Essentie (redactie)
Man betaalt partneralimentatie niet. Vrouw vordert lijfsdwang, want sprake van betalingsonwil. Vrouw heeft echter geen inzicht gegeven in haar financiële situatie. Daarmee ontbreekt belang om met spoed voorziening te treffen. Daarnaast heeft zij voorstellen man afgewezen en geen tegenvoorstel gedaan. Daar komt bij dat gevolg van toepassing lijfsdwang is dat loonbeslag niets meer oplevert omdat te verwachten valt dat lijfsdwang als gevolg heeft dat man geen inkomsten meer kan genereren. Vordering wordt afgewezen.
Datum publicatie | 28-03-2025 |
Zaaknummer | C/10/689807 / KG ZA 24-1115 |
Procedure | Kort geding |
Zittingsplaats | Rotterdam |
Rechtsgebieden | Civiel recht |
Trefwoorden | Alimentatie; Familieprocesrecht; Lijfsdwang / gijzeling |
Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Kort geding. Vordering strekkende tot het toepassen van lijfsdwang afgewezen. Een dringende noodzaak ontbreekt en het belang van eiseres, afgewogen tegen dat van gedaagde, rechtvaardigt de toepassing van lijfsdwang niet.Volledige uitspraak
Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/689807 / KG ZA 24-1115
Vonnis in kort geding van 22 januari 2025
in de zaak van
[naam vrouw] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
eiseres,
advocaat: mr. R. Wouters te Middelburg,
tegen
[naam man] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde,
advocaat: mr. N.P.M. Planthof te Goes.
Partijen worden hierna de vrouw en de man genoemd.
De zaak in het kort
Partijen zijn gehuwd geweest. Bij hun echtscheiding hebben zij afgesproken dat de man maandelijks partneralimentatie aan de vrouw betaalt. De man voldoet echter al jaren niet meer aan die verplichting. De vrouw wil daar nu verandering in brengen en vraagt in dit kort geding toestemming om de man met toepassing van lijfsdwang, dat wil zeggen het vastzetten van de man in een huis van bewaring, tot betaling te bewegen. De vordering wordt afgewezen. Er bestaat geen dringende noodzaak voor het toepassen van lijfsdwang. Daarnaast rechtvaardigt het belang van de vrouw, afgewogen tegen dat van de man, de toepassing van lijfsdwang niet.
1De procedure
Het dossier bestaat uit de volgende stukken:
-
de dagvaarding van 25 november 2024, met producties 1 tot en met 5,
-
de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 9,
-
de aanvullende producties 6 tot en met 9 van de vrouw,
-
de pleitaantekeningen van mr. Wouters.
De mondelinge behandeling vond plaats op 8 januari 2025.
2De feiten
Op 8 juni 1990 treden partijen met elkaar in het huwelijk.
Op 22 juni 2015 sluiten partijen een echtscheidingsconvenant (hierna: het convenant). Daarin staat dat de man in beginsel tot 1 januari 2027 maandelijks een bedrag van € 4.108,00 bruto aan partneralimentatie aan de vrouw moet betalen.
Bij beschikking van 5 augustus 2015 spreekt de rechtbank Zeeland-West-Brabant de echtscheiding tussen partijen uit. Ook bepaalt de rechtbank dat de man € 4.108,00 per maand aan partneralimentatie moet betalen en dat de overige bepalingen uit het convenant onderdeel uitmaken van de beschikking. Op 25 september 2015 wordt de echtscheiding ingeschreven in het register van de burgerlijke stand van Middelburg.
Vanaf september 2016 betaalt de man een bedrag van € 2.400,00 per maand aan partneralimentatie aan de vrouw.
Op verzoek van de vrouw betekent de deurwaarder bij exploot van 22 februari 2022 een grosse van 9 november 2021 van het convenant aan de man. Verder doet de deurwaarder bevel aan de man om een bedrag van € 140.937,27 aan achterstallige partneralimentatie en executiekosten aan de vrouw te voldoen.
Bij e-mail van 10 maart 2022 schrijft de man aan mr. Wouters dat opeising van het bedrag van € 140.937,27 zal leiden tot zijn faillissement. In april 2022 stopt de man volledig met het betalen van partneralimentatie aan de vrouw.
Op 25 augustus 2022 laat de vrouw ten laste van de man loonbeslag leggen. Met het beslag is tot nu toe een bedrag van € 18.701,51 geïncasseerd. Volgens de vrouw bedraagt de betalingsachterstand van de man inmiddels € 280.946,56.
De man doet (via zijn advocaat) een aantal voorstellen aan de vrouw om tot een oplossing te komen. Het laatste voorstel dateert van 17 december 2024 en luidt:
“Om alsnog tot overeenstemming te komen stelt cliënt het volgende voor:
-
Cliënt betaalt vanaf 1 januari 2025 tot 1 januari 2027 een bedrag van € 1.500,00 per maand aan uw cliënte als zijnde partneralimentatie;
-
Het beslag op het salaris van cliënt wordt opgeheven;
-
Zodra het project [naam project 1] of [naam project 2] is afgerond, betaalt cliënt, ter finale kwijting, eenmalig een bedrag van € 200.000,00 aan uw cliënte ter voldoening van de achterstallige partneralimentatie tot 1 januari 2015.”
De vrouw stemt niet in met het voorstel. Zij wenst alleen in overleg te treden met de man als hij bereid is om daadwerkelijk een substantieel bedrag te betalen.
3Het geschil
De vrouw vordert, samengevat, dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis de vrouw verlof verleent om het convenant voor wat betreft de partneralimentatie door middel van lijfsdwang, voor een termijn van 365 dagen, ten uitvoer te leggen totdat de schuld van € 280.946,56 is voldaan, met veroordeling van de man in de kosten van het geding.
De man voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van de vrouw dan wel afwijzing van de vordering.
4De beoordeling
De rechter kan op verlangen van een schuldeiser de tenuitvoerlegging van lijfsdwang toestaan van authentieke akten waarbij een uitkering tot levensonderhoud, zoals partneralimentatie, verschuldigd is (artikel 585 sub b Rv) . Gelet op het vrijheidsbenemende karakter van lijfsdwang wordt zo’n akte slechts uitvoerbaar bij lijfsdwang verklaard als aannemelijk is dat toepassing van een ander dwangmiddel onvoldoende uitkomst biedt en het belang van de schuldeiser toepassing daarvan rechtvaardigt (artikel 587 Rv) . Uitvoerbaarheid bij lijfsdwang wordt niet uitgesproken als de schuldenaar buiten staat is om aan zijn verplichting te voldoen (artikel 588 Rv) . De toepassing van lijfsdwang in kort geding vereist een spoedeisend belang.
De vrouw stelt dat het toepassen van lijfsdwang de laatste mogelijkheid is om de man tot betaling te bewegen. De vrouw probeert haar alimentatievordering al ruim twee jaar te innen, zonder voldoende resultaat. Het is voor de deurwaarder onmogelijk gebleken om beslag te leggen op vermogen en/of (ander) inkomen van de man. Volgens de vrouw leidt de man voor de buitenwereld een riant leven en is hij een succesvol vastgoedondernemer. Zij vermoedt dat hij zijn vermogen en/of (verdere) inkomen structureel onderbrengt bij zakenpartners en vrienden, zodat zij daar geen verhaal op kan halen. Er is dan ook geen sprake van betalingsonmacht, maar van betalingsonwil.
De man stelt dat sprake is van betalingsonmacht. Op dit moment verdient hij een salaris van € 2.150,50 bruto per maand. Dat is onvoldoende om aan zijn betalingsverplichting jegens de vrouw te voldoen. De man betwist dat hij in luxe leeft. In de toekomst verwacht hij winstdelingen te ontvangen op een aantal projecten van zijn werkgever, [naam werkgever] . Twee winstgevende projecten, de projecten [naam project 1] en [naam project 2] , liggen op dit moment stil vanwege lange bezwaarprocedures en een onverwachts afgeroepen netcongestie. Zodra de man de winstdelingen ontvangt, is hij in staat en bereid om, na verrekening, een aanzienlijk bedrag aan de vrouw te betalen.
De voorzieningenrechter overweegt dat er op dit moment geen dringende noodzaak bestaat voor het toepassen van lijfsdwang. Hoewel de vrouw stelt dat zij in financiële problemen raakt terwijl de man in luxe leeft, heeft zij geen inzicht gegeven in haar financiële situatie. Daarmee ontbreekt een belang om met spoed een voorziening te treffen. Daar komt bij dat het belang van de vrouw de toepassing van lijfsdwang niet rechtvaardigt. De man stelt dat hij op dit moment een inkomen heeft van € 2.150,50 bruto per maand, waar loonbeslag op ligt. De voorzieningenrechter is het met de vrouw eens dat de man verder niet veel prijs geeft over zijn financiële situatie. Echter, de man heeft diverse voorstellen aan de vrouw gedaan om tot een oplossing te komen. De vrouw heeft deze voorstellen van de hand gewezen, daar niet op gereageerd en geen tegenvoorstellen gedaan. Gelet hierop is niet zonder meer aannemelijk dat aan de zijde van de man sprake is van betalingsonwil. Dat de (gedeeltelijke) betaling van de partneralimentatie niet is hervat – wat gelet op het aanbod dat is gedaan in ieder geval verbazing wekt – en geen afspraak is gemaakt over de aflossing van de vordering is, daarom op zijn minst, gedeeltelijk ook aan de vrouw te wijten. Daar komt nog bij dat een van de te verwachten gevolgen van de toepassing van lijfsdwang is dat het loonbeslag niets meer oplevert omdat te verwachten valt dat de lijfsdwang als gevolg heeft dat de man geen inkomsten meer kan genereren. De vordering wordt dan ook afgewezen.
In geschillen tussen ex-gehuwden is het gebruikelijk om de proceskosten te compenseren. Dat betekent dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5De beslissing
De voorzieningenrechter
wijst de vordering af,
compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt
Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2025.
[2971/2009]
© Copyright 2009 - 2025 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733