ABONNEER NU!

EN KRIJG TOEGANG TOT VAKKENNIS


Probeer de eerste maand GRATIS
Daarna slechts € 230 per jaar (excl. btw)
Huidige filter(s):

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14-03-2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:1730

Essentie (redactie)

Bij de berekening van de draagkracht van partijen rekent de rechtbank bij beiden met werkelijke woonlasten. De lasten van de vrouw zijn structureel hoger en niet vermijd-/verwijtbaar, terwijl de lasten van man lager zijn. Bij hem wordt afgeweken van de norm. Door zijn woning te verkopen en te verhuizen is hij in een financieel betere situatie gekomen. Daarnaast heeft hij geen inzicht gegeven in zijn (inkomen uit) vermogen.


Datum publicatie27-03-2025
ZaaknummerC/02/422240 FA RK 24-2171
ProcedureRekestprocedure
ZittingsplaatsBreda
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenAlimentatie; Woonlasten bij kinderalimentatie (forfaitair);
Familieprocesrecht
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Einde aan kinderrekening, bepaling kinderalimentatie. Afwijking aanbevelingen uit rapport Alimentatienormen voor wat betreft woonlasten man.

Volledige uitspraak


RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Breda

Zaaknummer: C/02/422240 FA RK 24-2171

14 maart 2025

beschikking betreffende levensonderhoud

in de zaak van

[de man] ,

voorheen wonende te [woonplaats 1],

thans wonende te [plaats],

hierna te noemen de man,

advocaat mr. A.J.C. Odekerken te Breda,

en

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats 2],

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. B.E.S. Chin-A-Fat te Breda.

1. Het verdere procesverloop

1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken:

- de (tussen)beschikking van deze rechtbank van 13 januari 2025 en alle daarin vermelde stukken;

- de brief van mr. Chin-A-Fat van 17 januari 2025 met bijlagen;

- het F-formulier van mr. Odekerken van 17 januari 2025 met bijlagen.

1.2. De zaak is (verder) behandeld op de mondelinge behandeling van 27 januari 2025. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat.

1.3. Mr. Chin-A-Fat heeft tijdens de mondelinge behandeling aangepaste (draagkracht)berekeningen overgelegd. Ze heeft daarbij aangegeven dat, voor zover het de draagkrachtberekening van de man betreft, deze berekening in de plaats komt van de berekening in productie 23. Deze berekening maakt eveneens deel uit van het procesdossier.

2De verzoeken en de verdere beoordeling

2.1.

De rechtbank verwijst naar haar beschikking van 13 januari 2025. Bij deze beschikking is de beschikking van 7 juni 2022 en het ouderschapsplan van 16 mei 2022 voor zover het de hoofdverblijfplaats en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken van de hierna te noemen minderjarigen betreft, gewijzigd en heeft de rechtbank bepaald:

  • dat het hoofdverblijf van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 10 februari 2025 bij de vrouw zal zijn;

  • dat de man en de minderjarigen gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar:

o in de ene week van zaterdagmiddag - na de bijbaantjes van de minderjarigen, maar voor het avondeten - tot dinsdagochtend voor school;

o in de andere week op maandag, na school tot 21.00 uur - tenzij sprake is van

naschoolse activiteiten, waarna partijen in onderling overleg een andere dag voor het contact bepalen;

o alsmede gedurende de (school)vakanties, feestdagen en bijzondere dagen

overeenkomstig de hiervoor in rechtsoverwegingen 3.2 sub II en 5.6 en 5.7

aangegeven wijze van verdeling;

In de beschikking is de beslissing op de verzoeken betreffende de verdeling van de kosten van verzorging en opvoeding en het primaire verzoek van de vrouw onder III, aangehouden.

Kinderrekening

Voortzetten rekening en saldo

2.2.

Partijen zijn in artikel 7.2 van het door hen op 16 mei 2022 ondertekende ouderschapsplan overeengekomen dat zij, in het kader van het co-ouderschap, alle verblijfsoverstijgende kosten van de kinderen betalen van een kinderrekening. De man verzoekt (primair) de kinderrekening voort te zetten. De vrouw wil daar afstand van nemen, omdat er einde komt aan het co-ouderschap en partijen gedoe hebben over het gebruik van deze rekening.

2.3.

De rechtbank past, onder verwijzing naar rechtsoverweging 3.6.2 van de uitspraak van de Hoge Raad van 22 november 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1718), artikel 1:253a BW toe bij de beoordeling van dit verzoek. Dit artikel houdt in dat geschillen tussen ouders over de uitoefening van het gezag, waaronder een geschil over de kosten van verzorging en opvoeding, kunnen worden voorgelegd aan de rechtbank. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

2.4.

De rechtbank constateert dat aan het co-ouderschap van partijen een einde komt gezien de door hen gemaakte afspraken over de zorgregeling en de verhuizing van de man. Ook blijkt uit de door partijen ingediende stukken en hetgeen is besproken ter zitting dat partijen geschillen hebben over het gebruik van de kinderrekening. Dit maakt dat de rechtbank van oordeel is dat de in het ouderschapsplan gemaakte afspraken over de kinderrekening niet langer in het belang van de kinderen zijn zodat de rechtbank beslist dat deze afspraken niet langer hebben te gelden. Daarom zal in deze beschikking het aandeel van iedere ouder in de kosten van de kinderen bepaald worden, alsmede of en zo ja, voor welk bedrag, een ouder gehouden is om aan de andere ouder kinderalimentatie te voldoen.

2.5.

Nu de afspraken over de kinderrekening komen te vervallen, dient de rechtbank tevens een beslissing te nemen over wat er met de rekening moet gebeuren. De vrouw heeft verzocht de tenaamstelling te wijzigen zodat deze alleen op haar naam komt te staan en wel uiterlijk op 1 februari 2025 op straffe van een dwangsom. De man heeft hier geen verweer tegen gevoerd.

2.6.

Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling afgesproken dat het saldo dat op 15 februari 2025 op de rekening staat, wordt overgeboekt naar de spaarrekening van de kinderen. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen hieraan inmiddels uitvoering hebben gegeven. Omdat de man geen verweer heeft gevoerd tegen dit verzoek van de vrouw zal de rechtbank bepalen dat de tenaamstelling van de bankrekening met rekeningnummer NL62 RABO 0116 7488 18, voor zover deze nog niet is gewijzigd, per ommegaande gewijzigd dient te zijn in die zin dat deze nog uitsluitend op naam van de vrouw zal zijn gesteld. De rechtbank gaat ervan uit dat de man, mede gezien de door partijen gemaakte afspraak over het saldo van de kinderrekening, deze beslissing van de rechtbank nakomt. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om aan de vereiste medewerking tot de wijziging van de tenaamstelling een dwangsom toe te wijzen. Dit verzoek zal dan ook worden afgewezen.

Vergoeding fiets [minderjarige 1]

2.7.

De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de man een bedrag ter hoogte van € 406,00 op de kinderrekening dient over te maken te compensatie van de fiets van [minderjarige 1]. De man heeft verweer gevoerd tegen dit verzoek.

2.8.

Gesteld noch gebleken is op welke juridische grondslag de vrouw dit verzoek baseert. Dit verzoek zal dan ook worden afgewezen als niet op de wet gegrond.

Kosten na verhuizing

2.9.

De vrouw heeft verzocht te bepalen dat alle extra kosten die worden veroorzaakt door zijn verhuizing naar [plaats] voor rekening van de man komen, zoals reiskosten (OV/trein) van de kinderen en autokosten van de man, kosten van eventuele hobby’s in [plaats], kosten van een extra fiets (aanschaf en onderhoud) et cetera.

2.10.

Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling overeenstemming bereikt over dit verzoek van de vrouw. Zij hebben afgesproken dat de volgende extra kosten voor de man zijn:

- autokosten van de man in verband met de uitvoering van de zorgregeling;

- reiskosten openbaar vervoer van de kinderen in verband met de uitvoering van de zorgregeling;

- de kosten voor de aanschaf en het onderhoud van een extra fiets voor de kinderen bij de man in [plaats].

Herstel (tussen)beschikking van 13 januari 2025

2.11.

De vrouw heeft verzocht om verbetering van de (tussen)beschikking van 13 januari 2025. In deze beschikking staat in rechtsoverweging 5.5, voor zover hier van belang, dat partijen ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken hebben afgesproken dat de man zorgt voor het halen en brengen van de minderjarigen. Deze afspraak is echter niet opgenomen in het dictum van deze beschikking. De vrouw verzoekt om deze afspraak alsnog in het dictum op te nemen.

2.12.

De man heeft tijdens de mondeling behandeling aangegeven geen bezwaar te hebben tegen deze verbetering.

2.13.

Ingevolge artikel 32 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) vult de rechter te allen tijde op verzoek van een partijen zijn vonnis, arrest of beschikking aan indien hij verzuimd heeft te beslissen over een onderdeel van het gevorderde of verzochte. De rechter gaat niet tot de aanvulling over dan na partijen in de gelegenheid te hebben gesteld zich daarover uit te laten.

2.14.

De rechtbank is van oordeel dat de rechtbank in de beschikking van 13 januari 2025 heeft verzuimd te beslissen op een deel van het verzochte, aangezien de beslissing weliswaar in de overwegingen is aangekondigd, maar niet in het dictum van de beschikking is vermeld. De rechtbank zal deze omissie herstellen. Het verzoek zal op onderstaande wijze worden toegewezen.

Kinderalimentatie

2.15.

De man verzoekt te bepalen dat de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen aan hem dient te voldoen een bedrag van € 67,50 per maand per kind en tevens te bepalen dat hij is gehouden om op de gezamenlijk door partijen

aangehouden kinderrekening te voldoen een bedrag van € 16,00 per maand, zulks met

ingang van de eerste dag van de maand volgend op de verhuizing van de man, althans

een door de rechtbank vast te stellen bijdrage en ingangsdatum. Verder verzoekt hij de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar zelfstandige verzoeken, althans deze af te wijzen als zijnde ongegrond en/of onbewezen.

2.16.

De vrouw verzoekt, na wijziging van haar verzoek, te bepalen dat de man met ingang van 1 februari 2025, terzake de kosten van de minderjarige kinderen aan haar dient te betalen een bedrag van € 378,00 per kind per maand, althans een zodanig bedrag en met een zodanige ingangsdatum als de rechtbank in goede justitie juist acht. Verder verzoekt ze de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken, dan wel de verzoeken als ongegrond en onbewezen af te wijzen.

2.17.

De rechtbank heeft hiervoor reeds overwogen dat het gebruik van de kinderrekening eindigt, en dat daarom in deze beschikking het aandeel van iedere ouder in de kosten van de kinderen bepaald zal worden, alsmede of en zo ja, voor welk bedrag, een ouder gehouden is om aan de andere ouder kinderalimentatie te voldoen. Het verzoek van de man gaat uit van de situatie dat het gebruik van de kinderrekening wordt gecontinueerd en is om die reden niet toewijsbaar. De rechtbank zal zich hierna buigen over de behoefte van de kinderen en de financiële draagkracht van partijen.

Ingangsdatum

2.18.

De vrouw verzoekt de door de man te betalen kinderalimentatie in te laten gaan per

1 februari 2025 omdat per die datum allerlei administratieve zaken geregeld worden die relevant zijn voor de kinderalimentatie. De man voert hier verweer tegen en verzoekt de bijdrage in te laten gaan op 15 februari 2025. Dit is de dag dat hij naar [plaats] verhuist.

2.19.

De wet geeft de rechter een grote vrijheid bij het bepalen van de datum waarop de kinderbijdrage gewijzigd kan worden. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn gewijzigd, de datum van het verzoekschrift en de datum waarop de rechter beslist. De rechter kan dus een bijdrage wijzigen over een periode in het verleden, maar moet daar vaste rechtspraak van de Hoge Raad terughoudend mee omgaan, omdat dit financiële gevolgen voor partijen kan hebben.

2.20.

De rechtbank is van oordeel dat wat de ingangsdatum betreft moet worden aangesloten bij de datum waarop de omstandigheden wijzen. Dit is 15 februari 2025. Op die dag verhuist de man naar [plaats], wijzigt de zorgregeling en eindigt het gebruik van de kinderrekening. De rechtbank zal de kinderbijdrage daarom laten ingaan per 15 februari 2025.

Standpunten van partijen over de berekening van behoefte en draagkracht

2.21.

De vrouw is van mening dat bij de bepaling van de kinderalimentatie in aanmerking genomen moet worden dat de eenzijdige beslissing van de man om te verhuizen naar [plaats], nadelige gevolgen heeft voor haar. Zeker in financieel opzicht zijn deze gevolgen erg groot. De man heeft altijd gezegd: “daar zal ik compensatie voor bieden”. De vrouw vindt dat die compensatie in de alimentatieberekening tot uitdrukking moet komen.

De vrouw heeft haar hele leven en haar financiële huishouding ingericht op de afspraken die partijen over het co-ouderschap hebben gemaakt. Ze heeft een baan geaccepteerd waarbij ze fulltime werkt en om de week voor haar werk naar het buitenland moet. Op basis van het inkomen dat ze met die baan verdient, heeft ze een nieuwe koopwoning gekocht. Partijen hadden daarnaast ook de afspraak gemaakt dat de kinderen bij de man ingeschreven zouden staan, omdat dit een hoger kindgebondenbudget (KGB) oplevert doordat hij een lager inkomen heeft dan de vrouw.

Door de aanstaande verhuizing van de man is het co-ouderschap niet langer uitvoerbaar, en daarmee een wijziging van die zorgregeling onontkoombaar. De vrouw krijgt daardoor een groter aandeel in de zorg voor de kinderen. Dit heeft gevolgen voor de uitoefening van haar functie. Ze is vanwege haar grotere aandeel in de zorg voor de kinderen minder uren beschikbaar voor haar werk, en zij is niet langer om de week beschikbaar voor het verrichten van werkzaamheden in het buitenland, terwijl dit wel een essentieel onderdeel van haar functie is. De vrouw voorziet dat ze haar baan hierdoor niet kan behouden en dat haar inkomen zal dalen, terwijl haar vaste (woon)lasten onverminderd hoog blijven. De verhuizing van de man heeft ook gevolgen voor het KGB. De kinderen hebben niet langer hun hoofdverblijf bij de man, maar bij haar. Vanwege haar hogere inkomen wordt de aanspraak op KGB aanmerkelijk lager. Dat betekent dat een groter deel van de kosten van de kinderen uit eigen middelen voldaan moet worden.

De vrouw moet door de verhuizing van de man de verblijfsoverstijgende kosten van de kinderen betalen. Deze kosten van kinderen drukken voor een onevenredig groot deel op haar draagkracht, terwijl dat tijdens co-ouderschap anders was omdat de verblijfsoverstijgende kosten voorheen van de kinderrekening betaald werden, en die rekening grotendeels gevoed werd met het (hogere) KGB.

De man daarentegen gaat er financieel op vooruit. Hij heeft de overwaarde van de voormalige echtelijke woning vrij kunnen maken doordat hij de woning heeft verkocht, en hij beschikt daardoor over vermogen. Ook heeft hij lage woonlasten die hij bovendien kan delen met zijn nieuwe partner. Daarnaast wordt de druk van de kosten voor de kinderen voor hem lager en bij haar veel hoger. De vrouw bepleit dat het daarom gerechtvaardigd is dat de behoefte van de kinderen wordt gerelateerd aan de tabel “eigen aandeel kosten van kinderen” van 2025, die een hoger maximum kent dan de tabel uit 2022. Daarnaast vraagt ze bij de berekening van haar draagkracht rekening te houden met een inkomen uit dienstverband op basis van 0,92 fte in plaats van 1 fte. Ook acht de vrouw het gerechtvaardigd dat bij de bepaling van het draagkrachtloos inkomen bij beide partijen rekening wordt gehouden met de werkelijke woonlasten in plaats van het woonbudget. Haar woonlasten zijn hoger dan het woonbudget, en die van de man zijn aanmerkelijk lager. Ten slotte is de vrouw van menig dat de aldus berekende onderhoudsbijdrage die de man aan haar dient te voldoen, moet worden verhoogd met de vermindering van het KGB en de maandelijkse extra schoonmaakkosten die de vrouw moet maken omdat de kinderen vaker bij haar verblijven.

2.22.

Het standpunt van de man is dat de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie onverkort gevolgd moeten worden. Er is geen aanleiding is om daarvan af te wijken. Ook is er geen sprake van een tekort om in de kosten van de kinderen te voorzien. Daarom moet bij de bepaling van het draagkrachtloos inkomen het woonbudget onverkort toegepast worden.

De man erkent dat hij heeft toegezegd dat hij extra kosten, die het gevolg zijn van zijn verhuizing, voor zijn rekening zal nemen. Hij ziet dat zo dat hij alle kosten en tijd die gemoeid zijn met vervoer [woonplaats 2]-[plaats] voor zijn rekening neemt. Hij kan zich wel verenigen met het berekening van het NBI van de vrouw door uit te gaan van een inkomen uit arbeid op basis van 0,92 fte in plaats van 1 fte.

Uitgangspunt voor de berekening: aanbevelingen Expertgroep Alimentatie

2.23.

Bij het bepalen van de behoefte aan een kinderbijdrage en de draagkracht om in die behoefte te voorzien, hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie, tenzij daarvan in het hierna volgende uitdrukkelijk wordt afgeweken.

Het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen (behoefte)

2.24.

Voor de vaststelling van de behoefte van de minderjarigen is in beginsel het uitgangspunt het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) ten tijde van de samenleving van partijen.

2.25.

Partijen zijn het over eens dat 2022 het peiljaar is voor het bepalen van het NBGI.

De vrouw stelt dat moet worden uitgegaan van het in het ouderschapsplan vastgestelde NBGI, maar dat de tabellen van 2025 moeten worden toegepast omdat dan rekening wordt gehouden met de hogere behoefte van de kinderen. In 2022 waren de tabellen gemaximeerd tot een inkomen van € 6.000,-. In de tabellen van 2025 is dit maximale inkomen gewijzigd in € 7.500,-. De man is het daar niet mee eens.

2.26.

De rechtbank ziet in hetgeen de vrouw heeft aangevoerd geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt dat het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen bepaald wordt aan de hand van de tabel die betrekking heeft op het peiljaar voor de behoefte. De rechtbank zal daarom de tabel uit 2022 toepassen. De behoefte volgens de tabel 2022 (4 punten) bedraagt € 1.360,- (bij een NBGI van € 6.000,- of meer). Rekening houdend met de wettelijke indexeringen bedraagt die behoefte nu € 1.590,- per maand, oftewel € 795,- per kind per maand.

Draagkracht onderhoudsplichtigen

2.27.

Beoordeeld dient te worden in welke verhouding de behoefte van de minderjarigen tussen de onderhoudsplichtigen zal worden verdeeld. De rechtbank volgt ook in dit opzicht de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie, inhoudende dat de behoefte van kinderen tussen de onderhoudsplichtigen wordt verdeeld naar rato van hun draagkracht. Daartoe dient eerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de onderhoudsplichtigen te worden bepaald. Het bedrag aan draagkracht wordt in 2025 bij inkomens vanaf € 2.125,- per maand vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.310,-)]. Voor de lagere inkomens (beneden een NBI van € 2.125,- per maand) zijn vaste bedragen per categorie van toepassing.

Draagkracht vrouw

2.28.

Voor wat betreft de draagkracht van de vrouw zal de rechtbank aansluiten bij de uitgangspunten die zijn gehanteerd in de berekening die als productie 23 namens de vrouw is overgelegd. De man is het daar mee eens, behalve met het rekenen met de werkelijke woonlasten. De man stelt dat er geen reden is om af te wijken van de forfaitaire berekening van de woonlasten. Als bij de berekening van het draagkrachtloos inkomen van de vrouw wel rekening wordt gehouden met haar werkelijke woonlasten, is hij het niet eens met de hoogte van de gestelde werkelijke woonlasten. Hij voert aan dat een deel van de door de vrouw gestelde woonlasten deel uitmaakt van de (gecorrigeerde) bijstandsnorm. Bovendien is de reservering voor onderhoud geen noodzakelijke last omdat de vrouw een nieuwbouwwoning heeft en kosten voor onderhoud daarom voorlopig niet aan de orde zullen zijn.

2.29.

De rechtbank volgt de vrouw ook in haar berekening voor wat betreft de berekening van het draagkrachtloos inkomen, waarin rekening is gehouden met de door haar opgevoerde werkelijke woonlasten. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. De vrouw voert lasten op die gemoeid zijn met wonen. Deze zijn hoger dan het voor de vrouw geldende woonbudget. De Expertgroep Alimentatie beveelt weliswaar aan om te rekenen met de forfaitaire woonlasten, maar als er structureel hogere woonlasten zijn dan het woonbudget, kan met deze extra woonlasten rekening worden gehouden, mits deze lasten niet vermijdbaar zijn en dat het (voort)bestaan daarvan niet aan de onderhoudsplichtige kan worden verweten. Het kan de vrouw niet worden tegengeworpen dat zij op basis van het inkomen dat zij verwachtte duurzaam te zullen gaan verdienen, een woning heeft gekocht. Van de vrouw kan bovendien niet verwacht worden dat zij zich van de woonlasten bevrijd; zij bewoont de woning samen met de kinderen van partijen. Verder is de rechtbank van oordeel dat de vrouw de omvang van haar hogere woonlasten aannemelijk heeft gemaakt. In het bijzonder overweegt de rechtbank dat het enkele feit dat de woning van de vrouw een nieuwbouwwoning betreft, niet de conclusie rechtvaardigt dat geen rekening wordt gehouden met een reservering voor onderhoud aan die woning. Daarbij betrekt de rechtbank de onbetwist gelaten stelling van de vrouw dat zij haar spaargeld heeft moeten aanwenden voor de advocaat- en proceskosten die zij heeft moeten maken.

2.30.

Zoals uit de door de vrouw overgelegde berekening volgt, bedraagt haar NBI € 5.605,- per maand, haar draagkrachtloos inkomen € 3.226,- per maand, zodat haar draagkrachtruimte € 2.379,- per maand is. Haar draagkracht is dan volgens de formule € 1.666,- per maand.

Draagkracht man

2.31.

Voor wat betreft het NBI van de man zal de rechtbank aansluiten bij de door mr. Chin-A-Fat te zitting overgelegde (aangepaste) berekening. De man heeft geen verweer gevoerd tegen de daarin vermelde berekening van zijn NBI. Hij voert wel verweer tegen de berekening van zijn draagkrachtloos inkomen, in het bijzonder tegen de woonlasten die in acht genomen zijn. De man stelt dat bij de berekening van zijn draagkracht rekening moet worden gehouden met de forfaitaire woonlasten, omdat er geen tekort is in draagkracht om in de behoefte van de kinderen te voorzien.

2.32.

De rechtbank oordeelt als volgt. Zoals hiervoor in rechtsoverweging 2.23. is overwogen, is het uitgangspunt dat de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie volgt. De Expertgroep beveelt aan om bij de berekening van het draagkrachtloos inkomen uit te gaan van een forfaitair woonbudget ter hoogte van 30% van het NBI van een onderhoudsplichtige ouder. Volgens de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2021:586) is het hanteren van een forfaitaire woonlast, zoals uit de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie volgt, op zichzelf niet in strijd met de wettelijke maatstaven. De Hoge Raad oordeelt verder dat wanneer bij het rekenen met een forfaitaire woonlast niet kan worden voorzien in de behoefte van het kind én er aanwijzingen zijn dat de woonlast van (een van) de ouders duurzaam aanzienlijk lager is dan het forfaitaire bedrag, de rechter dan steeds zal moeten nagaan of de draagkracht van die ouder bij toepassing van de werkelijke woonlast zou leiden tot een hogere onderhoudsbijdrage voor het kind. Is dat het geval, dan dient de rechter de hogere bijdrage op te leggen, of in elk geval te motiveren waarom daar gelet op de omstandigheden van het geval, geen aanleiding voor is.

De rechtbank stelt vast dat in deze zaak, bij toepassing van de forfaitaire woonlast voor de berekening van het draagkrachtloos inkomen van de man, zich niet de situatie voordoet dat de draagkracht ontoereikend is om in de behoefte van de kinderen te voorzien. Toch ziet de rechtbank in de specifieke omstandigheden van deze zaak aanleiding om voor de bepaling van de draagkracht van de man de aanbevelingen van de Expertgroep niet onverkort toe te passen. De vrouw heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de beslissing van de man om de voormalige echtelijke woning te verkopen en te verhuizen naar [plaats], hem in een financieel betere positie heeft gebracht terwijl zij daardoor in financieel opzicht benadeeld is. De stelling van de vrouw dat de man vermogen heeft vrij weten te maken én zijn woonlasten heeft beperkt door de voormalige echtelijke woning te verkopen, om vervolgens samen met zijn huidige partner een andere woning te kopen, heeft de man niet gemotiveerd weersproken. De man heeft evenwel nagelaten om inzicht te geven in zijn vermogenspositie en hij heeft ook geen informatie verschaft over zijn huidige woonlasten. Onverkorte toepassing van het forfaitaire woonbudget, waarbij bovendien geen rekening wordt gehouden met (inkomen uit) vermogen omdat de man daarover geen informatie heeft verschaft, leidt naar het oordeel van de rechtbank niet tot een reële begroting van de draagkracht van de man. Omdat de man ervoor heeft gekozen geen inzage te geven in zijn (woon)lasten en vermogen zal de rechtbank aansluiten bij de door de advocaat van de vrouw ter zitting overgelegde aangepaste berekening van de draagkracht van de man, waarin is uitgegaan van een woonlast van € 376,= per maand.

2.33.

Het NBI van de man bedraagt dan € 3.942,-, zijn draagkrachtloos inkomen € 1.686,- en zijn draagkracht is volgens de formule € 1.579,- per maand.

Draagkrachtvergelijking

2.34.

De verdeling van de kosten van de kinderen over de onderhoudsplichtigen wordt dan berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht

(€ 3.245,-) vermenigvuldigd met de behoefte van de kinderen, oftewel:

het aandeel van de man bedraagt: € 1.579,- / € 3.245,- x € 1.590,- = € 774,-

het aandeel van de vrouw bedraagt: € 1.666,- / € 3.245,- x € 1.590,- = € 816,-

Zorgkorting

2.35.

Partijen zijn het erover eens dat de zorgkorting 25% bedraagt. Nu de behoefte van de minderjarigen € 1.590,- per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van (afgerond) € 398,- per maand.

Conclusie

2.36.

Gelet op het voorgaande komt de door de man te betalen bijdrage op € 188,- per kind per maand.

2.37.

De vrouw heeft verzocht de door de man te betalen bijdrage te verhogen met een bedrag voor de extra schoonmaakkosten die zij moet maken omdat de kinderen meer bij haar zijn. Ook heeft ze verzocht de bijdrage te verhogen met een bedrag ter compensatie voor het verlies van KGB. De man heeft verweer gevoerd tegen deze verhoging.

2.38.

De rechtbank ziet geen grond om het hiervoor onder 2.36 genoemde bedrag te verhogen. De rechtbank overweegt hierbij als volgt. Het KGB kan door verschillende omstandigheden veranderen. Dat de man gaat samenwonen had sowieso invloed gehad op de hoogte van het KGB, ook als het co-ouderschap zou zijn gecontinueerd en de kinderen hun hoofdverblijf bij de man hadden gehouden. Ervan uitgaande dat de man en zijn nieuwe partner toeslagpartners zijn, en ook de partner van de man inkomen heeft, zou het verzamelinkomen immers zijn toegenomen. Bovendien zou de alleenstaande ouderkop zijn weggevallen. Bij de berekening van ieders draagkracht is rekening gehouden met het al dan niet aanspraak hebben op KGB in de nieuwe situatie waarbij de kinderen hun hoofdverblijf bij de vrouw hebben, en overigens ziet de rechtbank geen (juridische) grond om de wijziging van de omvang van het KGB als gevolg van de beslissing van de man om te gaan verhuizen en te gaan samenwonen, tot uitdrukking te brengen in de hoogte van de door de man te betalen onderhoudsbijdrage. Ten aanzien van de door de vrouw opgevoerde schoonmaakkosten overweegt de rechtbank als volgt. De schoonmaakkosten houden, blijkens de stelling van de vrouw, verband met de toename van haar aandeel in de verzorging en opvoeding van de kinderen, en kwalificeren daarom als kosten van de kinderen. Voor zover er aanleiding bestaat om schoonmaakkosten tot uitdrukking te laten komen in de berekening van ieders aandeel in de kosten van de kinderen, is het in de behoefte van de kinderen en niet door verhoging van een door de andere ouder te betalen onderhoudsbijdrage. In de behoefte, het tabelbedrag, worden geacht alle kosten van de kinderen begrepen te zijn, tenzij sprake is van bijzondere kosten. Gezien de aard en omvang van de schoonmaakkosten kunnen deze niet als bijzonder en behoefteverhogend worden aangemerkt. De vrouw dient deze gestelde extra uitgave te compenseren met een besparing op een andere kostenpost.

2.39.

Hiermee komt de door de man te betalen bijdrage met ingang van 15 februari 2025 uit op € 188,- per kind per maand. De rechtbank zal aldus beslissen. Partijen zijn het erover eens dat deze bijdrage, in afwijking van de afspraak in het door hen opgestelde ouderschapsplan, volgens de wettelijke regels van artikel 1:402a lid 1 BW aan jaarlijkse indexering onderhevig zal zijn.

Proceskosten

2.40.

De vrouw heeft verzocht de man te veroordelen in haar werkelijke proceskosten van in totaal € 14.233,75, dan wel in de proceskosten volgens het liquidatiesysteem. De man voert verweer en verzoekt dit verzoek af te wijzen. Hij stelt dat de proceskosten, zoals gebruikelijk in familiezaken, gecompenseerd moeten worden in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

2.41.

De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van het in familiezaken geldende uitgangspunt dat elk van partijen de eigen kosten draagt. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken als sprake is van misbruik van recht en daar is hier geen sprake van. Onderhavige procedure is het gevolg van de beslissing van de man om te verhuizen, waardoor de in het ouderschapsplan gemaakte afspraken gewijzigd dienden te worden. Dat dit een tegenvaller voor de vrouw is geweest, aangezien zij zich plotseling geconfronteerd zag met de persoonlijke en financiële gevolgen van deze eenzijdig genomen beslissing, en bovendien met bijkomende juridische (proces)kosten, is voorstelbaar, maar daarmee kan niet gezegd worden dat het entameren van deze procedure kwalificeert als misbruik van procesrecht. Omdat het partijen niet gelukt is om in onderling overleg tot gewijzigde afspraken te komen, was een procedure onontkoombaar. Over de proceskosten van het kort geding is in die procedure al een beslissing genomen, zodat de rechtbank hetgeen daarover in deze procedure is aangevoerd buiten beschouwing laat.

3De beslissing

De rechtbank:

3.1.

wijzigt de beschikking van 7 juni 2022 en het ouderschapsplan van 16 mei 2022 voor zover het de financiële afspraken over hierna te noemen minderjarigen betreft (artikelen 7.1 en 7.2. van het ouderschapsplan) als volgt:

3.2.

bepaalt dat de artikelen 7.1. en 7.2 van het ouderschapsplan met ingang van 15 februari 2025 komen te vervallen en dat de man met ingang van 15 februari 2025 ten behoeve van de verzorging en opvoeding van de minderjarigen:

- [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2010 en

- [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2011;

aan de vrouw voor de toekomst bij vooruitbetaling moet voldoen een bedrag van

€ 188,- per kind per maand, met inachtneming van hetgeen hierover rechtsoverweging 2.4. en 2.6. is overwogen ten aanzien van het voortzetten en het saldo van de kinderrekening en met inachtneming van hetgeen in rechtsoverweging 2.10. is overwogen ten aanzien van de kosten die voor rekening van de man komen;

3.3.

vult aan de beschikking van deze rechtbank van 13 januari 2025 in die zin dat het dictum onder 6.3 komt te luiden:

bepaalt dat de man en de minderjarigen [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2010 en [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2011 met ingang van 10 februari 2025 gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar:

- in de ene week van zaterdagmiddag - na de bijbaantjes van de minderjarigen, maar voor het avondeten - tot dinsdagochtend voor school;

- in de andere week op maandag, na school tot 21.00 uur - tenzij sprake is van naschoolse activiteiten, waarna partijen in onderling overleg een andere dag voor het contact bepalen;

- alsmede gedurende de (school)vakanties, feestdagen en bijzondere dagen overeenkomstig de hiervoor in rechtsoverwegingen 3.2 sub II en 5.6 en 5.7 aangegeven wijze van verdeling;

en dat de man zorgt voor het halen en brengen van de minderjarigen;”

3.4.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

3.5.

compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

3.6.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. Bollen, rechter, en in tegenwoordigheid van mr. Krocké, griffier, in het openbaar uitgesproken op 14 maart 2025.

Mededeling van de griffier:

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het

gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

meer blogs >> podcasts >>

BLOGS en PODCASTS

Podcastgesprek: Dga en scheiding
Mr. Frank van den Barselaar en Drs. Jacqueline van der Vorm, 10-09-2024
De echtscheiding van een dga is vaak bijzonder complex. Fiscalisten Frank van den Barselaar en Jacqueline van der Vorm bespreken met elkaar verschillende financiële en fiscale aspecten hiervan.
Podcastgesprek: Ondernemer en scheiding
Drs. Jacqueline van der Vorm en Mr. Frank van den Barselaar, 27-08-2024
Fiscalisten Jacqueline van der Vorm en Frank van den Barselaar bespreken de verschillende aspecten die komen kijken bij de begeleiding van ondernemers en/of hun partner bij een scheiding.
Podcastgesprek: De praktische toepassing van de herziene fiscale paragraaf
Mr. Rob Welling en Drs. Jasper Horsthuis, 30-07-2024
Onlangs werd de nieuwe fiscale paragraaf van de vFAS gepresenteerd. Rob Welling heeft aan de ontwikkeling hiervan meegewerkt, en onze redacteur Jasper Horsthuis ging daarover met hem in gesprek.
Nieuwe inzichten fiscale gevolgen verrekening lijfrente
Mr. Rob Welling en Drs. Jasper Horsthuis, 16-07-2024
Hoe wordt bij echtscheiding een lijfrentepolis fiscaal behandeld indien sprake is van een verrekenbeding?" Spoiler: dat antwoord is verrassend! Jasper Horsthuis gaat hierover in gesprek met Rob Welling.
Wanneer zijn advocaatkosten bij partneralimentatie aftrekbaar?
Mr. Cobie Voorberg, 16-01-2024
Niet in alle gevallen zijn de advocaatkosten voor een procedure over partneralimentatie aftrekbaar. De auteur behandelt de wetgeving en jurisprudentie hierover.
Podcastgesprek - De inkomensafhankelijke combinatiekorting
Drs. Jasper Horsthuis en Mr. Vanessa Vissers, 15-08-2023
Jasper Horsthuis en Vanessa Vissers bespreken de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Wat zijn de voorwaarden om hiervoor in aanmerking te komen? En welke veranderingen zijn er op komst?
Podcastgesprek: Fiscaal partnerschap en scheiden
Mr. Jan Vrusch en Drs. Jasper Horsthuis, 09-05-2023
Wanneer ben je (nog) fiscaal partner van elkaar? En wat zijn de voor- en nadelen daarvan? Jan Vrusch en Jasper Horsthuis gaan hierop in en waarschuwen voor de valkuilen die zich bij een scheiding kunnen voordoen.
Podcastgesprek: Uitspraken 2022 - dé keuze van de hoofdredactie (1)
Mr. Rob van Coolwijk en Mr. André van Oosten en Mr. Hanneke Moons, 06-12-2022
De drie hoofdredacteuren van de Kennisbank Familierecht gingen met elkaar om tafel. In deze tweedelige Podcast bespreken zij twaalf interessante uitspraken uit 2022.
Podcastgesprek: Eigen woning en scheiden
Mr. Jan Vrusch en Drs. Jasper Horsthuis, 22-11-2022
Jan Vrusch en Jasper Horsthuis bespreken met elkaar de problematiek van de eigen woning die zich kan voordoen bij een scheiding. De scheidingsregeling en diverse andere onderwerpen passeren de revue.
Podcastgesprek: Box 3-compensatie en scheiden
Drs. Jasper Horsthuis en Mr. Jan Vrusch, 25-10-2022
In deze podcast bespreken Jasper Horsthuis en Jan Vrusch de compensatie die belastingplichtigen zullen ontvangen in het kader van de Hersteloperatie Box 3. Met name gaan zij in op de rol hiervan bij een echtscheiding.
×
Ga nu naar Overzicht wetten - Ga naar wetsartikel:

Wetten, regelgeving en verdragen

Geen wetnummer opgegeven.

Wetten en regelgeving

Verdragen en uitvoeringswetten

Beschikbare Officiële bekendmakingen in de kennisbank:

Informatie

Wanneer er op een icoon is geklikt in een Artikel, dan kan hier extra informatie komen te staan.
Lexicon
BRONNEN