Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 13-02-2025, ECLI:NL:GHARL:2025:732

Essentie (redactie)

Geen juridische grondslag voor verzoek moeder om vervangende toestemming voor wijzigen geslachtsnaam kinderen in gecombineerde geslachtsnaam. Haar grieven falen; moeder verklaart moeder net als rb niet-ontvankelijk in haar verzoek. Daarnaast proceskostenveroordeling: moeder heeft het hoger beroep voortgezet terwijl goede juridische grond ontbrak en ook lijn (consistente) recente jurisprudentie voor haar kenbaar was. Hierdoor sprake van nodeloos procederen en het nodeloos in rechte betrekken van vader.


Datum publicatie31-03-2025
Zaaknummer200.344.912
ProcedureHoger beroep
ZittingsplaatsArnhem
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenKinderen; Gezagsgeschil 1:253a BW;
Overig; Geslachtsnaam (art. 1:5 t/m 1:9 BW);
Familieprocesrecht; Misbruik procesrecht / bevoegdheid; Proceskosten; Ontvankelijkheid
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Het hof verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar verzoek tot vervangende toestemming tot wijziging van de geslachtsnaam van de kinderen.

Volledige uitspraak


GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.344.912

(zaaknummer rechtbank Gelderland 431584)

beschikking van 13 februari 2025

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats1] ,

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M.B. Beerentsen,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats2] ,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. M.E. Beeker.

1Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 23 mei 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, verder ook te noemen: de bestreden beschikking.

2Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met producties, ingekomen op 20 augustus 2024;

- het verweerschrift met producties;

- een bericht van mr. Beerentsen van 23 december 2024 met een productie, en

- een bericht van mr. Beeker van 2 januari 2025 met producties.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 14 januari 2025 plaatsgevonden. Aanwezig waren:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat, en

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat.

3De feiten

3.1

De moeder en de vader zijn de ouders van:

- [de minderjarige1] , geboren [in] 2020 te [woonplaats2] , en

- [de minderjarige2] , geboren [in] 2021 te [woonplaats2] .

3.2

De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . De kinderen staan ingeschreven op het adres van de moeder.

4De omvang van het geschil

4.1

Tussen de ouders is in geschil de wijziging van de geslachtsnaam van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . Bij de bestreden beschikking is de moeder niet-ontvankelijk in haar verzoek verklaard. De moeder is in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking en verzoekt deze beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, vervangende toestemming te verlenen dan wel om een aanvulling van c.q. een herstel van een fout in een reeds bestaande geslachtsnaam om zodoende de geslachtsnaam van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] te wijzigen naar ‘ [verzoekster/verweerder] ’.

4.2

De vader voert verweer en hij verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen en hiermee het verzoek van de moeder niet-ontvankelijk te verklaren. Daarnaast verzoekt de vader dat het hof de vrouw zal veroordelen in de proceskosten in hoger beroep.

5De motivering van de beslissing

Vervangende toestemming voor de wijziging van de geslachtsnaam

Juridisch kader

5.1

Artikel 1:5 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt hoe een kind een geslachtsnaam verkrijgt. Als een kind twee (juridische) ouders heeft, geeft de wet ten aanzien van de geslachtsnaam van dat kind verschillende mogelijkheden. Het is aan de (juridische) ouders om daarin een keuze te maken, die zij tot uitdrukking brengen door daarover gezamenlijk een verklaring af te leggen op specifieke door de wet genoemde momenten, zoals bij de aangifte van de geboorte van een kind, bij de erkenning van een kind of bij de adoptie van een kind. Indien de ouders geen keuze maken, dan bepaalt artikel 1:5 BW welke geslachtsnaam het kind zal dragen door middel van een zogenaamde vangnetnorm.

Op 1 januari 2024 is de Wet Invoering Gecombineerde Geslachtsnaam (WIGG) in werking getreden. Sindsdien biedt artikel 1:5 BW een extra keuzemogelijkheid aan ouders voor wat betreft de geslachtsnaam van hun kind. Ouders kunnen ervoor kiezen om hun kind dat op of na 1 januari 2024 is geboren een dubbele geslachtsnaam te geven die bestaat uit een combinatie van de geslachtsnamen van beide ouders. Deze extra keuzemogelijkheid geldt voor de duur van één jaar (van 1 januari 2024 tot 1 januari 2025) ook voor ouders van een kind dat op of na 1 januari 2016 is geboren. Om hiervan gebruik te maken moet aan de volgende voorwaarden zijn voldaan:

    de ouders verklaren gezamenlijk dat de kinderen een geslachtsnaam behoren te krijgen die bestaat uit een combinatie van de geslachtsnamen van beide ouders in een door hen eensluidend gekozen volgorde;

    het oudste kind dat in familierechtelijke betrekking tot beide ouders staat, is geboren op of na 1 januari 2016 en voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, en

    de verklaring betreft alle kinderen van dezelfde ouders.

De gezamenlijke verklaring dient te worden afgelegd ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand. [de minderjarige1] is het oudste gezamenlijke kind van de ouders en is geboren in 2020 en valt daarmee onder de overgangsregeling.

Standpunten

5.2

De moeder stelt dat de rechtbank haar in haar verzoek ontvankelijk had moeten verklaren. De rechtbank verwijst ten onrechte naar de vangnetfunctie van de wet bij het ontbreken van een eensluidende naamkeuze van de beide ouders. Deze vangnetfunctie houdt in dat het eerstgeboren kind altijd een achternaam zal hebben als beide ouders het niet eens worden over de te kiezen achternaam. Anders dan de rechtbank overweegt, heeft de wetgever niet bewust afgezien van het creëren van een mogelijkheid om geschillen over de geslachtsnaamkeuze aan de rechter voor te leggen. In de wet staat namelijk niet dat dergelijke geschillen niet aan de rechter kunnen worden voorgelegd. Dit maakt dat vervangende toestemming aan de rechter kan worden gevraagd. Geschillen over een dubbele achternaam zijn immers niet uitgesloten van de geschillenbeslechting zoals omschreven in artikel 1:253a BW, aldus de moeder. Bovendien hebben [de minderjarige1] en [de minderjarige2] belang bij een dubbele achternaam en heeft de vader geen enkel belang om dit tegen te houden. Het sluit aan bij de feitelijke situatie, met de moeder als verzorgende ouder, het is onderdeel van de identiteit van de kinderen en maakt het ook duidelijk voor de buitenwereld.

5.3

De vader voert aan dat de rechtbank terecht de moeder niet ontvankelijk heeft verklaard in haar verzoek. Er is geen mogelijkheid om een dergelijk geschil voor te leggen aan de rechter, nu de wetgever bewust heeft afgezien van de mogelijkheid om geschillen over de geslachtsnaam aan een rechter voor te leggen. De vader verwijst naar jurisprudentie en stelt dat in de situatie dat geen overeenstemming tussen ouders is bereikt over het wijzigen van de geslachtsnaam van de kinderen, dit geen gezagsgeschil oplevert in de zin van artikel 1:253a BW. De moeder zal dan ook niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in haar verzoek, aldus de vader. Inhoudelijk is de vader van mening dat een dubbele achternaam niet in het belang is van de kinderen.

Oordeel van het hof

5.4

Het hof is, met de rechtbank, van oordeel dat de moeder niet-ontvankelijk is in haar verzoek. Het hof neemt de overwegingen van de rechtbank over en maakt deze tot de zijne. Het hof voegt hier nog het volgende aan toe.

5.5

De moeder heeft haar verzoek gegrond op artikel 1:253a BW en de WIGG. In de wettekst van de WIGG wordt gesproken over “de ouders”. De wetgever heeft de mogelijkheid om het kind een gecombineerde geslachtsnaam te laten verkrijgen aan alle juridisch ouders gegeven en niet enkel aan ouders die met het gezag zijn belast. Ook een ouder zonder gezag heeft de mogelijkheid om samen met de andere ouder voor een gecombineerde geslachtsnaam van hun kind te kiezen. Dit sluit aan op de reeds voor 1 januari 2024 bestaande wettelijke regels over de keuze voor een geslachtsnaam in het geval een kind twee ouders heeft en bij aangifte van geboorte, bij erkenning of bij adoptie het kind een geslachtsnaam moet worden gegeven. Het kind een gecombineerde geslachtsnaam laten verkrijgen is een onderwerp dat in principe gekoppeld is aan het zijn van juridisch ouder. Het is dan ook geen gezagsbeslissing, maar een door de wetgever aan ouders gegeven recht tot het doen van een naamskeuze. Het feit dat de ouders geen overeenstemming hebben over de vraag of de naam van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] moet worden gewijzigd in een gecombineerde geslachtsnaam op grond van de overgangsregeling van de WIGG, betreft daarom geen geschil omtrent het ouderlijk gezag en valt daarmee niet binnen de reikwijdte van artikel 1:253a BW. Dat blijkt ook uit het feit, dat de moeder de vader bij de erkenning van [de minderjarige1] toestemming heeft gegeven om haar de geslachtsnaam van de vader te geven, ook al hadden de ouders op dat moment nog geen gezamenlijk gezag over haar. Als de moeder haar toestemming tot die naamskeuze had geweigerd, stond voor de vader ook geen gang naar de rechter open en had [de minderjarige1] van rechtswege, op grond van de vangnetnorm, de geslachtsnaam van de moeder gekregen.

Het hof is dus van oordeel dat artikel 1:253a BW geen grondslag kan zijn om de moeder ontvankelijk te achten in haar verzoek.

5.6

Op grond van artikel 25 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering buigt het hof zich ambtshalve over de vraag of het verzoek op een andere rechtsgrond kan steunen. Het hof is van oordeel dat er geen (andere) wettelijke basis is om in rechte een voorziening te treffen waarmee zonder de medewerking van de andere ouder een geslachtsnaamkeuze in de zin van artikel 1:5 BW en de WIGG en de daarvan deel uit makende overgangsregeling tot stand kan worden gebracht. Voor een geslachtsnaamkeuze is immers nodig dat ouders gezamenlijk een verklaring van naamskeuze afleggen bij de ambtenaar van de burgerlijke stand. Indien één van de ouders niet de vereiste verklaring aflegt, kan geen wijziging van de geslachtsnaam van het kind plaatsvinden, ook niet door de (overigens in het geheel niet onderbouwde) stelling van de moeder dat er sprake is van de mogelijkheid tot aanvulling van dan wel van herstel van een fout in de achternaam.

Zoals de rechtbank op goede gronden heeft overwogen, heeft de wetgever bewust ervan afgezien om een rechtsingang mogelijk te maken voor de gevallen waarin ouders het niet eens kunnen worden over de aan hun kind te geven geslachtsnaam. Indien een persoon zijn geslachtsnaam wil wijzigen, of indien de wettelijke vertegenwoordiger van een minderjarige kind wil dat de geslachtsnaam van dat kind wordt gewijzigd, dan voorziet de wet daarin op de wijze zoals is bepaald in artikel 1:7 BW. Op grond van dit artikel kan de geslachtsnaam van een persoon op zijn verzoek of van zijn wettelijke vertegenwoordiger worden gewijzigd door de Koning. Een verzoek daartoe dient te worden ingediend bij de dienst Justis van het Ministerie van Justitie & Veiligheid. Justis beoordeelt het verzoek tot geslachtsnaamwijzing aan de hand van het Besluit Geslachtsnaamswijziging, waarin de voorwaarden zijn opgenomen waaronder een verzoek mogelijk is. Met ingang van 1 oktober 2024 kan bij een verzoek tot geslachtsnaamwijziging op grond van de zogeheten A1-, B1- en B3-verzoeken bij Justis ook worden gekozen voor een gecombineerde geslachtsnaam. Er is echter bij de familierechter geen rechtsingang tot het wijzigen van een geslachtsnaam op grond van artikel 1:7 BW. Indien er sprake is van gezamenlijk gezag en de andere ouder wenst niet mee te werken aan de aanvraag tot een geslachtsnaamwijziging bij de dienst Justis, kan de ouder die de wijziging wenst de rechtbank wel op grond van artikel 1:253a BW vragen om hem/haar vervangende toestemming te verlenen voor het doen van die aanvraag. Artikel 1:7 BW biedt derhalve ook geen grondslag om de moeder ontvankelijk te achten in haar verzoek.

5.7

Het hof wijst de moeder erop dat zij reeds bij de erkenning van het toen nog ongeboren kind op 21 juli 2020 gebruik heeft gemaakt van de wettelijke mogelijkheid om gezamenlijk met de vader een keuze uit te brengen voor de geslachtsnaam van [de minderjarige1] (waardoor [de minderjarige2] bij zijn geboorte dezelfde achternaam heeft gekregen). Zij hebben toen gezamenlijk gekozen voor de geslachtsnaam van de vader. Voor zover de moeder bedoeld heeft te stellen dat zij geen keuze had om [de minderjarige1] haar geslachtsnaam te geven, is dat onjuist. Sterker nog, als de ouders geen keuze hadden uitgebracht, of als de moeder haar toestemming had geweigerd voor de geslachtsnaam van de vader, had de vangnetnorm ervoor gezorgd dat [de minderjarige1] vanaf haar geboorte de geslachtsnaam van de moeder had gekregen. Het belang van de kinderen is dat zij een geslachtsnaam hebben waarmee zij zich kunnen identificeren in het dagelijks leven. Zij zijn geboren in een gezin waarin is gekozen voor de geslachtsnaam [verweerder] . Dat de moeder, nu de ouders uit elkaar zijn, vindt dat het voor de kinderen beter voor hun maatschappelijke positie is als zij – zo begrijpt het hof – ook een Nederlands klinkende achternaam hebben, maakt dit niet anders. Van enige strijd met het belang van de kinderen is naar het oordeel van het hof niet gebleken.

5.8

Uit het voorgaande volgt dat de juridische grondslag ontbreekt voor het verzoek van de moeder tot het verlenen van vervangende toestemming voor het wijzigen van de geslachtsnaam van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] in een gecombineerde geslachtsnaam. De grieven van de moeder falen derhalve en het hof zal de moeder dan ook niet-ontvankelijk verklaren in haar verzoek.

Ten aanzien van de proceskosten

5.9

De vader verzoekt om de moeder te veroordelen in de proceskosten. Gelet op de bestaande jurisprudentie is het indienden van een hoger beroep onredelijk en onnodig. Door het aanbrengen van de zaak in hoger beroep is er sprake van het nodeloos in rechte betrekken van de vader.

5.10

Het hof overweegt als volgt. In het verweerschrift heeft de vader verschillende recente uitspraken in vergelijkbare zaken aangehaald. Dit waren uitspraken van zowel rechtbanken als gerechtshoven. Het gerechtshof Den Haag heeft in de beschikking van 6 november 2024 (ECLI:NL:GHDHA:2024:2243) uiteengezet dat het vragen van vervangende toestemming voor de wijziging van de geslachtsnaam geen gezagsgeschil in de zin van artikel 1:253a BW oplevert. Gelet op alle uitspraken hierover, die eenstemmig zijn, gaan de argumenten die door de moeder zijn aangedragen niet op. De moeder heeft de procedure in hoger beroep toch doorgezet, zonder jurisprudentie of literatuur aan te dragen, waaruit zou blijken dat het wel mogelijk zou zijn om in dergelijke gevallen vervangende toestemming te vragen.

Op grond hiervan is het hof van oordeel dat de moeder het hoger beroep heeft voortgezet terwijl een goede juridische grond ontbrak en ook de lijn in de recente jurisprudentie voor haar kenbaar was. Hierdoor is er sprake van nodeloos procederen en het nodeloos in rechte betrekken van de vader. Het hof zal daarom het verzoek van de vader om de moeder te veroordelen in de proceskosten toewijzen.

5.11

Het hof zal de proceskosten berekenen aan de hand van het liquidatietarief. De kosten voor de procedure in hoger beroep worden aan de zijde van de vader vastgesteld op € 349,- voor het griffierecht en € 2.428,- voor salaris van de advocaat, volgens het liquidatietarief

(twee punten: een punt voor het verweerschrift en een punt voor de mondelinge behandeling, tarief II à € 1.214,- per punt).

6De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar verzoek tot vervangende toestemming tot wijziging van de geslachtsnaam van de kinderen;

veroordeelt de moeder in de door de vader in deze procedure gemaakte proceskosten, en begroot die kosten op € 349,- voor het griffierecht en € 2.428,- voor salaris van de advocaat, overeenkomstig het liquidatietarief.

Deze beschikking is gegeven door mrs. S. Kuijpers, L. Hamer en C.F.L.A Vegt- Boshouwers, bijgestaan door mr. T.F. de Ruiter als griffier, is getekend door de voorzitter en is op 13 februari 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.



© Copyright 2009 - 2025 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733