Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 27-03-2025, ECLI:NL:GHARL:2025:1818

Essentie (redactie)

Afwijzing hoger beroep GI om MUHP van jongere in Spanje te verlengen. GI heeft goedkeuringsprocedure van Brussel II-ter en de Uitvoeringswet Internationale Kinderbescherming niet doorlopen, wat niet kan worden omzeild met een beroep op IVRK en Europese verdragen. Beroep op art. 12 Brussel II-ter faalt ook. Geen aanhouding procedure want kind heeft belang bij duidelijkheid. Spoedeisendheid in zaken waarin besloten wordt tot plaatsing in het buitenland verhoudt zich niet tot de termijn van de Europese goedkeuringsprocedure.


Datum publicatie03-04-2025
Zaaknummer200.349.419
ProcedureHoger beroep
ZittingsplaatsArnhem
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenIPR familierecht; IPR ouderlijke verantwoordelijkheid;
Jeugdbescherming / Jeugdwet; Uithuisplaatsing 1:265a e.v. BW
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Plaatsing van een kind in het buitenland (Spanje) op basis van een machtiging uithuisplaatsing zonder het doorlopen van de voorafgaande goedkeuringsprocedure zoals beschreven in de Brussel II ter Verordening.

Volledige uitspraak


GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.349.419

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 579288)

beschikking van 27 maart 2025

inzake

de gecertificeerde instelling

Stichting Samen Veilig Midden-Nederland,

gevestigd te Utrecht,

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de GI,

advocaat: mr. C.C. Sneper

over

[de minderjarige] , geboren [in] 2009 in [plaats1] ,

verder te noemen: [de minderjarige] .

Als belanghebbenden zijn aangemerkt:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats1] ,

verder te noemen: de moeder,

en

[de vader] ,

wonende te [plaats1] ,

verder te noemen: de vader.

Het hof heeft als informant aangemerkt:

[naam1] ,

gevestigd te [plaats2] ,

verder te noemen: [naam1] ,

[naam2] ,

gevestigd te Spanje,

verder te noemen: [naam2] .

1Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 27 september 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • het beroepschrift met producties, ingekomen op 27 december 2024;

  • een journaalbericht van mr. Sneper van 11 februari 2025 met producties;

  • een journaalbericht van mr. Sneper van 19 februari 2025 met producties.

2.2

Op 17 februari 2025 heeft [de minderjarige] in aanwezigheid van de griffier met de voorzitter gesproken via een Teams-verbinding.

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 20 februari 2025 plaatsgevonden. Aanwezig waren:

  • [naam3] namens de GI, bijgestaan door mr. Sneper;

  • de moeder;

  • de vader;

  • [naam4] namens [naam1] ;

  • [naam5] , vertrouwenspersoon van [naam2] , en

  • [naam6] en [naam7] van [naam2] .

2.4

Tijdens de mondelinge behandeling heeft mr. Sneper de door haar overgelegde pleitaantekeningen voorgedragen.

3De feiten

3.1

De vader en de moeder zijn de ouders van [de minderjarige] en zij zijn samen belast met het gezag over [de minderjarige] .

3.2

Bij beschikking van 29 september 2020 heeft de kinderrechter [de minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI. Deze ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd, voor het laatst op 18 september 2023 tot 28 september 2024.

3.3

Bij beschikking van 12 mei 2021 heeft de kinderrechter een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] . Ook de machtiging tot uithuisplaatsing is steeds verlengd, voor het laatst tot 28 september 2024.

3.4

Op 24 mei 2024 is [de minderjarige] geplaatst bij [naam2] in Spanje. Voorafgaand aan deze plaatsing heeft [de minderjarige] op verschillende andere plekken gewoond, zoals in een gezinshuis van 2022 tot 2024 en bij [naam8] van januari tot maart 2024.

4De omvang van het geschil

4.1

Bij de beschikking heeft de kinderrechter:

  • de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] verlengd tot 28 september 2025;

  • de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder in Nederland verlengd tot 28 september 2025.

Het verzoek van de GI om de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder in Spanje te verlengen, heeft de kinderrechter afgewezen.

4.2

De GI is in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De GI verzoekt het hof:

  • de bestreden beschikking te vernietigen, voor zover daarin de machtiging tot uithuisplaatsing in Spanje is afgewezen;

  • te bepalen dat [de minderjarige] zonder verder uitstel mag blijven bij [naam2] in Spanje om daar haar traject af te ronden; dan wel

  • de behandeling van het verzoek in hoger beroep aan te houden tot er een inhoudelijke beslissing is genomen op de in artikel 82 van de verordening 1 (verder: de Verordening) voorgeschreven procedure die door [naam2] is aangevraagd; dan wel

  • een beslissing te nemen die het hof juist oordeelt, en

  • de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.3

De vader, de moeder en [de minderjarige] zijn het eens met de verzoeken van de GI.

5De motivering van de beslissing

Vooraf

5.1

Het hof merkt op dat de GI, de vader, de moeder en [de minderjarige] het van belang voor [de minderjarige] vinden dat zij voorlopig, althans voor de duur van de ondertoezichtstelling, verblijft in [naam2] te Spanje. Of het verlengen van de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk is en of [naam2] een goede plek voor [de minderjarige] is, staat dan ook niet ter discussie.

De vraag die het hof moet beantwoorden is of op dit moment een machtiging tot uithuisplaatsing kan worden afgegeven als die machtiging in Spanje wordt uitgevoerd. Als dat niet kan is, is het de vraag of het hof op een andere grond kan bepalen dat [de minderjarige] in [naam2] mag blijven om haar traject af te ronden.

Plaatsing van [de minderjarige] buiten Nederland

5.2

Het hof oordeelt dat geen machtiging tot uithuisplaatsing afgegeven kan worden voor het verblijf van [de minderjarige] in Spanje. Het hof kan evenmin bepalen dat [de minderjarige] zonder verder uitstel mag blijven bij [naam2] in Spanje om daar haar traject af te ronden. Het hof licht dit hierna toe.

5.3

Het hof concludeert, net als de kinderrechter, dat uit overweging 11 van de preambule van de Verordening blijkt dat de plaatsing van een kind in een andere lidstaat op basis van een kinderbeschermingsmaatregel in beginsel binnen het toepassingsgebied van de Verordening valt. De plaatsing van [de minderjarige] in [naam2] valt hier dus onder.

5.4

In overweging 83 van de preambule en in artikel 82 van de Verordening wordt de werkwijze van de plaatsing van een kind in een andere lidstaat beschreven. Deze werkwijze wordt hierna ook wel ‘de goedkeuringsprocedure’ genoemd (cursivering en onderstreping door het hof):

Overweging 83

‘Indien een gerecht of een bevoegde autoriteit van een lidstaat overweegt een kind in een andere lidstaat te plaatsen, dient vóór de plaatsing een consultatieprocedure om goedkeuring te verkrijgen te worden gevolgd. Het gerecht dat of de bevoegde autoriteit die de plaatsing overweegt, moet de goedkeuring verkrijgen van de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar het kind moet worden geplaatst, voordat het, c.q. zij, de plaatsing gelast of regelt. Daarnaast moeten de lidstaten conform de jurisprudentie van het Hof van Justitie voorzien in duidelijke regels en procedures voor de toepassing van op grond van deze verordening te verkrijgen goedkeuring, zulks ter wille van de rechtszekerheid en een snelle afhandeling. De procedures moeten de bevoegde autoriteit onder meer in staat stellen haar goedkeuring terstond te verlenen of te weigeren. Wanneer er binnen drie maanden geen antwoord wordt ontvangen, mag dit niet als een goedkeuring worden begrepen, en zonder goedkeuring mag de plaatsing niet doorgaan. (…) Gelet op de jurisprudentie van het Hof van Justitie mag, indien een specifieke termijn is goedgekeurd, die goedkeuring niet gelden voor beslissingen of regelingen tot verlenging van de plaatsing. In die omstandigheden moet een nieuw verzoek om goedkeuring worden ingediend.

Artikel 82 van de Verordening

  1. Indien een gerecht of bevoegde autoriteit overweegt het kind te plaatsen in een andere lidstaat, vraagt het , respectievelijk zij, eerst de goedkeuring van de bevoegde autoriteit van die andere lidstaat. Daartoe dient [naam1] van de verzoekende lidstaat aan [naam1] van de aangezochte lidstaat waar het kind zal worden geplaatst, een verzoek om goedkeuring te zenden, dat vergezeld gaat van een verslag over het kind, samen met de redenen voor de voorgestelde plaatsing of zorgverstrekking, informatie over eventueel voorgenomen financiering en elke andere informatie die het relevant acht, zoals de verwachte duur van de plaatsing.

  2. […]

  3. [naam1] van een andere lidstaat kan een gerecht of bevoegde autoriteit die overweegt een kind te plaatsen, ervan in kennis stellen dat het kind met die lidstaat een nauwe band heeft. Dit doet geen afbreuk aan nationaal recht en procedures van de lidstaat die de plaatsing overweegt.

[…]

4. De in lid 1 bedoelde plaatsing wordt door de verzoekende lidstaat slechts worden gelast of geregeld nadat de bevoegde autoriteit van de aangezochte lidstaat de plaatsing heeft goedgekeurd.

5. Tenzij dit als gevolg van uitzonderlijke omstandigheden onmogelijk blijkt, wordt het besluit tot verlening of weigering van de goedkeuring uiterlijk drie maanden na de ontvangst van het verzoek toegezonden aan de verzoekende centrale autoriteit.

6. De procedure voor het verkrijgen van de goedkeuring wordt geregeld door het nationale recht van de aangezochte lidstaat.

7. Dit artikel belet de centrale autoriteiten of de bevoegde autoriteiten niet om overeenkomsten of regelingen met de centrale autoriteiten of de bevoegde autoriteiten van een of meer andere lidstaten, op grond waarvan de overlegprocedure met het oog op goedkeuring in hun onderlinge betrekkingen wordt vereenvoudigd, aan te gaan of te handhaven.’

In artikel 9 van de Uitvoeringswet Internationale kinderbescherming is deze werkwijze eveneens opgenomen.

5.5

Het staat vast dat de GI voorafgaand aan de plaatsing van [de minderjarige] in [naam2] de hiervoor beschreven goedkeuringsprocedure niet heeft doorlopen en dat dit evenmin is gebeurd voorafgaand aan het verzoek tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing. Namens [naam2] en de GI is tijdens de mondelinge behadeling naar voren gebracht dat zij beiden niet bekend waren met deze procedure en dat deze in het verleden ook niet gevolgd is voordat er kinderen in Spanje zijn geplaatst. Dit laat onverlet dat deze procedure gevolgd had moeten worden voordat [de minderjarige] in Spanje zou worden geplaatst.

5.6

Het gevolg van het niet volgen van de goedkeuringsprocedure voorafgaand aan de plaatsing van het kind is opgenomen in artikel 39, lid 1 sub f van de Verordening en dat betekent concreet dat de beslissing over de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] door Spanje niet wordt erkend. Ook in de Memorie van Toelichting over de wijzigingen die de Verordening aanbrengt ten opzichte van zijn voorganger is deze consequentie opgenomen. 2 In de Memorie van Toelichting wordt ook opgemerkt (onder 3.1): ‘Vanwege de territoriale bevoegdheid van nationale kinderbeschermingsinstanties kunnen in een lidstaat geen aanwijzingen worden gegeven voor de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel aan een instantie in een andere lidstaat. Daarbij komt dat in de diverse lidstaten kinderbeschermingsmaatregelen en het systeem van toezicht anders zijn geregeld. (…) Anders dan in andere verordeningen en artikel 54 van de herschikte verordening waarin de rechter de mogelijkheid heeft om de modaliteiten van het omgangsrecht aan te passen, kent de herschikte verordening niet een bepaling die de bevoegde autoriteiten van een lidstaat de mogelijkheid biedt om een buitenlandse kinderbeschermingsmaatregel zo aan te passen dat in die lidstaat uitvoering kan worden gegeven aan de in een andere lidstaat uitgesproken maatregel. Voor de plaatsing van een kind in een instelling of een pleeggezin in een andere lidstaat voorziet de herschikte verordening (evenals de huidige verordening) in een specifieke procedure (zie de goedkeuringsprocedure van artikel 82 van de herschikte verordening).

5.7

Hoewel de niet-erkenning van de beslissing van de machtiging tot uithuisplaatsing volgens de GI en [naam2] in de praktijk vooralsnog niet tot uitvoerings- of beschermingsproblemen heeft geleid, is het hof net als de kinderrechter van oordeel dat de juridische waarborgen ten aanzien van de plaatsing van [de minderjarige] nu onvoldoende zijn. De GI heeft immers geen bevoegdheid op het grondgebied van Spanje en kan formeel geen beroep doen op de Spaanse autoriteiten bij incidenten als deze geen goedkeuring hebben gegeven voor het verblijf op hun grondgebied van een minderjarige op basis van een kinderbeschermingsmaatregel.

5.8

Het hof ziet in deze zaak geen mogelijkheid om de goedkeuringsprocedure zoals opgenomen in de Verordening buiten toepassing te stellen met een beroep op de namens de GI aangevoerde artikelen 8 van het EVRM en 3 en 19 van het IVRK, 24 lid 2 van het EU- Handvest en evenmin met een beroep op het proportionaliteitsbeginsel. De Verordening betreft Europese regelgeving en heeft als doel de samenwerking te bevorderen tussen de bij de Verordening aangesloten lidstaten over onder andere de uitvoering van beslissingen aangaande de ouderlijke verantwoordelijkheid en kinderbeschermingsmaatregelen met een grensoverschrijdend karakter. De Verordening is rechtstreeks toepasselijk in de lidstaten en is bij uitstek bedoeld om de belangen en de veiligheid van de kinderen in grensoverschrijdende situaties te waarborgen. Het hof wijst erop dat de goedkeuringsprocedure bedoeld is om te voorkomen dat kinderen op basis van een kinderbeschermingsmaatregel in een andere lidstaat verblijven zonder dat die lidstaat daarvan op de hoogte is en de (juridische) veiligheid van het kind dus niet gegarandeerd kan worden. De GI heeft zelf nagelaten de juiste procedure doorlopen, maar dat brengt niet met zich dat de goedkeuringsprocedure met een beroep op internationale en Europeesrechtelijke verdragen omzeild kan worden.

5.9

Namens de GI is gewezen op onder artikel 12 van de Verordening dat volgens de GI door de rechtbank tijdens de procedure gebruikt had kunnen worden om een pragmatische oplossing te zoeken, zoals het maken van een tijdelijke uitzondering of het versnellen van de procedure.

Het hof oordeelt als volgt. Artikel 12 ziet op een bevoegdheidsoverdracht in een lopende procedure van een gerecht in een lidstaat aan een gerecht van een andere lidstaat. Het betreft een discretionaire bevoegdheid (zie overweging 26 van de preambule). De overdracht is slechts mogelijk in uitzonderlijke omstandigheden als er sprake is van een kind dat een bijzondere band heeft met die lidstaat waardoor het gerecht van die lidstaat beter in staat zou zijn om een beslissing in die procedure te geven. Artikel 12 lid 4 sub a formuleert dat van een dergelijke bijzondere band sprake kan zijn als het kind na de aanhangigmaking van een zaak bij het in artikel 12 lid 1 bedoelde gerecht zijn gewone verblijfplaats in die lidstaat heeft verkregen. Het hof stelt vast dat [de minderjarige] ten tijde van het oorspronkelijk verzoek tot uithuisplaatsing (op 12 mei 2021, zie 3.3) niet haar gewone verblijfplaats in Spanje had. Dat zij daar later – zonder voorafgaande toestemming – alsnog is geplaatst maakt niet dat sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 12 lid 1 van de Verordening. Dat geldt helemaal nu de GI deze situatie zelf in het leven heeft geroepen.

Het hof stelt voorts vast dat de GI allerminst onderbouwt op welke wijze de gevraagde overdracht van bevoegdheid tot een versnelling van de procedure of een tijdelijke uitzondering zou leiden en op welke wijze dit in het belang van [de minderjarige] zou zijn. Het hof ziet ook geen rechtsgrond om te bepalen dat [de minderjarige] zonder verder uitstel mag blijven bij [naam2] in Spanje om daar haar traject af te ronden. Op de mondelinge behandeling is besproken dat [de minderjarige] mogelijk op vrijwillige basis in [naam2] haar traject kan voortzetten, maar dat valt buiten de reikwijdte van wat het hof kan beslissen.

5.10

Namens de GI is verzocht om de behandeling van het verzoek in hoger beroep aan te houden totdat er een beslissing is genomen op het verzoek aan de Spaanse autoriteiten om de plaatsing van [de minderjarige] alsnog goed te keuren.

De GI, [naam2] en [naam1] hebben tijdens de mondelinge behandeling bevestigd dat er door de GI na de bestreden beschikking alsnog een verzoek bij [naam1] is ingediend om de goedkeuringsprocedure voor de plaatsing van [de minderjarige] bij [naam2] in Spanje te doorlopen. Het hof overweegt dat zowel [naam2] als [naam1] nog niet eerder meegemaakt hebben dat het doorlopen van een goedkeuringsprocedure achteraf succesvol is geweest. Ook is niet duidelijk wanneer de beslissing van de Spaanse autoriteiten verwacht wordt. Los daarvan verblijft [de minderjarige] momenteel op basis van een niet door Spanje erkende beslissing op Spaans grondgebied en ontbreekt een rechtsgrond voor haar verblijf. Het hof acht het in het belang van [de minderjarige] dat er duidelijkheid komt over de legitimiteit van haar huidige verblijf in [naam2] en zal het verzoek tot aanhouding dan ook niet honoreren.

5.11

Het hof merkt nog op dat de spoedeisendheid in zaken waarin besloten wordt om een kind op basis van een kinderbeschermingsmaatregel in het buitenland te plaatsen zich niet goed verhoudt tot de termijn die een goedkeuringsprocedure in beslag kan nemen. Op verschillende plekken in de Verordening (zie onder meer de overwegingen 74 en 78 in de preambule en artikel 82 lid 8) worden bevoegde en centrale autoriteiten van de lidstaten aangespoord om verdere samenwerking aan te gaan om procedures te vereenvoudigen. Daarnaast wordt ook benoemd dat het aan de centrale autoriteiten is om gerechten en bevoegde autoriteiten in algemene en specifieke situaties bij te staan in grensoverschrijdende procedures (zie overweging 74). Het hof geeft zowel de GI als [naam1] , maar met name die laatste in overweging om deze samenwerkingen aan te gaan en daarin, in het belang van de kwetsbare kinderen, een pro-actieve houding aan te nemen.

5.12

Het hoger beroep faalt en het hof zal de bestreden beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bekrachtigen.

7De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland van 27 september 2024 voor zover het de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] betreft.

Deze beschikking is gegeven door mrs. K. Hermsen, J.B. de Groot en H. Phaff, bijgestaan door M. van Esveld als griffier, en is op 27 maart 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

1

de verordening van 25 juni 2019 betreffende de bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en betreffende internationale kinderontvoering (herschikking), en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2201/2003

2

Kamerstuk 35 888, nr 3, Memorie van Toelichting onder 2.5.



© Copyright 2009 - 2025 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733