ABONNEER NU!

EN KRIJG TOEGANG TOT VAKKENNIS


Probeer de eerste maand GRATIS
Daarna slechts € 230 per jaar (excl. btw)
Huidige filter(s):

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 11-03-2025, ECLI:NL:GHARL:2025:1403

Essentie (redactie)

Erfrecht. Geschil tussen partner en kinderen/enige erfgenamen van erflater. Inzet procedure vordering uit schuldbekentenis enkele dagen voor overlijden door erflater ondertekend en vergoeding voor verlies van toegezegde voortgezette bewoning woning. IPR-aspecten: erflater is in Frankrijk, waar hij met partner woonde, overleden. Nederlandse rechter rechtsmacht (art. 4 lid 1 Brussel 1bis herschikking). Nederlands recht van toepassing op wijze van procederen (art. 10:3 BW). Geen sprake van processueel ondeelbare rechtsverhouding (art. 4:182 BW, art. 4:182 lid 2 sub a BW, subjectieve cumulatie). Op materiële rechtsverhouding Nederlands recht van toepassing: vordering 1, alle omstandigheden in aanmerking genomen, kennelijk nauwer verbonden met Nederland (art. 4 lid 3 Rome I); vordering 2 (art. 4 lid 2 Rome I).


Datum publicatie18-03-2025
Zaaknummer200.332.576
ProcedureHoger beroep
ZittingsplaatsArnhem
RechtsgebiedenCiviel recht
TrefwoordenIPR familierecht;
Erfrecht; Processueel ondeelbare rechtsverhouding nalatenschap; Testamentair erfrecht;
Familieprocesrecht
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Lening van partner vastgelegd op sterfbed; Erfgenamen betwisten hoogte lening; Geen ondeelbare rechtsverhouding erfgenamen ivm 4:182 en 184, lid 2 BW; Toepasselijk recht; Kenmerkende prestant bij geldlening is uitlener; Kennelijk nauwere band met Nederland. Artikel 4 lid 3 Brussel i bis.

Volledige uitspraak


GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem, afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof: 200.332.576

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht: 537781)

arrest van 11 maart 2025

in de zaak van

[appellante]

die woont in [woonplaats1]

die hoger beroep heeft ingesteld

en bij de rechtbank optrad als gedaagde

hierna: [appellante]

advocaat: mr. A.W. Boer

tegen

[geïntimeerde] ,

die woont in [woonplaats2] (Frankrijk)

die ook hoger beroep heeft ingesteld

en bij de rechtbank optrad als eiseres

hierna: [geïntimeerde]

advocaat: mr. J. de Groot

1Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1

Naar aanleiding van het arrest van 31 oktober 2023 heeft op 22 december 2023 een enkelvoudige mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd.

1.2

Daarna zijn de memories van grieven en antwoord genomen. Op 21 januari 2025 heeft de meervoudige mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd. Partijen hebben arrest gevraagd. Vervolgens heeft het hof arrest bepaald.

2De kern van de zaak

2.1

[geïntimeerde] was de partner van [erflater] (hierna: erflater). Erflater was de vader van [appellante] en van haar zus [de zus] . Erflater is op 30 oktober 2020 in een ziekenhuis in Frankrijk overleden. Hij woonde al enige jaren in Frankrijk en heeft zich in 2019 laten uitschrijven uit het GBA in Nederland. Datzelfde geldt voor [geïntimeerde] . [geïntimeerde] en erflater woonden in een molen te [woonplaats2] (Frankrijk). Deze molen was eigendom van erflater.

Uit het testament van erflater volgt dat hij [appellante] en [de zus] tot zijn enige erfgenamen heeft benoemd, elk voor een gelijk deel. Zij hebben deze nalatenschap zuiver aanvaard. Op deze nalatenschap is Nederlands erfrecht van toepassing, waarbij de erfbelasting in Frankrijk moest worden voldaan. Er is geen executeur benoemd.

2.2

Inzet van deze procedure zijn twee vorderingen van [geïntimeerde] die zij tegen [appellante] en [de zus] heeft ingesteld. De eerste vordering (ook wel vordering I) ziet op een schuldbekentenis die erflater enkele dagen voor zijn overlijden heeft ondertekend. In deze schuldbekentenis erkent erflater een bedrag van € 78.465, - aan [geïntimeerde] schuldig te zijn. Over het schuldig erkende bedrag is een rente van 1% per jaar verschuldigd. Aflossing van deze schuld diende (onder andere) bij overlijden van erflater te gebeuren.

De andere vordering (ook wel vordering II) van [geïntimeerde] op [appellante] en [de zus] ziet op een vergoeding voor de periode dat [geïntimeerde] niet in de molen mocht blijven wonen, terwijl haar zou zijn toegezegd dat zij daar nog twee jaar (na het overlijden van erflater) mocht blijven wonen. Voor iedere maand binnen die twee jaar waarin zij niet meer in de woning mocht wonen vordert [geïntimeerde] een bedrag van € 800. In het totaal bedraagt deze vordering € 11.200, -.

2.3

[appellante] en [de zus] hebben zich bij de rechtbank tegen beide vorderingen verweerd.

2.4

De rechtbank heeft in haar vonnis van 31 mei 2023 de verweren ten aanzien van vordering II gehonoreerd en die vordering afgewezen. Vordering I heeft de rechtbank deels toegewezen, namelijk voor een bedrag van € 51.927,42, te vermeerderen met de contractuele rente van 1% vanaf 25 oktober 2020.

2.5

Zowel [appellante] als [geïntimeerde] zijn tegen dit vonnis in hoger beroep gekomen. De bedoeling van het hoger beroep van [appellante] is dat het hof vordering I alsnog afwijst. De bedoeling van het hoger beroep van [geïntimeerde] is dat het hof vordering I en II alsnog (volledig) toewijst. Het (principale) beroep van [appellante] slaagt niet. Het (incidentele) beroep van [geïntimeerde] slaagt grotendeels.

Daarvoor geldt het volgende.

3Feiten

3.1

Het hof gaat uit van de feiten waarvan de rechtbank is uitgegaan in het bestreden vonnis van 31 mei 2023 en die zijn weergegeven onder 2.1 tot en met 2.9 van dat vonnis (en waarvan onder 2.1. hiervoor een samenvatting staat). Daarnaast staat het volgende tussen partijen vast.

3.2

[appellante] en [de zus] hebben aan het bestreden vonnis voldaan en elk de helft van het aan [geïntimeerde] verschuldigde bedrag voldaan.

4De beoordeling in hoger beroep

In het principaal en incidenteel hoger beroep

4.1

Nu [geïntimeerde] in Frankrijk woont en [appellante] in Nederland dient het hof te onderzoeken of het bevoegd is van dit geschil kennis te nemen. Die vraag beantwoordt het hof bevestigend. Op grond van het bepaalde in artikel 4 lid 1 van Verordening Brussel 1 bis 1, dat bepaalt dat de gedaagde, in dit geval [appellante] , wordt opgeroepen voor de rechter van de lidstaat waar zijn of haar woonplaats is, is de Nederlandse rechter bevoegd.

4.2

De bevoegdheid van de Nederlandse rechter brengt op grond van het bepaalde in artikel 10:3 BW mee dat op de wijze van procederen Nederlands recht van toepassing is.

Ontvankelijkheid

4.3

Volgens [geïntimeerde] betreffen beide vorderingen een ondeelbare rechtsverhouding, waarover door de rechter alleen kan worden geoordeeld als [appellante] en [de zus] beiden in beroep zouden zijn gekomen. Nu [de zus] geen beroep heeft ingesteld, dient het hoger beroep van [appellante] te leiden tot een niet-ontvankelijkheid. Wat betreft het incidenteel beroep dat [geïntimeerde] heeft ingesteld, moet [de zus] op grond van het bepaalde in artikel 118 Rv worden opgeroepen. [geïntimeerde] heeft het hof verzocht haar voor die oproeping toestemming te verlenen.

4.4

Volgens [appellante] is in dit geval geen sprake van een processueel ondeelbare rechtsverhouding. Voorts heeft zij gewezen op de door haar overgelegde instemmingsverklaring van [de zus] , waaruit blijkt dat zij ermee instemt dat [appellante] in hoger beroep deze zaak “aanvoert” en die volgens [appellante] moet worden begrepen als een impliciete machtiging aan haar.

4.5

Ten aanzien van de schuldbekentenis (vordering I) geldt dat de gestelde schuld van erflater bij zijn overlijden is overgegaan op zijn erfgenamen [appellante] en [de zus] . Nu [appellante] en [de zus] de nalatenschap van erflater zuiver hebben aanvaard, zijn zij op grond van het bepaalde in artikel 4:182 BW en artikel 4:184 lid 2 sub a BW elk voor een deel evenredig aan hun erfdeel met hun privévermogen aansprakelijk. In dit geval, waarin zij beiden voor 50% van erflater hebben geërfd, zijn zij elk voor de helft van het gevorderde bedrag aansprakelijk. Zij kunnen dus elk voor de helft van de hoofdsom van € 78.465, -, vermeerderd met de 1% rente, door [geïntimeerde] worden aangesproken. Dat kan tegelijkertijd, maar dat kan ook afzonderlijk. Er is geen sprake van een processueel ondeelbare rechtsverhouding. Dat in dit geval beiden in één dagvaarding bij de rechtbank zijn aangesproken door [geïntimeerde] , maakt dat niet anders. Procesrechtelijk is er, ook al is er in één vonnis geoordeeld, sprake van twee afzonderlijke procedures (subjectieve cumulatie).

4.6

Ook vordering II betreft geen processueel ondeelbare rechtsverhouding. Dit is een vordering die [geïntimeerde] zowel tegen [appellante] als [de zus] baseert op een gestelde toezegging van [appellante] in de e-mail van maart 2021. Ook daarvoor heeft zij [appellante] en [de zus] beiden aangesproken in één dagvaarding. Ook daarvoor geldt echter dat dat twee aparte procedures betreft. Indien [geïntimeerde] tegen het vonnis waarin de vorderingen zowel tegen [appellante] als [de zus] (deels) zijn afgewezen, ook ten aanzien van [de zus] had willen opkomen, dan had [geïntimeerde] daartegen zelf in principaal beroep moeten komen. Nu [geïntimeerde] dat niet heeft gedaan, kan dat niet via een oproeping van [de zus] op de voet van artikel 118 Rv worden hersteld.

4.7

[appellante] is dus ontvankelijk in haar principaal hoger beroep. Dit betekent voor het incidenteel hoger beroep dat het verzoek van [geïntimeerde] om [de zus] op de voet van artikel 118 Rv te mogen oproepen bij gebrek aan belang geen beoordeling behoeft.

Toepasselijk recht

4.8

De rechtbank heeft het geschil beoordeeld naar Nederlands recht. Volgens de rechtbank is op de materiële rechtsverhouding Nederlands recht van toepassing, nu bij gebreke van een rechtskeuze de gestelde geldleningsovereenkomst tussen [geïntimeerde] en erflater het nauwst is verbonden met Nederland. Datzelfde oordeelt de rechtbank over vordering II.

Hiertegen komt [appellante] op met grief I in het principaal beroep. Naar de mening van [appellante] is op beide vorderingen Frans recht van toepassing als het recht van de gewone verblijfplaats van [geïntimeerde] en erflater. Van een kennelijk nauwere band met Nederland is, anders dan de rechtbank heeft beslist, geen sprake.

4.9

Op grond van het bepaalde in artikel 4 lid 2 van Verordening 593/2008 (hierna: Rome I) 2 geldt dat beide overeenkomsten worden beheerst door het recht van het land waar degene die de voor die overeenkomst kenmerkende prestatie moet verrichten haar gewone verblijfplaats heeft. De kenmerkende prestant bij een geldleningsovereenkomst is degene die het geld uitleent. In dit geval is dat [geïntimeerde] , die haar gewone verblijfplaats ten tijde van de totstandkoming van de overeenkomst (oktober 2020) in Frankrijk had. Deze overeenkomst is echter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, kennelijk nauwer verbonden met Nederland. Dit volgt onder meer uit het feit dat zowel [geïntimeerde] als erflater de Nederlandse nationaliteit hadden/hebben, de overeenkomst in het Nederlands is opgesteld, de terugbetaling van het uitgeleende geld op een Nederlandse bankrekening diende te geschieden en de onderliggende betalingen, waarop de hoofdsom van de lening is gebaseerd, grotendeels plaatsvonden via Nederlandse bankrekeningen. Daar komt bij dat op de nalatenschap Nederlands recht van toepassing is verklaard. Deze feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, duiden op een kennelijk nauwere band (in de zin van het bepaalde in artikel 4 lid 3 Rome I) met Nederland dan met Frankrijk.

Dit betekent dat de beoordeling van vordering I naar Nederlands recht dient plaats te vinden.

4.10

Ten aanzien van vordering II, die [geïntimeerde] baseert op de e-mail van [appellante] van 2 maart 2021, geldt dat de kenmerkende prestant [appellante] is, als degene die de gestelde toezegging heeft gedaan dat [geïntimeerde] tot oktober 2022 in de molen mag blijven wonen, dan wel dat [geïntimeerde] een vergoeding krijgt van maximaal € 800,- per maand voor iedere maand waarin zij de molen eerder dient te verlaten. Op grond van artikel 4 lid 2 Rome I is Nederland als land waar [appellante] haar gewone verblijfplaats heeft, bepalend en is aldus ook op vordering II Nederlands recht van toepassing.

Grief I in het principaal beroep faalt.

Geldigheid schuldbekentenis

4.11

Op 20 juni 2021 heeft de advocaat van [appellante] en [de zus] de buitengerechtelijke vernietiging van de schuldbekentenis ingeroepen vanwege het niet overeenstemmen van wil en verklaring van erflater, althans vanwege dwaling en misbruik van omstandigheden. Ter afwering van vordering I hebben [appellante] en [de zus] zich in deze procedure op die vernietiging beroepen.

De rechtbank heeft in haar vonnis (rov. 4.8 tot en met 4.16) geoordeeld dat de schuldbekentenis niet rechtsgeldig is vernietigd omdat de gronden die daarvoor door [appellante] en [de zus] zijn aangevoerd geen doel treffen.

4.12

Met grief II en III komt [appellante] daartegen op. In de toelichting op grief II voert [appellante] onder meer aan dat er wel degelijk sprake is van misbruik van omstandigheden bij de totstandkoming van de schuldbekentenis en in de toelichting op grief III dat er wel degelijk sprake is van dwaling.

Deze grieven falen. Met de rechtbank (in rov. 4.8 tot en met 4.16) is het hof van oordeel dat niet is komen vast te staan dat erflater op 25 oktober 2020 in een abnormale geestestoestand verkeerde en dat [geïntimeerde] zich dat realiseerde, of diende te realiseren, en om die reden erflater had behoren te weerhouden van het ondertekenen van de schuldbekentenis. Het hof maakt dit oordeel van de rechtbank tot het zijne en voegt daaraan het volgende toe. In het licht van de gemotiveerde betwisting daarvan door [geïntimeerde] , is niet komen vast te staan dat er sprake is geweest van een noodtoestand of afhankelijkheid bij erflater. Dat hij voor zijn verzorging op dat moment afhankelijk zou zijn geweest van [geïntimeerde] is onjuist: erflater lag in het ziekenhuis en werd daar verzorgd.

Dat [geïntimeerde] erflater verkeerd heeft geïnformeerd waardoor er sprake zou zijn van dwaling aan zijn zijde en dat hij zonder die inlichting de overeenkomst niet zou hebben gesloten, is in het licht van de gemotiveerde betwisting daarvan, evenmin komen vast te staan.

Dat erflater schulden had bij [geïntimeerde] is door [appellante] en [de zus] ook erkend, onder andere waar het de financiering van de keuken in de molen betrof. Dat de hoogte van de schuld en de daarop gebaseerde schuldbekentenis mogelijk niet (volledig) zouden kloppen, doet daaraan niet af. De hoogte van het schuldig erkende en het aan [geïntimeerde] toekomende bedrag worden hierna beoordeeld.

Verschuldigd bedrag

4.13

De rechtbank heeft aan de schuldbekentenis vrije bewijskracht toegekend en op basis daarvan geoordeeld dat de daarin genoemde hoofdsom (€ 78.465, -) slechts kan worden toegewezen voor zover de door [geïntimeerde] aan erflater geleende bedragen volgen uit de door [geïntimeerde] overgelegde bankafschriften en facturen. Op basis van dat uitgangspunt heeft de rechtbank vordering I voor een bedrag van € 51.927,42 in hoofdsom toegewezen. Hiertegen komt [geïntimeerde] op met grief 1 en 2 in haar incidenteel beroep. Tegen de toewijzing van € 51.927.42 in hoofdsom komt [appellante] op met grief IV van haar principaal beroep. [appellante] betwist dat de posten in de bankafschriften en facturen gelijkgesteld kunnen worden met geleende bedragen. Volgens haar zou per post die door [geïntimeerde] is betaald, moeten worden vastgesteld dat [geïntimeerde] en erflater waren overeengekomen dat [geïntimeerde] dit bedrag aan erflater zou terugbetalen.

4.14

Grief 1 en 2 in het incidenteel beroep slagen. Uit de ondertekende schuldbekentenis in combinatie met de bankafschriften en facturen die door [geïntimeerde] zijn overgelegd, volgt voldoende dat erflater aan [geïntimeerde] bedragen was verschuldigd. Dat wordt bovendien bevestigd door de erkenning van in ieder geval [de zus] dat erflater een schuld had aan [geïntimeerde] en de geluidsopnamen van het gesprek tussen [geïntimeerde] en [appellante] .

Het is niet nodig dat elk onderdeel van de hoofdsom van € 78.465, - wordt onderbouwd door een corresponderend bankafschrift of factuur. Evenmin is nodig dat per betaling het oogmerk moet worden vastgesteld dat het betreffende bedrag zou worden terugbetaald. Voldoende is dat uit de bankafschriften en facturen volgt dat [geïntimeerde] met grote regelmaat betalingen heeft gedaan ten behoeve van erflater. In combinatie met de schuldbekentenis zelf waarin het totaal verschuldigde bedrag van € 78.465, - is opgenomen, de erkenning en de geluidsopnamen, staat daarmee voldoende vast dat dit het bedrag is dat erflater aan [geïntimeerde] was verschuldigd en waarvoor hij de schuldbekentenis heeft getekend op 25 oktober 2020. Eerst op die datum zijn tussen partijen afspraken gemaakt over het tijdstip waarop deze lening opeisbaar zou worden. Daarop stuit ook het beroep op verjaring dat [appellante] in hoger beroep heeft gedaan, af.

Nu het hof oordeelt dat voldoende vaststaat dat dat € 78.465, - het bedrag is dat erflater aan [geïntimeerde] was verschuldigd en waarvoor hij de schuldbekentenis heeft getekend op 25 oktober 2020, is de discussie tussen partijen over de kosten van de huishouding en de vraag voor wie de auto’s zijn aangeschaft, niet meer van belang. Ten overvloede merkt het hof daarover nog het volgende op.

Dat de door [geïntimeerde] betaalde bedragen zien op kosten van de gemeenschappelijke huishouding (en niet kunnen worden aangemerkt als lening), zoals [appellante] heeft betoogd, is in het licht van de gemotiveerde betwisting daarvan door [geïntimeerde] , door [appellante] onvoldoende onderbouwd. [geïntimeerde] heeft aangegeven dat de gemeenschappelijke huishoudelijke kosten in eerste instantie werden voldaan uit een fysiek potje van erflater en haar en later (ook) vanaf hun gezamenlijke rekening en dat de geleende bedragen alleen uitgaven ten behoeve van erflater of de molen van erflater betroffen. Daarop stuit ook grief III in het principaal beroep af voorzover daarmee wordt betoogd dat de aanschaf van twee auto’s niet ten behoeve van erflater is geweest.

Uit het voorgaande volgt dat grief IV in het principaal beroep faalt.

4.15

Voor zover uit grief III en IV in het principaal beroep van [appellante] volgt dat zij een beroep doet op verrekening met de door [geïntimeerde] erkende correcties op het bedrag van de schuldbekentenis, geldt het volgende. [geïntimeerde] heeft in de stukken en tijdens de mondelinge behandelingen bij het hof erkend dat zij na het overlijden van Jan een aantal goederen uit de molen heeft meegenomen. Het betrof onder meer de frontjes van de keuken, een oven, een vrieskist, kastjes uit de bijkeuken en een boiler. [geïntimeerde] is bereid de waarde daarvan aan [appellante] te vergoeden. Door partijen wordt verschillend gedacht over de waarde van deze goederen op het moment dat [geïntimeerde] deze heeft meegenomen. Daarom zal het hof de gezamenlijke waarde daarvan ex aequo et bono vaststellen op € 5.000, -. Dit bedrag zal in mindering worden gebracht op de hoofdsom van de lening.

Vordering II

4.16

De rechtbank heeft vordering II (die betrekking heeft op de vergoeding die [geïntimeerde] vordert in verband met het vroegtijdig moeten verlaten van de molen) afgewezen. Volgens de rechtbank is niet komen vast te staan dat [geïntimeerde] nog tot oktober 2022 in de molen mocht blijven wonen en heeft zij zich bovendien niet op die afspraak beroepen toen zij eind augustus 2021, na een sommatie daartoe van [appellante] en [de zus] , de molen moest verlaten.

[geïntimeerde] is met grief 4 van het incidenteel beroep hiertegen opgekomen en wijst onder andere op haar brief van 13 juli 2021 waarin zij zich tegen een vertrek uit de molen heeft verzet waarbij zij heeft verwezen naar de toezegging van 2 maart 2021.

4.17

Deze grief slaagt. In de e-mail van 2 maart 2021 doet [appellante] (mede namens [de zus] ) aan [geïntimeerde] een aanbod. Dat aanbod houdt in dat [geïntimeerde] hetzij tot oktober 2022 in de molen mag blijven wonen, hetzij een financiële tegemoetkoming van maximaal € 800,- per maand in de woonlasten zal ontvangen als zij de molen in verband met de overdracht daarvan eerder dient te verlaten. De enige voorwaarde die door [appellante] daarvoor is gesteld, is dat [geïntimeerde] (en de broer van erflater [de broer van erflater] ) haar medewerking aan de verkoop van de molen moet verlenen. Niet is gesteld dat zij dat niet heeft gedaan. Voor het overige bevat deze toezegging geen voorwaarden en is deze evenmin in een voorwaardelijke toon geformuleerd. De e-mail bevat een duidelijke toezegging van [appellante] , mede namens [de zus] , die weliswaar uit coulance wordt gedaan, maar dat doet aan de toezegging en de afdwingbaarheid daarvan niet af. Dat de e-mail is gericht aan [de broer van erflater] , de broer van erflater, die betrokken was bij de afhandeling van de nalatenschap, maakt het voorgaande evenmin anders. [de broer van erflater] heeft deze e-mail aan [appellante] geschreven. Na afstemming met [de zus] heeft deze het laten doorsturen aan [geïntimeerde] . [geïntimeerde] heeft het in de e-mail vervatte aanbod vervolgens aanvaard.

Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, heeft [geïntimeerde] wel degelijk gerefereerd aan deze toezegging toen zij in juli 2021 werd gesommeerd de molen eind augustus 2021 te verlaten.

Dit betekent dat [geïntimeerde] terecht aanspraak maakt op de in de e-mail van 2 maart 2021 genoemde maandelijkse tegemoetkoming in de woonlasten. [geïntimeerde] maakt aanspraak op de maximale vergoeding van 14 x € 800,-. Door [appellante] is niet betwist dat [geïntimeerde] de molen 14 maanden eerder dan oktober 2022 heeft moeten verlaten en evenmin dat [geïntimeerde] recht heeft op de maximale vergoeding van € 800,- per maand. Het hof zal daarom vordering II toewijzen zoals gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 8 april 2022.

Toe te wijzen bedragen

4.18

Uit het voorgaande volgt dat vordering I voor een bedrag van (€ 78.465, - min € 5.000, -)

€ 73.465, - in hoofdsom vaststaat. Van de in hoger beroep vaststaande hoofdsom dient [appellante] € 36.732,50 te voldoen als erfgenaam die voor de helft aansprakelijk is. Voor meer dan dat is zij gezien de 50% waarvoor zij erfgenaam van erflater is, niet gehouden.

Daarmee krijgt [geïntimeerde] niet het gehele bedrag van de schuldbekentenis (min € 5.000, -) betaald, maar dat hangt samen met het feit dat zij geen principaal beroep heeft ingesteld tegen [de zus] voor haar deel in de afwijzing van een deel van vordering I (zie hierover onder 4.7)

Vordering II is ontstaan na het overlijden van erflater en valt niet in de nalatenschap. Deze vordering is gebaseerd op de e-mail van 2 maart 2021 van [appellante] . Zij is daarvoor eveneens bij helfte aansprakelijk en dus zal het hof vordering II voor 50% ten laste van [appellante] toewijzen. Dat betreft een bedrag van € 5.600, -.

4.19

Grief 5 in het incidenteel beroep ten aanzien van de proceskostenveroordeling faalt. Gezien de familieverhouding tussen [appellante] en erflater en in het licht daarvan [geïntimeerde] als partner van erflater, is het hof met de rechtbank van oordeel dat de proceskosten dienen te worden gecompenseerd in die zin dat partijen elk hun eigen kosten van deze procedure dragen.

4.20

Aan de beoordeling van de vordering van [geïntimeerde] ex artikel 843a Rv komt het hof niet toe nu de daarvoor gestelde voorwaarde niet in vervulling is gegaan.

Conclusie

4.21

Het principaal beroep faalt. Het incidenteel beroep slaagt gedeeltelijk. Voor de kostenveroordeling verwijst het hof naar 4.19.

5De beslissing

Het hof, recht doende in het principaal en incidenteel hoger beroep:

5.1

vernietigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 31 mei 2023 voor zover dat betrekking heeft op de rechtsverhouding van [appellante] en [geïntimeerde] en doet opnieuw recht;

5.2

veroordeelt [appellante] tot betaling aan [geïntimeerde] van € 36.732,50, te vermeerderen met de contractuele rente van 1% daarover vanaf 25 oktober 2020 en tot betaling aan [geïntimeerde] van een bedrag van € 5.600, -, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 8 april 2022;

5.3

compenseert de proceskosten tussen [geïntimeerde] en [appellante] in eerste aanleg en in dit (principaal en incidenteel) hoger beroep in die zin dat beide partijen hun eigen kosten dragen;

5.4

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

5.5

wijst af wat verder is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.M. Evers, H. Phaff en C.L. de Bel en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2025.

1

Verordening (EU) nr. 1215/2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (Herschikking), PbEU 20.12.2012, L 351/1.

2

Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op de verbintenissen uit overeenkomst, PbEU 4.7.2008, L 177/6.

meer blogs >> podcasts >>

BLOGS en PODCASTS

Vaststelling vaderschap van een overleden man: kan daar verweer tegen worden gevoerd?
Mr. dr. Myriam Lückers, 05-11-2024
De weduwe wordt niet aangemerkt als belanghebbende bij een verzoek gerechtelijke vaststelling vaderschap van haar overleden man, aldus HR 4 oktober 2024. Is verweer in een dergelijke zaak dan niet mogelijk?
Unieke beschikking: van rechtswege onstaan ouderlijk gezag aangetekend in gezagsregister
Michelle Booij-Smid, 05-11-2024
Meeroudergezinnen lopen nog altijd tegen problemen aan met betrekking tot juridisch ouderschap en gezag. In deze zaak bood Rechtbank Amsterdam de moeders en hun kind een oplossing.
Zorgregeling voor baby’s en hele jonge kinderen: een nieuw uitgangspunt
Mr. Eline Gubbens, 08-10-2024
Recent wetenschappelijk onderzoek naar contactregelingen voor jonge kinderen heeft geleid tot nieuwe inzichten met betrekking tot zorgregelingen. Wat zien we daarvan terug in richtlijnen en jurisprudentie?
Podcastgesprek: Alternatieve geschillenbeslechting in het familierecht
Mr. Janneke Mulder en Mr. Marjolijn Schram, 10-10-2023
Janneke Mulder en Marjolijn Schram, beiden familierechtadvocaat en scheidingsmediator, gaan in op de rol van de parenting coordinator en van de gezinsadvocaat.
Adoptie na draagmoederschap met anonieme eiceldonor toch mogelijk?
Mr. Sharon Verhoef, 26-09-2023
Het belang van een kind bij het tot stand brengen van een juridische band met de wensmoeder kan zwaarder wegen dan het recht om te weten van wie het afstamt. De auteur bespreekt de jurisprudentie hierover.
Recht doen aan kinderen en ouders?
Mr. drs. Ingrid Vledder en Mr. drs. Ariane Hendriks, 14-02-2023
Op 2 februari werd het langverwachte rapport 'Recht doen aan kinderen en ouders' gepresenteerd. In deze blog beschouwen de auteurs de uitkomst met een kritische blik.
Ouderlijk gezag bij verhuizingen naar het buitenland
Mr. Irene Kroezen, 31-01-2023
Bij een verhuizing vanuit of naar het buitenland is het van belang om vooraf na te gaan hoe de gezagspositie van de ouders hierdoor kan veranderen. Dat is vaak niet eenvoudig. De auteur brengt dit in kaart.
Podcastgesprek: Uitspraken 2022 - dé keuze van de hoofdredactie (1)
Mr. Rob van Coolwijk en Mr. André van Oosten en Mr. Hanneke Moons, 06-12-2022
De drie hoofdredacteuren van de Kennisbank Familierecht gingen met elkaar om tafel. In deze tweedelige Podcast bespreken zij twaalf interessante uitspraken uit 2022.
Birdnesting: een nieuwe (tijdelijke) vorm van co-ouderschap
Mr. Lucienne Diaz Murillo, 16-08-2022
Steeds meer ouders die uit elkaar gaan, kiezen voor birdnesting. In dit artikel meer over deze 'nieuwe vorm van co-ouderschap', de voor- en nadelen en een overzicht van de jurisprudentie.
Eergerelateerd geweld en recht op omgang
Mr. Ine Avontuur, 02-08-2022
In deze blog meer over de invloed van verdragen op risicotaxatie bij huiselijk geweld. Op welke gronden kan recht op omgang worden ontzegd? En welke verdragen moeten in aanmerking worden genomen?
×
Ga nu naar Overzicht wetten - Ga naar wetsartikel:

Wetten, regelgeving en verdragen

Geen wetnummer opgegeven.

Wetten en regelgeving

Verdragen en uitvoeringswetten

Beschikbare Officiële bekendmakingen in de kennisbank:

Informatie

Wanneer er op een icoon is geklikt in een Artikel, dan kan hier extra informatie komen te staan.
Lexicon
BRONNEN