Kinderalimentatie bij samengestelde gezinnen (1): Rechtbank stelt prejudiciële vragen

Laatst bijgewerkt: 07-11-2026

1. Inleiding

Hoe moet de draagkracht van een ouder worden verdeeld over kinderen uit verschillende relaties? Die vraag houdt de rechtspraak en literatuur al jaren bezig. Er bestaan verschillende rekenmethoden, die tot sterk uiteenlopende uitkomsten kunnen leiden. Zo kan in het ene gezin draagkracht overblijven, terwijl in het andere gezin niet volledig in de behoefte van de kinderen wordt voorzien. Is dat wel in overeenstemming met de wettelijke regels over kinderalimentatie?

Rechtbank Overijssel heeft deze kwestie op 3 november 2026 aan de Hoge Raad voorgelegd. De rechtbank vergelijkt verschillende rekenmethoden, berekent de uitkomsten en stelt twee prejudiciële vragen.

Dit is het eerste artikel van een drieluik over deze prejudiciële procedure. Daarin bespreken we de achtergronden van het probleem en de verschillende rekenmethoden die in de rechtspraak en literatuur worden gehanteerd of voorgesteld. Vervolgens gaan we in op de zaak die bij Rechtbank Overijssel voorlag en de prejudiciële vragen die daaruit voortvloeien. Het tweede artikel zal verschijnen na de conclusie van de A-G, het derde na de beslissing van de Hoge Raad.

2. Het probleem, het wettelijk kader en de jurisprudentie

Bij samengestelde gezinnen heeft een ouder kinderen uit verschillende relaties voor wie hij of zij onderhoudsplichtig is. Neem de eenvoudige situatie waarin A en B samen twee kinderen hebben (hierna samen AB). Na hun scheiding krijgt B met een nieuwe partner C eveneens twee kinderen (hierna samen BC). B moet dan bijdragen in de kosten van alle vier de kinderen, terwijl A alleen onderhoudsplichtig is voor AB en C alleen voor BC.

Op grond van art. 1:392 BW, art. 1:397 BW en art. 1:404 BW moeten ouders naar draagkracht bijdragen in de behoefte van hun kinderen. Kinderen tot 21 jaar hoeven hun behoeftigheid niet aan te tonen en hebben op grond van art. 1:400 lid 1 BW voorrang boven andere onderhoudsgerechtigden. Tussen kinderen uit verschillende relaties bestaat geen onderlinge rangorde.

Al in 1991 bepaalde de Hoge Raad dat bij onvoldoende draagkracht het voor onderhoud beschikbare bedrag in beginsel gelijkelijk over de kinderen moet worden verdeeld. Bijzondere omstandigheden, zoals een duidelijk verschil in behoefte, kunnen een andere verdeling rechtvaardigen. De rechter die over de alimentatie voor kinderen uit één relatie beslist, moet daarbij in beginsel handelen alsof hij tegelijkertijd de bijdragen voor alle andere kinderen van die ouder vaststelt.

In zijn beschikking van 27 oktober 2023 heeft de Hoge Raad deze uitgangspunten nader uitgewerkt en in zijn beschikking van 17 april 2026 verder verduidelijkt. Ontbreken gegevens over de behoefte van andere kinderen of de draagkracht van hun andere ouder, dan moet de rechter deze zo veel als mogelijk schatten.

Maar hoe moeten deze regels worden toegepast wanneer meerdere ouders voor verschillende kinderen onderhoudsplichtig zijn? De wet en de rechtspraak geven daarvoor geen eenduidige rekenmethode.

3. De methode van de afgeleide draagkracht

In de rechtspraak was lange tijd de methode van de afgeleide draagkracht gangbaar. Daarbij wordt eerst de draagkracht van B verdeeld over de kinderen AB en BC, naar rato van hun behoeften. Vervolgens wordt binnen ieder gezin een draagkrachtvergelijking gemaakt: tussen A en B voor de kinderen AB en tussen B en C voor de kinderen BC.

Deze methode is betrekkelijk eenvoudig, maar de uitkomst ervan heeft in sommige gevallen tot discussie geleid. Stel dat A voldoende draagkracht heeft om samen met het aan AB toegerekende deel van B volledig in de behoefte van AB te voorzien. Er kan in dat gezin dan draagkracht overblijven. Tegelijkertijd kan bij BC een tekort ontstaan, indien de aan BC toegerekende draagkracht van B en de draagkracht van C samen onvoldoende zijn.

In dat geval wordt niet volledig in de behoefte van alle betrokken kinderen voorzien, terwijl er binnen het geheel van onderhoudsplichtigen nog draagkracht beschikbaar is. Om dit te ondervangen, wordt soms resterende draagkracht van het ene gezin overgeheveld naar het andere. Of een dergelijke overheveling juridisch is toegestaan en onder welke voorwaarden, is echter omstreden. Ook A-G Coenraad merkt in haar conclusie voor de beschikking van de Hoge Raad van 17 april 2026 op dat in rechtspraak en literatuur verschillend wordt gedacht over de verdeling van een tekort of een overschot aan draagkracht. Over deze kwestie gaat de tweede prejudiciële vraag van Rechtbank Overijssel (zie paragraaf 6).

4. Alternatieve rekenmethoden

4.1 Jonker, Wijngaard en Van Foreest

In 2020 ontwikkelden Jonker, Wijngaard en Van Foreest een rekenmethode waarbij vooropstaat dat zo volledig mogelijk in de behoefte van alle kinderen wordt voorzien. Er mag volgens hen geen tekort bij een kind bestaan zolang elders binnen het geheel van betrokken ouders nog draagkracht beschikbaar is die kan worden ingezet.

Bij deze methode wordt rekening gehouden met de draagkracht van alle onderhoudsplichtige ouders en met de behoeften van de kinderen voor zover daarin niet door andere ouders wordt voorzien. De bijdragen worden naar rato van de beschikbare draagkracht en de resterende behoeften berekend. Bij ingewikkelde gezinssituaties is daarvoor een wiskundig algoritme nodig, dat in een computerprogramma kan worden verwerkt.

4.2 De schottenmethode ofwel de methode van de zuivere draagkracht

Van Lieshout-Jansen heeft in 2023 kritiek geuit op de methode van Jonker, Wijngaard en Van Foreest. De draagkracht van C kan daardoor indirect worden ingezet voor AB, terwijl C niet onderhoudsplichtig is voor deze kinderen. Volgens haar gaat de methode daarmee voorbij aan de wettelijke grenzen van de onderhoudsplicht. Daarom stelde zij de zogenoemde schottenmethode voor, ook wel de methode van de zuivere draagkracht genoemd.

Bij deze methode wordt tussen de gezinnen een denkbeeldig schot geplaatst. Voor ieder gezin wordt afzonderlijk een draagkrachtvergelijking gemaakt, waarbij telkens wordt uitgegaan van de volledige draagkracht van de betrokken ouders. B's volledige draagkracht wordt dus zowel bij AB als bij BC in de berekening betrokken.

Vervolgens worden de aldus berekende aandelen van B bij elkaar opgeteld. Overschrijdt het totaal de werkelijke draagkracht van B, dan wordt het tekort naar rato van de behoeften over de kinderen verdeeld.

Volgens Van Lieshout-Jansen blijft met deze methode de wettelijke onderhoudsplicht van iedere ouder beperkt tot zijn of haar eigen kinderen.

De Groot heeft tegen de schottenmethode ingebracht dat B hierdoor relatief zwaar kan worden belast. De volledige draagkracht van B wordt immers tweemaal in een draagkrachtvergelijking betrokken, terwijl de draagkracht van A en C slechts eenmaal wordt meegewogen.

Ook deze methode biedt volgens De Groot geen garantie dat een tekort in het ene gezin naast een overschot in het andere wordt voorkomen.

Ook in de rechtspraak zien we toepassingen van de methode van de zuivere draagkracht. Een voorbeeld is Rb. Rotterdam 29 februari 2024, waarin de rechtbank de volledige draagkracht van de vader in de afzonderlijke draagkrachtvergelijkingen betrekt.

4.3 De methode De Groot

De Groot heeft in twee artikelen uit 2024 een andere berekeningswijze voorgesteld. Hij maakt onderscheid tussen situaties waarin de gezamenlijke draagkracht onvoldoende is om in de behoefte van alle kinderen te voorzien en situaties waarin sprake is van een overschot.

Bij een tekort wordt eerst vastgesteld hoeveel draagkracht in totaal ontbreekt. Dit tekort wordt naar rato van de behoeften over alle kinderen verdeeld. Vervolgens wordt berekend welk aandeel iedere onderhoudsplichtige in de resterende behoefte moet bijdragen. Zo wordt voorkomen dat het tekort vrijwel geheel bij één gezin terechtkomt.

Bij voldoende gezamenlijke draagkracht wordt volgens zijn methode het overschot naar rato van de draagkracht over de onderhoudsplichtigen verdeeld.

De Groot besteedt daarnaast aandacht aan de bestendigheid van alimentatiebeslissingen. De geboorte van een kind in een nieuwe relatie hoeft volgens hem niet automatisch tot wijziging van de bestaande kinderalimentatie te leiden. Zolang de resterende draagkracht van de betrokken ouder, samen met die van de nieuwe partner, voldoende is om in de behoefte van het nieuwe kind te voorzien, is een herberekening niet zonder meer nodig.

De Groot wijst in zijn publicatie uit 2026 op het belang van het onderscheid tussen een tekort en een overschot aan draagkracht. Bij een tekort gaat het om de verdeling daarvan over de kinderen; bij een overschot speelt vooral de vraag hoe de draagkracht van de ouders moet worden verdeeld en of bestaande bijdragen moeten worden gewijzigd. Mede gelet op de rechtspraak van de Hoge Raad betwijfelt De Groot of er nog veel ruimte is voor één algemeen toepasbare rekenmethode.

4.4 De tussenstand volgens Bollen

Bollen heeft de verschillende methoden in december 2024 in een blog op de Kennisbank Familierecht naast elkaar gezet en beoordeeld. Zij vergelijkt de methoden op juridische en rekenkundige aspecten en op praktische toepasbaarheid. Aan de hand van rekenvoorbeelden laat zij zien hoe sterk de uitkomsten uiteen kunnen lopen.

Bollen beoordeelt de methoden aan de hand van vier criteria: rechtszekerheid, rechtvaardigheid, eenvoud en bestendigheid. Daarbij stelt zij de vraag welk belang zwaarder moet wegen: zo volledig mogelijk voorzien in de behoefte van alle kinderen, of een evenredige verdeling van draagkracht. Zij heeft een voorkeur voor de methoden van Jonker en De Groot, maar plaatst bij beide kanttekeningen.

5. De beschikking van Rechtbank Overijssel

De zaak die bij Rechtbank Overijssel voorligt, is aanzienlijk ingewikkelder dan het eenvoudige voorbeeld met A, B en C. Er zijn vijf onderhoudsplichtige volwassenen en zes kinderen betrokken, verdeeld over verschillende gezinseenheden. Een complicerende factor is dat niet alleen B, maar ook C kinderen uit verschillende relaties heeft. B is onderhoudsplichtig voor AB en BC, terwijl C onderhoudsplichtig is voor BC en CD.

De rechtbank berekent de draagkracht van de betrokken ouders en werkt vervolgens zowel de methode van de afgeleide draagkracht als de schottenmethode uit. De keuze voor de rekenmethode blijkt van invloed op de uitkomst.

Bij toepassing van de methode van de afgeleide draagkracht blijft in de berekening voor AB een deel van de draagkracht van B onbenut. De rechtbank hevelt daarvan € 49 per kind per maand over naar BC, waar een tekort bestaat. Daardoor stijgt het berekende aandeel van B voor deze twee kinderen van € 229 naar € 278 per kind per maand.

Volgens deze berekening komt de rechtbank voor de twee kinderen van B en C, na toepassing van de zorgkorting, tot voorlopige bijdragen van B van € 256 respectievelijk € 170 per maand.

Bij de door de rechtbank uitgewerkte schottenmethode wordt geen resterende draagkracht overgeheveld. Het berekende aandeel van B voor BC valt vóór toepassing van de zorgkorting € 50 per kind per maand lager uit. Tegelijkertijd blijft bij AB meer draagkracht over, terwijl het tekort bij CD groter wordt.

De rechtbank betwijfelt of dergelijke verschillen juridisch aanvaardbaar zijn. Uitgangspunt is immers dat zoveel mogelijk in de behoefte van alle kinderen wordt voorzien, ongeacht uit welke relatie zij zijn geboren.

6. De prejudiciële vragen

De rechtbank constateert dat in de rechtspraak verschillende rekenmethoden worden toegepast en dat deze tot uiteenlopende uitkomsten kunnen leiden. Een eenduidige rekenmethode zou volgens de rechtbank de rechtseenheid kunnen bevorderen. Daarom stelt zij de Hoge Raad de volgende twee prejudiciële vragen.

Vraag I

Is het als gevolg van de gekozen rekenmethode bestaan van een overschot (aan draagkracht) in het ene gezin en een tekort in het andere gezin in overeenstemming met art. 1:392 lid 2 BW (kinderen zijn behoeftig), art. 1:400 lid 1 BW (rangorde onderhoudsgerechtigden) en art. 1:404 BW (naar draagkracht bijdragen)?

Vraag II

Verzet art. 1:397 lid 2 BW (verdeling naar (rato van) draagkracht) zich ertegen om onbenutte/resterende draagkracht over te hevelen, zolang de betreffende ouder niet meer bijdraagt dan – maximaal – de behoefte van het kind of de kinderen waarvoor hij/zij onderhoudsplichtig is?

De eerste vraag betreft de juridische aanvaardbaarheid van een overschot in het ene gezin naast een tekort in het andere. Daarbij speelt een rol dat kinderen uit verschillende relaties in beginsel gelijke aanspraken op onderhoud hebben.

De tweede vraag betreft de overheveling van resterende draagkracht. Zoals in paragraaf 5 is beschreven, heeft de rechtbank in de voorliggende zaak een deel van de onbenutte draagkracht van B aangewend voor de kinderen BC. De vraag is of art. 1:397 lid 2 BW ruimte biedt voor een dergelijke correctie op de uitkomst van de draagkrachtberekening.

De rechtbank wijst erop dat vergelijkbare kwesties ook bij andere gerechten spelen. De antwoorden van de Hoge Raad kunnen daarom van betekenis zijn voor veel meer alimentatiezaken dan alleen deze procedure.

7. Afschaffing van de onderhoudsplicht van stiefouders

Een andere ontwikkeling is het wetsvoorstel bescherming vermogen in het familierecht, waarin wordt voorgesteld de wettelijke onderhoudsplicht van stiefouders af te schaffen. In de rechtspraak wordt hierop verschillend gereageerd. Rechtbank Rotterdam heeft in een zaak al op de voorgestelde afschaffing geanticipeerd en de draagkracht van de stiefouder buiten beschouwing gelaten. Rechtbank Den Haag betrok de draagkracht van een stiefouder juist volledig in de berekening. Als het wetsvoorstel wet wordt, verandert ook het aantal onderhoudsplichtigen waarmee bij de berekening rekening moet worden gehouden. Dat kan gevolgen hebben voor de toepassing van de antwoorden van de Hoge Raad op de prejudiciële vragen.

8. Tot slot

De verschillende voorstellen hebben tot dusver niet geleid tot een eenduidige rekenmethode in het Rapport Alimentatienormen. Dat is bijzonder spijtig, want de huidige situatie leidt al jaren tot rechtsonzekerheid en uiteenlopende uitkomsten bij vergelijkbare gezinssituaties.

Het woord is nu aan de Hoge Raad. Nu maar hopen dat het antwoord niet luidt: "Dit hangt af van de omstandigheden van het geval." De praktijk heeft behoefte aan duidelijke uitgangspunten voor een uniforme en juridisch houdbare rekenmethode!

U hebt geen abonnement op de Kennisbank, of bent niet ingelogd.

De inhoud van deze pagina is alleen zichtbaar wanneer u een abonnement hebt.

De kosten van een abonnement op KENNIS bedragen € 240,- per jaar en € 24,- per jaar voor iedere extra medewerker (excl. btw). Voor een abonnement klikt u hier >>
U ontvangt dan ook iedere twee weken de digitale nieuwsbrief Focus op Familierecht.

AUTEUR

Mr. Hanneke Moons

Hoofdredacteur Kennisbank Familierecht


Meer van Hanneke Moons:

Meer over de volgende onderwerpen:

  • Alimentatie
  • Samengestelde gezinnen



  • © Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733