De kinderrechter behandelt een verzoek om uithuisplaatsing van een kind, waarvan de leeftijd onduidelijk is. Het kind beweert 24 jaar te zijn, terwijl de ouders haar als 14 jaar beschouwen. De RvdK/GI hebben niet adequaat gereageerd op verzoeken om informatie, waardoor de noodzaak voor kinderbeschermingsmaatregelen niet kan worden vastgesteld. De GI wordt vervangen wegens onvoldoende uitvoering van haar taken. De kinderrechter verleent voorlopige maatregelen voor zes weken en houdt verdere beslissingen aan.
Waarheids- en informatieplicht Raad voor de Kinderbescherming en gecertificeerde instellingen. Risico op eergerelateerd geweld. Hoe om te gaan met overheidsinstanties die weigeren naar aanleiding van een op
gestoeld verzoek om stellingen toe te lichten en stukken in het geding te brengen. Als niet alsnog de door de kinderrechter verzochte informatie beschikbaar komt en hij daardoor niet kan onderzoeken of er inderdaad sprake is van een risico op eergerelateerd geweld, laat de kinderrechter voor risico van de gecertificeerde instelling komen als hij niet langer kinderbeschermingsmaatregelen neemt. Zaak is een vervolg op de beschikking van 28 januari 2025 en 24 februari 2025.
Het verdere verloop van de procedure
Op 24 februari 2025 heeft de kinderrechter, voor zover hier van belang, een machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind] verleend tot en met 18 maart 2025, een deskundigenonderzoek naar de leeftijd van [naam kind] gelast en iedere verdere beslissing aangehouden. De kinderrechter heeft een voortzetting van de mondelinge behandeling en een nieuw gesprek met [naam kind] bepaald op 18 maart 2025. Daarbij heeft hij de Raad en de GI gelast om hem uiterlijk acht dagen voor de mondelinge behandeling te informeren, conform hetgeen daarover in de beschikking is overwogen, en bepaald dat de deskundige na het onderzoek zo snel mogelijk, maar in ieder geval op uiterlijk 17 maart 2025, zo nodig verkort, schriftelijk aan de rechtbank rapporteert.
Op 4 maart 2025 heeft de rechtbank een brief van de Raad ontvangen.
Op 10 maart 2025 heeft de rechtbank een raadsrapport van de Raad ontvangen.
Op 13 maart 2025 heeft de rechtbank de rapportage van de deskundige ontvangen.
Op 14 maart 2025 heeft de rechtbank een brief van de GI ontvangen.
Op 18 maart 2025 heeft de kinderrechter de zaken gelijktijdig mondeling behandeld. De kinderrechter heeft toen gesproken met: de ouders, hun advocaat, [naam vertegenwoordiger] , die de GI vertegenwoordigt en [naam vertegenwoordiger] en [naam vertegenwoordiger] , die de Raad vertegenwoordigen. Ten behoeve van de ouders was een tolk aanwezig.
De kinderrechter heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling met [naam kind] gesproken over de verzoeken. Aan dat gesprek heeft vanaf een zeker moment haar begeleidster vanuit de instelling waar zij verblijft, deelgenomen. De personalia en de naam van de instelling zijn bij de rechtbank bekend, maar worden overigens geheimgehouden.
De kinderrechter heeft direct na de mondelinge behandeling uitspraak gedaan en aangekondigd dat hij de gronden waarop zijn uitspraak rust, zal uitwerken in deze vandaag te geven beschikking.
De verdere beoordeling
De kinderrechter moet beslissen op het verzoek van de GI om voor [naam kind] een machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling, dus tot 20 maart 2025. Daarnaast moet de kinderrechter beslissen op het verzoek van de Raad om [naam kind] definitief onder toezicht van de GI te stellen voor de duur van een jaar en een machtiging tot uithuisplaatsing in een 24-uurs voorziening voor haar te verlenen voor de duur van zes maanden.
Een definitieve beslissing heeft de kinderrechter niet genomen en kan hij nog steeds niet nemen. Dat komt omdat hij steeds opnieuw niet juist en niet volledig wordt voorgelicht door de betrokken instanties, zodat niet met een mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat [naam kind] onder aangevoerde redenen in haar ontwikkeling wordt bedreigd en dat haar ouders de zorg zij nodig heeft niet voldoende accepteren of kunnen benutten. De kinderrechter stelt in dit verband vast dat hij in de tussenbeschikking van 24 februari 2025 op de voet van artikel 21 van het Wetboek van Rechtsvordering (Rv) heeft gelast dat de betrokken instanties stellingen nader toelichten en bepaalde, concreet benoemde, stukken in het geding brengen. De betrokken instanties hebben geweigerd die stellingen toe te lichten en die stukken in het geding te brengen.
Los en onafhankelijk daarvan blijft onduidelijk en tot op dit moment onmogelijk, om vast te stellen of [naam kind] een veertienjarig meisje is, zoals de ouders stellen, of een vierentwintig jaar oude vrouw, die in verband met het vergroten van de kans op een verblijfsvergunning hier ten lande is gepresenteerd als een veertienjarig meisje.
De kinderrechter legt hierna uit welke informatie hij nodig heeft, waarom hij zich zorgen maakt over het feit dat onderdelen van de Nederlandse overheid zich niet houden aan wat de kinderrechter in een rechterlijke uitspraak gelast, waarom het tot zover onmogelijk is de leeftijd van [naam kind] vast te stellen en wat dit allemaal voor het verdere verloop van de procedure betekent.
De leeftijd van [naam kind]
heeft van aanvang van deze procedure af gesteld dat zij een vierentwintigjarige, gehuwde, vrouw is, die door haar vader in verband met het verkrijgen van een verblijfsstatus is gepresenteerd als een veertienjarige dochter. De kinderrechter heeft in de gesprekken die hij met [naam kind] heeft gevoerd, waarvan één in aanwezigheid van een orthopedagoge, niet kunnen vaststellen hoe oud [naam kind] is. Hij heeft zelfs niet kunnen vaststellen of de ene mogelijkheid meer aannemelijk is dan de andere. Verificatoire bescheiden ontbreken. Omdat [naam kind] volhardt in haar stellingen heeft zij meegewerkt aan een medisch onderzoek, dat op 11 maart 2025 is uitgevoerd door deskundigen van het Beatrix Kinderziekenhuis van het Universitair Medisch Centrum Groningen. Van dat onderzoek is een verslag opgemaakt dat aan de kinderrechter is toegestuurd. In dat verslag is neergelegd hoe het onderzoek vorm en inhoud heeft gekregen en tot welke conclusie de deskundigen zijn gekomen. Ook deze deskundigen kunnen niet vaststellen hoe oud [naam kind] is en kunnen evenmin aan de hand van hun bevindingen vaststellen of het meer waarschijnlijk is dat zij minder- dan wel meerderjarig is.
In het gesprek met de kinderrechter voorafgaand aan de laatste mondelinge behandeling zijn de resultaten van het medisch onderzoek met [naam kind] besproken. Ook toen heeft zij volhard in haar stelling dat zij een vierentwintig jaar oude, gehuwde, vrouw is. Zij heeft gedetailleerd verklaard over haar levensloop en daarbij zodanig concrete informatie verstrekt over bijvoorbeeld werkervaring, ziekenhuisbezoeken en schoolgang dat opnieuw niet kan worden uitgesloten dat [naam kind] niet veertien, maar vierentwintig jaar oud is. Voor zover de kinderrechter daarbij heeft voorgehouden dat, gelet op de leeftijd van de moeder, de door [naam kind] gestelde leeftijd impliceert dat haar moeder zeer jong was toen zij van haar zou zijn bevallen, heeft [naam kind] erop gewezen dat in haar land van herkomst het mogelijk is dat haar moeder de besproken leeftijd had toen zij is gehuwd en van [naam kind] is bevallen.
De vaste begeleidster van [naam kind] heeft toegelicht dat zij maar ook anderen in de instelling waar [naam kind] verblijft, er geen twijfel over hebben dat [naam kind] een vierentwintig jaar oude vrouw is. De vaste begeleidster heeft aan de hand van concrete feiten en omstandigheden toelicht waarom zij die overtuiging heeft.
[naam kind] blijft stellig volhouden dat zij vierentwintig jaar oud is en wijst er ook op dat zij het niet juist vindt dat er kinderbeschermingsmaatregelen tegen haar wil worden genomen, omdat ze niet minderjarig is. [naam kind] wil de vrijheid hebben die haar toekomt en ook contact hebben, zo niet afreizen, naar de man met wie zij stelt te zijn gehuwd.
[naam kind] heeft de kinderrechter voorgehouden dat de kinderrechter contact met deze man kan opnemen door middel van (beeld)bellen en dat deze man ook in staat is om documenten te tonen waaruit het bestaan van het door haar gestelde huwelijk kan blijken en/of haar paspoort.
Gelet op de bij de vaststelling van de leeftijd betrokken belangen, is tijdens de mondelinge behandeling besproken en uiteindelijk ook afgesproken dat de kinderrechter in aanwezigheid van de advocaat van de ouders, een vertegenwoordiger van de Raad en de jeugdbeschermer, zal beeldbellen op een nader te bepalen datum en tijd.
Uit het voorgaande volgt dat nog niet definitief kan worden beslist op de voorliggende verzoeken, die ertoe strekken [naam kind] lange tijd onder toezicht te stellen en uit huis te plaatsen. Als het ervoor moet worden gehouden dat [naam kind] niet minderjarig is, zijn de maatregelen immers niet op de wet te gronden.
Hierin is echter niet de enige belemmering gelegen om tot een definitieve beslissing te komen. Dat hangt samen met wat ter onderbouwing van de verzoeken tot zover is aangevoerd.
De gronden waarop de verzoeken rusten
De verzochte kinderbeschermingsmaatregelen zijn genomen op grond van een voorondersteld risico op eergerelateerd geweld. Aan die veronderstelling is in deze procedure geen feitenspecifieke onderbouwing gegeven. In de eerdere beschikkingen van 28 januari 2025 en 24 februari 2025 is de kinderrechter daarop uitvoerig ingegaan, zodat hij hier volstaat met een verwijzing naar die beschikkingen.
De kinderrechter stelt vast dat de bewering van de betrokken autoriteiten (de Raad en de GI) dat er een serieus te nemen risico bestaat op eergerelateerd geweld, direct leidt tot het besef van urgentie en de wil om in te grijpen om dat geweld te voorkomen. Ook deze kinderrechter voelt de druk om maatregelen te nemen om maar uit te sluiten dat [naam kind] slachtoffer kan worden van eergerelateerd geweld, hoewel tot op de dag van vandaag er geen enkele concrete onderbouwing aan het gestelde risico is gegeven.
Het is om die reden dat de kinderrechter in de tussenbeschikking van 24 februari 2025 heeft gelast dat de beschikbare informatie met hem wordt gedeeld, zodat hij vanuit zijn functie kan beoordelen of er een risico is dat moet worden meegewogen bij de beoordeling van de voorliggende verzoeken. In de tussenbeschikking is in dat kader het volgende opgenomen:
"De kinderrechter gelast daarom dat de Raad en de GI een uitdrukkelijke opgave doen van (i) de functionarissen van het LEC met wie is gesproken, (ii) de door deze functionarissen verstrekte informatie, (iii) de door deze instantie aan de Raad of de GI verstrekte rapportages of andere schriftelijke bescheiden."
De betrokken autoriteiten zijn weigerachtig deze informatie te verstrekken.
De Raad heeft in zijn brief van 4 maart 2025 gesteld, samengevat weergegeven, dat het betrokken rapport ten onrechte door de GI aan de Raad is toegezonden en daarom is vernietigd. Inhoudelijk is geen toelichting gegeven op de inhoud van het rapport en of, en zo ja in welke mate dat rapport reden tot zorg geeft. Veel lijkt het in ieder geval niet te zijn; de zittingsvertegenwoordiger van de Raad heeft tijdens de mondelinge behandeling op 18 maart 2025 desgevraagd aangegeven dat zij niet op basis van herinnering iets over het rapport kan zeggen.
De GI heeft in het geheel niets gedaan naar aanleiding van wat de kinderechter heeft gelast. De GI meent te kunnen volstaan met het toesturen van een brief, gedateerd op 14 maart 2025, opgesteld door een willekeurige jeugdbeschermer die niet aan het gezin is gekoppeld, waarin alleen in louter algemene termen wordt onderbouwd waarom de GI vindt dat de verzoeken moeten worden toegewezen.
De jeugdbeschermer die deel heeft genomen aan de mondelinge behandeling heeft er blijk van gegeven dat de GI zich niet realiseert dat wanneer de kinderrechter op grond van de wet gelast om informatie beschikbaar te stellen, de GI dat heeft te doen.
Artikel 21 Rv bepaalt dat partijen verplicht zijn de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Als deze verplichting niet wordt nageleefd, dan kan de rechter daaruit de gevolgstrekking maken die hij geraden acht.
Vooralsnog verbindt de kinderrechter aan het verzuim van de GI het gevolg dat kennelijk er geen enkele concrete onderbouwing is voor het gestelde risico op eergerelateerd geweld, zodat de daarover betrokken stellingen niet meer in de verdere beoordeling moeten worden meegenomen.
De kinderrechter legt daarmee het risico op eergerelateerd geweld volledig in handen van de GI. Als dat enigerlei wijze kan blijken uit het rapport van het Landelijk Expertise Centrum (LEC), zoals dat in het bezit is van de GI, dan dient de GI dat uiterlijk drie werkdagen na deze beschikking aan de rechtbank toe te sturen. Blijft de GI opnieuw in verzuim, dan stelt zij [naam kind] willens en wetens aan het risico bloot dat de kinderrechter ten onrechte moet concluderen dat er geen risico op eergelateerd geweld is, terwijl dat risico uit beschikbare informatie die aan de kinderrechter is onthouden, wel kan blijken.
Over de kennisname van het rapport zijn tijdens de mondelinge behandeling procesafspraken gemaakt, omdat het rapport een vertrouwelijk karakter heeft en het niet de bedoeling is dat onnodig zicht wordt verkregen op de wijze waarop de informatie door het LEC wordt verzameld. Om onnodige belemmeringen op te werpen om kennis te kunnen nemen van het rapport is afgesproken dat de kinderrechter samen met de advocaat van de ouders het rapport zal lezen in het gerechtsgebouw en dat, voor zover dat rapport iets relevants bevat met betrekking tot het risico op eergerelateerd geweld, alleen die passages van het rapport door de kinderrechter in de beoordeling worden betrokken en in een volgende beschikking worden opgenomen.
De kinderrechter stelt op basis van het dossier en de daarop gegeven toelichting vast dat de GI niet meer de menskracht beschikbaar heeft om in overeenstemming met wettelijke verplichtingen uitvoering te geven aan haar regievoerende taak. Zo kan de nu benoemde GI niet een vaste jeugdbeschermer aan het gezin koppelen en blijkt ook dat in de korte periode van tijd dat [naam kind] onder toezicht staat, meerdere jeugdbeschermers kortstondig betrokken zijn geweest, zonder dat sprake is van een vaste jeugdbeschermer die op de hoogte is van wat er speelt en kan aansluiten bij de hulpvraag die zowel [naam kind] als haar ouders hebben. Ook de vaste begeleidster van [naam kind] heeft hierover concrete zorgen geuit en dit met de kinderrechter besproken. De kinderrechter heeft van die zorgen een korte zakelijke opgave gedaan tijdens de mondelinge behandeling.
De kinderrechter stelt verder vast dat de wijze waarop de GI de ondertoezichtstelling uitvoert, maakt dat de maatregel inhoudsloos is en niet beantwoordt aan het wettelijke doel. Er worden geen concrete stappen gezet in de richting van hereniging van [naam kind] met één van of allebei haar ouders en er wordt op geen enkele wijze beoordeeld wat nodig is om tot afschaling van de nu genomen maatregelen te komen. Deugdelijke verslaglegging ontbreekt en de GI kiest ervoor de kinderrechter niet op een behoorlijke wijze te informeren.
De kinderrechter heeft, in aanmerking genomen de wijze waarop de nu benoemde GI de ondertoezichtstelling uitvoert, er geen vertrouwen in dat de GI alsnog in overstemming met haar wettelijke taken, een vaste jeugdbeschermer aan [naam kind] en haar gezin zal koppelen.
De Raad heeft in het licht van de hierover besproken feiten en omstandigheden de kinderrechter verzocht om in de plaats van de huidige GI, een andere gecertificeerde instelling te benoemen, waarmee de ouders hebben ingestemd. De kinderrechter zal daarom in deze beschikking de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Noord en Veilig Thuis ontslaan, met ingang van de vierde werkdag na het geven van deze beschikking, in verband met de toezending van het rapport, en in haar plaats de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering benoemen. De Raad heeft toegezegd voor een overdracht van het dossier aan laatstgenoemde instelling zorg te dragen.
De nu te nemen beslissing en het verdere verloop van de procedure
De kinderrechter heeft in de tussenbeschikking van 28 januari 2025 overwogen dat als de leeftijd van [naam kind] niet kan worden vastgesteld, hij ervan heeft uit te gaan dat zij minderjarig is. Daarvan gaat de kinderrechter dan ook nog steeds uit. Daarom staat te beoordelen of de verzochte kinderbeschermingsmaatregelen moeten worden verleend.
Vooralsnog vindt de kinderrechter dat noodzakelijk. Hij vindt dat [naam kind] ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd door de onduidelijkheid over haar leeftijd en de belemmering die daaruit voortvloeit om het contact met haar ouders te herstellen. De kinderrechter kan aannemen dat de ouders op dit moment nog niet voldoende in staat zijn de zorg te benutten die [naam kind] nodig heeft, omdat zij niet kunnen instemmen met een (tijdelijk) verblijf van [naam kind] in een accommodatie voor jeugdzorg. De kinderrechter plaatst daarbij wel de kanttekening dat de ouders, wanneer zij beter zouden zijn voorgelicht door een jeugdbeschermer, of tenminste van informatie waren voorzien over [naam kind] en wat er bij haar speelt, mogelijk wel zouden hebben ingestemd met een tijdelijke plaatsing in een accommodatie voor jeugdzorg. Hier ligt wat de kinderrechter betreft een duidelijke taak voor de opvolgend jeugdbeschermer.
De kinderrechter zal vooralsnog de maatregelen verlenen voor de duur van zes weken, of zoveel langer of korter als hij nader bepaalt.
De beslissing
stelt [naam kind], geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats] ( [land] ), onder toezicht van de GI met ingang van 18 maart 2025 tot 29 april 2025, of zoveel korter of langer als hij nader bepaalt;
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind], geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats] ( [land] ), in een 24-uurs voorziening met ingang van 18 maart 2025 tot 29 april 2025, of zoveel korter of langer als hij nader bepaalt;
geeft aan de GI een termijn van drie werkdagen na het geven van deze beschikking om het verzuim zoals in deze beschikking beschreven te herstellen;
ontslaat de GI met ingang van de vierde werkdag na het geven van deze beschikking;
benoemt met ingang van de datum van het ontslag de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
gelast dat de Raad, de advocaat van de ouders en de opvolgend jeugdbeschermer hun verhinderdata opgeven voor de komende zes weken voor de bepaling van de datum en tijd waarop zal worden (beeld)gebeld met de man die [naam kind] aanwijst als haar echtgenoot en voor de vaststelling van een nieuwe datum voor de mondelinge behandeling;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2025 door mr. B.R. Tromp, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. R.C. Bernard als griffier, en op schrift gesteld op 19 maart 2025.
Als u het niet eens met de beslissingen die de rechter heeft genomen, kunt u in hoger beroep. Maar let op! Hoger beroep kunt u niet zelf instellen. U moet daarvoor naar een advocaat. Een advocaat kan voor u hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Belangrijk is dat u snel naar een advocaat gaat. Hoger beroep moet bijna altijd binnen drie maanden na de dag van de uitspraak worden ingesteld. Voor de Raad en de GI geldt dat zij zelf hoger beroep kunnen instellen.