2.6.
Onderhoudsbijdragen
2.6.1.
De vrouw verzoekt te bepalen dat de man met ingang van 1 januari 2024 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] (hierna: kinderbijdrage) van € 315,00 per maand en vanaf het moment waarop de man de echtelijke woning volledig in eigendom heeft verkregen een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud (hierna: partnerbijdrage) van € 204,00 per maand aan haar dient te betalen.
2.6.2.
De man verzoekt de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in deze verzoeken dan wel deze verzoeken af te wijzen.
2.6.3.
De rechtbank constateert dat de vrouw in eerste instantie geen concrete bedragen heeft genoemd in haar verzoeken om een kinder- en partnerbijdrage. De vrouw zou deze verzoeken op een later moment nog aanvullen met bedragen. Een dag voor de zitting heeft de vrouw de verzoeken aangevuld met bedragen die zij aan kinder- en partnerbijdrage van de man wenst te ontvangen.
2.6.4.
De man stelt dat deze verzoeken van de vrouw buiten beschouwing moeten worden gelaten vanwege de te late indiening. De man licht toe dat zijn advocaat al op 27 januari 2025 de door de advocaat van de vrouw opgevraagde salarisspecificaties aan haar heeft toegestuurd. Het was aan de advocaat van de vrouw om deze stukken eerder op te vragen zodat de verzoeken om een kinder- en partnerbijdrage tijdig konden worden ingediend, zo betoogt de man.
2.6.5.
De vrouw verweert zich hiertegen. De vrouw licht toe dat de advocaat van de man al op 13 januari 2025 is gevraagd om recente salarisspecificaties van de man toe te sturen. Pas twee weken later op 27 januari 2025 heeft de advocaat van de vrouw deze stukken ontvangen. De verzoeken ten aanzien van de kinder- en partnerbijdrage zijn vervolgens een week later ingediend bij de rechtbank. Gelet op deze gang van zaken kan de late indiening volgens de vrouw niet aan haar verweten worden.
2.6.6.
De rechtbank overweegt dat de vrouw op grond van artikel 283 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) bevoegd is haar verzoeken te verminderen, te veranderen of te vermeerderen zolang de rechter nog geen eindbeschikking heeft gegeven. In het geval van verandering of vermeerdering van de verzoeken is artikel 130 Rv van overeenkomstige toepassing. Artikel 130 Rv bepaalt dat de rechter een vermeerdering of verandering buiten beschouwing kan laten als de wijziging of verandering in strijd is met de eisen van een goede procesorde.
2.6.7.
De rechtbank is van oordeel dat de aanvulling door de vrouw van haar verzoeken om een kinder- en partnerbijdrage niet in strijd is met de eisen van een goede procesorde. Bij dit oordeel neemt de rechtbank in aanmerking dat de advocaat van de vrouw de gevraagde salarisspecificaties van de man pas twee weken na haar verzoek daartoe heeft ontvangen van de advocaat van de man. Nadien heeft de advocaat van de vrouw naar aanleiding van de inhoud van deze stukken haar verzoeken om een kinder- en partnerbijdrage aangevuld met concrete bedragen. De advocaat van de man heeft kans gezien om voorafgaand aan de zitting nog een berekening van de kinderbijdrage te overleggen en ter zitting heeft hij uitgebreid verweer kunnen voeren tegen de verzoeken van de vrouw. Aan het beginsel van hoor- en wederhoor is naar het oordeel van de rechtbank dan ook voldaan. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de verzoeken van de vrouw ten aanzien van de kinder- en partnerbijdrage in behandeling nemen.
2.6.8.
De rechtbank overweegt dat partijen in artikel 6.2 van het eerder genoemde ouderschapsplan het volgende hebben afgesproken over de kinderbijdrage: Met ingang van 1 januari 2024 en zolang het kind minderjarig is en bij de moeder woont, betaalt de vader aan de moeder een alimentatie voor het kind van € 266,56 per maand. Deze alimentatie zal zijn onderworpen aan de wettelijke indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW, voor het eerst per 1 januari 2025. Voor december 2023 betaalt de vader een bedrag van
€ 286,00.”
Voorts hebben partijen in artikel 1.1 van het door de man overgelegde echtscheidingsconvenant, door de man ondertekend op 10 juli 2024 en door de vrouw ondertekend op 13 augustus 2024, het volgende afgesproken over de partnerbijdrage:
“De man draagt thans bij met een bruto bedrag van € 265,50 per maand in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw, welk bedrag maandelijks bij vooruitbetaling aan de vrouw wordt voldaan. De bijdrage zal met ingang van de eerste van de maand na overdracht van de voormalige echtelijke woning ( [adres] ) aan de man, worden verlaagd naar € 122,13 bruto per maand. De berekening die ten grondslag ligt aan de bijdrage van € 122,13 (€ 115, te vermeerderen met de wettelijke indexering per 1 januari 2024) wordt als bijlage 1 aangehecht.”
Partijen zijn in beginsel aan deze afspraken over de kinder- en partnerbijdrage gehouden.
2.6.9.
De vrouw stelt zich op het standpunt dat artikel 6.2 van het ouderschapsplan en artikel 1.1 van het echtscheidingsconvenant, voor zover het betreft het gedeelte met de verplichting van de man tot het betalen van een partnerbijdrage nadat hij de echtelijke woning overneemt, moeten worden vernietigd omdat deze afspraken door bedrog tot stand zijn gekomen. De vrouw licht in dit verband toe dat partijen er bij het maken van de afspraken over de kinder- en de partnerbijdrage vanuit zijn gegaan dat de man een dag per week ouderschapsverlof zou opnemen. De kinder- en partnerbijdrage zijn toen berekend aan de hand van een pro-forma salarisspecificatie waarop staat vermeld dat een bedrag van € 727,63 per maand in mindering wordt gebracht wegens ouderschapsverlof. De vrouw is er aan de hand van recente salarisspecificaties van de man achter gekomen dat de man maar vier uur per week aan ouderschapsverlof heeft opgenomen in plaats van een dag per week. Het inkomen van de man is dan ook hoger geweest dan waarvan partijen bij de berekening van de kinder- en partnerbijdrage zijn uitgegaan. Nu de man niet naar waarheid heeft verklaard over zijn op te nemen ouderschapsverlof, is volgens de vrouw sprake van bedrog. Als de vrouw had geweten dat de man niet een dag per week maar slechts vier uur per week ouderschapsverlof zou opnemen, was zij niet akkoord gegaan met de te betalen kinder- en partnerbijdrage. De vrouw heeft op basis van het werkelijk genoten inkomen van de man een nieuwe berekening van de kinder- en de partnerbijdrage gemaakt en uit deze berekening volgt een door de man te betalen kinderbijdrage van € 315,00 per maand en een door de man te betalen partnerbijdrage vanaf het moment waarop de man het volledige eigendom van de woning verkrijgt van € 204,00 per maand. Deze bedragen zijn hoger dan partijen in het ouderschapsplan en echtscheidingsconvenant hebben afgesproken.
2.6.10.
De man betwist dat sprake is van bedrog (of dwaling). Ten tijde van het maken van de afspraken over de kinder- en partnerbijdrage in het ouderschapsplan en echtscheidingsconvenant was de man daadwerkelijk van plan om een dag per week ouderschapsverlof op te nemen. Vanwege de wens van de man om de echtelijke woning over te nemen en de financiering hiervan, heeft de man nadien toch besloten om vier uur per week ouderschapsverlof op te nemen. De man had niet verwacht dat de echtscheidingsprocedure zo lang zou duren. Als de financiering van de woning rond is, wil de man alsnog een dag per week ouderschapsverlof gaan opnemen.
2.6.11.
De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 3:44 BW een rechtshandeling vernietigbaar is als zij door dreiging, bedrog of misbruik van omstandigheden tot stand is gekomen. Voor bedrog is vereist dat iemand een ander tot het verrichten van een bepaalde rechtshandeling beweegt door enige opzettelijk daartoe gedane onjuiste mededeling, door het opzettelijk daartoe verzwijgen van enig feit dat de verzwijger verplicht was mede te delen of door een andere kunstgreep. Niet gebleken is dat de afspraken over de kinder- en partnerbijdrage door bedrog tot stand zijn gekomen. Vast staat dat partijen bij het berekenen van de kinder- en partnerbijdrage rekening hebben gehouden met de situatie dat de man vanaf 1 januari 2024 een dag per week ouderschapsverlof zou opnemen en hebben gerekend met het inkomen dat de man in deze situatie blijkens de pro-forma salarisspecificatie zou verdienen. Er is geen enkele aanleiding om aan te nemen dat de man de vrouw toen bewust op het verkeerde been heeft gezet, omdat de man aannemelijk heeft gemaakt dat hij pas later, al dan niet door omstandigheden gedwongen, heeft besloten toch minder ouderschapsverlof op te nemen.
De rechtbank moet rechtsgronden ambtshalve aanvullen (artikel 25 Rv) . De door de vrouw gestelde feiten en omstandigheden leveren wel dwaling op als bedoeld in artikel 6:228, eerste lid, aanhef en onder c, BW. Op grond van dit artikel is een overeenkomst die tot stand is gekomen onder invloed van dwaling en bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten vernietigbaar, indien de wederpartij bij het sluiten van de overeenkomst van dezelfde onjuiste veronderstelling als de dwalende is uitgegaan. De man heeft niet aangevoerd dat hij ook bij een juiste voorstelling van zaken niet had behoeven te begrijpen dat de dwalende daardoor van het sluiten van de overeenkomst zou worden afgehouden (laatste volzin van artikel 6:228, eerste lid, aanhef en onder c, BW) . Volstrekt aannemelijk is dat de vrouw de huidige afspraken over de kinder- en partnerbijdrage niet had gemaakt als zij had geweten dat de man minder ouderschapsverlof zou opnemen en daardoor meer inkomen zou hebben.
2.6.12.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank overeenkomstig het verzoek van de vrouw artikel 6.2 van het ouderschapsplan en artikel 1.1 van het echtscheidingsconvenant, voor zover het betreft het gedeelte met de verplichting van de man tot het betalen van een partnerbijdrage nadat hij de echtelijke woning overneemt, vernietigen wegens dwaling in de zin van artikel 6:228 BW. Dit betekent dat de rechtbank de verzoeken van de vrouw ten aanzien van de kinder- en partnerbijdrage inhoudelijk zal beoordelen.
2.6.13.
De rechtbank zal eerst het verzoek van de vrouw om een kinderbijdrage en daarna het verzoek van de vrouw om een partnerbijdrage behandelen. De rechtbank rondt in haar beoordeling bedragen telkens op hele euro’s af.
2.6.14.
De rechtbank zal de ingangsdatum van de kinderbijdrage bepalen op de door de vrouw verzochte datum 1 januari 2024. De rechtbank acht het in dit geval redelijk om de kinderbijdrage met terugwerkende kracht vast te stellen gelet op het feit dat de man als gevolg van dwaling vanaf 1 januari 2024 een te lage kinderbijdrage aan de vrouw heeft betaald zoals blijkt uit onderstaande berekening.
2.6.15.
Tussen partijen is niet in geschil dat de behoefte van [de minderjarige] in 2022 € 589,00 per maand bedroeg, geïndexeerd naar 1 januari 2024 € 647,-. Van deze behoefte zal de rechtbank dan ook uitgaan.
2.6.16.
De rechtbank moet vervolgens beoordelen of partijen over voldoende draagkracht beschikken om elk hun aandeel in deze behoefte te kunnen betalen.
2.6.17.
Het bedrag aan draagkracht wordt volgens de richtlijn, zoals vermeld in het rapport van de [tremarapport] (hierna: Tremarapport) van 2024, vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + 1.270]. Deze benadering houdt in dat op het NBI 30% in mindering wordt gebracht in verband met forfaitaire woonlasten, dat rekening wordt gehouden met een bedrag van € 1.270,- aan overige lasten en dat wordt uitgegaan van een draagkrachtpercentage van 70. Gelet op de ingangsdatum hanteert de rechtbank het tarief 2024-1.
2.6.18.
Ten aanzien van de draagkracht van de man overweegt de rechtbank als volgt.
2.6.19.
De man is in loondienst werkzaam bij [bedrijf] Tussen partijen is in geschil welk inkomen van de man tot uitgangspunt moet worden genomen bij de berekening van zijn draagkracht. De man is van mening dat moet worden uitgegaan van het inkomen dat hij verdiende in januari 2024. Zijn salarisverhogingen in 2024 dienen volgens de man buiten beschouwing te worden gelaten. De vrouw is van mening dat moet worden gerekend met het inkomen dat de man daadwerkelijk in 2024 heeft verdiend.
2.6.20.
De rechtbank zal bij de berekening van de draagkracht van de man uitgaan van het inkomen van de man in 2024 zoals dat blijkt uit zijn salarisspecificatie van december 2024. Dit is immers het inkomen dat de man feitelijk in 2024 heeft verdiend. Uit de cumulatieve bedragen op de salarisspecificatie van december 2024 volgt dat de man in dat jaar een inkomen heeft genoten van € 49.341,- bruto. Verder zal de rechtbank net als partijen rekening houden met de aanspraak van de man op de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Aan de hand van deze inkomensgegevens berekent de rechtbank het NBI van de man op € 3.392,- per maand. Op grond van de draagkrachtformule bedraagt zijn draagkracht dan € 773,- per maand.
2.6.21.
Ten aanzien van de draagkracht van de vrouw overweegt de rechtbank als volgt.
2.6.22.
De vrouw is in loondienst werkzaam bij [bedrijf] Ook bij de berekening van de draagkracht van de vrouw zal de rechtbank uitgaan van haar inkomen in 2024 zoals dat blijkt uit haar salarisspecificatie van december 2024. Uit de cumulatieve bedragen op de salarisspecificatie van december 2024 volgt dat de vrouw in 2024 een bruto jaarinkomen heeft genoten van € 19.557,-. Verder zal de rechtbank net als partijen rekening houden met de aanspraak van de vrouw op de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Het kindgebonden budget van de vrouw berekent de rechtbank op € 5.916,- per jaar. Aan de hand van deze inkomensgegevens berekent de rechtbank het NBI van de vrouw op € 2.124,- per maand. Op grond van de draagkrachtformule bedraagt haar draagkracht dan € 152,- per maand.
2.6.23.
De gezamenlijke draagkracht van partijen bedraagt € 925,- per maand. Dit bedrag overschrijdt de behoefte van [de minderjarige] van € 647,- per maand en daarom is er aanleiding om een draagkrachtvergelijking te maken. Na een draagkrachtvergelijking bedraagt het aandeel van de man in de behoefte van [de minderjarige] € 541,- per maand en het aandeel van de vrouw € 106,- per maand.
2.6.24.
Bij het bepalen van de door de man te betalen kinderbijdrage dient in beginsel rekening te worden gehouden met de zorgkorting, te weten de kosten die hij maakt in verband met de omgang tussen hem en [de minderjarige] .
2.6.25.
Tussen partijen is niet in geschil dat rekening moet worden gehouden met een zorgkorting van 35% van de behoefte van [de minderjarige] . Omdat de behoefte van [de minderjarige] € 647,- per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 226,- per maand. De man wordt geacht dit bedrag minimaal te besteden aan [de minderjarige] bij de uitoefening van zijn zorgtaken.
2.6.26.
Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de man met ingang van 1 januari 2024 een kinderbijdrage van € 315,- per maand (€ 541 - € 226) aan de vrouw dient te betalen. Dit bedrag mag de man verrekenen met de bedragen die hij tot op heden al aan de vrouw heeft betaald aan kinderbijdrage.
2.6.27.
De rechtbank heeft berekeningen gemaakt van het NBI van partijen, de draagkracht van partijen en de verdeling van de kosten van [de minderjarige] . Een exemplaar van deze berekeningen is aan deze beschikking gehecht.
2.6.28.
De rechtbank zal de ingangsdatum van de partnerbijdrage bepalen op de door de vrouw verzochte datum waarop de man de echtelijke woning volledig in eigendom heeft verkregen, met dien verstande dat deze datum niet gelegen kan zijn voor de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. De man heeft immers geen verweer tegen deze ingangsdatum en uit de wet volgt dat de partnerbijdrage niet kan ingaan op een datum die voor de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking ligt.
Behoefte en aanvullende behoefte
2.6.29.
De rechtbank ziet aanleiding om de behoefte van de vrouw te berekenen aan de hand van de hofnorm. Bij deze vuistregel wordt uitgegaan van het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen voor het uiteengaan, te verminderen met de kosten van de kinderen. De huwelijksgerelateerde behoefte wordt dan gesteld op 60% van dit gezinsinkomen. Partijen zijn in juli 2022 feitelijk uit elkaar gegaan zodat het inkomen van partijen op dat moment bepalend is bij het berekenen van de behoefte. Tussen partijen is niet in geschil dat het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen in 2022 € 4.396,- per maand bedroeg. Op dit inkomen dienen de kosten van [de minderjarige] in 2022 van € 589,- per maand in mindering te worden gebracht nu dit bedrag niet ter beschikking stond aan partijen. Het inkomen waarop de behoefte gebaseerd dient te worden bedraagt dan € 3.807,- per maand. Aan de hand van de hofnorm bedraagt de behoefte van de vrouw dan in 2022 € 2.284,- netto per maand, geïndexeerd naar 1 januari 2025 € 2.671,- netto per maand.
2.6.30.
De rechtbank dient vervolgens te onderzoeken of de vrouw in staat is om zelf in dat bedrag (€ 2.671,-) te voorzien. Het bedrag dat na aftrek van het eigen inkomen resteert wordt de aanvullende behoefte genoemd.
2.6.31.
De rechtbank stelt onder verwijzing naar overweging 2.6.22 vast dat de vrouw een inkomen uit arbeid geniet van € 19.557,- bruto per jaar. De man is van mening dat de vrouw een hogere verdiencapaciteit heeft en dat zij zich ten onrechte niet heeft ingespannen om meer inkomen te verkrijgen. De rechtbank volgt de man niet in deze stelling. De vrouw is op dit moment 24 uur per week werkzaam en draagt voor de helft van de tijd de zorg voor de
[leeftijd] [de minderjarige] . Van de vrouw kan naar het oordeel van de rechtbank thans niet gevergd worden dat zij meer uren gaat werken. Daarbij gingen partijen er bij het sluiten van het echtscheidingsconvenant kennelijk beiden vanuit dat de vrouw behoeftig was en dit voorlopig ook zou blijven nu zij hierin afspraken hebben gemaakt over de door de man aan de vrouw te betalen partnerbijdrage. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om van een hoger (fictief) inkomen van de vrouw uit te gaan.
2.6.32.
Uitgaande van een inkomen van € 19.557,- bruto per jaar en rekening houdend met de aanspraak op de vrouw op de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting bedraagt de aanvullende behoefte van de vrouw € 1.040,- netto per maand, dan wel € 1.769,- bruto per maand.
2.6.33.
De rechtbank moet vervolgens beoordelen of de man over voldoende draagkracht beschikt om bij te dragen in de aanvullende behoefte van de vrouw.
2.6.34.
Het bedrag aan draagkracht wordt volgens het Tremarapport van 2025, vastgesteld aan de hand van de formule 60% x [NBI – (0,3 NBI + 1.310]. Deze benadering houdt in dat op het NBI 30% in mindering wordt gebracht in verband met forfaitaire woonlasten, dat rekening wordt gehouden met een bedrag van € 1.310,- aan overige lasten en dat wordt uitgegaan van een draagkrachtpercentage van 70. Gelet op de ingangsdatum hanteert de rechtbank het tarief 2025-1.
2.6.35.
Voor de berekening van de draagkracht van de man hanteert de rechtbank het inkomen van de man en de heffingskortingen zoals genoemd onder overwegingen 2.6.20. Aan de hand van deze gegevens berekent de rechtbank het NBI van de man op € 3.450,- per maand. Rekening houdend met de bijdrage van de man in de behoefte van [de minderjarige] (inclusief zorgkorting) van € 541,- per maand, bedraagt de draagkracht van de man op grond van de draagkrachtformule € 122,- netto per maand, dan wel € 195,- bruto per maand.
2.6.36.
Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de man met ingang van de datum waarop hij de echtelijke woning volledig in eigendom heeft verkregen, met dien verstande dat deze datum niet gelegen kan zijn voor de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, een partnerbijdrage van € 195,- bruto per maand aan de vrouw dient te betalen.
2.6.37.
De rechtbank heeft berekeningen gemaakt van het NBI van partijen, de aanvullende behoefte van de vrouw en de draagkracht van de man. Een exemplaar van deze berekeningen is aan deze beschikking gehecht
2.6.38.
De rechtbank merkt ten aanzien van de kinder- en partnerbijdrage nog op dat zij ervan uitgaat dat de vrouw de man niet zal verwijten als hij in de toekomst alsnog een dag per week ouderschapsverlof gaat opnemen en dat partijen deze bijdragen dan in onderling overleg opnieuw zullen berekenen. Ook de vrouw werkt immers parttime en de zorg voor [de minderjarige] is gelijk tussen partijen verdeeld.
2.7.
Verdeling
2.7.1.
Beide partijen verzoeken om de tussen hen bestaande gemeenschap van goederen te verdelen, waarbij zij ieder een eigen (wijze van) verdeling voorstaan.
2.7.2.
De rechtbank stelt vast dat partijen voor 1 januari 2018 zijn getrouwd zodat door het huwelijk van partijen een wettelijke algehele gemeenschap van goederen is ontstaan.
2.7.3.
Door de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding is die gemeenschap op 30 juni 2023 ontbonden. Dat betekent in beginsel dat de goederen die partijen op die datum (de zogenoemde peildatum) hadden, moeten worden verdeeld. Van de schulden zie zij op de peildatum hadden, moet worden vastgesteld wie onderling welk deel daarvan moet betalen.
2.7.4.
De rechtbank zal hierna eerst in kaart brengen welke goederen en schulden deel uitmaken van de ontbonden gemeenschap. Daarna zal de rechtbank per goed de verdeling vaststellen of de wijze van verdeling gelasten en per schuld de interne draagplicht vaststellen. Daarbij geldt als uitgangspunt dat ieder van partijen recht heeft op de helft van de waarde van de goederen en ieder van hen de helft van de schulden zal moeten dragen. Voor de waarde van de goederen geldt dat de rechtbank in beginsel kijkt naar de waarde die de goederen hebben op het moment van feitelijke verdeling.
2.7.5.
Partijen zijn het erover eens dat de ontbonden gemeenschap op 30 juni 2023 bestond uit de volgende vermogensbestanddelen:
a. echtelijke woning
b. hypothecaire geldlening
c. inboedel
d. bankrekeningen
e. voertuigen
f. niet-opeisbare vordering van de vrouw op haar moeder
Partijen stellen verder dat bij de verdeling rekening moet worden gehouden met:
g. vergoedingsrechten
2.7.6.
Ter zitting zijn partijen het eens geworden over de verdeling van een aantal vermogensbestanddelen. Voor die bestanddelen zal de rechtbank geen beslissing nemen omdat er, gelet op artikel 3:185 BW, in dat geval geen taak is weggelegd voor de rechter.
Ad a en b) echtelijke woning en de daaraan gekoppelde hypothecaire geldlening
2.7.7.
Partijen zijn gezamenlijk eigenaar van de echtelijke woning aan de [adres] . Op de woning rust een hypothecaire geldlening bij [bank] met nummers [nummers]
2.7.8.
Partijen zij het erover eens dat de man de gelegenheid krijgt om de echtelijke woning over te nemen. Gelet hierop zal de rechtbank de echtelijke woning aan de man toedelen onder de opschortende voorwaarde dat de man in staat is de vrouw te laten ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de aan de woning verbonden hypothecaire geldlening en haar de helft van de overwaarde (waarde woning – hypotheekschuld) te voldoen.
2.7.9.
Partijen zijn het niet eens over de termijn waar binnen de man de echtelijke woning moet hebben overgenomen. De man verzoekt om een periode van twee maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand en de vrouw acht een termijn van acht weken na de beschikkingsdatum voldoende. De rechtbank ziet aanleiding om de man een termijn te geven van twee maanden na de hierna vermelde taxatie van de woning. De man heeft onbetwist gesteld dat de echtscheidingsbeschikking moet zijn inschreven in de registers van de burgerlijke stand om een financieringsaanbod van de bank te kunnen krijgen. Partijen hebben hierop ter zitting toegezegd de echtscheidingsbeschikking spoedig na afgifte in te zullen schrijven. Mocht de vrouw onverhoopt toch niet meewerken aan een spoedige inschrijving dan wordt de termijn waarbinnen de man de echtelijke woning moet hebben overgenomen verlengd tot twee maanden na de datum van deze inschrijving. Dit om de man de tijd te geven de financiering van de woning te kunnen regelen.
2.7.10.
Partijen zijn het ook niet met elkaar eens over de waarde van de woning. De man stelt dat de woning op 4 april 2022 is getaxeerd op € 300.000,- en stelt voor om de waarde op € 305.000,- vast te stellen. De vrouw is van mening dat deze getaxeerde waarde niet meer actueel is en dat een nieuwe taxatie van de woning dient plaats te vinden. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan te sluiten bij de door de man aangehaalde getaxeerde waarde op 4 april 2022 van € 300.000,-. Deze taxatie is niet recent en voor de waarde van de woning in het kader van de verdeling moet – zoals eerder vermeld – worden uitgegaan van de datum van feitelijke verdeling. Gelet op de ontwikkelingen in de huizenmarkt acht de rechtbank de waarde van bijna drie jaar geleden niet meer marktconform. Nu onduidelijkheid bestaat over de waarde van de woning zal de rechtbank bepalen dat in opdracht van partijen gezamenlijk een taxatie van de echtelijke woning moet plaatsvinden. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de waarde dient te worden bepaald tegen het moment gelegen zo dicht mogelijk tegen het moment van feitelijk verdeling. Partijen hebben ter zitting afgesproken dat zij, indien een taxatie van de woning nodig blijkt te zijn, de woning zullen laten taxeren door [naam] van [vastgoedbedrijf] . Partijen dienen binnen één week na de datum van deze beschikking gezamenlijk een opdracht tot taxatie aan deze taxateur te verstrekken. Beide partijen mogen bij de taxatie aanwezig zijn en de door de taxateur vastgestelde waarde is bindend tussen partijen. De kosten van de taxatie dienen partijen bij helfte te dragen. De man heeft vervolgens de gelegenheid om de woning over te nemen, waarbij de onder overweging 2.7.9. genoemde termijn geldt. Uit hoofde van overbedeling dient de man in dat geval een bedrag aan de vrouw te voldoen ter hoogte van 50% van het verschil tussen de getaxeerde waarde en de restantsom van de hypothecaire lening. Als de woning aan de man wordt toebedeeld, dient hij de kosten in verband daarmee te dragen.
2.7.11.
Als de man niet in staat is om de woning over te nemen, zullen partijen de woning te koop moeten zetten bij eerder genoemde taxateur die tevens makelaar is. Partijen zijn gehouden de adviezen van de makelaar op te volgen voor wat betreft de vraag- en laatprijs, alsmede alle verdere adviezen van de makelaar. De verkoopopbrengst dient na aftrek van de verkoopkosten ter aflossing van de hypothecaire lening te worden aangewend. Een eventuele overwaarde dienen partijen bij helfte te delen en een eventuele restschuld dienen partijen bij helfte te dragen.
2.7.12.
Omdat nog niet duidelijk is of de man de echtelijke woning kan overnemen en door partijen diverse uitvoeringshandelingen zullen moeten worden verricht, zal de rechtbank ten aanzien van de echtelijke woning de wijze van verdeling vaststellen. Beide partijen dienen hun medewerking te verlenen aan alle voor het vorenstaande benodigde uitvoerings- en rechtshandelingen.
2.7.13.
Partijen hebben ter zitting afgesproken dat de vrouw de helft van de door de man gedane aflossingen op de hypothecaire geldlening over de periode van 1 mei 2023 tot de datum van levering van de woning aan de man of een derde aan de man zal vergoeden. Deze vergoeding mag verrekend worden met het aandeel van de vrouw in de overwaarde van de woning.
2.7.14.
Partijen hebben tijdens de zitting overeenstemming bereikt over de verdeling van de in de echtelijke woning aanwezige inboedel.
2.7.15.
Partijen hebben afgesproken dat de volgende inboedelgoederen aan de vrouw worden toebedeeld:
- schoenenkast
- tv
- service blauw
- senseo
- airfryer
- toast
- waterkoker
- fonduepan
- gourmetstel
- stofzuiger
- fiets
- tuinmeubelset
- hangstoel
- potten zuil
- tuinbank
- printer
- laptop
- radio
- ventilator
- droger
- logeerbed
- strijkplank
- strijkbout
- wasrek
- potten binnen
- vazen
- windlichten
- vriezer klein
2.7.16.
Verder hebben partijen afgesproken dat zij het speelgoed van [de minderjarige] en het trouwboek/uitvaart pa bij helfte zullen verdelen, dat de man de dvd’s voor de vrouw zal kopiëren en dat de vrouw een gegevensdrager aan de man ter beschikking zal stellen waarop de man binnen zes weken de foto’s van [de minderjarige] zal zetten en weer zal overdragen aan de vrouw. De overige inboedelgoederen worden aan de man toebedeeld.
2.7.17.
Partijen hebben afgesproken dat de man in verband met voormelde verdeling van de inboedelgoederen nog een bedrag van € 1.500,- aan de vrouw zal vergoeden wegens overbedeling.
2.7.18.
Tussen partijen is niet in geschil dat:
- de genoemde saldi op 30 juni 2023 van de volgende bankrekeningen worden toebedeeld aan de man, onder de verplichting om de vrouw de helft van het saldo te betalen:
- en de genoemde saldi op 30 juni 2023 van de volgende bankrekeningen worden toebedeeld aan de vrouw, onder de verplichting om de man de helft van het saldo te betalen:
2.7.19.
Het voorgaande betekent dat de vrouw in verband met de verdeling van de banksaldi nog een bedrag van € 485,33 aan de man moet vergoeden wegens overbedeling.
2.7.20.
Tussen partijen is niet in geschil dat:
- de volgende voertuigen aan de vrouw worden toebedeeld:
de auto van het merk [merk] met kenteken [kenteken] tegen een waarde van € 3.000,-
- de volgende voertuigen aan de man worden toebedeeld:
2.7.21.
Het voorgaande betekent dat de man in verband met de verdeling van de voertuigen nog een bedrag van € 8.750,- aan de vrouw moet vergoeden wegens overbedeling.
Ad f) niet-opeisbare vordering van de vrouw op haar moeder
2.7.22.
Tussen partijen is niet in geschil dat de niet-opeisbare vordering van de vrouw op haar moeder aan de vrouw wordt toebedeeld zonder nadere verrekening met de man.
2.7.23.
Tussen partijen is niet in geschil dat de vrouw nog een bedrag van € 867,- aan de man moet betalen in verband met door de man na de peildatum 30 juni 2023 betaalde gemeenschapsschulden, te weten terugvordering kinderopvangtoeslag 2022, terugvordering kindgebonden budget 2022, aanslag inkomstenbelasting 2022.
2.7.24.
De vrouw heeft ter zitting haar verzoek om op grond van artikel 843a, eerste lid, Rv de man te verplichten de door haar genoemde stukken in het geding te brengen ingetrokken. Op dit verzoek hoeft de rechtbank dan ook niet meer te beslissen.