Rechtbank Gelderland 14-03-2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:2402

Essentie (redactie)

De man heeft de auto, een gemeenschapsgoed, zonder toestemming van de vrouw tegen een te lage prijs verkocht. De rechtbank gaat voorbij aan zijn stellingen dat hij de auto snel moest verkopen omdat hij zijn schuldeisers moest aflossen. Hij dient de schade ex art. 1:164 BW aan de gemeenschap te vergoeden. De rechtbank stelt de schade vast op het verschil tussen de taxatiewaarde en het door hem ontvangen bedrag. Per saldo dient hij de vrouw € 3.500 te voldoen.


Datum publicatie31-03-2025
ZaaknummerC/05/434909 / ES RK 24-165
ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsArnhem
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenKinderen;
Alimentatie;
Familievermogensrecht; Benadeling gemeenschap (1:164 BW)
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Beschikking echtscheiding met nevenvoorzieningen. Vaststelling hoofdverblijf minderjarige kinderen bij de vrouw, dit doet niets af aan gelijkwaardigheid tussen ouders. Vaststellen kinderalimentatie. Geen extra verdiencapaciteit voor man vanuit voormalig resultaat uit overige werkzaamheden. Uitgaan van werkelijke woonlasten vanwege tekort in draagkracht. Verdeling gemeenschap van goederen. Toewijzing verzoek op grond van artikel 1:164 BW. De man heeft een gemeenschapsgoed zonder toestemming van de vrouw verkocht. De man heeft onvoldoende onderbouwd dat sprake is geweest van een verkoop tegen zakelijke condities. Evenmin heeft de man voldoende onderbouwd dat een snelle verkoop noodzakelijk was.

Volledige uitspraak


beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Familie- en jeugdrecht

Zittingsplaats Arnhem

Zaakgegevens:

C/05/434909 / ES RK 24-165 (echtscheiding)

C/05/439382 / FA RK 24-2570 (huwelijksvermogensrecht)

Datum uitspraak: 14 maart 2025

beschikking echtscheiding met nevenvoorzieningen

in de zaak van

[naam vrouw] (hierna: de vrouw),

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. F.A. Rost Onnes te Naarden,

tegen

[naam man] (hierna: de man),

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. O. Sener te Amsterdam.

1Het verloop van de procedure

1.1.

De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:

  • het verzoekschrift, ingekomen op 18 april 2024;

  • het exploot van betekening van 23 april 2024;

  • het verweerschrift met zelfstandig verzoek, ingekomen op 4 juli 2024;

  • het verweerschrift tegen zelfstandig verzoek, ingekomen op 29 juli 2024;

  • het F9-formulier met een geconcretiseerd petitum van de vrouw, van 29 augustus 2024;

  • het F9-formulier met een aanvullende productie van de vrouw van 30 augustus 2024;

  • het F9-formulier met verdelingsverzoeken van de man, van 11 oktober 2024;

  • de akte vermeerdering verzoeken tevens houdende aanvulling en wijziging verzoeken van de man van 13 januari 2025;

  • het F9-formulier met aanvullende producties van de vrouw van 13 januari 2025.

1.2.

De zaak is besproken op de mondelinge behandeling van 23 januari 2025 met gesloten deuren. Daarbij waren de beide partijen aanwezig, bijgestaan door hun advocaten en de man tevens door mr. M.M. Schoots. Ook was er bij de mondelinge behandeling een vertegenwoordigster van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) aanwezig.

1.3.

De minderjarige [kind 1] en [kind 2] zijn, gelet op hun leeftijd, in de gelegenheid gesteld om hun mening kenbaar te maken. De minderjarigen hebben op 16 januari 2025 met de kinderrechter gesproken en hun mening kenbaar gemaakt.

2De feiten

2.1.

Partijen zijn op [datum] 2011 te [plaats] met elkaar gehuwd.

2.2.

Zij hebben de Nederlandse nationaliteit.

2.3.

De minderjarige kinderen van partijen zijn:

  • [naam kind 1] , geboren op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] (hierna: [kind 1] );

  • [naam kind 2] , geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] (hierna: [kind 2] ).

De man heeft de kinderen erkend. Partijen hebben gezamenlijk het gezag over de kinderen.

2.4.

De vrouw heeft uit een eerdere relatie een meerderjarige zoon:

- [naam kind vrouw], geboren op [geboortedatum] 2022 te [geboorteplaats] .

2.5.

Bij beschikking voorlopige voorzieningen van 28 maart 2024 heeft deze rechtbank:

  • [kind 1] en [kind 2] aan de vrouw toevertrouwd;

  • een voorlopige zorgregeling vastgesteld waarbij de kinderen bij de man verblijven in de oneven weekenden van vrijdagmiddag 17.00 uur tot zondag na het eten, alsmede elke maandag en woensdag uit school, waarbij de man het halen en brengen voor zijn rekening neemt. De overige dagen verblijven de kinderen bij de vrouw;

  • een voorlopige verdeling van de vakanties en feestdagen vastgesteld;

  • bepaald dat de man met ingang van 9 februari 2024 als voorlopige bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] en [kind 2] aan de vrouw zal betalen

€ 382 per kind per maand (en dus in totaal € 764 per maand), vanaf nu telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

3De beoordeling

3.1.

Deze rechtbank is bevoegd omdat partijen in het rechtsgebied van de rechtbank Gelderland wonen.

De echtscheiding

3.2.

Zowel de vrouw als de man verzoeken de rechtbank de echtscheiding tussen hen uit te spreken.

Ontvankelijkheid

3.3.

In de wet staat dat ouders pas een verzoek tot echtscheiding kunnen doen, als zij een ouderschapsplan hebben gemaakt waarin zij afspraken hebben gemaakt over hun kind(eren). 1 In dit geval is er geen ouderschapsplan overgelegd. Toch zal de rechtbank het verzoek tot echtscheiding van zowel de vrouw als de man beoordelen. Het is namelijk voldoende aannemelijk dat er redelijkerwijs geen ouderschapsplan kan worden overgelegd, omdat de ouders niet tot een volledige overeenstemming kunnen komen over regelingen voor de kinderen.

Inhoudelijk

3.4.

De rechtbank zal op verzoek van beide partijen de echtscheiding uitspreken. In de wet staat dat je mag scheiden als je huwelijk duurzaam is ontwricht. Dat betekent dat het niet meer mogelijk is om met elkaar samen te leven en dat het er niet naar uitziet dat het beter wordt. De man en de vrouw hebben gezegd dat dit zo is.

De hoofdverblijfplaats van [kind 1] en [kind 2]

3.5.

De vrouw heeft verzocht om de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar te bepalen. Door de man is verweer gevoerd.

3.6.

De rechtbank zal de hoofdverblijfplaats van [kind 1] en [kind 2] bij de vrouw bepalen en licht dit als volgt toe. Tussen partijen is niet in geschil dat beide kinderen bij de vrouw staan ingeschreven in de Basis Registratie Personen. Ook blijkt uit de hierna te bespreken zorgregeling dat de kinderen meer tijd bij de vrouw verblijven dan bij de man. De rechtbank acht het in het belang van de kinderen om de juridische situatie in overeenstemming te brengen met de feitelijke situatie. Dat de kinderen hun hoofdverblijf bij de vrouw zullen hebben, doet niets af aan het feit dat partijen als ouders van [kind 1] en [kind 2] gelijkwaardig aan elkaar zijn. De band die beide ouders met de kinderen hebben is even waardevol en dient ook gekoesterd te worden.

3.7.

De man beroept zich op twee uitspraken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. 2 In die uitspraken was het gerechtshof van oordeel dat de betreffende kinderen in die zaken, die evenveel bij hun vader als bij hun moeder verbleven, in die zin geen hoofdverblijfplaats hadden en het in die zaken niet in het belang van die kinderen was om een hoofdverblijf bij een van de ouders vast te stellen. Dit deed immers geen recht aan de gelijkwaardige rol die ouders in geval van co-ouderschap vervullen, aldus het gerechtshof. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man de toepassing van deze uitspraken voor zijn eigen gezinssituatie onvoldoende nader geconcretiseerd. Dit had wel op zijn weg gelegen, omdat - anders dan in de gezinssituaties in de aangehaalde uitspraken - uit de overeengekomen zorgregeling van partijen volgt dat de kinderen meer bij de vrouw verblijven dan bij de man. Bovendien is door de man niet verzocht om de hoofdverblijfplaats van (een van) de kinderen bij hem te bepalen. Afwijzing van het verzoek van de vrouw zou betekenen dat de kinderen geen hoofdverblijf zouden hebben. Door de man is niet gesteld en evenmin is gebleken dat het in het belang van [kind 1] en [kind 2] zou zijn om geen hoofdverblijfplaats vast te stellen, in plaats van bij de vrouw.

De zorgregeling

Hulpverlening

3.8.

Partijen zijn gestart met een traject Parallel Solo Ouderschap. Vanwege de verhuizing van de kinderen naar een andere gemeente is dat traject stil komen te liggen. Net als de Raad adviseert de rechtbank partijen om het traject Parallel Solo Ouderschap te hervatten, omdat partijen hier mogelijk veel baat bij kunnen hebben. Hierbij heeft de Raad nog opgemerkt dat mogelijk een SCHIP-traject ook passend kan zijn voor partijen. Het is aan de betrokken hulpverlening om hier samen met partijen een juiste keuze in te maken. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen toegezegd om (nogmaals) contact op te nemen met de gemeente [plaats] , zodat de hulpverlening kan worden hervat.

Reguliere zorgregeling

3.9.

Partijen zijn tijdens de mondelinge behandeling een zorgregeling overeengekomen. Zij hebben afgesproken dat [kind 1] en [kind 2] bij de man verblijven:

  • in de oneven weekenden van vrijdag uit school tot zondag 21.00 uur;

  • wekelijks van maandag uit school tot dinsdag naar school en van woensdag uit school tot donderdag naar school, waarbij de kinderen beide avonden bij de man thuis eten.

3.10.

De kinderen gaan, gelet op hun leeftijd en de beperkte reisafstand tussen de ouders, voor de omgangsmomenten (zo veel mogelijk) op eigen gelegenheid naar de man, direct uit of na school. Als de kinderen toch gehaald of gebracht moeten worden, zullen partijen dit in overleg afstemmen.

Vakantie- en feestdagen

3.11.

Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling ook overeenstemming bereikt over de verdeling van de vakantie- en feestdagen. De verdeling zal zijn zoals in het dictum omschreven.

De kinderalimentatie

3.12.

De vrouw verzoekt de rechtbank te bepalen dat de man vanaf de datum van indiening verzoekschrift aan haar een bedrag van € 508 per kind per maand betaalt als kinderalimentatie. De man verzoekt de rechtbank te bepalen dat hij vanaf de datum van deze beschikking een bedrag van € 266 per kind per maand en vanaf 1 juni 2026 een bedrag van

€ 239 per kind per maand aan de vrouw dient te voldoen als kinderalimentatie.

Conclusie

3.13.

De rechtbank beslist dat de man een bedrag van € 284 per kind per maand aan kinderalimentatie aan de vrouw moet betalen, vanaf de datum van deze beschikking. De rechtbank legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt. Daarbij gaat zij in op de standpunten van partijen, voor zover die voor de beoordeling van belang zijn. De berekeningen die de rechtbank heeft gemaakt, zijn als bijlagen aan deze beschikking toegevoegd. Bij de berekeningen rondt de rechtbank af op hele euro’s.

Ingangsdatum

3.14.

Voordat de rechtbank kan gaan rekenen, moet zij weten welke gegevens en belastingtarieven zij moet gebruiken bij die berekening. Daarom moet de rechtbank eerst beslissen vanaf welk moment de kinderalimentatie gaat gelden.

3.15.

De rechtbank bepaalt de ingangsdatum op de datum van deze beschikking, omdat er voor de duur van deze procedure een voorlopige voorziening is getroffen.

3.16.

Zoals tijdens de mondelinge behandeling is besproken, wijst de rechtbank het verzoek van de man om te bepalen welk bedrag aan kinderalimentatie hij vanaf 1 juni 2026 is verschuldigd af. De rechtbank kan niet vooruitlopen op onzekere, toekomstige omstandigheden. Indien en voor zover een van partijen van mening is dat op een gegeven moment sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden, dan kan die partij op grond van artikel 1:401 BW om een wijziging van de kinderalimentatie verzoeken.

Behoefte

3.17.

Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind zijn. Dat wordt de ‘behoefte’ van het kind genoemd. De hoogte van de behoefte hangt af van de hoogte van het gezinsinkomen. Hoe meer ouders te besteden hebben, hoe meer zij uitgeven aan hun kinderen. Verder wordt rekening gehouden met het aantal kinderen dat tot het gezin behoort. Uit onderzoek blijkt namelijk dat naarmate er meer kinderen tot het huishouden behoren, de totale kosten van de kinderen weliswaar stijgen, maar dat de gemiddelde kosten per kind daartegenover dalen. De rechtbank moet daarom eerst vaststellen wat de ouders te besteden hadden toen zij nog bij elkaar waren.

3.18.

Partijen zijn in oktober 2023 feitelijk uiteen gegaan, zodat 2023 het peiljaar is voor de behoefte. De vrouw is in loondienst bij [werkgever] . Uit de overgelegde jaaropgave blijkt dat zij in 2023 een jaarinkomen had van € 14.243. Rekening houdend met de inkomensheffing, de algemene heffingskorting en de arbeidskorting op basis van de fiscale tarieven 2023 had de vrouw een netto besteedbaar inkomen van € 1.165 per maand.

3.19.

De man was in loondienst bij [werkgever] Uit de overgelegde werkgeversverklaring blijkt dat het inkomen van de man in 2023 € 66.055 per jaar bedroeg.

3.20.

Daarnaast had de man in 2023 een eenmanszaak [naam] waarmee hij resultaat uit overige werkzaamheden genereerde. Tussen partijen is in geschil of dit resultaat moet worden meegenomen bij de berekening van het gezinsinkomen. Hoewel de man stelt dat het extra inkomen niet aan het gezin is besteed omdat hij de opbrengsten zakelijk weer heeft uitgegeven aan kosten, heeft hij deze stelling naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd. Uit de overgelegde winst- en verliesrekeningen blijkt immers dat er geen kosten waren. Bovendien heeft de man tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat partijen van het extra inkomen ook wel eens uit eten gingen en dat het inkomen dus deels aan het gezin werd besteed. De rechtbank volgt daarom het standpunt van de vrouw dat het extra inkomen is besteed aan het gezin. Hierbij is niet relevant waaraan het inkomen werd uitgegeven door partijen, omdat sparen en investeren - zoals de man ook heeft genoemd als bestedingen - ook bepalend zijn voor de welstand van partijen. Daarom zal de rechtbank rekenen met het gemiddelde resultaat uit overige werkzaamheden over 2021, 2022 en 2023. Dit gaat om bedragen van respectievelijk € 9.833,50, € 31.194,21 en € 23.214,44. Dit komt neer op een gemiddeld resultaat van € 21.414.

3.21.

Rekening houdend met de inkomensheffing, de algemene heffingskorting en de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW op basis van de fiscale tarieven 2023 had de man een netto besteedbaar inkomen van € 4.593 per maand.

3.22.

Vanwege de hoogte van het gezinsinkomen hadden partijen geen aanspraak een kindgebonden budget.

3.23.

Het netto besteedbaar gezinsinkomen voordat partijen uit elkaar gingen bedroeg dus (€ 4.593 + € 1.165 =) € 5.758 per maand.

3.24.

Nu de rechtbank weet wat de ouders te besteden hadden, kan de rechtbank berekenen welk gedeelte daarvan ongeveer aan de kinderen werd uitgegeven en wat dus de behoefte van de kinderen is. Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de tabellen die het Nederlands Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) heeft ontwikkeld. Uit die tabellen volgt dat ouders bij een gezinsinkomen van € 5.758, gemiddeld € 1.395 per maand uitgaven voor hun kind in 2023, dus per kind € 698. Gecorrigeerd voor de inflatie (geïndexeerd) is dat nu € 1.578 per maand, dus € 789 per kind per maand.

Draagkracht ouders

3.25.

Bij de berekening van de kinderalimentatie moet vervolgens worden vastgesteld wat ieder van de ouders kan betalen. Dat wordt ook wel de ‘draagkracht’ van de ouders genoemd. Volgens de wet moeten de ouders namelijk naar draagkracht in de behoefte van de kinderen voorzien. 3

3.26.

Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de methode die de Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak heeft ontwikkeld. Bij die methode kijkt de rechtbank naar wat er van het inkomen van een ouder overblijft nadat de noodzakelijke lasten zijn betaald. Aan de inkomstenkant rekent de rechtbank met het netto besteedbaar maandinkomen (NBI) van een ouder. Aan de uitgavenkant rekent zij met een woonbudget van 30% van het NBI en een forfaitair bedrag voor vaste lasten. Dat forfaitaire bedrag is gebaseerd op de bijstandsnorm. Daarnaast kan de rechtbank ook rekening houden met eventuele overige lasten. Die lasten moeten dan niet verwijtbaar en niet vermijdbaar zijn. Alle uitgaven vormen met elkaar het ‘draagkrachtloos inkomen’. Het NBI verminderd met het draagkrachtloos inkomen leidt tot de ‘draagkrachtruimte’. Van de draagkrachtruimte is 70% beschikbaar voor de kinderen. In dit geval ziet die berekening er als volgt uit: 70% [NBI – (NBI X 0,3 + 1.310)].

Draagkracht man

3.27.

Partijen zijn het eens om voor het inkomen van de man uit te gaan van het voormalige inkomen bij [werkgever] Hoewel de man inmiddels is ontslagen en momenteel een WW-uitkering ontvangt, zijn partijen het eens dat de man zijn transitievergoeding kan gebruiken om zijn huidige inkomen aan te vullen tot zijn laatst verdiende inkomen. Dit komt neer op een salaris van € 4.499 per maand, een vakantietoeslag van 8% en een dertiende maand van € 4.712. Dit resulteert in een bruto jaarinkomen van

€ 63.019.

3.28.

De vrouw is van mening dat voor de berekening van de draagkracht van de man ook rekening moet worden gehouden met het (fictieve) inkomen van de man uit een eenmanszaak. De rechtbank volgt dit standpunt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man op basis van de stukken en zijn mondelinge toelichting voldoende aannemelijk gemaakt dat de opdracht van zijn enige opdrachtgever eind 2023 is geëindigd, wat leidde tot de beëindiging van de eenmanszaak per 1 januari 2024. Door de vrouw is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de man momenteel dit inkomen nog steeds verdiend of zou kunnen verdienen.

3.29.

De rechtbank gaat dus uit van een jaarinkomen van € 63.019. Verder houdt de rechtbank rekening met de inkomensheffing en de algemene heffingskorting op basis van de fiscale tarieven 2025. Omdat de man momenteel niet werkt, houdt de rechtbank geen rekening met de arbeidskorting. Voorgaande komt neer op een netto besteedbaar inkomen van € 3.409 per maand.

3.30.

Bij de berekening van het draagkrachtloos inkomen gaat de rechtbank uit van de kosten van levensonderhoud van € 1.310.

3.31.

Wat betreft de woonlasten van de man overweegt de rechtbank als volgt. Op basis van de hiervoor genoemde formule bedraagt het forfaitaire woonbudget van de man € 1.023 per maand. Als met dit woonbudget wordt gerekend, ontstaat er een tekort aan draagkracht. In lijn met de uitspraak van de Hoge Raad van 6 april 2021 dient de rechtbank daarom te beoordelen of de werkelijke woonlast van iedere ouder duurzaam aanmerkelijk lager is dan de forfaitaire woonlast. 4 De man heeft de rechtbank geen onderbouwde inzage in zijn woonlasten verschaft. Toch heeft de rechtbank voldoende aanwijzingen dat zijn woonlasten duurzaam aanmerkelijk lager zijn. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man verklaard dat hij op een boot woont en dat hij van plan is hier voorlopig te blijven wonen. De man heeft ook verklaard dat hij standaard € 800 per maand betaalt aan woonlasten voor de boot, bestaande uit € 300 liggeld en € 500 als bedrag voor wat de rechtbank begrijpt als een vorm van huurkoop van de boot. Ook de vrouw gaat uit van deze woonlasten voor de man. De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van de man dat hij in de zomer een hoger bedrag aan liggeld is verschuldigd, waardoor zijn woonlasten zouden stijgen. De vrouw heeft deze stelling betwist. Daarom had het op de weg van de man gelegen om zijn stelling nader te onderbouwen, hetgeen hij heeft nagelaten. Evenmin houdt de rechtbank rekening met de stelling van de man dat het bedrag van € 500 weliswaar inclusief energiekosten is, maar dat hij moet bijbetalen omdat hij teveel heeft gebruikt. De man heeft deze stelling niet onderbouwd. Bovendien worden energielasten geacht (deels) te worden voldaan uit de bijstandsnorm van € 1.310. Door de man is onvoldoende onderbouwd dat hij dermate veel moet bijbetalen voor zijn energielasten dat hiermee ook (deels) rekening zou moeten worden gehouden bij de berekening van zijn werkelijke woonlasten danwel dat deze lasten als bijzondere last in de berekening moeten worden opgenomen. Gelet op voorgaande rekent de rechtbank met een werkelijke woonlast van € 800 per maand.

3.32.

Voorgaande komt neer op een draagkrachtloos inkomen van de man van € 2.110. De man heeft dan ook een draagkrachtruimte van € 1.299. Hiervan is 70% beschikbaar voor kinderalimentatie, wat neerkomt op een bedrag van € 909 per maand.

Draagkracht vrouw

3.33.

Voor het bepalen van de draagkracht van de vrouw rekent de rechtbank op basis van de overlegde loonstroken waaruit een salaris blijkt van € 1.280 per maand en een vakantietoeslag van 8%. De rechtbank houdt rekening met de inkomensheffing, de heffingskorting en de arbeidskorting. Ook houdt de rechtbank rekening met een kindgebonden budget (inclusief alleenstaande ouderkop) van € 10.050 per jaar. Dit komt neer op een netto besteedbaar inkomen van € 2.173 per maand.

3.34.

Bij de berekening van het draagkrachtloos inkomen gaat de rechtbank uit van de kosten van levensonderhoud van € 1.310.

3.35.

Wat betreft de woonlasten van de vrouw overweegt de rechtbank als volgt. Het forfaitaire woonbudget van de vrouw bedraagt € 652 per maand. Omdat sprake is van een tekort in draagkracht, dient de rechtbank te beoordelen of de werkelijke woonlasten van de vrouw duurzaam aanmerkelijk lager zijn. De vrouw heeft de rechtbank geen inzage verschaft in haar woonlasten. Voor de man rekent de rechtbank met (€ 800/€ 1.023 * 100 =) 78% van zijn forfaitaire woonbudget aan werkelijke woonlasten. Daarom houdt de rechtbank voor de vrouw ook rekening met 78% van het forfaitaire woonbudget, wat neerkomt op een bedrag van € 509 aan werkelijke woonlasten.

3.36.

Op grond van voorgaande bedraagt het draagkrachtloos inkomen van de vrouw

€ 1.819. De vrouw heeft dan ook een draagkrachtruimte van € 354. Hiervan is 70% beschikbaar voor kinderalimentatie, wat neerkomt op een bedrag van € 248 per maand.

Verdeling kosten

3.37.

Als de ouders samen genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van hun kind, dan moet de rechter berekenen wie welk deel van de kosten voor zijn rekening moet nemen. Dat wordt de ‘draagkrachtvergelijking’ genoemd.

3.38.

Een vergelijking is hier niet nodig omdat de man en de vrouw samen niet genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van [kind 1] en [kind 2] . Hun gezamenlijke draagkracht is

€ 1.157 per maand, terwijl de kosten van [kind 1] en [kind 2] € 1.578 per maand zijn. Zij komen dus samen een bedrag van € 421 per maand tekort. Zij moeten daarom ieder hun volledige draagkracht gebruiken. Dat betekent dat de man met € 909 per maand moet bijdragen in de kosten van [kind 1] en [kind 2] , wat neerkomt op € 455 per kind per maand.

Zorgkorting

3.39.

De man maakt op de dagen dat [kind 1] en [kind 2] bij hem verblijven kosten voor eten en drinken, energielasten en dergelijke: de verblijfskosten. Daarmee voldoet de man – deels – aan zijn onderhoudsverplichting. Voor zover daartegenover een besparing in die kosten van de vrouw staat, verlaagt de rechtbank in beginsel de bijdrage van de man met een percentage van de behoefte van de kinderen: de ‘zorgkorting’.

3.40.

[kind 1] en [kind 2] verblijven gemiddeld 3 dagen per week bij de man. Daarbij past een zorgkorting van 35% van de behoefte, dus € 276 per kind per maand. Maar omdat er hier een tekort aan draagkracht is, zal de rechtbank deze korting niet volledig toepassen. Als de man namelijk alle kosten die hij maakt voor de kinderen in mindering mag brengen op de alimentatie, dan komt het hele tekort aan draagkracht op de schouders van de vrouw te rusten. De vrouw moet tenslotte ook kosten voor [kind 1] en [kind 2] maken, die zij eigenlijk niet kan dragen. In dat geval moet ieder de helft van het tekort dragen, dus een bedrag van € 105 per maand. Dit betekent dat de rechtbank slechts een zorgkorting van (€ 276 - € 105 =) € 171 per kind per maand in mindering brengt. Er blijft dan een bedrag van (€ 455 - € 171 =) € 284 per kind per maand over dat de man aan kinderalimentatie moet betalen.

Alimentatie vooruitbetalen

3.41.

De man moet de kinderalimentatie steeds vóór de eerste dag van de maand vooraf betalen. Het gaat namelijk om een bijdrage in de kosten die in die maand gemaakt worden en dan zou het te laat zijn als de alimentatie pas later in die maand wordt betaald.

De partneralimentatie

3.42.

De vrouw verzoekt de rechtbank te bepalen dat de man vanaf de datum indiening verzoekschrift haar € 1.345 per maand moet betalen als partneralimentatie. De man heeft een behoeftigheids- en draagkrachtverweer gevoerd.

Conclusie

3.43.

De rechtbank wijst het verzoek om partneralimentatie af. Hierna licht de rechtbank toe waarom zij deze beslissing neemt.

Ingangsdatum

3.44.

De eventueel verschuldigde partneralimentatie kan volgens de wet niet eerder ingaan dan het moment dat de echtscheiding definitief is. Dat is het geval als de echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand (bij de gemeente).

Huwelijksgerelateerde behoefte

3.45.

Bij de berekening van de partneralimentatie stelt de rechtbank eerst het bedrag vast dat de vrouw nodig heeft om haar kosten van te kunnen betalen. Dat wordt de ‘behoefte’ genoemd. Daarbij kijkt de rechtbank niet alleen naar de puur noodzakelijke kosten die de vrouw moet maken, maar ook naar de welstand waarin partijen hebben geleefd en naar wat de vrouw daardoor gewend was uit te geven. Daarom wordt dat de ‘huwelijksgerelateerde behoefte’ genoemd.

3.46.

Voor de vaststelling van die huwelijksgerelateerde behoefte is een vuistregel ontwikkeld, de ‘hofnorm’. Die hofnorm neemt het gezinsinkomen van toen partijen nog bij elkaar waren als uitgangspunt. De gedachte is dat partijen gewend waren om daar met zijn tweeën van te leven. Dat betekent dat ieder van hen de helft van dat inkomen nodig heeft om de uitgaven te blijven doen, zoals diegene gewend was tijdens het huwelijk. Maar beide partijen hebben na de scheiding meer geld nodig, omdat het leven voor alleenstaanden nu eenmaal duurder is dan voor gehuwden. Zij kunnen kosten niet meer met een ander delen en daarom gaat de hofnorm ervan uit dat de behoefte 60% van het gezinsinkomen is.

3.47.

Zoals hiervoor berekend, bedroeg het gezinsinkomen € 5.758 per maand. Hier gaan de kosten van de kinderen van € 1.395 per maand vanaf. Partijen hadden dus voor zichzelf

€ 4.363 per maand te besteden. Van dat inkomen heeft de vrouw volgens de hofnorm dus 60% nodig. Dat was € 2.618 in 2023. Gecorrigeerd voor de inflatie is dat nu € 2.961 netto per maand.

Draagkracht man

3.48.

Om proceseconomische redenen bespreekt de rechtbank eerst de draagkracht van de man alvorens wordt toegekomen aan de behoeftigheid van de vrouw.

3.49.

Daarvoor hanteert de rechtbank dezelfde methode en dezelfde gegevens als bij de kinderalimentatie, alleen wordt een draagkrachtpercentage van 60% gebruikt in plaats van 70%. De formule wordt dan dus 60% [NBI – (NBI X 0,3 + 1.310)].

3.50.

Uit de berekening op basis van de formule blijkt dat de man een draagkrachtruimte heeft van € 1.076. Hiervan is 60% beschikbaar voor partneralimentatie, wat neerkomt op een draagkracht van € 646. Omdat kinderalimentatie voorgaat op partneralimentatie, komt het hiervoor berekende aandeel van de man in de kosten van [kind 1] en [kind 2] van € 455 per kind per maand hierop nog in mindering. Er blijft dan geen draagkracht voor partneralimentatie over. Ditzelfde geldt als de rechtbank zou rekenen met de werkelijke woonlast, zoals de vrouw – naar de rechtbank begrijpt – tijdens de mondelinge behandeling heeft verzocht. In dat geval komt de draagkrachtruimte van de man uit op € 1.299, wat neerkomt op een draagkracht van € 779. Ook dan heeft de man onvoldoende draagkracht om partneralimentatie te voldoen.

3.51.

Daarom kan de beoordeling van de aanvullende behoefte (behoeftigheid) van de vrouw achterwege blijven, omdat de bijdrage van de man zijn draagkracht niet kan overstijgen.

De verdeling van de huwelijksgemeenschap

3.52.

Partijen hebben geen huwelijkse voorwaarden laten opstellen en zij zijn vóór 1 januari 2018 getrouwd. Dat betekent dat door het huwelijk van partijen een wettelijke gemeenschap van goederen is ontstaan.

3.53.

Door de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding is die gemeenschap op 18 april 2024 ontbonden. 5 Dat betekent in beginsel dat de goederen die partijen op die datum (de zogenoemde ‘peildatum’) hadden, moeten worden verdeeld. Van de schulden die zij op de peildatum hadden, moet worden vastgesteld wie onderling welk deel daarvan moet betalen (ook wel de ‘interne draagplicht’ genoemd).

3.54.

De rechtbank zal hierna eerst in kaart brengen welke goederen en schulden deel uitmaken van de ontbonden gemeenschap. Daarna zal de rechtbank per goed de verdeling vaststellen of de wijze van verdeling gelasten en per schuld de interne draagplicht vaststellen. Daarbij geldt als uitgangspunt dat ieder van partijen recht heeft op de helft van de waarde van de goederen en ieder van hen de helft van de schulden zal moeten dragen. Voor de waarde van de goederen geldt dat de rechtbank in beginsel kijkt naar de waarde die de goederen hebben op het moment van de feitelijke verdeling.

3.55.

Partijen zijn het erover eens dat de volgende goederen en schulden tot de ontbonden gemeenschap behoren:

  1. de inboedel van de voormalige echtelijke woning;

  2. de auto van het [automerk] met kenteken [nummer] ;

  3. de auto van het [automerk] met kenteken [nummer] ;

  4. e auto van het [automerk] met kenteken [nummer] ;

  5. de auto van het [automerk] met kenteken [nummer] ;

  6. de saldi op de volgende bankrekeningen:

 [nummer] bij ING op naam van de man;

 [nummer] bij ING op naam van de man;

 [nummer] bij ABN op naam van de man;

 [nummer] bij ING op naam van de man;

 [nummer] bij ING op naam van de man;

 [nummer] bij SNS op naam van de vrouw;

 [nummer] bij SNS op naam van de vrouw.

Inboedel (post a)

3.56.

De man stelt dat tot de inboedel vier schilderijen van [naam schilder] behoren. Hij heeft de rechtbank verzocht om te bepalen dat deze schilderijen getaxeerd moeten worden, waarna deze aan de vrouw kunnen worden toegedeeld dan wel tussen partijen kunnen worden verdeeld. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man dit verzoek ingetrokken, zodat dit verzoek niet nader beoordeeld hoeft te worden.

3.57.

Partijen hebben afgesproken dat de vier schilderen van [naam schilder] aan de vrouw kunnen worden toegedeeld, zonder nadere verrekening. De man heeft toegezegd om de bij hem in bezit zijnde groene boekjes, behorende bij de schilderijen, aan de vrouw af te geven.

3.58.

Partijen zijn het er verder over eens dat de verdeling van de inboedel moet plaatsvinden als omschreven in de lijst die de vrouw als bijlage 16 heeft ingediend, met uitzondering van de vriezer van de boot. Deze vriezer wordt aan de man toegedeeld zonder nadere verrekening.

3.59.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw verklaard dat zij een gedeelte van de aan haar toebedeelde inboedel al in haar bezit heeft, inclusief haar privéspullen die in de kluis zaten.

3.60.

De vrouw stelt dat de man nog persoonlijke spullen (zoals fotoalbums, kleding, tassen en schoenen e.d.) van haar in zijn bezit heeft. De man heeft dit betwist. De rechtbank kan niet vaststellen of de man nog persoonlijke spullen van de vrouw in zijn bezit heeft. Mocht dit wel het geval zijn, dan dient de man deze spullen (alsnog) per omgaande aan de vrouw af te geven.

[automerk] met kenteken [nummer] (post b)

3.61.

Partijen zijn het eens dat de auto wordt gerepareerd en daarna verkocht aan een derde en de verkoopopbrengst (na aftrek van de reparatie- en verkoopkosten) bij helfte tussen hen wordt gedeeld. Partijen zullen [naam] , of als hij niet kan iemand die hij aanbeveelt, opdracht geven om de verkoop ter hand ter nemen. De vrouw heeft toegezegd het gelegde maritaal beslag op te (laten) heffen.

[automerk] met kenteken [nummer] (post c)

3.62.

Partijen zijn het eens dat de auto aan de man kan worden toegedeeld tegen een waarde van € 18.000. De man moet derhalve een bedrag van € 9.000 aan de vrouw vergoeden.

[automerk] met kenteken [nummer] (post d)

3.63.

Uit het dossier blijkt dat de auto op 11 april 2024 door [naam] is getaxeerd tegen een waarde van € 22.000. De auto is door de man verkocht aan een derde. Op 18 april 2024 heeft die derde een bedrag van € 15.000 overgemaakt op de bankrekening van de man.

3.64.

De vrouw heeft de rechtbank verzocht om de man te veroordelen de totale taxatiewaarde van de auto aan de vrouw te voldoen, waarbij zij zich beroept op artikel 1:164 lid 1 BW, althans artikel 6:162 lid 1 BW. Omdat de man geen inzage geeft in de beweerdelijke verkoopopbrengst van de auto en de verkoop heeft verzwegen, stelt de vrouw dat voor de omvang van de schade aansluiting moet worden gezocht bij artikel 3:194 lid 2 BW, waardoor de man zijn volledige aandeel in de waarde van de auto verbeurt. De man heeft verweer gevoerd.

3.65.

De rechtbank overweegt als volgt. In artikel 1:164 BW is bepaald dat indien een tussen de echtgenoten bestaande gemeenschap van goederen door één van hen is benadeeld doordat hij na de aanvang van het geding of binnen zes maanden daarvóór lichtvaardig schulden heeft gemaakt, goederen der gemeenschap heeft verspild, of rechtshandelingen als bedoeld in artikel 88 van dit boek zonder de vereiste toestemming of beslissing van de rechtbank heeft verricht, hij gehouden is om na de inschrijving van de beschikking waarbij de echtscheiding is uitgesproken, de aangerichte schade aan de gemeenschap te vergoeden.

3.66.

Het staat vast dat de man de auto, een gemeenschapsgoed, zonder toestemming van de vrouw heeft verkocht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man onvoldoende onderbouwd dat sprake is geweest van een verkoop tegen zakelijke condities. De man heeft geen inzage gegeven aan wie de auto is verkocht. Dit terwijl de vrouw onbetwist heeft gesteld dat de man de auto nog in gebruik heeft en dat deze ook nog in zijn garage staat. Evenmin heeft de man een koopovereenkomst overgelegd, zodat de rechtbank niet kan vaststellen wat de overeengekomen verkoopprijs was. Op 18 april 2024 is een bedrag van

€ 15.000 bijgeschreven op de bankrekening van de man met nummer [nummer] . De man stelt dat hij de auto slechts voor € 15.000 kon verkopen, omdat de auto slecht gespoten was en grotendeels moest worden gedemonteerd. Daarnaast waren de pasnaden van de auto niet meer in goede staat. De rechtbank gaat aan deze stelling voorbij. Immers, uit de door de man overgelegde e-mail van 11 april 2024 blijkt dat bij de waardebepaling van [naam] al rekening is gehouden met deze mankementen aan de auto. Hierdoor kwam [naam] al op een lagere waarde uit dan verwacht, zo staat in de e-mail. Verder stelt de man dat hij de auto snel moest verkopen, omdat hij zijn schuldeisers moest aflossen. Hij had daarom geen tijd om te onderhandelen over de verkoopprijs. Ook aan deze stelling gaat de rechtbank voorbij, omdat hij deze niet heeft onderbouwd.

3.67.

De rechtbank oordeelt daarom dat is voldaan aan de vereisten van artikel 1:164 BW. De man is gehouden de schade aan de gemeenschap te vergoeden. Het bedrag van € 15.000 is op 18 april 2024 bijgeschreven op de bankrekening van de man met nummer [nummer] en zal worden meegenomen bij de verdeling van de banksaldi. De rechtbank stelt daarom de schade vast op het verschil tussen de taxatiewaarde van € 22.000 en het ontvangen bedrag van € 15.000, wat neerkomt op een bedrag van € 7.000. De man is gehouden dat bedrag aan de gemeenschap te vergoeden, waardoor de man per saldo een bedrag van € 3.500 aan de vrouw dient te voldoen.

[automerk] met kenteken [nummer] (post e)

3.68.

Partijen zijn het eens dat deze auto aan de vrouw kan worden toegedeeld. Wel verschillen partijen van mening over de waarde van de auto. De vrouw gaat uit van een waarde van € 9.050, de man van een waarde van € 9.225. De rechtbank zal deze twee waardes middelen en de auto toedelen aan de vrouw tegen een waarde van € 9.137,50. De vrouw moet dus een bedrag van € 4.568,75 aan de man vergoeden.

De banksaldi (post f)

3.69.

Partijen zijn het eens dat de rekeningen kunnen worden toegedeeld aan degene op wiens naam de rekening staat. Partijen verschillen van mening per welke datum ze de saldi bij helfte moeten delen.

3.70.

De man gaat uit van de peildatum waarop de gemeenschap is ontbonden. De vrouw stelt dat de redelijkheid en billijkheid zich verzetten tegen een peildatum van 18 april 2024. Volgens de vrouw moet worden uitgegaan van 13 oktober 2023, dat is de datum waarop de samenleving tussen partijen feitelijk is verbroken. De vrouw kan namelijk niet uitsluiten dat de man zijn bankrekeningen reeds ruimschoots vóór 18 april 2024 heeft leeggehaald om te voorkomen dat de vrouw zal meedelen in de waarde.

3.71.

De rechtbank gaat aan de stellingen van de vrouw voorbij, omdat zij deze onvoldoende heeft onderbouwd. Het enkele feit dat sprake is van wantrouwen van de vrouw jegens de man, is onvoldoende om uit te gaan van een afwijkende peildatum. Bovendien valt 13 oktober 2023 ook buiten de termijn van benadeling op grond van artikel 1:164 BW. Voor zover de vrouw daar een beroep op heeft willen doen, gaat dat beroep niet op.

3.72.

De rechtbank bepaalt dat partijen de banksaldi van de bankrekeningen per 18 april 2024 met elkaar moeten delen dan wel bij helfte moeten dragen als sprake is van een negatief saldo. Het hiervoor bij 3.66 genoemde bedrag van € 15.000, dat de man op 18 april 2024 op zijn bankrekening heeft ontvangen, moet hierin worden meegenomen. Partijen dienen elkaar over en weer inzage te verschaffen in de betreffende saldi van hun bankrekeningen.

Uitvoerbaar bij voorraad

3.73.

De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt. De uitvoerbaarheid bij voorraad geldt niet voor de echtscheiding. Die beslissing geldt namelijk pas als de echtscheiding is ingeschreven en dat kan pas gebeuren als daar geen hoger beroep meer tegen mogelijk is.

De proceskosten

3.74.

De rechtbank zal beslissen dat ieder de eigen proceskosten betaalt, omdat zij geen reden ziet om één van partijen in de proceskosten te veroordelen.

4De beslissing

De rechtbank:

4.1.

spreekt de echtscheiding uit tussen de partijen, die met elkaar gehuwd zijn op

[datum] 2011 in de gemeente [plaats] ;

4.2.

bepaalt dat de minderjarige kinderen:

  • [naam kind 1] , geboren op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] ;

  • [naam kind 2] , geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] ;

hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw hebben;

4.3.

stelt vast als regeling ter verdeling van de zorg- en opvoedingstaken dat:

  • de kinderen bij de man verblijven in de oneven weekenden van vrijdag uit school tot zondag 21.00 uur, alsmede elke maandag uit school tot dinsdag naar school en elke woensdag uit school tot donderdag naar school, waarbij de kinderen beide avonden bij de man thuis eten en de kinderen voor de omgangsmomenten (zo veel mogelijk) op eigen gelegenheid naar de man gaan. De overige dagen verblijven de kinderen bij de vrouw;

  • de vakantie- en feestdagen als volgt worden verdeeld:

 voorjaarsvakantie: even jaren bij de vrouw, oneven jaren bij de man;

 Pasen: conform de reguliere zorgregeling (inclusief Paasmaandag);

 Koningsdag: oneven jaren bij de man, even jaren bij de vrouw;

 Pinksteren: even jaren bij de man, oneven jaren bij de vrouw;

 Hemelvaart: oneven jaren bij de vrouw, even jaren bij de man;

 meivakantie: even jaren de eerste week bij de man en de tweede week bij de vrouw, in de oneven jaren andersom;

 zomervakantie: even jaren eerste drie weken bij de vrouw, laatste drie weken bij de man, in de oneven jaren andersom;

 herfstvakantie: even jaren bij de vrouw, oneven jaren bij de man;

 kerstvakantie: even jaren eerste week bij de vrouw, tweede week bij de man, in de oneven jaren andersom;

 Kerst: eerste Kerstdag bij de vrouw, tweede Kerstdag bij de man;

 Oudjaar: even jaren bij de man, oneven jaren bij de vrouw;

 verjaardag kinderen: even jaren bij de man, oneven jaren bij de vrouw, waarbij de kinderen – indien zij op dat moment bij de andere ouder verblijven - de avond voor de verjaardag om 20.00 uur naar de desbetreffende ouder gaan en op de verjaardag zelf om 20.00 uur weer terug naar de andere ouder;

 verjaardag partijen: bij de betreffende ouder, waarbij de kinderen – indien zij op dat moment bij de andere ouder verblijven – de avond voor de verjaardag om 20.00 uur naar de desbetreffende ouder gaan en op de verjaardag zelf om 20.00 uur weer terug naar de andere ouder;

 Vader- en Moederdag: op Moederdag bij de vrouw en op Vaderdag bij de man, waarbij de kinderen – indien zij op dat moment bij de andere ouder verblijven – de avond voor Moeder- en Vaderdag om 20.00 uur naar de betreffende ouder gaan en op zondag om 20.00 uur weer terug naar de andere ouder;

4.4.

bepaalt dat de man met ingang van de datum van deze beschikking als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] en [kind 2] aan de vrouw zal betalen € 284 per kind per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

4.5.

gelast de wijze van verdeling van de ontbonden gemeenschap van goederen van partijen als volgt:

a. ten aanzien van de inboedel

 deelt de inboedelgoederen toe aan de man respectievelijk de vrouw zoals vermeld op de lijst, die als bijlage aan deze beschikking is gehecht, met uitzondering van de vriezer van de boot die aan de man wordt toegedeeld, dit alles zonder nadere verrekening tussen partijen;

 deelt de vier schilderijen van [naam schilder] aan de vrouw toe, zonder nadere verrekening;

 bepaalt dat voor zover de man nog persoonlijke spullen van de vrouw in zijn bezit heeft, hij deze per direct dient af te geven aan de vrouw;

ten aanzien van de [automerk] met kenteken [nummer]

partijen dienen gezamenlijk opdracht te geven aan [naam] (of iemand die hij aanbeveelt) om de auto te verkopen, waarbij zij de verkoopopbrengst (na aftrek van de reparatie- en verkoopkosten) bij helfte zullen delen;

ten aanzien van de [automerk] met kenteken [nummer]

deelt de auto aan de man toe, waarbij de man is gehouden een bedrag van € 9.000 aan de vrouw te vergoeden;

ten aanzien van de [automerk] met kenteken [nummer]

bepaalt dat de man gehouden is om een bedrag van € 7.000 aan de gemeenschap te vergoeden, waardoor de man per saldo een bedrag van € 3.500 aan de vrouw dient te voldoen;

ten aanzien van de [automerk] met kenteken [nummer]

deelt de auto aan de vrouw toe, waarbij de vrouw gehouden is een bedrag van

€ 4.568,75 aan de man te vergoeden;

ten aanzien van de bankrekeningen

- deelt aan de man de volgende rekeningen toe:

 [nummer] bij ING;

 [nummer] bij ING;

 [nummer] bij ABN;

 [nummer] bij ING;

 [nummer] bij ING;

- deelt aan de vrouw de volgende rekeningen toe:

 [nummer] bij SNS;

 [nummer] bij SNS;

- waarbij partijen gehouden zijn om elkaar inzage te verschaffen in de saldi per 18 april 2024 en deze met elkaar bij helfte te delen dan wel bij helfte te dragen, waarbij het op de bankrekening van de man met nummer [nummer] ontvangen bedrag van € 15.000 ter zake de [automerk] met kenteken [nummer] meegenomen wordt;

4.6.

bepaalt dat de onder 4.2., 4.3., 4.4. en 4.5. genoemde beslissingen uitvoerbaar zijn bij voorraad;

4.7.

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van deze procedure draagt;

4.8.

wijst af wat meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.M. Koopman, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. K.K.H. Wagemaker als griffier en in het openbaar uitgesproken op 14 maart 2025.

2

ECLI:NL:GHARL:2024:1376 en ECLI:GHARL:2018:2542



© Copyright 2009 - 2025 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733