding vanaf de datum van indiening van het verzoekschrift, subsidiair vanaf de datum van de af te geven beschikking, ter hoogte van primair de helft van de eigenaarslasten en rentebetalingen, subsidiair ter hoogte van € 437,50 per maand;

  • bepaling dat het door partijen opgebouwde pensioen over en weer dient te worden

verevend, waarbij de man in deze procedure nadere informatie dient in te brengen over de wijze van verevening van het pensioen bij ICC.

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De man voert verweer tegen de verzochte vervangende toestemming, kinder- en partneralimentatie, gebruiksvergoeding, verdeling en pensioenverevening, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Bovendien heeft de man, na wijziging, zelfstandig verzocht om de echtscheiding, met nevenvoorzieningen tot:

- vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de man;

- vaststelling van een verdeling van de kosten van de kinderen, waarbij ieder van partijen een bedrag van € 735,- per maand bijdraagt, alsmede de vrouw te veroordelen om naast de kinderkosten, tevens een derde van de verblijfsoverstijgende kosten van de kinderen te voldoen;

- voortgezet gebruik van de echtelijke woning gedurende zes maanden na inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand;

- vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, conform

het voorstel van de man;

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De vrouw voert verweer tegen de verzochte kinderalimentatie en verdeling, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

I. Echtscheiding

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Nu de gewone verblijfplaats van partijen ten tijde van de indiening van het verzoekschrift in Nederland was, is de Nederlandse rechter bevoegd om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding. Op grond van artikel 10:56 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is het Nederlands recht van toepassing op het verzoek tot echtscheiding.

Huwelijksakte en rechtsgeldigheid van het huwelijk

Op grond van artikel 815, vijfde lid, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is de overlegging van een afschrift of uittreksel van de huwelijksakte een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding. Indien een afschrift of uittreksel van een huwelijksakte redelijkerwijs niet kan worden overgelegd, kan volgens het zesde lid van voornoemd wetsartikel worden volstaan met overlegging van andere bewijsstukken of kan op andere wijze daarin worden voorzien, een en ander ter beoordeling door de rechter.

Door de vrouw is gesteld dat het vanwege de politieke situatie in Sierra Leone niet mogelijk is om een recent afschrift van de huwelijksakte te overleggen, voor zover dit überhaupt tot de mogelijkheden behoort. Zij heeft daarom de originele huwelijksakte overgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw het bestaan van het huwelijk daarmee voldoende aangetoond.

Vervolgens dient in het kader van een echtscheiding waarbij het huwelijk van partijen in het buitenland is voltrokken, de rechtbank ambtshalve de vraag te beantwoorden of dit huwelijk op grond van artikel 10:31 BW erkend wordt in Nederland. De beantwoording van deze vraag is van belang, omdat een buitenlands huwelijk dat naar Nederlands recht niet wordt erkend, door de Nederlandse rechter niet kan worden ontbonden.

Het uitgangspunt is dat een buiten Nederland gesloten huwelijk wordt erkend wanneer het volgens het recht van de staat waar de huwelijksvoltrekking plaatsvond rechtsgeldig is of nadien rechtsgeldig is geworden (artikel 10:31 eerste lid BW) . Het vierde lid van artikel 10:31 BW bepaalt dat een huwelijk wordt vermoed rechtsgeldig te zijn indien een huwelijksverklaring is afgegeven door een bevoegde autoriteit.

De vrouw heeft bij haar verzoekschrift tot echtscheiding een originele huwelijksakte overgelegd. Hieruit blijkt dat partijen op [dag] 2008 te [plaats 1] , Sierra Leone met elkaar zijn gehuwd op basis van de ‘Civil Marriage Act’. Op basis daarvan is vereist dat het huwelijk wordt gesloten door een ambtenaar van de burgerlijke stand, in het bijzijn van beide aanstaande echtgenoten en twee getuigen. Uit de overgelegde huwelijksakte blijkt dat deze procedure is gevolgd. Gelet hierop wordt op grond van het vierde lid van voornoemd artikel vermoed dat het huwelijk tussen partijen rechtsgeldig is voltrokken. De rechtbank is niet gebleken van omstandigheden die leiden tot een weerlegging van dit rechtsvermoeden, zodat het tussen de man en de vrouw in Sierra Leone gesloten huwelijk op grond van artikel 10:31 BW als zodanig voor erkenning in Nederland in aanmerking komt. Nu het huwelijk aldus in Nederland wordt erkend, kan de rechtbank overgaan tot de inhoudelijke beoordeling van het verzoek tot echtscheiding.

Ontvankelijkheid (ouderschapsplan)

Op grond van artikel 815 tweede lid Rv moet een verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan bevatten. Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval voldoende aannemelijk geworden dat partijen niet in staat zijn om tot een gezamenlijk opgesteld en ondertekend ouderschapsplan te komen. Gelet hierop zal de rechtbank voorbijgaan aan het vereiste van artikel 815 tweede lid Rv. De rechtbank zal daarom partijen ontvangen in de over en weer gedane verzoeken tot echtscheiding met nevenvoorzieningen.

Inhoudelijke beoordeling

Beide partijen stellen dat het huwelijk duurzaam is ontwricht, zodat de daarop steunende, over en weer gedane verzoeken tot echtscheiding als op de wet gegrond kunnen worden toegewezen. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.

De kinderen

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Op grond van artikel 7 van de Verordening Brussel II-ter heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht ten aanzien van onderwerpen van ouderlijke verantwoordelijkheid, omdat de gewone verblijfplaats van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in Nederland is.

Inschrijving van de kinderen

Door de man is verzocht om de vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij hem. Hoewel de vrouw aanvankelijk eveneens had verzocht om de kinderen bij haar in te schrijven, heeft zij haar verzoek hiertoe ingetrokken en zij stemt in met het verzoek van de man. De inschrijving van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de man brengt met zich mee dat zijn werkgever bijdraagt aan de kosten voor de privéschool van de kinderen, zodat dit een groot financieel voordeel oplevert. De vrouw heeft daarbij wel benadrukt dat het – gelet op de overeengekomen co-ouderschapsregeling – niet zozeer een hoofdverblijfplaats betreft, maar een inschrijving, omdat de kinderen evenveel tijd bij haar doorbrengen als bij de man.

Nu de vrouw met het verzoek instemt en ook niet is gebleken dat het belang van de kinderen zich hiertegen verzet, zal de rechtbank het verzoek van de man toewijzen. Daarbij benadrukt de rechtbank – in lijn met hetgeen de vrouw heeft verwoord – dat de vaststelling van het hoofdverblijf in dit geval enkel een administratieve handeling is, omdat immers sprake is van een co-ouderschap. Dat het hoofdverblijf bij de man wordt vastgesteld, doet niet af aan de volkomen gelijkwaardige rol die partijen vervullen in de verzorging en opvoeding van de kinderen.

Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken

Zoals in het voorgaande al is benoemd, hebben partijen overeenstemming over de vaststelling van een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, waarbij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de ene week bij de vrouw verblijven en de andere week bij de man. De wissel vindt daarbij steeds plaats op vrijdag voor/na schooltijd. Deze zorgregeling wordt ook al een tijd uitgevoerd en dit loopt naar behoren. Daarnaast zal wekelijks op woensdag om 18.00 uur een belmoment plaatsvinden tussen de kinderen en de ouder waar zij op dat moment niet verblijven. Partijen zullen tot slot over en weer zorg dragen dat de kinderen tijdens de week waarin de kinderen bij hem of haar verblijven, worden gebracht naar en gehaald van alle buitenschoolse activiteiten.

Nu niet is gebleken dat het belang van de kinderen zich tegen voorgaande afspraken verzet, zal de rechtbank deze vaststellen.

Partijen zijn daarnaast overeengekomen dat ook de vakanties en feestdagen in onderling overleg bij helfte zullen worden verdeeld. De vrouw heeft daarbij geopperd dat zij jaarlijks in september van het voorafgaande jaar een voorstel voor de verdeling toestuurt aan de man, waarop hij vervolgens binnen een maand reageert. Door de man is hiertegen geen verweer gevoerd, zodat de rechtbank dit verzoek zal toewijzen.

Vervangende toestemming

Door de vrouw is verzocht om vervangende toestemming voor behandeling van de kinderen bij een psycholoog (mevrouw [naam 2] ) omdat zij veel last hebben van de echtscheiding en alle gevolgen die daarbij komen kijken. De rechtbank maakt uit de stukken op dat het niet gaat om behandeling bij een (kinder-)psycholoog, maar een orthopedagoog. De man heeft op de zitting ingestemd met de behandeling van de kinderen, zodat partijen hierover overeenstemming hebben.

Een verzoek tot vervangende toestemming voor medische behandeling valt echter niet onder één van de in artikel 827 Rv genoemde nevenvoorzieningen bij echtscheiding. De rechtbank kan deze overeenstemming tussen partijen daarom niet opnemen in het dictum en zal volstaan met de vermelding daarvan in het lichaam van deze beschikking. Zij gaat er evenwel van uit dat partijen zich aan de overeenstemming zullen houden en dat zij beiden hun toestemming zullen geven voor de behandeling van de kinderen bij mevrouw [naam 2] .

Ouderschap Blijft

Hoewel het in partijen is te prijzen dat zij erin zijn geslaagd om overeenstemming te bereiken over de zorgregeling, constateert de rechtbank tegelijkertijd dat de onderlinge verhouding tussen hen fragiel is en de communicatie moeizaam verloopt. Op de zitting is daarom gesproken over de inzet van Ouderschap Blijft. Beide ouders hebben de bereidheid uitgesproken om deel te nemen aan het traject ouderschapsbemiddeling. De rechtbank zal de ouders in de gelegenheid stellen deel te nemen aan dit traject, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan deze beschikking is gehecht. Dit proces-verbaal is al per email verzonden naar Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan voornoemd traject en/of training en aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal (een kennisgeving van) deze beschikking per post zenden Kenniscentrum Kind en Scheiding.

De rechtbank ziet in dit geval geen aanleiding om de procedure aan te houden, in afwachting van het verloop van het traject, nu partijen er al in geslaagd zijn om tot overeenstemming te komen over de hoofdverblijfplaats en zorgregeling. De rechtbank acht het daarom niet nodig om, ingeval de ouderschapsbemiddeling niet tot een positief resultaat zou leiden, aan de Raad te vragen om te kijken naar de wenselijkheid van een onderzoek. De rechtbank benadrukt echter wel dat beide partijen zich moeten inzetten om het traject tot een positief eind te brengen, in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .

Kinderalimentatie

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Omdat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het echtscheidingsverzoek, heeft hij ook rechtsmacht met betrekking tot het verzoek tot verdeling van de kosten van de verzorging en opvoeding van de kinderen, op grond van artikel 3 sub c van de Verordening (EG) nr. 4/2009 (de Alimentatieverordening). Op grond van art. 3 van het Haagse Protocol van 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen is het Nederlands recht van toepassing, omdat de gewone verblijfplaats van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in Nederland is.

Verdeling van de kosten van de kinderen

Partijen hebben overeenstemming bereikt over de verdeling van de kosten van de kinderen. Zij zijn overeengekomen dat partijen elk de helft van de behoefte van de kinderen van € 1.470,- per maand zullen dragen, te weten: € 735,- per maand. De overige, bijzondere kosten van de kinderen (bijvoorbeeld de aanschaf van een laptop, telefoon, rijlessen en overige bijzondere kosten) zullen tussen partijen bij worden verdeeld in de verhouding een derde voor de vrouw, twee derde voor de man. De vrouw zal daarbij degene zijn die aanspraak maakt op kinderbijslag en kindgebonden budget.

Nu de rechtbank enkel een door de ene ouder aan de andere ouder te betalen bijdrage aan kinderalimentatie kan vaststellen, leent de afspraak van partijen zich niet voor opname in het dictum. De rechtbank zal daarom volstaan met weergave van de afspraak tussen partijen in het lichaam en gaat er van uit dat partijen zich hieraan zullen houden.

Daarbij merkt de rechtbank op dat het partijen niet is gelukt om overeenstemming te bereiken over de verdeling van de kosten voor de privéschool van de kinderen, zoals in het kader van de partneralimentatie nader aan de orde zal komen.

Partneralimentatie

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Omdat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het echtscheidingsverzoek, heeft hij ook rechtsmacht met betrekking tot het verzoek tot partneralimentatie, op grond van artikel 3 sub c van de Verordening (EG) nr. 4/2009 (de Alimentatieverordening). Op grond van art. 3 van het Haagse Protocol van 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen is het Nederlands recht van toepassing, omdat de gewone verblijfplaats van de vrouw in Nederland is.

Samenwonen als ware gehuwd (artikel 1:160 BW)

Door de man is allereerst gesteld dat de vrouw samenwoont met haar nieuwe partner, als waren zij gehuwd, zodat de man op grond van artikel 1:160 BW niet (langer) alimentatieplichtig is. De vrouw heeft dit betwist. Haar nieuwe partner slaapt weliswaar een paar nachten per week bij haar, maar hij woont niet bij haar in en zij hebben elk hun eigen huishouden en financiën.


De rechtbank overweegt als volgt. Het uitgangspunt is dat het bepaalde in artikel 1:160 BW restrictief moet worden uitgelegd, gelet op het uitzonderlijke en onherroepelijke karakter van de in dit artikel besloten sanctie. De bewijslast van de stelling dat de vrouw samenwoont als ware zij gehuwd ligt bij de man. Nog daargelaten of in een echtscheidingsprocedure een beroep op artikel 1:160 BW kan worden gedaan, heeft de man naar het oordeel van de rechtbank– in het licht van de betwisting door de vrouw – onvoldoende aangetoond dat sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 1:160 BW. De rechtbank gaat dus voorbij aan het primaire standpunt van de man dat de vrouw op grond van artikel 1:160 BW geen recht heeft op partneralimentatie.

Bij het vaststellen van de partneralimentatie zijn de (aanvullende) behoefte van de vrouw en de draagkracht van de man van belang. De rechtbank zal beide aspecten hierna bespreken.

Behoefte

De behoefte van de vrouw is tussen partijen in geschil, zodat de rechtbank deze zal berekenen aan de hand van de Hofnorm. Hierbij wordt de behoefte van de onderhoudsgerechtigde vastgesteld op 60% van het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) minus de kosten van de kinderen.

Voor berekenen van de behoefte van de vrouw moet allereerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van ieder van partijen tijdens het huwelijk worden bepaald. De rechtbank zal daarbij het jaar 2023 als uitgangspunt nemen, omdat dit het laatste jaar is waarin partijen hebben samengewoond.

De rechtbank gaat daarbij aan de zijde van de vrouw uit van haar jaaropgave over 2022. Hieruit volgt een bruto-inkomen van € 38.405,-. Op basis hiervan en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen, berekent de rechtbank haar NBI op het moment van het huwelijk op € 2.836,- per maand.

Voor de berekening van het NBI van de man gaat de rechtbank eveneens uit van zijn jaaropgave over 2022. Hieruit volgt een jaarinkomen van € 104.141,-. Omdat de man werkt voor het International Criminal Court (ICC), een internationale organisatie, is hij niet belastingplichtig in Nederland. Dat betekent dat van zijn inkomen enkel zijn pensioenafdracht moet worden afgetrokken. Er resteert dan een netto-inkomen van € 93.580,- per jaar. Dat leidt tot een NBI van € 7.798,- per maand.

Het NBGI van partijen bedroeg in 2023 dus € 9.759,- per maand (2.836 + 7.798). Partijen konden geen aanspraak maken op kindgebonden budget, omdat in het inkomen van de man al een ‘child allowance’ is verwerkt.

Kosten van de kinderen

Om de behoefte van de vrouw te berekenen, moet van het NBGI allereerst de kosten van de kinderen worden afgetrokken. Deze kosten betreffen in ieder geval € 1.470,- per maand, zoals partijen zijn overeengekomen en in het voorgaande is besproken.

Naar oordeel van de rechtbank moeten deze kosten echter worden verhoogd met de schoolkosten van de kinderen en de kosten van de au-pair. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] volgen onderwijs op de British School, waarvoor de kosten van oplopen van ongeveer € 18.000,- tot ruim € 26.000,- per kind per schooljaar. In het afgelopen jaar bedroegen de kosten voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] samen ongeveer € 42.000,-. Een groot deel (75%) van deze kosten worden echter gedragen door de werkgever van de man. In de afgelopen jaren is de bijdrage vanuit de werkgever echter steeds hoger geweest dan dit percentage. Voor de berekening van de kosten van de kinderen in het kader van de behoefte gaat de rechtbank daarbij van het bedrag dat partijen volgens de vrouw – hetgeen door de man niet is betwist – in het schooljaar 2023-2024 daadwerkelijk zelf hebben bijgedragen, te weten een bedrag van € 654,- per maand.

Partijen hadden daarnaast gedurende het huwelijk een au-pair in dienst. Volgens de vrouw bedroegen de kosten hiervan gedurende het huwelijk € 440,- per maand. Dit bedrag is door de man in het kader van de behoefte niet betwist, zodat de rechtbank hier van uit zal gaan.

De overige door de partijen aangedragen kosten, betreffen geen bijzondere kosten en dienen aldus vanuit het overeengekomen eigen aandeel in de kosten van de kinderen van € 1.470,- per maand te worden voldaan. De totale kosten van de kinderen komen daarmee op € 2.564,- per maand.

Op basis van het voorgaande resteerde voor partijen een bedrag van € 7.195,- per maand (€ 9.759 -/- € 2.565) voor het levensonderhoud van partijen. De huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw bedraagt dan volgens de Hofnorm € 4.317,- netto per maand (60% van € 7.195,- per maand) in 2023. Geïndexeerd naar 2024 is dit een bedrag van € 4.585,- per maand.

Aanvullende behoefte

Op de hiervoor berekende netto behoefte van de vrouw van € 4.585,- per maand moet haar netto besteedbaar inkomen in mindering worden gebracht. Uit een recente salarisstrook van de vrouw volgt een bruto inkomen van € 4.660,- per maand, exclusief vakantiegeld. Dit bedrag dient daarnaast te worden vermeerderd met een eindejaarsuitkering van € 387,- per maand, een thuiswerkvergoeding van € 21,- per maand en een internetvergoeding van € 25,- per maand. De rechtbank ziet geen aanleiding om rekening te houden met de CAO-uitkering die de vrouw in september 2024 heeft ontvangen, omdat dit een eenmalige uitkering betreft. De door de man benoemde ‘aanspraak VU’ betreft het vakantiegeld, zodat deze uitkering niet nogmaals behoeft te worden opgeteld.

De rechtbank houdt verder rekening met:

  • de pensioenpremie van € 295,- per maand;

  • de premie AAOP van € 4,31 per maand.

Voorgaande leidt tot een NBI aan de zijde van de vrouw ten behoeve van de partneralimentatie van € 3.980,- per maand. Hierop dienen de kosten van de kinderen in mindering te worden gebracht. Deze bedragen in ieder geval € 735,- (zoals door partijen overeengekomen). De bijzondere kosten voor de kinderen die zij in een verhouding van een derde/twee derde zullen delen zijn niet nader gespecificeerd, zodat de rechtbank hiermee bij de berekening van de aanvullende behoefte geen rekening kan houden.

Voor wat betreft de kosten die de privéschool van de kinderen met zich meebrengen overweegt de rechtbank als volgt. Door de man is op de zitting aangeboden om de schoolkosten volledig op zich te nemen voor de gehele duur van hun schoolgang. De vrouw is daarmee niet akkoord gegaan, zodat de rechtbank op dit punt zal beslissen. Evenals ten aanzien van de overige bijzondere kosten zal de rechtbank de verdeling van deze kosten vaststellen in de verhouding een derde voor de vrouw, twee derde voor de man.

Door de man is betoogd dat voor de hoogte van de schoolkosten moet worden uitgegaan van een bedrag van € 1.000,- per maand, omdat het niet gezegd is dat het ICC ook in de toekomst meer dan 75% zal blijven betalen en de kosten jaarlijks steeds hoger worden. Er is daarom een reservering vereist. De rechtbank zal de man hierin niet volgen en zal – zowel bij de aanvullende behoefte van de vrouw als hierna bij de draagkracht van de man – enkel rekening houden met de netto schoolkosten, zoals deze op dit moment bedragen. Indien deze kosten toenemen, zullen partijen hierover in overleg moeten treden, waarbij het uitgangspunt is dat de kosten in voornoemde onderlinge verhouding worden voldaan. Door de vrouw is gesteld dat de schoolkosten dit jaar netto € 5.949,- bedragen, aldus € 496,- per maand. Hiervan komt maandelijks een derde, aldus € 165,- voor rekening van de vrouw. De totale kosten van de kinderen aan de zijde van de vrouw bedragen dan € 900,- per maand.

Dit leidt tot een aanvullende behoefte van € 1.505,- per maand. (€ 4.585 -/- € 3.080). Dat is bruto € 3.626,- per maand.

Draagkracht van de man

De rechtbank gaat bij de berekening van de draagkracht van de man uit van het inkomen zoals dat volgt uit zijn loonstrook over augustus 2024. Hieruit volgt een ‘net base’-inkomen van € 4.999,- per maand en een ‘post-adjustment’ van € 2.799,- per maand. Hoewel door de vrouw is gesteld dat laatstgenoemd bedrag wisselt, omdat het afhankelijk is van de wisselkoers en dat daarom van een gemiddelde moet worden uitgegaan, zal de rechtbank hieraan voorbijgaan, omdat het verschil minimaal is. De man ontvangt daarnaast nog een ‘medical insurance subsidy’ van € 482,- per maand. De totale maandelijkse inkomsten van de man bedragen daarmee € 8.220,- per maand.

Zoals in het voorgaande al is besproken, is de man niet belastingplichtig in Nederland. De rechtbank houdt daarom enkel rekening met de pensioenpremie van € 973,- per maand en de bijdrage voor de personeelsvereniging van € 19,- per maand. Het NBI van de man bedraagt dan € 7.228,- per maand.

Bij de berekening van de draagkracht van de man bestaat tussen partijen discussie over het al dan niet in aanmerking nemen van de navolgende kosten:

  1. de terugbetalingsverplichting voor de teveel ontvangen ‘child allowance’;

  2. de ziektekosten van de kinderen;

  3. de schoolkosten;

  4. e kosten van de au-pair;

  5. overige opgevoerde kosten.

Ad. a. Nadat de vrouw de woning heeft verlaten, heeft zij – in overleg met de man – op 8 november 2023 kindgebonden budget en alleenstaande ouderkop aangevraagd. Enkel de vrouw kan dit doen, omdat zij als enige belastingplichtig is in Nederland. Dit leidt ertoe dat de man vanaf dat moment geen aanspraak meer kan maken op de ‘child allowance’ via zijn werkgever. De man moet het teveel ontvangen bedrag terugbetalen aan het ICC. Hiervoor zal hij echter een reservering van € 50,- per maand moeten maken, omdat hij niet over voldoende spaargeld beschikt om dat in één keer terug te betalen, aldus de man. De rechtbank zal de man hierin niet volgen. De man was op de hoogte dat de vrouw de toeslagen voor de kinderen heeft aangevraagd en wist eveneens dat het niet mogelijk was om zowel de ‘child allowance’ als de toeslagen te ontvangen. Dat de man de ‘child allowance’ desondanks niet eerder heeft stopgezet, leidt ertoe dat de door de terugbetalingsverplichting ontstane schuld vermijdbaar en verwijtbaar is. De rechtbank zal hiermee daarom geen rekening houden.

Ad. b. Tussen partijen bestaat daarnaast discussie over het rekening houden met de kosten voor een zorgverzekering voor de kinderen via de werkgever van de man. De kinderen zijn eveneens medisch verzekerd via de (reguliere) zorgverzekering van de vrouw. De man heeft aangegeven de kinderen (ook) via zijn werkgever te hebben verzekerd, omdat partijen in het verleden grote discussie hebben gehad over het terugvragen van een vergoeding via de verzekering. Hoewel de rechtbank begrijpt dat de man dergelijke discussies wil voorkomen, is het onnodig om de kinderen dubbel te verzekeren. Nu [minderjarige 1] en [minderjarige 2] al verzekerd zijn via de zorgverzekering van de vrouw, bestaat geen aanleiding om met de extra kosten die de verzekering via zijn werk voor de man met zich meebrengt, rekening te houden.

Ad c. Zoals in onder de berekening van de behoefte van de vrouw al is besproken, zal de rechtbank rekening houden met netto schoolkosten van € 496,- per maand. Daarvan zal twee derde voor rekening van de man komen, zodat de rechtbank aanleiding ziet om het draagkrachtloos inkomen van de man te verhogen met een bedrag van € 331,- per maand.

Ad d. Door de man is voorts betoogd dat op zijn draagkracht de kosten die hij maandelijks betaalt voor de au-pair in mindering moeten worden gebracht. Anders dan tijdens het huwelijk, maakt nu enkel de man nog gebruik van een au-pair. De kosten voor de au-pair bestaan volgens de man uit: haar loon, de kosten voor de huurauto, een agency fee, de kosten voor haar vlucht, de kosten die zijn gemaakt voor het vinden van een nieuwe au-pair en de kosten van levensonderhoud en benzine. In totaal bedragen deze kosten € 1.253,- per maand. De man is genoodzaakt om deze kosten te maken om met zijn drukke baan de zorg en sociale activiteiten van de kinderen te garanderen. Het is voor hem niet mogelijk om dit op een andere, goedkopere manier rond te krijgen. Hoewel de rechtbank oog heeft voor de drukke baan van de man en de praktische bezwaren, zal zij geen rekening houden met de volledige kosten van de au-pair. Zoals door de vrouw betoogd, kunnen partijen ook beiden de kinderen naar de BSO laten gaan, waarvoor mogelijk ook kinderopvangtoeslag kan worden ontvangen. Daarnaast heeft de vrouw aangevoerd dat alle buitenschoolse activiteiten op de school kunnen plaatsvinden. Tegelijkertijd hebben partijen ook al gedurende het huwelijk gebruik gemaakt van een au-pair en zijn de kinderen dit ook gewend. De rechtbank zal daarom – bovenop de reguliere kosten van de kinderen – rekening houden met een kostenpost voor de au-pair van € 480,- per maand, bestaande uit de maandelijkse toelage voor de au-pair. De overige kosten, zoals de auto, zal de man vanuit zijn vrije ruimte moeten voldoen.

Ad e. De man heeft tot slot nog een aantal overige extra lasten opgevoerd, bestaande uit de kosten voor schoonmaakster en de kosten voor de sport- en pianolessen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Laatstgenoemde kosten worden geacht te worden voldaan vanuit het eigen aandeel van de kosten van de kinderen, waarover partijen afspraken hebben gemaakt. De kosten voor een schoonmaakster vallen niet onder lasten waarmee rekening kan worden gehouden.

Draagkrachtruimte

De draagkrachtruimte van de man bedraagt € 3.885,- per maand. Hiervan is 60% beschikbaar voor partneralimentatie, wat neerkomt op € 2.331,- netto per maand. Daarop wordt het aandeel van de man in de kosten van de kinderen in mindering gebracht. Gelet op hetgeen in het voorgaande is besproken, zal de rechtbank de kosten voor de kinderen voor de man verhogen met € 811,- per maand (€ 331 + € 480). De totale kosten voor de kinderen die de man draagt zijn dan € 1.546,- per maand (€ 811 + € 735).

Hierna is € 785,- per maand nog beschikbaar voor partneralimentatie. Nu de man geen belasting afdraagt, kan zijn bijdrage niet worden gebruteerd conform de ‘methode Buijs’, zoals gebruikelijk. De rechtbank zal de door de man te betalen bijdrage aan partneralimentatie daarom netto vaststellen. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw tot dit bedrag toewijzen en voor het overige afwijzen.

Afwikkeling huwelijksvermogensregime

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het echtscheidingsverzoek, heeft hij tevens rechtsmacht met betrekking tot het verzoek ten aanzien van de huwelijksgoederengemeenschap.

De rechtbank gaat bij het toepasselijk recht uit van het volgende. Omdat het huwelijk is gesloten na 1 januari 1992 is het Haags Huwelijksvermogensverdrag van 14 maart 1978, Trb. 1988, 130 (hierna: het Verdrag) van toepassing op het huwelijksvermogensregime van partijen. Niet gebleken is dat de echtgenoten vóór het huwelijk het op hun huwelijksvermogensregime toepasselijke recht hebben aangewezen. Dit betekent dat de vraag naar het toepasselijke recht moet worden beantwoord op basis van de objectieve verwijzingsregel van artikel 4 van het Verdrag. Op grond van dit artikel wordt het huwelijksvermogensregime beheerst door het interne recht van de staat op welk grondgebied zij hun eerste gewone verblijfplaats na huwelijk vestigen. Dit was in Nederland, zodat het Nederlands recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van partijen.

Algehele gemeenschap van goederen

Niet gesteld of gebleken is dat de echtgenoten huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt.

Gelet op het bepaalde in de artikelen 1:93 en 1:94 BW – zoals deze artikelen golden tot 1 januari 2018 – moet worden aangenomen dat tussen de echtgenoten een algehele gemeenschap van goederen bestond. Het uitgangspunt is dan dat de (door indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding) ontbonden huwelijksgemeenschap (op grond van artikel 1:100 BW (zoals dat gold tot 1 januari 2018)) bij helfte tussen de echtgenoten moet worden verdeeld.

Peildatum

Voor de omvang en samenstelling van de ontbonden gemeenschap geldt als peildatum 19 februari 2024, zijnde de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding. Voor de bepaling van de waarde van de te verdelen goederen geldt – voor zover de man en de vrouw niet anders overeenkomen dan wel de eisen van redelijkheid en billijkheid met zich meebrengen – de datum van feitelijke verdeling.

Omvang

Door partijen zijn de volgende bestanddelen en schulden van de gemeenschap naar voren gebracht:

  1. de echtelijke woning te Rijswijk;

  2. de inboedel van de echtelijke woning;

  3. de auto’s;

  4. een schuld aan de moeder van de vrouw.

  5. verscheidene bankrekeningen;

  6. het pensioen van de man.

Ad a. Door de man is verzocht om de echtelijke woning aan hem toe te delen. De vrouw stemt hiermee in beginsel in. Partijen hebben ook overeenstemming over een makelaar voor de taxatie van de woning, te weten Olsthoorn Makelaars. Tegelijkertijd is de vrouw van mening dat dit al veel te lang duurt en de man heeft volgens haar gedurende de loop van de echtscheidingsprocedure geen enkele stap ondernomen om aan te tonen dat hij in staat zal zijn om de woning over te nemen.

De rechtbank is van oordeel dat de man in de gelegenheid gesteld moet worden om de woning over te nemen. Aan de man zal daarbij – gelet op zijn atypische inkomenssituatie – een termijn van vier maanden worden gegeven om aan te tonen dat hij in staat is om de woning tegen de getaxeerde kan overnemen, met ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening. Slaagt de man hierin niet, dan zal de woning worden verkocht aan een derde, waarna partijen de over-/onderwaarde delen. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank ten aanzien van de echtelijke woning de wijze van verdeling vaststellen conform het in het dictum vermelde spoorboekje.

Ad b. en c. Op de zitting is door partijen aangegeven dat ten aanzien van de auto’s en de inboedel van de echtelijke woning geen geschil meer bestaat. De rechtbank beschouwt de verzoeken hierover daarom als ingetrokken en zal hierop niet meer beslissen.

Ad d. Door de vrouw is een schuld naar voren gebracht bij haar ouders ten bedrage van € 14.000,-. Haar ouders hebben dit aan partijen geleend voor de aanschaf van een auto. De man heeft het bestaan van deze lening echter betwist. Volgens hem was geen sprake van een lening, maar van een schenking. De man heeft op vrijwillige basis besloten om het terug te betalen en zette hiervoor elke maand een bedrag van € 250,- apart. Er is echter geen leningsovereenkomst noch een afspraak over periodieke aflossingen. Het verzoek van de vrouw ten aanzien van het geldbedrag moet niet-ontvankelijk worden verklaard, althans worden afgewezen, omdat de rechtsverhouding niet ziet op een vordering van de vrouw op de man.

De rechtbank overweegt dat de man weliswaar het bestaan van de schuld betwist, maar uit zijn gedragingen volgt dat hij wel degelijk uitgaat van een terug te betalen lening. Hij reserveert hiervoor iedere maand een bedrag. Het feit dat er geen concrete afspraken gemaakt zijn over periodieke aflossingen maakt dit niet anders. De rechtbank is dan ook van oordeel dat sprake is van een schuld waarvoor beide partijen draagplichtig zijn.

Ad e. Partijen zijn het erover eens dat de saldi van de bankrekeningen op de peildatum over en weer bij helfte moeten worden gedeeld. Door geen van hen is tot nu toe echter inzage gegeven in deze bankrekeningen. Op de zitting is daarom besproken dat partijen in de gelegenheid zullen worden gesteld om alsnog afschriften van de op de peildatum aanwezige saldi op de bankrekening(en) van partijen, vergezeld van een voorstel tot verdeling.

De rechtbank zal bepalen dat partijen deze stukken uiterlijk binnen een termijn van vier weken, (dus uiterlijk 31 januari 2025), moeten indienen. Zij krijgen vervolgens elk een termijn van twee weken (dus tot 14 februari 2025) om op elkaars stukken en voorstel te reageren. Indien partijen geen overeenstemming bereiken, zal de rechtbank vervolgens een beslissing nemen.

Ad f. Door de vrouw is tot slot aangevoerd dat de pensioenen van partijen verevend moeten worden. Voor het door de vrouw opgebouwde pensioen geldt dat dit – zoals gebruikelijk – kan geschieden via de Wet Verevening Pensioenrechten bij Scheiding (WVPS). De man bouwt echter geen pensioen op via een Nederlandse pensioenuitvoerder, maar via het ICC. Daardoor is de WVPS niet van toepassing en bestaat geen recht op een rechtstreekse uitbetaling aan de vrouw op het moment dat zij de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, aldus de vrouw. Door de man is het voorgaande bevestigd. Op de zitting is daarom besproken dat de man inzage zal geven het door hem opgebouwde pensioen en een voorstel zal doen omtrent de verevening c.q. verdeling daarvan. De vrouw zal in de gelegenheid worden gesteld om daarop te reageren.

De rechtbank zal bepalen dat de man deze stukken uiterlijk binnen een termijn van vier weken (dus uiterlijk 31 januari 2025), moeten indienen. De vrouw krijgt vervolgens een termijn van twee weken (dus tot 14 februari 2025), om daarop te reageren. Indien partijen geen overeenstemming bereiken, zal de rechtbank vervolgens een beslissing nemen.

Gebruiksvergoeding

Door de vrouw is tot slot verzocht om een gebruiksvergoeding voor de echtelijke woning, omdat de man al sinds het feitelijk uiteengaan in de woning verblijft. De man wil deze woning ook overnemen, maar heeft hiertoe tot op heden niet ondernomen. Omdat de vrouw belang heeft bij een spoedige verdeling, verzoekt zij een gebruiksvergoeding vast te stellen vanaf het moment van indiening van het verzoekschrift, althans vanaf de datum van onderhavige beschikking.

Op de zitting is met partijen over de gebruiksvergoeding gesproken. Daarbij is aan de vrouw voorgehouden dat de man weliswaar in de woning verblijft, maar ook feitelijk alle eigenaarslasten voldoet, terwijl de vrouw in beginsel gehouden is om hieraan voor de helft bij te dragen. Partijen zijn daarop overeengekomen dat betaling van de volledige eigenaarslasten van de woning door de man geldt als een vergoeding voor de vrouw. De man zal deze lasten niet van de vrouw terugvorderen. De rechtbank zal, gelet op deze overeenstemming, hierover dan ook geen beslissing nemen.

Beslissing

De rechtbank:

spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [dag] 2008 te [plaats 1] , Sierra Leone;

bepaalt dat de minderjarigen:

  • [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2014 te [geboorteplaats 1] ;

  • [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2017 te [geboorteplaats 1] ;

de hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de man;

bepaalt dat de minderjarigen:

  • de ene week bij de vrouw verblijven en de andere week bij de man, waarbij de wissel plaatsvindt op vrijdag voor/na schooltijd en waarbij de ouder bij wie de kinderen op dat moment verblijven, zorg draagt voor het halen en brengen van en naar de buitenschoolse activiteiten van de kinderen;

  • op woensdag om 18.00 uur bellen met de ouder bij wie zij in die week niet verblijven;

bepaalt dat de vakanties en feestdagen bij helfte tussen partijen zullen worden verdeeld, waarbij de vrouw steeds in september van het voorafgaande jaar een voorstel aan de man toestuurt en waarop de man binnen één maand zal reageren;

stelt vast dat partijen, te weten:

[de vrouw] ,

de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

en

[de man] ,

de vader,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar(De Rotterdamse omgangsbegeleiding voorziet blijkens haar folder in omgangsbegeleiding voor de duur van in beginsel maximaal zes maanden, overeenkomend met acht à negen contacten.) Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het traject Ouderschapsbemiddeling en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;

beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van (de kennisgeving van) deze beschikking te zenden naar:

Kenniscentrum Kind en Scheiding, Albertus de Oudelaan 1, 2273 CW Voorburg;

bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van de dag dat de beschikking van echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand,

een partneralimentatie van € 785,- netto per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

stelt de wijze van verdeling met betrekking tot de woning, gelegen aan de [adres] te ( [postcode] ) [plaats 2] en de daaraan gekoppelde hypothecaire geldlening(en) en eventuele polis(sen), onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, als volgt vast:

1. de woning wordt toegedeeld aan de man op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:

a) Partijen verstrekken binnen één week na de datum van onderhavige beschikking gezamenlijk een opdracht aan Olsthoorn Makelaars als makelaar-taxateur. De waarde van de woning zal door deze makelaar-taxateur bindend tussen partijen worden vastgesteld waartegen de man de woning zal overnemen;

b) de vrouw dient binnen twee maanden na de taxatie aan de vrouw aan te tonen dat hij de woning tegen de getaxeerde waarde kan overnemen met ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldleningen;

c) de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de getaxeerde waarde, te vermeerderen met de waarde van de eventueel aan de woning gekoppelde polissen ten tijde van de overdracht, minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening(en) ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de makelaar-taxateur;

d) de kosten van de notariële overdracht worden door de man als kosten koper, voldaan;

e) partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;

2) indien de man de woning niet kan overnemen onder bovengenoemde voorwaarden dan wordt de woning verkocht en geleverd aan een derde op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:

a) partijen dienen binnen één week nadat de onder 1) genoemde termijn is verstreken of nadat de man kenbaar heeft gemaakt de woning niet te kunnen overnemen aan de onder 1) genoemde makelaar-taxateur een gezamenlijke opdracht verstrekken tot verkoop van de woning aan een derde. Deze makelaar-taxateur zal – als partijen het niet eens zijn – partijen bindend adviseren over de vast te stellen vraag- en laatprijs van de woning;

b) de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de verkoopopbrengst van de woning, te vermeerderen met de waarde van de eventueel aan de woning gekoppelde polis(sen) ten tijde van de overdracht, minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening(en) ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de verkoop en de overdracht, waaronder de kosten van de makelaar-taxateur;

c) partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;

bepaalt ten aanzien van de verdeling van de huwelijksgemeenschap dat de rechtbank binnen een termijn van vier weken (dus uiterlijk 31 januari 2025) de volgende stukken wil ontvangen:

  • van beide partijen: afschriften van de op de peildatum aanwezige saldi van de op de naam van de man c.q. de vrouw gestelde bankrekeningen en eventuele op naam van beide partijen gestelde bankrekeningen, voorzien van een voorstel tot verdeling, waarna partijen een termijn van twee weken (dus tot 14 februari 2025) krijgen om op elkaars voorstel te reageren;

  • van de man: stukken waaruit de door hem gedurende het huwelijk opgebouwde pensioenvoorziening volgt, voorzien van een toelichting en voorstel tot verevening/verdeling, waarna de vrouw een termijn van twee weken krijgt (dus tot 14 februari 2025) om op de stukken en het voorstel van de man te reageren;

waarna de rechtbank een beslissing zal nemen in het geval partijen niet is gelukt om tot overeenstemming te komen;

houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de verdeling van de huwelijks-gemeenschap aan tot 15 februari 2025;

verklaart deze beschikking – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding – uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. S.J. Huizenga, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. S.B. Boekema als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 3 januari 2025.



© Copyright 2009 - 2025 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733