Essentie (redactie)
Eenhoofdig gezag moeder afgewezen. Strijd ouders zal daardoor waarschijnlijk niet verminderen. Partijen zitten elkaar als ouders dwars en verliezen daardoor het belang van de minderjarige uit het oog. Ze moeten leren samenwerken. Verder niet onderbouwd dat sprake is van intieme terreur, mede gezien tijdlijn. Een objectief patroon van eenzijdige controle en dwang kan niet uit moeder's overzicht worden afgeleid en elementen als isoleren, vernederen en intimideren van de vrouw evenmin. Moeder wel erkend als "primary caregiver".
Datum publicatie | 31-03-2025 |
Zaaknummer | C/10/672232 / FA RK 24-390 |
Procedure | Beschikking |
Zittingsplaats | Rotterdam |
Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
Trefwoorden | Kinderen; Gezagsgeschil 1:253a BW; Alimentatie; Overig; Straatverbod/contactverbod/huiselijk geweld |
Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Wanneer is sprake van intieme terreur/dwingende controle? Kenmerken en toetsing daaraan. Verzoeken over eenhoofdig gezag, verklaring voor recht “primary caregiver”, vervangende toestemming identiteitskaart en paspoort (beheersregeling), informatie- en consultatieregeling en onderhoudsbijdrage.Volledige uitspraak
Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/672232 / FA RK 24-390
Beschikking van 14 januari 2025 over het ouderlijk gezag, de ID-kaart en het paspoort van de minderjarige, de vakantieregeling, de informatie- en consultatieregeling en de onderhoudsbijdrage
in de zaak van:
[naam vrouw] , hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat mr. J.H. Weermeijer-Patist te Leiden,
t e g e n
[naam man] , hierna: de man,
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat mr. W.N. Sardjoe te Den Haag.
De zaak gaat over de minderjarige:
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2018 te [geboorteplaats] .
Als informant is aangemerkt:
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming West, hierna: de GI,
gevestigd te Dordrecht.
1De verdere procedure
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- de tussenbeschikking van deze rechtbank van 13 december 2024.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op
4 december 2024, gelijktijdig met de behandeling van het verzoek tot ondertoezichtstelling (C/10/688802 / JE RK 24-2403), waarop afzonderlijk is beslist. Daarbij zijn verschenen:
-
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
-
de man, bijgestaan door zijn advocaat;
-
de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [naam 1] ;
-
de GI, vertegenwoordigd door [naam 2] en [naam 3] , in plaats van [naam 4] zoals per abuis onjuist in de tussenbeschikking van 13 december 2024 onder 1.2. is vermeld.
Na de mondelinge behandeling heeft de vrouw op verzoek van de rechtbank op 2 januari 2025 nog de uitspraak in hoger beroep over de ondertoezichtstelling van 5 juni 2024 toegestuurd.
2De verdere beoordeling
Terugblik
Bij tussenbeschikking van deze rechtbank van 16 oktober 2024 is:
-
aan beide partijen vervangende toestemming verleend voor vakantie met de minderjarige;
-
de vrouw vervangende toestemming verleend voor het aanvragen dan wel verlengen van het paspoort en de identiteitskaart van de minderjarige, en is bepaald dat deze vervangende toestemming strekt tot vervanging van de vereiste toestemming van de man;
-
een regeling bepaald over het verblijf van de minderjarige op de verjaardag van de jarige ouder;
-
de behandeling van zaak ten aanzien van het gezag, de informatie- en consultatieregeling en de kinderbijdrage aangehouden tot de mondelinge behandeling van 4 december 2024 zodat een eventueel verlengingsverzoek van de ondertoezichtstelling ook kan worden behandeld.
Bij mondelinge beslissing van de kinderrechter van 4 december 2024 is de ondertoezichtstelling van de minderjarige verlengd tot 5 september 2025.
Bij beschikking van 13 december 2024 is de vrouw, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeeld tot:
-
afgifte van het paspoort van de minderjarige bij de man uiterlijk op 16 december 2024, op verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat de vrouw niet aan deze veroordeling voldoet;
-
afgifte van de minderjarige op de dag waarop de minderjarige volgens de kerstvakantieverdeling bij de man is, maar uiterlijk op 23 december 2024 om 8:00 uur, op verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat de vrouw niet aan deze veroordeling voldoet.
Bij beschikking van het gerechtshof Den Haag van 18 december 2024 is de ondertoezichtstellingsbeschikking van deze rechtbank van 5 juni 2024 bekrachtigd.
Gezag
De vrouw verzoekt te bepalen dat het gezag over de minderjarige alleen aan haar toekomt.
De man voert gemotiveerd verweer.
Het gezamenlijk gezag kan op grond van artikel 1:253n BW worden beëindigd bij gewijzigde omstandigheden sinds de aanvang van het gezamenlijk gezag of als bij de beslissing tot gezamenlijk gezag van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Indien één van deze gevallen zich voordoet, zal vervolgens beoordeeld moeten worden of er reden is voor beëindiging van het gezamenlijk ouderlijk gezag. Van toepassing is het in artikel 1:251a BW genoemde criterium dat er een onaanvaardbaar risico is dat een kind klem of verloren dreigt te raken tussen de ouders en dat niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen of dat wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. Doet dit zich voor dan bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over de minderjarige toekomt.
Voor gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening. Zij moeten hiervoor belangrijke beslissingen over hun kinderen samen kunnen nemen of in ieder geval in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond het kind kunnen voordoen. Het kind mag in beginsel niet klem of verloren raken tussen de ouders indien de ouders dat niet kunnen. Het ontbreken van een goede communicatie tussen de ouders brengt niet zonder meer met zich dat er geen gezamenlijk gezag kan worden toegekend.
De beslissing over het verzoek van de vrouw om eenhoofdig gezag heeft de rechtbank in de tussenbeschikking van 16 oktober 2024 aangehouden. Daarbij heeft de rechtbank onder andere het volgende overwogen: “Gebleken is dat er ontzettend veel strijd is tussen partijen en dat zij elkaar dwars zitten. De minderjarige heeft daar last van en zal dat in toenemende mate krijgen. Met de raad maakt de rechtbank zich zorgen over deze strijd. Partijen beschuldigen vooral elkaar van het bestaan van een slechte dynamiek tussen hen, maar de rechtbank is van mening dat beide partijen aan die slechte dynamiek bijdragen. (…) Hoewel gedacht kan worden dat eenhoofdig gezag de oplossing is, is dat volgens de rechtbank niet het geval. De strijd zal waarschijnlijk niet verminderen in de situatie van eenhoofdig gezag. Partijen zitten elkaar als ouders dwars en verliezen daardoor het belang van de minderjarige uit het oog. (…) De rechtbank ziet de oplossing in het samenwerken tussen de ouders of in parallel solo ouderschap. Dit zal verder moeten worden uitgewerkt in de ondertoezichtstelling. Er moet worden ingezet op de hulpverlening via Enver, waarbij het gezamenlijk gezag van belang is. Om die reden zal de rechtbank dit verzoek aanhouden.”
De vrouw heeft haar verzoek nogmaals onderbouwd. Zij heeft aangevoerd dat er sprake is van intieme terreur door de man.
Intieme terreur (ook wel dwingende controle genoemd) wordt gekenmerkt door een patroon van controle en dwang. Dit kan zich uiten in het isoleren, vernederen en intimideren van de partner tot ernstig fysiek en seksueel geweld. Het kan ook controle over financiën en bedreigingen (tegen het slachtoffer, kinderen of huisdieren) inhouden. Het is een proces waarbij afhankelijkheid wordt vergroot en veerkracht wordt ondermijnd. Bij intieme terreur is er sprake van een machtsverschil tussen de partners. Eén partner, meestal de man, oefent dwang en controle uit op zijn partner. Door haar vrijheid te beperken, haar te isoleren en door het gebruik van, vaak ernstig, geweld, ook seksueel. Intieme terreur kan zich uiten in: activiteiten volgen en digitale terreur, autonomie beperken/ontzeggen en afhankelijkheid vergroten, psychologische manipulatie (gaslighting), uitschelden, vernederen en bekritiseren, kinderen tegen de partner opzetten (parental alienation), jaloezie en chantage, seksuele dwang, dreiging met suïcide of kinderen of huisdieren bedreigen, derden gebruiken of opzetten tegen de partner en misleiding. Het slachtoffer en de eventuele kinderen voelen zich continu bedreigd en onveilig. Als het slachtoffer de relatie verbreekt, kan de ander het slachtoffer gaan stalken. De stalker accepteert het einde van de relatie niet, voelt zich wrokkig en afgewezen en kan geweld gaan plegen. In dat geval is er meer kans op verdere escalatie. De intieme terreur stopt niet na het verbreken van de relatie en kan juist ernstiger en gevaarlijker worden voor het slachtoffer. Intieme terreur is eenzijdig, maar kan gepaard gaan met verzet door het slachtoffer. Verzet van het slachtoffer betekent dus niet dat er geen sprake kan zijn van intieme terreur.
De rechtbank is van oordeel dat de vrouw onvoldoende heeft onderbouwd dat er sprake is van intieme terreur door de man. De vrouw heeft als bijlage 6 een tijdlijn overgelegd, afwisselend tijdlijn intieme terreur en tijdlijn geweldsdaden genoemd. Hierin is een overzicht opgenomen, waarin staat dat de relatie tussen partijen in november 2019 is geëindigd en dat de vrouw vanaf januari 2022 meldingen en aangiftes heeft gedaan tegen de man en de man meldingen en aangiftes heeft gedaan tegen de vrouw en welke procedures er over en weer zijn gevoerd. Verder worden in dit overzicht termen als beschuldigingen, weigering, intimidatie, obsessieve dwangmatige controle, stalking, huiselijk geweld, intiem terreur, andere incidenten, valse meldingen en aangiftes, laster en leugens genoemd. Zonder nadere feitelijke onderbouwing ziet de rechtbank niet in hoe dit overzicht het bestaan van intieme terreur onderbouwt. De termen intieme terreur en geweldsdaden insinueren een bepaalde inhoud van het overzicht maar de termen dekken de lading vooralsnog niet. Een objectief patroon van eenzijdige controle en dwang kan er niet uit worden afgeleid en elementen als isoleren, vernederen en intimideren van de vrouw evenmin. Het valt op dat de vrouw sinds een aantal maanden de term intieme terreur gebruikt en het lijkt erop dat de vrouw sindsdien de geschiedenis tussen de man en de vrouw op deze manier aan het framen is. Daarnaast ziet de rechtbank twee contra-indicaties voor het bestaan van de intieme terreur vanuit de man ten opzichte van de vrouw. Ten eerste start de door de vrouw gestelde intieme terreur in 2022 en de relatie is in 2019 geëindigd. Intieme terreur is juist gericht op controle met als doel het behouden van de relatie. Daarbij past niet dat de gestelde intieme terreur pas drie jaar na het beëindigen van de relatie begint. Ten tweede blijkt uit de stukken niet van een machtsverschil tussen de man de vrouw. De man en de vrouw zitten elkaar dwars als het gaat om de minderjarige. Zij lijken elkaar niets te gunnen en de vrouw doet hierin niet onder voor de man. Het lijkt beide partijen om macht en zeggenschap te gaan. Hier volgt een voorbeeld. De vrouw heeft in de beschikking van 16 oktober 2024 vervangende toestemming gekregen om een paspoort voor de minderjarige aan te vragen. Op 11 november 2024 mailt de man de vrouw met de vraag of zij dat al heeft geregeld en zo nee, wanneer zij van plan is om dit te regelen. De vrouw mailt de man terug met de mededeling dat hij niet zo overhaast, intimiderend en controlerend moet zijn, dat zij al veel kosten heeft gemaakt, dat zij verwacht dat hij meewerkt en dat zij binnen 24 uur van hem wil horen. Daarna mailt de vrouw dat ze alleen een paspoort zal aanvragen als hij instemt met een wijziging van de achternaam van de minderjarige. Ze schrijft hierbij dat als de man hieraan niet wenst deel te nemen dit de reden is waarom gezag met hem delen onmogelijk is, naast zijn dwangmatige obsessieve controles en uitvoering (productie 13 van de man). De rechtbank ziet dit gedrag van de vrouw als zelfstandig dwingend gedrag tegen de man en niet als verzet tegen dwingende controle door de man. Temeer niet, omdat de vrouw ook buiten de dynamiek met de man zich dwingend kan opstellen. Zo stuurt zij de jeugdbeschermer op 4 november 2024 een dwingende mail (bijlage uit de ondertoezichtstellingszaak die tegelijk werd behandeld) en gedraagt de vrouw zich tijdens de mondelinge behandeling dwingend als zij het woord wil.
Verder is er niets veranderd in de dynamiek van partijen sinds de vorige mondelinge behandeling. De jeugdbeschermer is aan het proberen partijen een minder beschuldigende dynamiek aan te leren en partijen staan op de wachtlijst voor een behandeling bij Enver waarin zij parallel solo ouderschap gaan vormgeven. De rechtbank blijft bij haar eerdere standpunt dat partijen moeten leren samenwerken in het belang van de minderjarige en de onderlinge strijd moeten staken. Omdat de onderlinge strijd op zichzelf onvoldoende reden is om het gezamenlijk gezag te beëindigen en een aanhangig verzoek om eenhoofdig gezag de strijd juist kan verhevigen, zal de rechtbank dit verzoek niet langer aanhouden maar afwijzen. Partijen moeten met hulp van de jeugdbeschermer en het traject bij Enver parallel solo ouderschap gaan vormgeven, zodat de minderjarige geen last meer heeft van onderlinge strijd tussen haar ouders.
Verklaring voor recht “primary caregiver”
De vrouw verzoekt voor recht te verklaren dat de vrouw de “primary caregiver” is van de minderjarige, althans dat haar hoofdverblijfplaats bij de vrouw is bepaald.
De man voert gemotiveerd verweer.
Tijdens de (eerdere) mondelinge behandeling heeft de vrouw toegelicht dat zij tegen problemen aanloopt bij de aanvraag van een visum voor de minderjarige voor de Verenigde Staten, omdat zij is geregistreerd als gevolg van de door de man gedane aangifte van een kinderontvoering. De vrouw heeft van de Amerikaanse ambassade begrepen dat het helpend is als zij een verklaring kan overleggen waaruit blijkt dat zij de “primary caregiver” is van de minderjarige, althans dat haar hoofdverblijf bij de vrouw is bepaald. Hiermee heeft de vrouw naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk gemaakt dat zij belang heeft bij haar verzoek. Haar familie woont namelijk in de Verenigde Staten en de minderjarige kan daar al jaren niet naartoe. Tevens is haar verzoek in lijn met de feitelijke en juridische werkelijkheid. Om die redenen zal de rechtbank haar (primaire) verzoek toewijzen.
Identiteitskaart en paspoort
De man verzoekt te bepalen dat:
-
de rechtbank de toestemming van de vrouw vervangt en dat de man per omgaande een paspoort zal aanvragen ten behoeve van de minderjarige, en indien aan de orde een identiteitskaart, in een beschikking af te geven binnen een week na de mondelinge behandeling;
-
de identiteitskaart in beheer zal zijn bij de man en het paspoort bij de vrouw, en dat de reisdocumenten bij een eventuele vakantie waar het paspoort nodig is voor de man, tussen partijen tijdelijk zullen worden geruild voor de desbetreffende vakantie, en de vrouw te veroordelen haar onvoorwaardelijke medewerking hieraan te verlenen zulks op verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere dag nadat de vrouw in gebreke blijft om aan het in dezen te wijzen beschikking te voldoen, in een beschikking af te geven binnen een week na de mondelinge behandeling.
De vrouw voert gemotiveerd verweer.
Op grond van artikel 1:253a lid 1 BW kunnen geschillen over de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of één van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Bij een dergelijke beslissing moeten alle omstandigheden van het geval in acht worden genomen, wat er soms ook toe kan leiden dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van het kind, hoezeer ook dat belang een overweging van de eerste orde moet zijn bij de afweging van belangen.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw verklaard dat het paspoort van de minderjarige inmiddels is aangevraagd en ook al in haar bezit is. Om die reden zal de rechtbank het verzoek van de man over de aanvraag van het paspoort afwijzen.
In de slechte verstandhouding tussen partijen, die maakt dat het partijen niet lukt om in onderling overleg te bewerkstelligen dat de minderjarige met haar ouders afzonderlijk op vakantie kan gaan, ziet de rechtbank het nut en de noodzaak dat een praktische oplossing wordt gevonden voor dit probleem, zoals de man verzoekt.
Voor vakantie met de vrouw naar Boston heeft de minderjarige een paspoort nodig, en voor vakantie met de man naar Polen heeft de minderjarige een identiteitskaart nodig. Niet is gebleken dat de minderjarige al een identiteitskaart heeft.
Om die reden zal de rechtbank het verzoek van de man om hem vervangende toestemming te verlenen, die de toestemming van de vrouw vervangt, om een identiteitskaart voor de minderjarige aan te vragen, en te bepalen dat de identiteitskaart in beheer zal zijn bij de man en het paspoort bij de vrouw, en dat de reisdocumenten bij een eventuele vakantie waar het paspoort nodig is voor de man, tussen partijen tijdelijk zullen worden geruild voor de desbetreffende vakantie, toewijzen.
De rechtbank zal het verzoek van de man over de dwangsom afwijzen. De rechtbank gaat ervan uit dat deze beheersregeling de meeste vakantieperikelen voldoende zal ondervangen. Daarbij zullen partijen tijdens de ondertoezichtstelling werken aan parallel solo ouderschap. Dit traject is geschikt om eventuele moeilijkheden bij het uitvoeren van deze beheersregeling, die nog nieuw is voor partijen, te bespreken en daarover afspraken te maken.
Informatie- en consultatieregeling
De man verzoekt een informatie- en consultatieregeling vast te stellen waarbij de man:
-
bij iedere zich daarvoor lenende relevante gelegenheid die zich voordoet op deugdelijke wijze wordt geconsulteerd door de vrouw; en
-
maandelijks door de vrouw op deugdelijke wijze schriftelijk (per e-mail) wordt geïnformeerd over gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de minderjarige, en met name betreffende haar (sociale) ontwikkeling en gezondheid, eventuele hobby’s.
De vrouw voert gemotiveerd verweer.
Op grond van artikel 1:253a lid 2 sub c BW kan de rechtbank op verzoek van de ouders of één van hen een regeling vaststellen over de wijze waarop informatie over gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind wordt verschaft aan de ouder bij wie het kind niet zijn hoofdverblijfplaats heeft dan wel de wijze waarop deze ouder wordt geraadpleegd.
In de tussenbeschikking van deze rechtbank van 16 oktober 2024 is het verzoek van de man aangehouden, omdat de vaststelling van een informatie- en consultatieregeling meer voor de hand ligt in het geval van eenhoofdig gezag terwijl daar toen (nog) geen sprake van was. Omdat het verzoek van de vrouw tot eenhoofdig gezag wordt afgewezen, wordt ook het verzoek van de man over de informatie- en consultatieregeling afgewezen. Dit laat onverlet dat partijen elkaar moeten informeren en consulteren over de minderjarige. Deze verplichting rust als onderdeel van de ouderlijke verantwoordelijkheid op beide partijen. De rechtbank hoopt dat partijen tijdens het traject parallel solo ouderschap handvatten zullen krijgen om elkaar op een constructieve manier te betrekken bij wat er speelt in het leven van de minderjarige.
Onderhoudsbijdrage
De man verzoekt wijziging van de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 16 november 2022 in die zin, dat de in die beschikking vastgestelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige (hierna: de kinderbijdrage) van € 300,- per maand met ingang van 1 oktober 2024 wordt vastgesteld op een bedrag van € 57,- per maand.
De vrouw voert gemotiveerd verweer en verzoekt wijziging van genoemde beschikking in die zin, dat de kinderbijdrage met ingang van 1 oktober 2024 wordt vastgesteld op € 412,- per maand.
Op grond van artikel 1:401 lid 1 BW kan een rechterlijke uitspraak of overeenkomst over levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen. Niet elke wijziging van omstandigheden is voldoende voor wijziging van de onderhoudsbijdrage. Alleen die wijzigingen waardoor het aanvankelijk vastgestelde of overeengekomen bedrag niet langer voldoet aan de wettelijke maatstaven, zijn in dit opzicht rechtens relevant.
Volgens vaste jurisprudentie moet in geval van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden een volledige herbeoordeling plaats vinden aan de hand van alle op dat moment bestaande omstandigheden.
De rechtbank zal hieronder beoordelen of de geboorte van [naam 5] meebrengt dat de kinderbijdrage van de man voor [minderjarige] gewijzigd moet worden.
Behoefte [minderjarige]
Partijen zijn het eens dat de behoefte van [minderjarige] in 2019 € 590,- per maand bedroeg. Geïndexeerd naar 2025 bedraagt de behoefte (afgerond) € 742,- per maand.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw haar standpunt dat dit bedrag nog moet worden verhoogd met de kosten voor de kinderopvang onvoldoende onderbouwd. In het Tremarapport Alimentatienormen staat dat uit het CBS-onderzoek blijkt dat hogere uitgaven in een gezin aan de ene post samengaan met lagere uitgaven aan een andere post. De vrouw heeft weliswaar facturen van de kinderopvang overgelegd, maar zij heeft niet gesteld of aannemelijk gemaakt dat de kinderopvangkosten niet gecompenseerd kunnen worden met andere kosten van de minderjarige. Daarnaast heeft zij geen inzicht gegeven in de hoogte van de kinderopvangtoeslag die de vrouw ontvangt.
Behoefte [naam 5]
Partijen zijn het eens dat de behoefte van [naam 5] in 2024 € 880,- per maand bedroeg. Geïndexeerd naar 2025 bedraagt de behoefte (afgerond) € 937,- per maand.
Draagkracht van de onderhoudsplichtigen
Beoordeeld moet worden in welke verhouding de behoefte van de minderjarigen tussen de verschillende onderhoudsplichtigen moet worden verdeeld. Dit gebeurt naar rato van ieders draagkracht.
Hiertoe moet eerst het huidige netto besteedbaar inkomen (NBI) van de verschillende onderhoudsplichtigen vastgesteld worden. Daarbij wordt gerekend met de tarieven van 2025-1.
Draagkracht man
Partijen zijn het eens dat het inkomen van de man € 58.146,- per jaar bedraagt.
De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het huidige NBI van de man aan de hand van de jaaropgave over het jaar 2023, waarop een jaarloon staat genoemd van € 58.146,-, op € 3.815,- per maand.
De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:
- de algemene heffingskorting
- de arbeidskorting
- de inkomensafhankelijke combinatiekorting
De draagkracht van de man wordt, omdat het NBI hoger is dan € 2.125,-, vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 70% x [NBI – (0,3xNBI + 1.310)] en bedraagt € 953,- per maand.
Draagkracht vrouw
Tussen partijen is de hoogte van het inkomen van de vrouw in geschil.
De man stelt dat de vrouw deels een WIA-uitkering ontvangt en deels wordt geacht te werken. Omdat de vrouw geen inzage heeft gegeven in haar inkomen in 2024, naast haar WIA-uitkering, acht hij het redelijk om uit te gaan van haar jaarinkomen in 2021 zoals dat blijkt uit de beslissing van het UWV van 22 februari 2024, namelijk € 34.656,47. Uit dit stuk blijkt immers dat de vrouw 60,51% arbeidsongeschikt is.
De vrouw bestrijdt de stellingen van de man met het argument dat 2021 lang geleden is. Zij stelt zich op het standpunt dat rekening moet worden gehouden met haar WIA-uitkering die per 1 oktober 2024 zonder vakantiegeld € 2.347,91 bruto per maand bedraagt, oftewel
€ 28.175,- per jaar.
De rechtbank overweegt dat vaststaat dat de vrouw 60,51% arbeidsongeschikt is verklaard, dus niet volledig. Niet is gesteld of gebleken dat dit inmiddels is veranderd. Dat betekent dat alleen haar WIA-uitkering geen volledig beeld van de werkelijkheid geeft. De man heeft aangevoerd dat de vrouw naast haar uitkering dus nog kan werken en de vrouw heeft dat niet of onvoldoende betwist. Zij heeft alleen gegevens over haar uitkering overgelegd en niet van haar salaris dat zij in 2024 heeft genoten. Daarom volgt de rechtbank het standpunt van de man, en zal gerekend worden met een inkomen van
€ 34.656,47 (zonder indexering naar 2025, zoals de man ook heeft aangevoerd).
De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) daarom het huidige NBI van de vrouw op € 3.230,- per maand.
De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:
- de algemene heffingskorting
- de arbeidskorting
- de inkomensafhankelijke combinatiekorting
De draagkracht van de vrouw wordt, omdat het NBI hoger is dan € 2.125,, vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 70% x [NBI – (0,3xNBI + 1.310)] en bedraagt € 666,- per maand.
Rekening is gehouden met het kindgebonden budget van € 454,67 per maand, waar de vrouw gelet op haar inkomen recht op heeft.
Draagkracht partner man
Partijen zijn het eens dat het inkomen van de partner van de man € 58.757,- per jaar bedraagt.
De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het huidige NBI van de partner van de man aan de hand van de jaaropgave over het jaar 2023, waarop een jaarloon staat genoemd van € 58.757,-, op € 3.591,- per maand.
De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:
- de algemene heffingskorting
- de arbeidskorting
De draagkracht van de partner van de man wordt, omdat het NBI hoger is dan
€ 2.125,-, vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 70% x [NBI – (0,3xNBI + 1.310)] en bedraagt € 843,- per maand.
Toerekening van de draagkracht naar rato van de behoefte van de kinderen
De rechtbank zal hierna berekenen hoe de draagkracht van de man naar rato van de behoefte van de kinderen toegerekend moet worden aan ieder van de kinderen ten opzichte van wie hij onderhoudsplichtig is. De twee kinderen ten opzichte van wie de man een wettelijke onderhoudsplicht heeft, hebben een totale behoefte van € 1.679,- per maand ( [minderjarige] € 742,- per maand, [naam 5] € 937,- per maand.
De rechtbank acht het redelijk om de draagkracht van de man van € 953,- per maand gelijkelijk te verdelen over beide minderjarigen. Dat betekent dat van de draagkracht van de man aan elk van de minderjarigen een bedrag van € 476,50 wordt toegerekend.
De gehele draagkracht van de vrouw van € 666,- per maand wordt toegerekend aan [minderjarige] .
De gehele draagkracht van de partner van de man van € 843,- per maand wordt toegerekend aan [naam 5] .
Draagkrachtvergelijking
De toegerekende draagkracht van de man voor [naam 5] bedraagt € 476,50 per maand. De toegerekende draagkracht van zijn partner voor [naam 5] is € 843,- per maand. De gezamenlijke draagkracht van de man en zijn partner van € 1.319,50 is hoger dan de behoefte van [naam 5] van € 937,-.
Ieders aandeel wordt berekend volgens de formule: ieders voor dit kind beschikbare draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, ofwel:
het deel van de man bedraagt: € 476,50 / € 1.319,50 x € 937,- = € 338,-
het deel van zijn partner bedraagt: € 843 / € 1.319,50 x € 937,- = € 599,-
samen € 937,-
Van de totale behoefte van [naam 5] komt dus een gedeelte van € 338,- per maand voor rekening van de man en een gedeelte van € 599,- per maand voor rekening van zijn partner.
Dit betekent dat de man van de toegerekende draagkracht aan [naam 5] een bedrag van € 138,50 per maand (€ 476,50 minus € 338) overhoudt. Dit bedrag wordt overgeheveld naar de draagkracht voor [minderjarige] . Die bedraagt dan € 615,- per maand (€ 476,50 + € 138,50).
Zoals hierboven al berekend bedraagt de draagkracht van de vrouw € 666,- per maand.
Voor [minderjarige] wordt ieders aandeel berekend volgens de formule: ieders voor dit kind beschikbare draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, ofwel:
het deel van de man bedraagt: € 615 / € 1.281 x € 742 = € 356
het deel van de vrouw bedraagt: € 666 / € 1.281 x € 742 = € 386
samen € 742
Derhalve komt van de totale behoefte van [minderjarige] een gedeelte van € 356,- per maand voor rekening van de man en een gedeelte van € 386,- per maand voor rekening van de vrouw.
Zorgkorting
Tussen partijen is het zorgkortingspercentage in geschil. De man stelt aanspraak te kunnen maken op toepassing van een zorgkorting van 25%. De vrouw gaat uit van een zorgkorting van 15%.
Gezien de geldende zorgregeling gaat de rechtbank ervan uit dat de man gemiddeld iets minder dan twee dagen per week de zorg heeft voor de minderjarige. Hierbij hoort een zorgkorting van 25%.
Omdat de behoefte van de minderjarige € 742,- per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 185,50 per maand.
Omdat de gezamenlijke draagkracht van partijen hoger is dan de behoefte van de minderjarige, wordt de eerder berekende bijdrage van de man verminderd met dit bedrag, zodat de man, als de rechtbank toekomt aan wijziging van de kinderbijdrage, als kinderbijdrage aan de vrouw moet betalen € 170,50 per maand.
Conclusie
Gezien het voorgaande lijkt een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige van € 170,50 per maand voor [minderjarige] in overeenstemming met de wettelijke maatstaven. Er moet echter ook worden gekeken naar de hele situatie. Wijziging van het bedrag aan kinderalimentatie zou betekenen dat de man, ten opzichte van de uit 2022 geïndexeerde kinderbijdrage van € 350,84, ongeveer € 180,- minder zou hoeven bij te dragen. Als de draagkracht van de man in twee gelijke delen wordt verdeeld over beide minderjarigen, heeft hij ruim voldoende draagkracht om de kinderbijdrage van € 350,84 voor [minderjarige] te betalen en daarnaast samen met zijn partner in de behoefte van [naam 5] te voorzien. Dat betekent dat de welstand van het nieuwe gezin van de man niet daadwerkelijk wordt aangetast door de kinderbijdrage voor [minderjarige] . Om die reden is de rechtbank van oordeel dat de geboorte van [naam 5] geen rechtens relevante gewijzigde omstandigheid is die verlaging van de kinderbijdrage voor [minderjarige] rechtvaardigt. De rechtbank zal het verzoek van de man over de kinderbijdrage afwijzen.
Proceskosten
Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.
3De beslissing
De rechtbank:
verklaart voor recht dat de vrouw de “primary caregiver” is van de minderjarige;
verleent de man vervangende toestemming voor het aanvragen van een identiteitskaart van de minderjarige;
bepaalt dat deze vervangende toestemming strekt tot vervanging van de vereiste toestemming van de vrouw;
stelt vast dat de identiteitskaart van de minderjarige in beheer zal zijn bij de man en dat het paspoort van de minderjarige in beheer zal zijn bij de vrouw, en dat de reisdocumenten bij een eventuele vakantie waar het paspoort nodig is voor de man, tussen partijen tijdelijk zullen worden geruild voor de desbetreffende vakantie;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A. Buizer, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. J.C.A. van 't Zelfde, griffier, op 14 januari 2025. |
||
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.
© Copyright 2009 - 2025 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733