Afwijzing verzoek verlenging OTS en MUHP 4,5 maand voor 18e verjaardag, want niet doelmatig. Complexe problematiek. Alle mogelijkheden GI uitgeput.
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zaaknummer: C/16/585937 / JE RK 24-2045
Datum uitspraak: 7 maart 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam-Zuidoost,
hierna te noemen de GI,
[minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] 2007 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] .
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 26 februari 2025. Daarbij waren aanwezig:
De moeder is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat zij wel juist is opgeroepen.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] is niet naar het kindgesprek gekomen, maar de kinderrechter heeft tijdens de zitting telefonisch contact gehad met [minderjarige] . De Raad en de GI hebben daarna op de zitting gereageerd op wat [minderjarige] heeft verteld.
1.4.
De kinderrechter heeft op 7 maart 2025 de uitspraak in het openbaar uitgesproken. Partijen zijn op 7 maart 2025 vanaf 10:00 uur in de gelegenheid gesteld om de beslissing telefonisch van de rechtbank te vernemen. Dit is de schriftelijk uitwerking van de beslissing.
2De feiten
2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] staat sinds 12 maart 2015 onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 12 maart 2025.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 26 juli 2024 de machtiging verlengd om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 12 maart 2025.
2.4.
[minderjarige] is op 20 januari 2025 weggelopen vanuit de woongroep [woongroep] , waar zij sinds 29 juli 2024 verbleef. Sindsdien is zij niet meer teruggekeerd. Tijdens de zitting heeft [minderjarige] verteld dat zij bij haar moeder verblijft.
2.5.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 23 januari 2025 een spoedmachtiging verleend om [minderjarige] te doen opnemen en te verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 23 januari 2025 voor de duur van vier weken, te weten tot 20 februari 2025.
Bij beschikking van 5 februari 2025 is het verzoek om het aangehouden deel, ofwel een machtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 12 maart 2025, afgewezen. [minderjarige] was op dat moment nog steeds voortvluchtig en de gedragswetenschapper had, na een telefonisch gesprek met [minderjarige] , aanleiding gezien om geen instemmende verklaring af te geven.
4De standpunten
4.1.
[minderjarige] heeft tijdens de zitting gezegd dat de verlenging van de ondertoezichtstelling voor haar niets uitmaakt, maar aan de machtiging tot uithuisplaatsing zal zij niet meewerken.
4.2.
De moeder is niet ter zitting verschenen en heeft verder ook niets laten horen.
4.3.
De Raad heeft in een schriftelijk advies van 19 februari 2025 aangegeven dat zij niet akkoord is om de ondertoezichtstelling te laten aflopen. Er wordt nog steeds voldaan aan de wettelijke vereisten voor een ondertoezichtstelling.
Ter zitting heeft de Raad aangegeven dat de situatie wel heel complex is.
4.4.
De GI heeft het verzoek vanwege het schriftelijk advies van de Raad weliswaar gehandhaafd, maar is inmiddels van mening dat de ondertoezichtstelling niet meer uitvoerbaar is. De GI is van mening dat er geen verantwoordelijkheid meer kan worden genomen voor de onveiligheid van [minderjarige] . Het zijn situaties waar zij zichzelf in brengt.
5De beoordeling
5.1.
De kinderrechter wijst het verzoek van de GI af. Dat betekent dat de kinderrechter de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing niet zal verlengen. Zij zal hieronder toelichten hoe zij tot haar oordeel is gekomen.
De machtiging tot uithuisplaatsing
Wat zegt de wet?
De kinderrechter kan kinderen uit huis plaatsen als dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de kinderen of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
De toelichting
5.2.
In het verzoek van 5 december 2024 heeft de GI verzocht om een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. Op dat moment verbleef [minderjarige] nog op een open groep van [woongroep] . Aan die plaatsing is inmiddels een einde gekomen, omdat [minderjarige] sinds 20 januari 2025 niet meer op de groep aanwezig is geweest.
In de beschikking waarbij de kinderrechter een verdere gesloten machtiging heeft afgewezen, heeft zij het volgende overwogen over de problematiek van [minderjarige] :
‘ is sinds 6 oktober 2023 uit huis geplaatst. Zij heeft op verschillende leefgroepen gewoond, ook in een gesloten setting. Op 14 februari 2024 is [minderjarige] gesloten geplaatst tot 14 augustus 2024. In deze periode heeft [minderjarige] een positieve ontwikkeling doorgemaakt en was zij beter in het contact. Ze leek de noodzaak van hulpverlening in te zien. Het CCE (Centrum voor consultatie en expertise) heeft op 28 februari 2024 een adviesrapport uitgebracht. Hieruit is naar voren gekomen dat het voor [minderjarige] nodig is dat zij in een beschermde open woonsetting woont met begeleiding in nabijheid. Dit heeft ertoe geleid dat zij op 26 juli 2024 naar een open groep is gegaan bij [woongroep] . Dit leek in het begin ook goed te gaan, maar gebleken is dat [minderjarige] het niet is gelukt om de voortuitgang vast te houden. Opnieuw was er sprake van veelvuldig wegloopgedrag, al dan niet gedwongen prostitutie, het gebruik van hard- en softdrugs, zelfbepalend gedrag, het bedreigen van haar begeleiders met de dood en het doen van suïcidale uitspraken. Dit heeft ertoe geleid dat zij op 23 januari 2025 met een spoedmachtiging opnieuw gesloten is geplaatst voor de duur van 4 weken. Zij is echter op 20 januari 2025 weggelopen, waarbij niet duidelijk was waar zij verbleef op dat moment. Na een melding op 15 februari 2025 over een incident waarbij [minderjarige] op het station in Rotterdam werd aangetroffen, is een plaatsing bij Moviera geadviseerd door de GI en Veilig Thuis. [minderjarige] en haar moeder weigerden dit.
Op 20 februari 2025 werd duidelijk dat [minderjarige] bij Timon een crisisbed kon krijgen. [minderjarige] heeft ook dit geweigerd. Ook begeleiding vanuit de Merel van Groningen foundation heeft [minderjarige] afgewezen.’.
5.3.
In het eindverslag heeft [woongroep] over [minderjarige] de volgende conclusie getrokken:
‘Ondanks intensieve begeleiding bleef [minderjarige] vaak ongeoorloofd afwezig en weigerde ze openheid te geven over haar verblijfplaats. Er waren meerdere incidenten die de zorgen over haar veiligheid versterkten, waaronder risicovol gedrag met volwassenen en betrokkenheid bij risicovolle netwerken, wat leidde tot meldingen bij Zedendelicten en Veilig Thuis. Deze netwerken vormden niet alleen een bron van gevaar voor [minderjarige] , maar brachten haar in situaties waarin zij ook het slachtoffer kon worden van uitbuiting. Een terugkerend patroon is het wisselen van gemoedstoestand, waarbij positieve besluiten vaak niet kunnen worden volgehouden. Zo staat ze in eerste instantie open voor behandeling, werk, een zinvolle daginvulling en zelfs de verhuizing, maar op een later moment trekt ze zich terug en slaagt ze er niet in om de eerder gevonden motivatie vast te houden.
Gezien de toegenomen zorgen en de moeilijkheden bij het herstellen van haar motivatie, werd de begeleiding uiteindelijk steeds meer gericht op crisismanagement en het waarborgen van haar veiligheid. In overleg met alle betrokkenen werd besloten om de zorg stop te zetten, aangezien het traject niet langer houdbaar was binnen de open kaders van [woongroep] .’.
5.4.
Op 29 januari 2025 is [minderjarige] uitgeschreven bij [woongroep] . Verlenging van een machtiging van een plaatsing bij [woongroep] is daardoor niet meer aan de orde.
De GI heeft daarnaast op de zitting aangegeven dat het niet realistisch is om aan te nemen dat er nog een andere open groep voor [minderjarige] gevonden zal worden die haar, op deze korte termijn, zou willen plaatsen. Voordat [woongroep] haar accepteerde, had de gezinsvoogd al tientallen accommodaties vergeefs benaderd voor een plaatsing van [minderjarige] .
De GI heeft toegelicht dat zij op dit moment het dossier alleen maar aan het vullen is met afwijzingen. Bovendien houdt [minderjarige] zich schuil sinds 20 januari 2025. Zij zegt wel dat zij bij haar moeder verblijft, maar dat is niet steeds het geval. Ook heeft zij telefonisch gezegd dat zij zondermeer zal weglopen als zij op een open groep wordt geplaatst.
5.5.
De kinderrechter stelt op grond hiervan vast dat een hernieuwde machtiging voor een uithuisplaatsing van [minderjarige] op een open groep niet effectueerbaar is. Daarbij neemt de kinderrechter de uiterst complexe problematiek van [minderjarige] in aanmerking. Het is niet aannemelijk dat de GI voor haar achttiende verjaardag een passende plek voor [minderjarige] zal vinden, en als dat al lukt, zal [minderjarige] daar niet naartoe gaan of direct weer weglopen.
Om die reden wijst de kinderrechter dit verzoek af.
De ondertoezichtstelling
Wat zegt de wet?
5.6.
De kinderrechter kan een kind onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling als het kind ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd en het de ouder(s) niet lukt om deze ontwikkelingsbedreiging(en) met hulp in het vrijwillige kader weg te nemen. Daarnaast moet de verwachting zijn dat de ouders binnen een aanvaardbare termijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding weer volledig zelf op zich kunnen nemen, zonder hulpverlening vanuit het gedwongen kader.
5.7.
De kinderrechter is het eens met de GI en de Raad dat de ontwikkelingsbedreiging bij [minderjarige] onverminderd aanwezig is en dat aan alle wettelijke vereisten voor een verlenging van een ondertoezichtstelling is voldaan. Toch komt de kinderrechter op basis van het hele dossier en de voorgeschiedenis van [minderjarige] tot de conclusie dat een verlenging van de maatregel niet langer doelmatig is.
5.8.
De kinderrechter is van oordeel dat er nog steeds ernstige zorgen zijn over [minderjarige] . [minderjarige] heeft een moeilijke start in het leven gehad. Bij haar is sprake van een reactieve hechtingsstoornis, PTSS en heeft zij problemen met haar emotieregulatie. Ze is verslaafd geboren en gebruikt zelf al jaren af en aan drugs. Daarnaast werkt zij als sekswerker en geeft ze aan dat dit is hoe ze haar toekomst voor zich ziet.
Binnen de jeugdzorg is er geen passende plek voor [minderjarige] , waar zij niet kan of zal weglopen. De GI heeft recent nog geprobeerd aan te sluiten bij de motivatie van [minderjarige] om haar bij haar moeder te laten verblijven en daarbij ingezet op ambulante spoedhulp in de opvoedsituatie bij de moeder, maar de moeder weigert hieraan mee te werken.
5.9.
Het is duidelijk dat de afgelopen jaren vergeefs is gewerkt aan de doelen die de Raad bij het instellen van de ondertoezichtstelling gesteld heeft. Er is heel veel hulpverlening aangeboden de afgelopen jaren, maar [minderjarige] heeft daar uiteindelijk onvoldoende van weten te profiteren. Vaak omdat zij het traject niet volhoudt.
Zij is zelfbepalend. Tijdens de zitting heeft [minderjarige] gezegd dat zij zelf wil bepalen wanneer zij komt en wanneer zij gaat en ook met wie zij omgaat. Daarnaast blijkt uit de stukken dat zij wil kunnen blowen. Dat betekent dat een gesloten plaatsing de enige mogelijkheid is om [minderjarige] de veiligheid te bieden die zij nodig heeft. Maar bij het laatste verzoek daartoe heeft de gedragswetenschapper niet ingestemd met deze plaatsing.
[minderjarige] wordt op [geboortedag] 2025 achttien jaar. Dat betekent dat het gaat over een verlenging van ruim 4 maanden. De afgelopen maanden is gebleken dat [minderjarige] goed in staat is om zich schuil te houden. Waarschijnlijk ook door regelmatig van verblijfplaats te wisselen. Daarmee is zij ongrijpbaar geworden.
5.10.
De kinderrechter is het eens met de GI dat alle mogelijkheden die de ondertoezichtstelling biedt, zijn uitgeput. De GI heeft geen middelen meer om de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] af te wenden. Iedere plaatsing van [minderjarige] buiten een gesloten setting, vergt haar medewerking. En die gaat zij niet verlenen. Zij heeft de afgelopen maanden keer op keer gezegd dat zij niet zal meewerken. Daarmee zijn alle middelen die de GI ten dienste staan uitgeput.
De kinderrechter is van oordeel dat in redelijkheid ook niet langer van de GI verwacht kan worden dat zij tijd en energie besteedt aan [minderjarige] . En daarom is het niet meer doelmatig om de maatregel nog tot aan haar achttiende verjaardag te verlengen.
5.11.
Als [minderjarige] de komende 4,5 maand alsnog zelf aan de bel wil trekken, kan Veilig thuis worden ingeschakeld of de hulp van een sociaal team of wijkteam.
6De beslissing
Deze beschikking is gegeven door mr. R.R. Everaars-Katerberg, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 7 maart 2025, in aanwezigheid van N.D.J. Esders als griffier, en op schrift gesteld op 19 maart 2025.
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden.