ABONNEER NU!

EN KRIJG TOEGANG TOT VAKKENNIS


Probeer de eerste maand GRATIS
Daarna slechts € 230 per jaar (excl. btw)

Gerechtshof Den Haag 13-03-2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:353


Datum publicatie13-03-2025
Zaaknummer200.321.335/01
ProcedureHoger beroep
ZittingsplaatsDen Haag
Formele relatiesEerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2022:432 (niet gepubliceerd op Rechtspraak.nl)
RechtsgebiedenCiviel recht; Verbintenissenrecht
TrefwoordenKinderen; Adoptie;
Tuchtrecht / aansprakelijkheid
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

‘Afstandsmoeders’-zaak; heeft Raad voor de Kinderbescherming in de periode 1956-1984 onrechtmatig gehandeld jegens moeders die hun kind in die periode hebben afgestaan ter adoptie? onjuiste/onvolledige voorlichting? ontvankelijkheid; gelijksoortigheidsvereiste 3:305a BW; verjaring; naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar?

Volledige uitspraak


GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht

Team Handel

Zaaknummer hof : 200.321.335/01

Zaaknummer rechtbank : C/09/598248 / HA ZA 20-825

Arrest van 13 maart 2025

in de zaak van

1 [appellante 1] ,

wonend in [woonplaats] ,

2. Stichting Bureau Clara Wichmann,

gevestigd in Amsterdam,

appellantes in het principaal hoger beroep,

geïntimeerden in het incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. L.-M. Komp, kantoorhoudend in Amsterdam,

tegen

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid),

gevestigd in Den Haag,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellant in het incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. M.M. van Asperen, kantoorhoudend in Den Haag.

Het hof zal partijen hierna als volgt noemen:

  • appellantes sub 1 en 2 gezamenlijk: de Moeders,

  • appellante sub 1: [appellante 1] ,

  • appellante sub 2: BCW,

  • geïntimeerde: de Staat.

1De zaak in het kort

1.1

In de periode 1956-1984 heeft een groot aantal ongehuwde moeders hun kind ter adoptie afgestaan. BCW komt in deze procedure op voor de belangen van deze moeders. Zij vordert dat het hof voor recht verklaart dat de Staat (meer in het bijzonder: de Raad voor de Kinderbescherming, hierna: de Raad) onrechtmatig heeft gehandeld door de vrouwen die in de periode 1956-1984 zijn gescheiden van hun kind, eenzijdig, onvolledig of onjuist te informeren over hun rechten en/of de praktische mogelijkheden om hun kind op te voeden.

1.2

[appellante 1] heeft in 1970 als ongehuwde moeder afstand gedaan van haar zoon. Zij vordert een verklaring voor recht dat de Staat onrechtmatig tegenover haar heeft gehandeld en zij wil daarnaast dat de Staat in een vervolgprocedure wordt veroordeeld om schadevergoeding aan haar te betalen.

1.3

De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen op inhoudelijke gronden.

1.4

Het hof verklaart BCW niet-ontvankelijk in haar vordering. Het hof kan namelijk niet in het algemeen een oordeel geven over de vraag of de Raad onrechtmatig heeft gehandeld jegens de achterban van BCW. Bij de beoordeling daarvan moet het hof de bijzondere omstandigheden van de individuele moeders betrekken. De belangen van de moeders zijn echter onvoldoende gelijksoortig. Zij lenen zich dus niet voor bundeling in een collectieve actie.

1.5

De rechtsvordering van [appellante 1] is verjaard. Het beroep van de Staat op verjaring is niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.

1.6

Hoewel het hof aan een inhoudelijke beoordeling van de zaak niet toekomt, is de uitkomst in zoverre hetzelfde als bij de rechtbank, dat de vorderingen niet worden toegewezen. Zoals hierna zal worden overwogen betekent het feit dat het hof in deze procedure oordeelt dat de Staat juridisch niet aansprakelijk is voor het leed van de Moeders als gevolg van de scheiding van hun kind, níet dat die scheiding “dus” hun eigen schuld is. De Moeders hadden destijds geen reële keuzevrijheid ten aanzien van de afstand ter adoptie en dit was het gevolg van het samenspel van maatschappelijke, sociale en religieuze verhoudingen in die tijd. Ook betekent de verjaring van de rechtsvordering níet dat het leed is verjaard.

2Procesverloop in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:

  • de dagvaarding van 21 april 2022, waarmee de Moeders in hoger beroep zijn gekomen van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 26 januari 2022;

  • de memorie van grieven van de Moeders, met bijlagen;

  • de memorie van antwoord in principaal appel tevens memorie van grieven in incidenteel appel van de Staat;

  • de memorie van antwoord in incidenteel appel van de Moeders;

  • de bijlagen 92-110 die de Moeders ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling hebben overgelegd.

2.2

Op 29 november 2024 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd.

3Feitelijke achtergrond

De aanloop naar deze zaak in de periode 2014-2019: het WODC-rapport van 2017, instelling Aanmeldpunt en aansprakelijkstellingen in 2019
3.1

In oktober 2014 heeft het KRO-programma Brandpunt in een televisie-uitzending met als titel “Moederziel alleen” aandacht besteed aan het verzwegen leed van wat werd genoemd ‘afstandsmoeders’ 1. In vervolg op Kamervragen daarover en een rondetafelgesprek heeft de toenmalige Minister van Veiligheid en Justitie in 2015 besloten om het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum van het Ministerie van Veiligheid en Justitie (hierna: het WODC) een verkennend onderzoek te laten uitvoeren om meer inzicht te krijgen in de problematiek en de lessen die hier voor het heden uit getrokken kunnen worden.

3.2

Het verkennende onderzoek is (in opdracht van het WODC) uitgevoerd door de Radboud Universiteit en afgerond in 2017. Het verslag daarvan staat in het rapport “Beklemd in de scharnieren van de tijd” (hierna: het WODC-rapport). Dit rapport gaat over het beleid, de praktijk en de ervaringen bij afstand ter adoptie door niet-gehuwde moeders in Nederland tussen 1956 en 1984. Het beginpunt van het onderzoek wordt gemarkeerd door de inwerkingtreding van de Adoptiewet in 1956 2, het eindpunt door de inwerkingtreding van de Wet afbreking zwangerschap (Waz) in 1984 3. Volgens het WODC-rapport is de stem van de afstandsmoeder (bewust of onbewust) genegeerd in de maatschappelijke dialoog over afstand ter adoptie.

3.3

In het WODC-rapport staat onder meer het volgende (grotendeels samengevat en zakelijk weergegeven):

  • Naar schatting hebben tussen 1956 en 1984 tussen de dertien- en veertienduizend vrouwen afstand gedaan van één of meerdere kinderen. De groep is zeer divers, door onder meer verschillen in leeftijd, achtergrond en betrokkenheid van verschillende tehuizen. Het bekende beeld van zwangere tienermeisjes gaat maar ten dele op; veel geadopteerde kinderen zijn afgestaan door meerderjarige, en sommige zelfs door gehuwde vrouwen.

  • Binnen de onderzoeksperiode zijn twéé fasen te onderscheiden: een eerste fase tot circa 1970/1975, waarin ongehuwd zwangere meisjes en vrouwen in alle opzichten (slechte economische vooruitzichten en maatschappelijk stigma) in een benarde situatie zaten, en een tweede fase daarna waarin belangrijke veranderingen optraden en zowel de achtergrond als de bejegening van de ongehuwd/ongewenst zwangere meisjes en vrouwen snel veranderde.

  • Ongehuwde moeders werden lange tijd gezien als ‘gevallen vrouwen’, omdat zij buiten het huwelijk om gemeenschap hadden gehad. Dat strookte niet met het huwelijksideaal en de maatschappelijk gewenste rol als ‘huisvrouw’. Door vooral protestant-christelijke en rooms-katholieke kringen (in de destijds verzuilde samenleving) werden tehuizen opgericht waarin de vrouwen werden opgevangen en bijgestaan. Enerzijds werd dit gezien als een christelijke plicht, anderzijds vond men dat deze groep vrouwen een bedreiging vormde voor de morele orde en daarom (her)opgevoed moest worden. Sommige vrouwen brachten hun zwangerschap door bij een gastgezin of bij familie.

  • Na de Tweede Wereldoorlog werd de ongehuwde moeder in de pedagogiek en psychiatrie steeds meer geproblematiseerd. Begin jaren zestig werd de ongehuwde moeder beschouwd als een sociaal pathologisch fenomeen en gelijkgeschakeld met andere verschijnselen van ‘onmaatschappelijkheid’ zoals prostitutie en alcoholisme. Anders dan voorheen werd geconcludeerd dat het kind van een ongehuwde moeder beter af zou zijn bij een pleeggezin.

  • Eind jaren zestig wakkerde de toenemende professionalisering van de hulpverlening het debat aan. Religieuze en vrijwillige hulpverleners werden geleidelijk vervangen door degelijk opgeleide maatschappelijk werkers. Vanaf midden jaren zeventig werd met name door de maatschappelijk werkers de boodschap uitgedragen dat maatschappelijke uitsluiting van de ongehuwde moeder misplaatst en ongewenst was.

  • In beginsel was de hulpverlening aan ongewenst zwangere meisjes en vrouwen niet principieel voor of tegen het afstaan van een kind. In het merendeel van de onderzochte dossiers, getuigt de rapportage van een zorgvuldig, afgewogen proces, waarin al dan niet het besluit werd genomen het kind af te staan ter adoptie. De conclusie op basis van dit verkennende onderzoek (er is geen diepgravend onderzoek verricht naar de procedures van de tehuizen) is dat er geen aanwijzingen zijn dat in Nederland tussen 1956 en 1984 sprake is geweest van formele dwang (dwang door wetshandhavers) bij afstand ter adoptie.

  • Over informele dwang (dwang die buiten de wettelijke kaders plaatsvindt) is minder stellig een uitspraak te doen. Er waren veel personen die invloed konden uitoefenen op de moeder, ook degenen die binnen de vastgelegde protocollen opereerden. Het is te betwijfelen of afwijkingen van het protocol ook gerapporteerd werden. Er is in de dossiers geen bewijs van afwijkingen gevonden.

  • Uit de interviews blijkt dat zeker sprake is geweest van gepercipieerde informele dwang tot het afstaan van het kind. De ervaringen van de moeders “laten zien dat huisartsen, maatschappelijk werkers, ouders en andere betrokkenen een moeder dusdanig onder druk konden zetten, dat zij bij het maken van de keuze haar kind af te staan geen gehoor meer kon geven aan haar eigen wens om het kind te houden.

  • Bovendien lijkt er ook in veel gevallen sprake te zijn geweest van drang. Vooral bij minderjarige moeders waren de ouders een belangrijke machtsfactor bij de besluitvorming. De maatschappelijk werker kon deze invloed niet altijd afdoende doorbreken, ook al probeerden hulpverleners door een-op-eengesprekken te achterhalen wat de moeder eigenlijk zelf wilde. “De boodschap van de omgeving om het kind af te staan kon echter al dusdanig door een moeder zijn geïnternaliseerd dat zij niet in staat was om werkelijk autonoom een afweging te maken.” Meerderjarige moeders leken meer invloed te hebben, maar ook bij hun keuze werd gekeken naar de standpunten van de ouders, ook al hadden deze vrouwen een baan en een zelfstandig bestaan. “Voor hen was vaak een belangrijke overweging dat zij niet zelfstandig in staat waren om een kind op te voeden. Tegenwicht bieden aan de ouders was vaak moeilijk voor hulpverleners.”

  • Naast de ouders konden ook hulpverleners, zowel maatschappelijk werkers als huisartsen, al te zeer van invloed zijn op de besluitvorming. “Met hun professionele kennis konden zij het vooruitzicht op ongehuwd moederschap dusdanig kleuren dat een moeder ervan overtuigd raakte dat zij haar kind niet zelfstandig kón opvoeden.” De informanten geven aan dat zij destijds niet afdoende zijn geïnformeerd, noch over de gevolgen van de afstand ter adoptie, noch over hun rechten en mogelijkheden – zoals het recht op een bijstandsuitkering na 1965 – als alleenstaande ouder.

  • De normatieve maatschappelijke en godsdienstige druk in met name de jaren vijftig, zestig en de vroege jaren zeventig lijkt voor veel geïnterviewde afstandsmoeders doorslaggevend te zijn geweest. “De dreiging zichzelf door ongehuwd moederschap buiten de samenleving te plaatsen, was voor veel vrouwen genoeg reden om te besluiten het kind af te slaan.” Aan de moeder werd door hulpverleners verteld dat zij na de afstand ter adoptie verder kon gaan met haar leven: ze kon een opleiding afmaken, gaan werken en een man vinden om een gezin mee te stichten. De conservatieve opvattingen leken in de jaren vijftig, zestig en vroege jaren zeventig onaantastbaar. De normatieve druk die afstandsmoeders in het verleden hebben ervaren, heeft hun dan ook reële keuzevrijheid ten aanzien van afstand ter adoptie ontnomen. Bijna alle geïnterviewde vrouwen stellen dat zij ten tijde van hun zwangerschap de gevolgen van de afstand ter adoptie nooit hebben kunnen overzien; het verdriet door de scheiding van hun kind is dusdanig groot

dat de gevolgen ervan pas later in het leven duidelijk worden.

- Vanaf de jaren zeventig verdween langzaam maar zeker de morele afkeuring rond seksualiteit buiten het huwelijk om en rond ongehuwd moederschap. De keuzemogelijkheden van onbedoeld zwangere vrouwen breidden zich daardoor in relatief korte tijd uit. Veel afstandsmoeders lijken door hun ongewenste zwangerschap dan ook beklemd te zijn geraakt in de scharnieren van de tijd, waarbij afstand ter adoptie de enige uitweg leek ondanks dat ingrijpende maatschappelijke veranderingen zich al aan de horizon aan het aftekenen waren.

3.4

De WODC-onderzoekers pleiten voor een (gelijkwaardige) plaats voor de afstandsmoeder in ons maatschappelijk bewustzijn, en met haar voor de afstandsvader. Op die manier kan er volgens het rapport voor de afstandsouders openlijk aandacht komen voor de grote emotionele gevolgen die afstand ter adoptie heeft op een mensenleven. De onderzoekers pleiten ook voor een vervolgstudie, waarin een grotere groep afstandsouders aan het woord kan komen.

3.5

De minister voor Rechtsbescherming (hierna: de Minister) heeft vervolgens een verdiepend onderzoek aangekondigd in verband met, samengevat, afstand en binnenlandse adopties in de jaren 1956-1984. Met het oog op dit onderzoek is op 30 september 2019 een startconferentie gehouden. Ook is in september/oktober 2019 door en onder auspiciën van het Ministerie van Veiligheid en Justitie het zogenoemde Aanmeldpunt binnenlandse afstand en adoptie 1956-1984 (hierna ook wel: het Aanmeldpunt) ingericht, waarbij mensen zich konden opgeven als potentieel deelnemer aan het verdiepende onderzoek. [appellante 1] is een van de aanmelders.

3.6

Bij brief van 9 september 2019 heeft [appellante 1] de Staat aansprakelijk gesteld voor het leed en de schade die de Staat volgens haar onrechtmatig aan haar heeft toegebracht in verband met haar onvrijwillige scheiding en afstand van haar zoon.

3.7

Bij brief van 6 november 2019 heeft ook BCW de Staat aansprakelijk gesteld op grond van onrechtmatige daad in verband met het leed en de schade die de Staat volgens BCW heeft toegebracht aan de afstandsmoeders die haar achterban vormen. Bij brief van 20 mei 2020 heeft BCW aangekondigd dat zij naast [appellante 1] namens alle betrokken vrouwen zal optreden in een procedure tegen de Staat. De Staat heeft aansprakelijkheid van de hand gewezen.

Juridisch kader in de onderzoeksperiode

3.8

Net als nu was in de jaren 1956-1984 uitgangspunt dat de familierechtelijke band tussen moeder en kind behouden moest blijven en dat de Staat slechts onder bijzondere omstandigheden in het belang van het kind mocht ingrijpen. Ouders hadden de plicht èn het recht hun kinderen zelf te verzorgen en op te voeden en op dat uitgangspunt kon en mocht slechts inbreuk worden gemaakt als de ouders kennelijk niet in staat of niet bereid waren dit te doen.

3.9

De eerste Kinderwet uit 1901 4 voorzag in de mogelijkheid tot een kinderbeschermingsmaatregel in de vorm van ontheffing van of ontzetting uit de voogdij of de ouderlijke macht, uit te spreken door de rechter. Van ouderlijke macht werd gesproken als een kind binnen het huwelijk was geboren, bij kinderen die buiten het huwelijk werden geboren was sprake van voogdij. De zogenaamde ‘voogdijraad’ werd opgericht als vraagbaak voor de rechter. De voogdijraad kreeg ook een toezichthoudende taak, namelijk voor zover na ontheffing de voogdij werd opgedragen aan een vereniging of ‘stichting of instelling van weldadigheid’.

3.10

De naam van de voogdijraad werd in 1954 gewijzigd in ‘raad voor de kinderbescherming’. 5 Ieder arrondissement had een eigen raad. Op grond van artikel 1:461 BW (oud) had elke raad de plicht om zich op de hoogte te houden van de ontwikkeling van de kinderbescherming in zijn gebied, de samenwerking te bevorderen van de aldaar werkzame instellingen van kinderbescherming en om op verzoek of uit eigen beweging autoriteiten en instellingen te adviseren.

3.11

In 1956 is na een jarenlange parlementaire discussie de Adoptiewet in werking getreden. 6 Deze wet voerde de adoptie van een kind in als een maatregel van kinderbescherming in het belang van het kind. Adoptie was een nieuw instituut en ingegeven door de omstandigheid dat het aantal pleegkinderen in Nederland veel groter geworden was door de eerder ingevoerde maatregelen van ontheffing en ontzetting en door de toename van weeskinderen na de Eerste en Tweede Wereldoorlog. Beoogd werd met de mogelijkheid van adoptie de positie van die (als pleegkind in een gezin opgenomen) kinderen te verstevigen.

3.12

In de wetsgeschiedenis is destijds ook aandacht besteed aan het doen van afstand door de ongehuwde moeder. Volgens de memorie van toelichting 7 werd ervoor gevreesd dat invoering van de mogelijkheid van adoptie het vrijwillig afstaan van kinderen zou bevorderen, waarbij in het bijzonder gedacht werd aan ongehuwde moeders “die gevaar lopen onder de indruk van de naderende geboorte of onmiddellijk daarna gehoor te geven aan raadgevingen om het kind dadelijk af te staan aan een van de vele echtparen die een pleegkind verlangen". De wetgever achtte het echter niet waarschijnlijk dat de invoering van adoptie tot vergroting van dit gevaar zou leiden, omdat er voorheen ook al veel meer vraag naar pleegkinderen was, dan ‘aanbod’. Daarnaast zou de mogelijkheid van adoptie er juist aan kunnen bijdragen dat de moeders niet zouden ingaan op onderhandse bemiddelingspogingen, maar zich tot een kinderbeschermingsinstantie zouden wenden, met de kans dat zij dan overtuigd zouden worden van de plicht en de mogelijkheid om hun kind zelf groot te brengen. De wetgever zag wel in dat ook na invoering van de adoptiemogelijkheid een reëel gevaar zou blijven bestaan voor het buitenwettelijk afstaan en opnemen van pleegkinderen en meende dat dit gevaar het meest de ongehuwde moeder bedreigde. Om dit gevaar tegen te gaan zag de wetgever allereerst een taak voor de particuliere instellingen die zich toelegden op de hulp en steun aan de ongehuwde moeder met daarnaast de Raad als centraal punt aan de zijde van de overheid. Omdat onderkend werd dat het, ondanks de activiteiten van deze organisaties, toch niet mogelijk zou zijn om alle gevallen van afkeurenswaardige en schadelijke onderhandse bemiddelingspogingen tegen te gaan, werd voorgesteld om het uit winstbejag bevorderen van de opneming van pleegkinderen als misdrijf strafbaar te stellen. Verder blijkt uit de memorie van antwoord 8 dat erop werd vertrouwd dat de mogelijkheid van adoptie de neiging tot het afstaan van kinderen niet zou stimuleren. Verwacht werd dat de instellingen voor maatschappelijk werk en kinderbescherming zich door de mogelijkheid van adoptie niet zouden laten verleiden tot het in de hand werken van het afstaan van kinderen. De Minister van Justitie gaf de verzekering dat hij bereid was te bevorderen dat de raden voor de kinderbescherming en de kinderpolitie zich daarvoor zouden hoeden.

3.13

De gang van zaken na invoering van de Adoptiewet was als volgt. Als een vrouw had besloten afstand te doen van haar kind werd dit gemeld aan de Raad, bijvoorbeeld door de particuliere instelling waar zij verbleef of door de huisarts. De Raad was als enige instantie bevoegd om de rechter om een kinderbeschermingsmaatregel te verzoeken, meer in het bijzonder om de rechter te verzoeken om de vrouw te ontzetten of te ontheffen uit de ouderlijke macht (in geval van een gehuwde moeder) dan wel uit de voogdij (in geval van een ongehuwde moeder). Ontzetting was de meest vergaande maatregel en was alleen mogelijk op een beperkt aantal gronden zoals slecht levensgedrag, onbekwaamheid of strafrechtelijke veroordeling. Ontheffing was alleen mogelijk als het belang van de kinderen zich daartegen niet verzette en op de grond dat de ouder-voogd “ongeschikt of onmachtig” was om “zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen”. Een ontheffing kon in beginsel alleen worden uitgesproken als de ouder-voogd zich daar niet tegen verzette. Als de rechtbank dit in het belang van het kind noodzakelijk achtte, kon zij een (ouder-)voogd hangende het onderzoek naar ontheffing of ontzetting geheel of gedeeltelijk schorsen in de uitoefening van zijn voogdij en het kind voorlopig toevertrouwen aan de Raad die daarmee ook de zorg voor het kind had. Gedurende die periode werd het kind ondergebracht bij een tijdelijk pleeggezin of in een kindertehuis. Als de rechtbank een ontheffing uitsprak, moest zij voorzien in de benoeming van een voogd en toeziend voogd. De voogdij kon worden opgedragen aan een rechtspersoon, zoals een voogdijvereniging of -stichting, die zich bereid moest verklaren de voogdij te aanvaarden. De Raad moest de pleeggezinnen en inrichtingen waar de met voogdij belaste rechtspersonen de kinderen hadden geplaatst, bezoeken zo vaak hij dat dienstig vond ter beoordeling van de toestand van het kind. Een ouder-voogd die van de voogdij was ontheven (of daaruit was ontzet) kon op grond van artikel 1:425 BW (oud) de rechter verzoeken te worden hersteld in het gezag over zijn of haar kind. Als dit niet gebeurde kon een pleeggezin nadat een kind daar een jaar had verbleven, de adoptie aanvragen. Bij minderjarigheid van de biologische moeder kon adoptie pas tot stand komen als de moeder meerderjarig was geworden.

Geboorte zoon van [appellante 1] , de ontheffing en de adoptie: begin 1968 - begin 1974

3.14

[appellante 1] is in mei 1967 in verwachting geraakt en op 15 februari 1968 bevallen van een zoon, [de zoon] (hierna: de zoon). [appellante 1] was destijds 21 jaar oud en ongehuwd. De vader van het kind was haar toenmalige vriend. [appellante 1] is bevallen in de Sint Paula Stichting tehuis voor moeder en kind in Oosterbeek (hierna: de Paula Stichting). De Paula Stichting was een rooms-katholieke instelling voor de opvang van ongehuwd zwangere vrouwen.

3.15

De Paula Stichting heeft de raad voor de kinderbescherming in Arnhem (hierna: de Raad Arnhem) schriftelijk geïnformeerd over de geboorte van de zoon. De Paula Stichting heeft de Raad Arnhem ook bericht dat [appellante 1] aanvankelijk haar baby wilde houden, maar dat zij later heeft besloten afstand van hem te doen. Daarop heeft de rechter, op 25 maart 1968, op verzoek van de Raad Arnhem, de voogdij van [appellante 1] over haar zoon geschorst en hem voorlopig aan de Raad Arnhem toevertrouwd. Op 4 december 1968 heeft de rechter [appellante 1] op verzoek van de Raad Arnhem ontheven uit de voogdij over haar zoon. De Nijmeegse R.K. Stichting voor Kinderbescherming is toen benoemd tot voogdes over de zoon. Deze stichting en de Paula Stichting waren particuliere organisaties die niet met overheidsmiddelen waren gefinancierd. Zij bestaan niet meer.

3.16

De zoon van [appellante 1] heeft vanaf zijn geboorte tot 5 oktober 1970 verbleven bij de Paula Stichting. Op die datum (toen hij dus ruim 2,5 jaar oud was) is hij opgenomen in een pleeggezin. Daarna is na een beschikking van de rechter de voogdij over hem overgegaan op de pleegouders en weer later, op 31 oktober 1973, heeft de rechter de adoptie door dit echtpaar uitgesproken. De adoptiebeslissing is op 23 januari 1974 ingeschreven in de registers van de Burgerlijke Stand van de gemeente Renkum en daarmee onherroepelijk geworden.

3.17

[appellante 1] heeft haar zoon op 29 augustus 2018 voor het eerst weer ontmoet en heeft sindsdien contact met hem.

3.18

[appellante 1] heeft na de ontmoeting met haar zoon in 2018 de dossiers over haar en haar zoon opgevraagd bij de Paula Stichting en de Raad voor de Kinderbescherming. Zij heeft deze dossiers, voor zover aan haar verstrekt, begin 2019 ingezien.

3.19

In januari 2019 (45 jaar na de adoptie) heeft [appellante 1] een brief aan de Minister geschreven waarin zij ingaat op haar persoonlijke situatie, op het verdriet dat zij heeft doordat zij afstand heeft gedaan van haar zoon en op de omstandigheden waaronder zijn afstand en adoptie hebben plaatsgevonden.

Bureau Clara Wichmann; verklaringen andere moeders

3.20

BCW is een stichting die volgens haar statuten onder meer tot doel heeft het bevorderen van emancipatie van vrouwen, het verbeteren van hun rechtspositie en maatschappelijke en sociale positie en het bestrijden van hun discriminatie, in het bijzonder door het voeren van rechtszaken. BCW komt in deze zaak op voor de belangen van die moeders die in de periode 1956-1984 tegen hun wil zijn gescheiden en afstand hebben gedaan van hun kind en die eenzijdig, onvolledig en/of onjuist zijn geïnformeerd over hun rechten en/of de praktische mogelijkheden om hun kind zelf op te voeden.

3.21

In het dossier bevinden zich (naast een aantal steunverklaringen) in totaal twaalf schriftelijke verklaringen van moeders die in de periode van 1961 tot 1974 zijn bevallen en die afstand hebben gedaan van één of meer kinderen. De omstandigheden waaronder dit volgens de verklaringen is gebeurd, verschillen onderling, maar gemene deler is dat de moeders zich door meerdere betrokkenen (onder meer door hun ouders, kerk en hulpverleners) onder druk gezet hebben gevoeld om afstand te doen van hun kind en dat zij verklaren geen informatie te hebben gekregen over de mogelijkheden zelf hun kind op te voeden.

Ontwikkelingen ná de aansprakelijkstellingen van eind 2019

3.22

Op verzoek van de Minister heeft het WODC het Verwey Jonker Instituut opgedragen om het hiervóór onder 3.5 genoemde verdiepende onderzoek te verrichten. Het doel van dit verdiepende onderzoek was om vanuit de optiek van alle betrokkenen (afstandsouders, afstandskinderen, adoptieouders en hulpverleners) een completer beeld te verkrijgen van de wijze waarop de binnenlandse afstand en adoptie verliepen tussen 1956 en 1984.

3.23

Er zijn problemen ontstaan rond het hiervóór (in 3.5) genoemde Aanmeldpunt. Zo waren er problemen in verband met de bemensing van het Aanmeldpunt, de wijze van verslaglegging van gesprekken met betrokkenen en het verwerken en opslaan van die verslagen in overeenstemming met privacywetgeving. Een Commissie van onafhankelijke deskundigen en de Auditdienst Rijk hebben in opdracht van de Minister onderzoek naar die problemen verricht en daarover gerapporteerd. 9 De Minister heeft in 2021 besloten om het onderzoek van het Verweij Jonker Instituut stop te zetten naar aanleiding van de hiervoor genoemde problemen met het Aanmeldpunt. 10

3.24

In 2021 is door de Tweede Kamer een motie aangenomen 11 waarin de regering verzocht wordt om geen beroep meer te doen op eventuele verjaringstermijnen bij rechtszaken over binnenlandse adopties in het verleden. De Minister heeft in reactie op Kamervragen van het Kamerlid Van Nispen toegelicht waarom in deze zaken toch een beroep op verjaring moet kunnen worden gedaan. 12

3.25

In 2024 is de Commissie Onderzoek naar binnenlandse afstand en adoptie in de periode 1956–1984, onder voorzitterschap van prof. dr. M. de Winter (hierna: de Commissie De Winter) gestart met zijn onderzoek. De verwachting is dat dit onderzoek in mei 2025 zal zijn afgerond. De verantwoordelijk staatssecretaris heeft toegezegd dat hij passende gevolgen aan de resultaten van het onderzoek zal verbinden en daarbij ook de mogelijkheid tot het inroepen van een verjaringsverweer in procedures over deze gebeurtenissen opnieuw zal bezien. 13

3.26

In een brief van 23 juli 2024 hebben de UN Special Rapporteur on violence against women and girls, its causes and consequences en de Special Rapporteur on the promotion of truth, justice, reparation and guarantees of non-recurrence aandacht gevraagd voor de gebeurtenissen rond afstand en adoptie in Nederland in de periode 1956–1984 en de mogelijke rol van de Raad voor de Kinderbescherming daarbij. Zij hebben onder meer zorgen geuit over de wijze waarop de schade en het trauma van de moeders in Nederland is geadresseerd en over het beroep op verjaring. De Staat heeft bij brief van 22 september 2024 gereageerd. Hij heeft in die reactie verwezen naar het lopende onderzoek van de Commissie De Winter dat hij wil afwachten.

3.27

De stichting De Nederlandse Afstandsmoeder en de stichting Verleden in Zicht hebben bij brief van 14 oktober 2024 op deze brief van de Staat gereageerd. Zij herkennen zich niet in het beeld dat de Staat daarin schetst. Ook twijfelen zij aan de bereidheid van de Commissie De Winter om alle openliggende vragen te onderzoeken en vinden zij dat de Commissie bevooroordeeld is en dat de Staat zich onvoldoende coöperatief opstelt.

Overig

3.28

In het dossier bevindt zich onder meer een door de Moeders overgelegd rapport van prof. dr. M. van den Hout , klinisch psycholoog, van juni 2020, getiteld “Ter adoptie afstaan van pasgeborenen door ongehuwde moeders (1956-1980); waarom er pas recent vorderingen tegen de Staat werden ingesteld”. Van den Hout zet in dit rapport uiteen waarom naar zijn mening psychologisch verklaarbaar is dat pas recent een vordering tegen de Staat is ingesteld en waarom betrokkenen dat niet eerder deden/konden doen. Hieronder wordt op dit rapport teruggekomen.

4De procedure bij de rechtbank

4.1

De Moeders hebben de Staat gedagvaard en (na eiswijziging) samengevat gevorderd dat de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. wat betreft [appellante 1]: (i) voor recht verklaart dat de Staat onrechtmatig ten opzichte van [appellante 1] heeft gehandeld en aansprakelijk is voor de schade die zij heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van de onrechtmatige gedragingen van de Staat en (ii) de Staat veroordeelt tot vergoeding van de materiële en immateriële schade die [appellante 1] als gevolg van dit onrechtmatig handelen en nalaten heeft geleden, nader op te maken bij staat en te vermeerderen met rente vanaf de dag waarop zij feitelijk van haar zoon werd gescheiden, dan wel vanaf de dag waarop zij definitief uit de voogdij over haar zoon werd ontheven;

  2. wat betreft BCW: voor recht verklaart dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld ten opzichte van de vrouwen die in de periode 1956 tot 1984 van hun kind zijn gescheiden en daarbij eenzijdig en/of onvolledig en/of onjuist waren geïnformeerd over hun rechten en/of de praktische mogelijkheden ten aanzien van de opvoeding van hun kind;

  3. wat betreft beiden: de Staat te veroordelen in de kosten van dit geding.

4.2

De Moeders hebben hiertoe aangevoerd dat de Staat zijn internationaalrechtelijke verplichting om de familierechtelijke betrekkingen te beschermen (onder andere voortvloeiend uit artikel 8 EVRM) heeft geschonden. Hij heeft volgens hen ook gehandeld in strijd met de op hem rustende wettelijke verplichtingen en ongeschreven zorgvuldigheidsnorm die hem ertoe verplichtte [appellante 1] en de moeders voor wie BCW opkomt te behoeden voor de scheiding van hun kind. De Moeders verwijten de Staat (meer in het bijzonder de Raad) dat hij actief eraan heeft bijgedragen dat moeders tegen hun wil afstand hebben gedaan van hun kind en dat hij in elk geval onvoldoende heeft gedaan om dat te voorkomen. De Raad was de ‘spin in het web’ in het traject dat leidde tot afstand en uiteindelijk adoptie. De Raad was immers de enige instantie die de rechter kon verzoeken om de ontheffing of ontzetting van de moeder uit de ouderlijke macht/de voogdij. Door toedoen of nalaten van de Raad zijn de Moeders eenzijdig, onvolledig en/of onjuist geïnformeerd over hun rechten en praktische mogelijkheden om hun kind op te voeden. Volgens [appellante 1] staan er veel onjuistheden in haar dossiers. Zij stelt dat zij door alle betrokken instellingen onder druk is gezet om afstand te doen van haar zoon en dat zij niet is voorgelicht.

4.3

De Staat heeft de ontvankelijkheid van BCW betwist. Bovendien heeft hij zich ten aanzien van zowel [appellante 1] als BCW beroepen op verjaring. De Staat heeft ook inhoudelijk verweer gevoerd tegen de vorderingen.

4.4

De rechtbank heeft, samengevat, als volgt geoordeeld:

  • BCW is ontvankelijk in haar vordering.

  • Er zijn goede gronden voor de conclusie dat het beroep van de Staat op verjaring slaagt, maar de rechtbank wijst de vorderingen op andere (inhoudelijke) gronden af.

  • De Staat heeft niet onrechtmatig gehandeld ten opzichte van de achterban van BCW en [appellante 1] . Redengevend is dat niet is komen vast te staan dat de Raad in de periode 1956-1984 structureel of, in het concrete geval van [appellante 1] , bij de uitoefening van zijn taken in verband met de afstand en adoptie van kinderen van de achterban van BCW of van [appellante 1] fouten heeft gemaakt die juridisch verwijtbaar zijn in de door de Moeders gestelde zin. De rechtbank baseert zich wat betreft de vordering van BCW in belangrijke mate op het WODC-rapport uit 2017. Daaruit blijkt onder meer dat er geen aanwijzingen zijn dat er formele dwang is geweest, maar dat de betrokken afstandsmoeders zich destijds wel informeel onder dwang voelden staan om hun kind af te staan. Ook blijkt daaruit dat zij toen bij die afstand geen reële keuzevrijheid hebben gehad vanwege de normatieve druk van de omgeving (vanuit ouders en hulpverleners zoals huisartsen en maatschappelijk werkers). Volgens het rapport is het ontbreken van die keuzevrijheid het gevolg van het samenspel van maatschappelijke, sociale en religieuze verhoudingen in die periode. Mede hierom kan niet worden gezegd dat de Raad onrechtmatig ten opzichte van de afstandsmoeders heeft gehandeld. Dat geldt temeer nu het niet de taak was van de Raad om de individuele moeders voor te lichten en te adviseren over praktische en juridische mogelijkheden.

  • Ook in het geval van [appellante 1] heeft de Raad (waarbij het ging om de Raad Arnhem) volgens de rechtbank niet onrechtmatig gehandeld. Een belangrijke reden daarvoor is dat partijen verschillende standpunten hebben over de feitelijke gang van zaken destijds, waarbij de herinnering van [appellante 1] daarover veelal afwijkt van de inhoud van de rapportages van de Raad Arnhem. De rechtbank kan nu, ruim vijftig jaar later, niet vaststellen wie van de partijen gelijk heeft.

5De vorderingen in hoger beroep

5.1

De Moeders zijn in hoger beroep gekomen omdat zij het niet eens zijn met het vonnis. Zij hebben verschillende bezwaren tegen het vonnis aangevoerd en vorderen hetzelfde als bij de rechtbank.

5.2

Met grief 1 voeren de Moeders aan dat de rechtbank de taken en bevoegdheden van de Raad te beperkt en onjuist heeft uitgelegd. De Raad was de ‘spin in het web’. De wetgever heeft met de invoering van de Adoptiewet aan de Raad de rol van ‘beschermheer’ van de betrekking tussen de (ongehuwde) moeder en het kind toegekend. De Raad moest de moeders beschermen tegen de maatschappelijke, sociale en religieuze druk tot het doen van afstand. Deze taak vloeide onder meer voort uit de wet, artikel 8 EVRM en de ongeschreven zorgvuldigheidsnorm. De Raad had op grond daarvan onder meer een algemene toezichthoudende taak op de particuliere instellingen. Ook was de Raad rechtstreeks betrokken bij het maatschappelijk werk ter ondersteuning van de moeder en, door het onderzoek naar de gezinssituatie, bij individuele gevallen van afstand. Bovendien had de Raad de taak om de individuele moeders voor te lichten over de praktische en juridische mogelijkheden om hun kind zelf op te voeden. De Moeders wijzen er op dat een ongehuwde moeder ook destijds het wettelijk recht had om haar eigen kind te verzorgen en op te voeden. Grief 2 ziet specifiek op de beoordeling van de vordering van BCW en houdt in dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de Raad niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens de achterban van BCW. BCW verwijt de Raad onder meer dat deze onderzoeksrapporten niet of onvoldoende heeft gecontroleerd dan wel zelf onzorgvuldig heeft opgesteld en dat de Raad geen of onjuiste informatie en voorlichting heeft gegeven aan de vrouwen, terwijl bekend was dat de vrouwen die voorlichting niet of onvoldoende kregen in de particuliere instellingen. Grief 3 heeft betrekking op de beoordeling van de vordering van [appellante 1] en houdt in dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de Raad Arnhem niet onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld. Volgens [appellante 1] is de Raad Arnhem ten onrechte blindelings uitgegaan van de juistheid van de rapporten van de Paula Stichting, terwijl daar aantoonbaar onjuistheden in stonden. Ook verwijt [appellante 1] de Raad Arnhem dat deze geen zelfstandig, volledig en objectief onderzoek heeft gedaan, niet ervoor heeft gezorgd dat [appellante 1] adequate hulp en bijstand kreeg, naliet haar in het besluitvormingsproces te betrekken en ten onrechte na de ontheffing geen verzoek tot herstel van de voogdij heeft gedaan toen haar zoon nog lange tijd in de Paula Stichting verbleef. Met grief 4 voeren de Moeders aan dat de verjaringstermijn nog niet is verstreken en subsidiair, voor zover dat al wel het geval is, dat de verjaring moet worden doorbroken, omdat het beroep van de Staat op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

5.3

De Staat heeft verweer gevoerd. De Staat heeft in de eerste plaats aangevoerd dat de vorderingen zijn verjaard. Verder heeft hij de (overige) grieven bestreden. De Staat heeft in incidenteel hoger beroep één grief aangevoerd. Deze incidentele grief strekt ertoe dat BCW niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar vordering, omdat volgens de Staat niet aan het gelijksoortigheidsvereiste van 3:305a BW is voldaan.

6De beoordeling door het hof

Inleiding
6.1

Dit is een dossier vol leed. Dat leed is reëel en invoelbaar; de juridische beoordeling van de vorderingen hierna doet daar niets aan af. Het hof heeft oog voor dit leed. Dat dit leed nog altijd voortduurt werd opnieuw duidelijk door de indringende, ter zitting afgelegde verklaringen. Niet ter discussie staat dat sprake is van een zwarte bladzijde in de geschiedenis van Nederland (aldus ook de Staat, ter zitting bij de rechtbank). Naar schatting hebben tussen de dertien- en veertienduizend vrouwen tussen 1956 en 1984 een (of meerdere) kind(eren) afgestaan ter adoptie. In die tijd werd anders gekeken naar en gedacht over ongehuwde zwangere vrouwen dan nu. Zwangerschap buiten het huwelijk werd veelal als een schande gezien en de moeders werden in het algemeen niet (goed) in staat geacht om hun kind alleen op te voeden. Uit alle overgelegde verklaringen van moeders en ook uit het WODC-rapport (zie 3.3. hierboven) blijkt dat ongehuwde moeders door een samenspel van maatschappelijke, sociale en religieuze factoren geen reële mogelijkheid kregen om ervoor te kiezen hun kind zelf op te voeden. Er werd grote druk op hen uitgeoefend door allerlei betrokkenen uit hun omgeving, waaronder hun ouders, huisarts, de kerk en betrokken hulpverlenende instanties, om hun kind ter adoptie af te staan.

6.2

Kern van het betoog van de Moeders is dat de Raad voor de Kinderbescherming hen tegen die maatschappelijke, sociale en religieuze druk had moeten beschermen en dat de Raad onrechtmatig heeft gehandeld door dat niet te doen. De Moeders stellen dat de Raad daarom aansprakelijk is voor hun leed. De op dat standpunt gebaseerde vorderingen vereisen een beoordeling aan de hand van juridische criteria en dat betekent dat het hof ook een aantal formele vragen moet beantwoorden. Dat komt ongetwijfeld koud en afstandelijk over op de Moeders maar het is onvermijdelijk in een juridische procedure dat ook dergelijke formele punten worden beoordeeld. Zo moet, voordat kan worden toegekomen aan de inhoudelijke vraag of de Raad inderdaad onrechtmatig heeft gehandeld, eerst worden nagegaan of in deze zaak plaats is voor een collectieve actie zoals BCW namens haar achterban heeft ingesteld - oftewel, in juridische termen, of BCW in de vordering kan worden “ontvangen” en dus “ontvankelijk” is. Ook moet worden beoordeeld of het beroep van de Staat op verjaring moet worden gehonoreerd.

6.3

Het hof is tot de conclusie gekomen dat beide formele vragen in het nadeel van de Moeders moeten worden beantwoord: BCW is niet-ontvankelijk in haar vordering en de vordering van [appellante 1] is verjaard. Het hof zal dit hierna motiveren. Alvorens dit te doen, hecht het hof eraan op te merken dat het feit dat de Staat in deze procedure niet aansprakelijk kan worden gehouden voor het leed van de Moeders, niet betekent dat daarmee de geschiedenis ingaat dat het “dus” de eigen schuld is van de Moeders dat zij zijn gescheiden van hun kind. Zoals gezegd blijkt uit het WODC-rapport afdoende dat zij slachtoffer zijn geweest van de destijds bestaande maatschappelijke, sociale en religieuze opvattingen. Verder geldt de rechtsvordering van BCW weliswaar is verjaard, maar dat het hof beseft dat het leed van de Moeders natuurlijk nooit “verjaart”. Het hof spreekt de hoop uit dat het vervolg van het buitengerechtelijk traject met de grootst mogelijke zorgvuldigheid maar ook – binnen die zorgvuldigheidsgrenzen – met de grootst mogelijke voortvarendheid en transparantie zal worden voortgezet.

Bureau Clara Wichmann is niet-ontvankelijk: niet voldaan aan het gelijksoortigheidsvereiste

6.4

Niet in geschil is dat de gebeurtenissen waarop de vordering van BCW betrekking heeft, hebben plaatsgevonden vóór 15 november 2016, zodat op grond van artikel 119a lid 2 Overgangswet, artikel 3:305a BW (oud) van toepassing is (zie in diezelfde zin het vonnis, r.o. 5.11.).

6.5

Voor de keuze van BCW voor een collectieve actie op grond van dat artikel is op zichzelf begrip op te brengen. Een collectieve actie is minder belastend voor individuele vrouwen en lijkt efficiënter. Dit laatste – een efficiënte en effectieve rechtsbescherming ten behoeve van de belanghebbenden – is ook de reden waarom de wetgever de collectieve actie in het leven heeft geroepen. Dat neemt echter niet weg dat een dergelijke actie alleen mogelijk is als de belangen ter bescherming waarvan de collectieve vordering strekt voldoende gelijksoortig zijn en zich daarom lenen voor bundeling. Dit veronderstelt dat ook de feitelijke vragen en rechtsvragen die aan de orde zijn in de collectieve vordering voldoende gelijksoortig zijn en zich daarom lenen voor gezamenlijke behandeling en beoordeling in één procedure. Dit gelijksoortigheidsvereiste, dat is neergelegd in het eerste lid van artikel 3:305a BW (oud), gaat niet zo ver dat de belangen van degenen ten behoeve van wie de collectieve actie wordt ingesteld, identiek of zelfs overwegend gelijk moeten zijn, maar het betekent wel dat de rechter bij de beoordeling van de vordering zodanig moet kunnen abstraheren van de bijzonderheden van individuele gevallen, dat de beoordeling niet anders zou kunnen uitvallen dan in een individueel geval. 14 Alleen dan kan in één procedure worden geoordeeld over de door de rechtsvordering aan de orde gestelde geschilpunten en vorderingen, zonder dat daarbij de bijzondere omstandigheden aan de kant van de individuele belanghebbenden betrokken behoeven te worden. 15

6.6

Volgens de Staat is niet aan dit gelijksoortigheidsvereiste voldaan en het hof is het daarmee eens. BCW voert terecht aan dat de Raad betrokken was bij álle individuele zaken waarin moeder en kind werden gescheiden en de moeder uit de ouderlijke macht/voogdij werd ontheven of ontzet, omdat alleen de Raad een dergelijke maatregel kon verzoeken. Dat laat echter onverlet dat de feiten en omstandigheden in de individuele zaken over een periode van maar liefst 28 jaar te zeer van elkaar verschillen om de in deze procedure voorliggende vragen in algemene zin te kunnen beantwoorden zonder inachtneming van die verschillen. Let wel, het gaat hier niet om de inhoudelijke vraag of de vordering is verjaard en (zo niet) of de Raad onrechtmatig heeft gehandeld. Het gaat hier om een voorvraag, te weten of het voor de rechter (het hof) überhaupt mogelijk is om de inhoudelijke vragen in algemene zin te beantwoorden zonder rekening te houden met de bijzondere omstandigheden van elke afzonderlijke zaak. Het hof beantwoordt die voorvraag ontkennend en legt dat hierna uit.

6.7

BCW vordert een verklaring voor recht dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld ten opzichte van de vrouwen die in de periode 1956 tot 1984 van hun kind zijn gescheiden en daarbij eenzijdig en/of onvolledig en/of onjuist zijn geïnformeerd over hun rechten en/of de praktische mogelijkheden ten aanzien van de opvoeding van hun kind. Aanvankelijk strekte de vordering van BCW tot een verklaring voor recht dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld jegens de vrouwen die in de periode 1956 tot 1984 “tegen hun wil” van hun kind zijn gescheiden. De Staat heeft bij conclusie van antwoord aangevoerd dat daarmee niet aan het gelijksoortigheidsvereiste was voldaan omdat het element “tegen hun wil” alleen op individuele basis kan worden vastgesteld. Het hof acht dat een juiste constatering. Hierna heeft BCW haar vordering gewijzigd in bovenstaande zin. De Staat heeft echter al in eerste aanleg en vervolgens opnieuw in zijn incidentele grief in hoger beroep terecht opgemerkt dat ook na deze wijziging de kern van het standpunt van BCW is gebleven dat de moeders zich gedwongen hebben gevoeld afstand te doen van hun kind en dat voor een deel van die moeders de scheiding tegen hun wil was (zie onder meer memorie van grieven onder 1, 3, 163, 164). Ook de rechtbank is van deze uitleg van de vordering uitgegaan (vonnis 1.1. en 5.14-5.15) en BCW is hier in hoger beroep (begrijpelijk) niet tegenop gekomen.

6.8

Het hof twijfelt er niet aan dat de vrouwen die in deze procedure een verklaring hebben afgelegd, hun kind bij zich hadden willen houden en dat dit ook geldt voor vele andere vrouwen die in de periode van 1956 tot 1984 afstand hebben gedaan. Dat brengt echter niet mee dat het mogelijk is om in algemene zin te beoordelen in hoeverre de Raad in al die zaken zelfstandig aan de scheiding heeft bijgedragen en of het handelen/nalaten van de Raad in die gevallen onrechtmatig is geweest. Zoals gezegd strekt de vordering zich uit over een periode van 28 jaar. In deze lange periode hebben naar schatting 13.000 à 14.000 vrouwen afstand gedaan van hun kind. In dit dossier bevinden zich (naast een aantal steunverklaringen) twaalf schriftelijke verklaringen van moeders die bevallen zijn in de periode van 1961 tot 1974 (dus gedurende 14 jaar van die totale 28 jaar, met dien verstande dat acht van de twaalf verklaringen betrekking hebben op een nog kortere periode van 1961 tot 1969). Uit die verklaringen volgt dat de moeders zich gedwongen hebben gevoeld afstand te doen, en het WODC-rapport van 2017 ondersteunt de stelling dat van een reële keuzevrijheid geen sprake is geweest. De afgelegde verklaringen en de in het WODC-rapport gegeven casusvoorbeelden maken echter óók duidelijk dat de omstandigheden waaronder door de vrouwen afstand is gedaan onderling (sterk) verschilden. Zo kan het verschil maken welke leeftijd de vrouw had (en of zij al dan niet meerderjarig was) en wat haar sociaaleconomische omstandigheden waren. Daarnaast is het relevant of de vrouw in de periode van afstand doen in een particuliere instelling verbleef (dat gold namelijk niet voor alle vrouwen), welke instelling dat was (er waren destijds meerdere instellingen werkzaam in de zorg voor ongehuwde moeders) en of deze instelling zich met de besluitvorming over de afstand heeft bemoeid en zo ja, op welke wijze en in welke mate. Verder is relevant of de vrouw destijds al dan niet informatie heeft gekregen van zo’n particuliere instelling of van andere betrokkenen over haar rechten en de praktische (on)mogelijkheden om het kind op te voeden en ook is van belang of bepaalde instellingen (zoals kerk, school of werkgever) of personen (huisarts, ouders of overige familie) druk op de vrouw hebben uitgeoefend bij het nemen van de beslissing over afstand en zo ja, in welke mate.

6.9

Dit is slechts een kleine opsomming van de mogelijke verschillen in individuele zaken, waarvan niet zomaar kan worden geabstraheerd bij het geven van een juridisch oordeel over de onrechtmatigheid van het handelen van de Raad. Dat wordt niet anders door de stelling van BCW in hoger beroep dat sprake is geweest van routinematig en structureel onrechtmatig handelen van de Raad. BCW heeft in dat verband aangevoerd dat de Raad onrechtmatig beleid heeft gevoerd (volgens haar gericht op de scheiding van moeder en kind), structureel onvoldoende toezicht op de particuliere instellingen heeft gehouden en heeft nagelaten in te grijpen om de scheiding te voorkomen. Voorop staat dat deze verwijten inhoudelijk niet hetzelfde zijn als het in de vordering genoemde verwijt van een gebrekkige voorlichting. Afgezien daarvan geldt dat zo’n algemene formulering van verwijten niet meebrengt dat van de vele verschillen tussen de individuele gevallen kan worden geabstraheerd. Dat geldt dus ook voor het specifieke, in de vordering vermelde verwijt van een gebrekkige voorlichting: voor zover op basis van de stukken al zou kunnen worden vastgesteld dat sprake was van een bepaald patroon van handelen van de Raad en dat dit patroon min of meer onveranderd is gebleven gedurende de 28 jaar van 1956 tot 1984 (hetgeen het hof betwijfelt), betekent dat nog niet dat in algemene zin kan worden vastgesteld dat het uit dat patroon volgende handelen/nalaten van de Raad onrechtmatig was jegens de betrokken moeders, ongeacht de verschillen tussen de afzonderlijke gevallen. Of er “eenzijdig en/of onvolledig en/of onjuist” is geïnformeerd en of dat onrechtmatig was jegens de desbetreffende moeder, hangt immers ook af van de behoeften en specifieke omstandigheden van die moeder, en van de vraag in hoeverre de Raad er in het concrete geval redelijkerwijs van uit mocht gaan dat de vrouw al door anderen was geïnformeerd. Het is bijvoorbeeld niet zo dat in algemene zin kan worden geoordeeld dat de Raad onrechtmatig jegens de moeder heeft gehandeld (telkens) wanneer zij geen specifieke informatie over een uitkering verstrekte; dit kan immers onder meer afhangen van de vraag in hoeverre voor de Raad kenbaar moest zijn dat dit voor de besluitvorming van de betrokken vrouw (nog) relevant was en van de vraag in hoeverre de Raad er van mocht uitgaan dat de vrouw die informatie al had.

6.10

In het verlengde van het voorgaande geldt het volgende. Op zich merkt BCW terecht op dat ook na een succesvolle collectieve actie afzonderlijke vervolgprocedures nodig kunnen zijn om te bepalen of de individuele belanghebbenden op basis van de toegewezen verklaring voor recht aanspraak kunnen maken op schadevergoeding. In zo’n vervolgprocedure moet dan worden vastgesteld of de gegeven verklaring voor recht ook geldt voor de desbetreffende individuele belanghebbende en of aan de overige eisen voor aansprakelijkheid is voldaan. In dit geval is echter van belang dat, ook al zou het hof kunnen vaststellen dat er een bepaald patroon van handelen van de Raad was gedurende die 28 jaar (wat als zodanig al de vraag is) en dat dit patroon in algemene zin als onrechtmatig kan worden beschouwd (idem), een dergelijk oordeel noodgedwongen zo ruim en algemeen geformuleerd zou moeten zijn, dat onduidelijk zou zijn voor welke moeders dit zou gelden en dat in een individueel geval de gehele onrechtmatigheidsbeoordeling opnieuw uitgevoerd zou moeten worden. Dat is niet de bedoeling van een collectieve actie. Er zijn overigens ook geen aanknopingspunten gegeven voor een indeling in categorieën van gevallen, voor zover zo’n indeling al mogelijk zou zijn.

6.11

BCW heeft ter ondersteuning van haar stelling dat wel sprake is van gelijksoortige belangen nog naar een aantal uitspraken verwezen. Het hof is echter met de Staat van oordeel dat de vergelijking met deze zaken niet opgaat.

- In de Trafigura-zaak waarin het hof Amsterdam op 14 april 2020 uitspraak deed 16 kwam een stichting in een collectieve actie op voor de slachtoffers van afvalstortingen door een gecharterd schip. Het hof overwoog dat weliswaar mogelijk sprake was van bepaalde verschillen, bijvoorbeeld wat betreft de chemische samenstelling van de afzonderlijke stortingen, de momenten waarop de stortingen waren gedaan en de specifieke gevolgen voor de slachtoffers, maar dat wel als onbetwist vaststond dat er op of rond een bepaalde datum (afval)stoffen door het schip waren gestort in en rond Abidjan. De vorderingen waren gebaseerd op de stelling dat dit onbetwiste feit een grondslag voor aansprakelijkheid van Trafigura opleverde. De rechter kon een algemeen oordeel over de onrechtmatigheid van de stortingen geven zonder daarbij de zojuist bedoelde verschillen te betrekken. Zoals uit de vorige overwegingen blijkt, is dat in de onderhavige zaak niet mogelijk.

- De vergelijking met de zaak waarin de rechtbank Amsterdam op 20 november 2019 17 uitspraak deed gaat evenmin op. De rechtbank oordeelde in deze collectieve actie van Stichting Car Claim tegen een aantal autofabrikanten dat de omstandigheid dat aan kopers van auto’s verschillende informatie was medegedeeld niet aan de bundelbaarheid van de vorderingen op basis van non-conformiteit in de weg stond. In dat verband was cruciaal dat voor alle gevallen wèl vaststond dat bij de verkopen niets was medegedeeld over de aanwezigheid van een verboden Manipulatie-instrument en dat de wel verstrekte informatie (die inderdaad van geval tot geval verschillend geweest kon zijn) in geen geval een waarschuwing inhield voor de aanwezigheid daarvan of voor het niet voldoen aan de regelgeving. Wat wel was medegedeeld kon daarom niet ongedaan maken wat was verzwegen, zodat de verschillen in informatieverstrekking niet aan de bundelbaarheid in de weg stonden. Ook dit is anders in de onderhavige zaak, waarin de verschillen tussen de individuele gevallen nu juist wel bepalend zijn voor de vraag of de Raad onrechtmatig heeft gehandeld of niet.

- Tot slot heeft BCW verwezen naar de uitspraak van het hof Amsterdam van 29 juli 2014 18 in de collectieve actie van stichting Fortis-Effect tegen de Staat en Fortis. Daarin het ging om de vraag of de Staat en Fortis onrechtmatig hadden gehandeld omdat zij vanwege het misleidende karakter van bepaalde mededelingen zich hadden moeten onthouden van het openbaar maken daarvan. Bij de beantwoording van die vraag kon het hof abstraheren van de bijzondere omstandigheden aan de zijde van de beleggers. Ongeacht die omstandigheden waren de mededelingen immers misleidend en daarom onrechtmatig. De verschillen tussen de individuele gevallen waren pas relevant bij de vervolgvragen, zoals de vraag naar het causaal verband, de eventuele eigen schuld en de omvang van de schade. Het hof herhaalt dat dit anders ligt in deze zaak, waarin zoals gezegd de vraag of de Raad onrechtmatig heeft gehandeld mede afhangt van de specifieke omstandigheden van elk individueel geval afzonderlijk.

6.12

Het valt eveneens te betwijfelen of de andere voorliggende voorvraag (namelijk of de rechtsvordering van BCW is verjaard, respectievelijk of de verjaring kan worden doorbroken) in algemene zin kan worden beantwoord zonder dat daarbij de bijzondere omstandigheden van de individuele gevallen moeten worden betrokken. Dit kan gezien het voorgaande echter in het midden blijven. Ten overvloede overweegt het hof dat voor zover deze vraag in dit geding al in algemene zin beantwoord zou kunnen worden, er voorshands geen grond is om op dat punt in de zaak van BCW anders te oordelen dan in de zaak van [appellante 1] . Zoals het hof hierna zal uiteenzetten, is het hof van oordeel dat de vordering van [appellante 1] is verjaard en dat deze verjaring niet kan worden doorbroken met een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid.

6.13

De conclusie luidt dat de vordering van BCW niet-ontvankelijk is.

6.14

Het hof komt nu toe aan de vordering van [appellante 1] .

De vordering van [appellante 1] is verjaard; de verjaring kan niet worden doorbroken

Verjaringstermijn verstreken; geen doorlopende gebeurtenis

6.15

Zoals de rechtbank terecht heeft geoordeeld is de langst denkbare verjaringstermijn in deze zaak de verjaringstermijn van twintig jaar op grond van artikel 3:310 lid 1 BW. 19 Deze twintig jaar vangt aan op het tijdstip waarop de schadeveroorzakende gebeurtenis plaatsvindt. De rechtszekerheid eist (in het bijzonder met betrekking tot deze absolute termijn van twintig jaar) een naar objectieve maatstaven vaststaand aanvangstijdstip. Dit aanvangstijdstip is dus niet afhankelijk van persoonlijke omstandigheden van de schuldeiser. De termijn begint te lopen door het intreden van de schadeveroorzakende gebeurtenis, zelfs als de benadeelde van het bestaan van zijn vordering niet op de hoogte is, als het vooralsnog onzeker is of er schade zal zijn, of als de schade zich pas later heeft gemanifesteerd. 20

6.16

Volgens [appellante 1] is haar schade (pijn en verdriet door het gemis van haar kind) veroorzaakt door onrechtmatig handelen/nalaten van de Raad rond de scheiding van haar kind. De Raad zou zich niet voldoende hebben ingespannen om te voorkomen dat [appellante 1] tegen haar wil afstand zou doen van hun kind en zou zelfs op afstand hebben aangestuurd. Dit betekent dat de verjaringstermijn van twintig jaar in elk geval is beginnen te lopen tussen 1968 (feitelijke scheiding van haar kind) en 1974 (onherroepelijk worden van de adoptie op 23 januari 1974) en dat de termijn dus op zijn laatst in 1994 al was voltooid, 25 jaar voordat [appellante 1] de Staat in september 2019 aansprakelijk stelde.

6.17

Het hof is met de Staat en anders dan [appellante 1] van oordeel dat de gebeurtenis waardoor de Raad de schade zou hebben veroorzaakt geen doorlopende gebeurtenis is. Er is dus geen reden om aan te nemen dat de verjaringstermijn pas (veel) later is gaan lopen. De Staat voert terecht aan dat [appellante 1] de eventuele schadeveroorzakende gebeurtenis lijkt te verwarren met de schade, althans met de gevolgen van die gebeurtenis. Het blijvend gemis respectievelijk het blijvend schuldgevoel is immers het gevolg van de scheiding van haar kind waarvoor [appellante 1] de Staat verantwoordelijk houdt en is dus niet de schadeveroorzakende gebeurtenis zelf.

6.18

[appellante 1] verwijt de Staat ook dat hij het schuldgevoel zou hebben laten herleven door zijn (gestelde) onrechtmatig handelen niet te erkennen en niet naar buiten toe uit te dragen dat de afstand niet aan de Moeders/aan haar zelf is te wijten. Wat daar ook van zij, deze omstandigheid maakt niet dat sprake is van een voortdurend onrechtmatig handelen van de Raad/de Staat. Zou dat anders zijn, dan (zo stelt de Staat terecht) zou dit betekenen dat een vordering wegens gesteld onrechtmatig handelen nooit zou verjaren als de aangesprokene de onrechtmatigheid van zijn handelen of nalaten niet (openlijk) zou erkennen. Een dergelijke (veronder)stelling vindt geen steun in het recht. De Staat merkt in dit verband ook nog terecht op dat de Hoge Raad al eerder heeft uitgemaakt dat de mogelijkheid om een fout alsnog recht te zetten, (ook) niet meebrengt dat sprake is van een voortdurende gebeurtenis. 21

6.19

In het verlengde daarvan geldt dat de verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad in de Zandvoortse parkeergarage-zaak 22 [appellante 1] niet kan helpen. De schade was in die zaak veroorzaakt door de voortdurende aanwezigheid van een oprit zonder grondkerende voorziening en de gronddruk die het gewicht van die oprit langdurig bleef uitoefenen op een muur. De aansprakelijkheid voor de schade die hierdoor was ontstaan was gebaseerd op artikel 6:174 BW. Dit artikel ziet op de aansprakelijkheid voor schade die het gevolg is van het gebrek in een opstal (de oprit) en is daarmee gekoppeld aan (de aanwezigheid van) een schadeveroorzakende toestand (de gebrekkigheid van de opstal) en niet aan een schadeveroorzakende gedraging, zoals in de onderhavige zaak. Omdat in het geval van de oprit de schadeveroorzakende gebeurtenis niet kon worden herleid tot één moment, oordeelde de Hoge Raad dat de twintigjarige verjaringstermijn in zo’n geval gaat lopen zodra de schadeveroorzakende gebeurtenis is opgehouden te bestaan. Dat strookt volgens de Hoge Raad met hetgeen in artikel 3:310 lid 3 BW is geregeld voor de in artikel 3:310 lid 2 BW genoemde gevallen. Dat is niet te vergelijken met de situatie in deze zaak waarin [appellante 1] schade door gedwongen afstand lijdt en aanvoert dat de schadeveroorzakende gebeurtenis pas eindigt als de Staat het door hem “(mede) gecreëerde en schadelijke beeld dat de gedwongen afstand een ‘eigen keuze’ was (…) rechtzet”. Inzet van de vordering is zoals gezegd dat de Staat (de Raad) onrechtmatig heeft gehandeld door niet te voorkomen dat [appellante 1] tegen haar wil van haar kind werd gescheiden en/of door zelfs op die scheiding aan te sturen. Dát is dus de schadeveroorzakende gebeurtenis, waarvan wel degelijk kan worden bepaald wanneer deze plaatsvond, en niet de instandhouding van een bepaald beeld.

6.20

Anders dan in de zaak Zorica Jovanovic t. Servië 23 wist [appellante 1] dat haar kind bij de Paula Stichting verbleef en later in een verpleeggezin werd opgevangen (zij wist ook in welk gezin). Het hof is het met de Staat eens dat de vergelijking met die zaak alleen daarom al niet opgaat. Ook de verwijzing naar de ‘International Convention for the Protection of All Persons from Enforced Disappearance’ kan [appellante 1] niet helpen. Zoals de Staat terecht (en onweersproken) opmerkt, geldt voor de toepassing van dat verdrag als ‘enforced disappearance’: “the arrest, detention, abduction or any other form of deprivation of liberty by agents of the State or by persons or groups of persons acting with the authorization, support or acquiescence of the State, followed by a refusal to acknowledge the deprivation of liberty or by concealment of the fate or whereabouts of the disappeared person, which place such a person outside the protection of the law”. Zo’n situatie doet zich hier niet voor. [appellante 1] wijst ook nog op de ‘Inter-American Convention on Forced Disappearance of Persons’, maar zij legt niet uit waarom dit Inter-Amerikaanse verdrag relevant zou zijn voor haar zaak, en dat valt zonder toelichting ook niet in te zien.

Geen verlenging van de verjaringstermijn (artikel 3:321 lid 1 onder f BW)

6.21

[appellante 1] doet ook nog een beroep op de verlengingsgrond van artikel 3:321 lid 1 onder f BW (deze bepaling heeft directe werking op grond van artikel 68a Overgangswet). Volgens [appellante 1] heeft de Staat het bestaan van de schuld opzettelijk verborgen gehouden. Onder verwijzing naar het hierboven (3.28) vermelde rapport van klinisch psycholoog prof. dr. Van den Hout uit juni 2020, stelt [appellante 1] dat sprake is geweest van een collectief zwijgen waardoor alle moeders die afstand hebben gedaan, onder wie zijzelf, niet eerder in staat zijn geweest een vordering in te stellen. Volgens [appellante 1] is dat mede het gevolg van handelen van de Staat: de Raad indoctrineerde de moeders met de schadelijke gedachte dat zij niet geschikt waren om hun kind op te voeden, dat hun kind beter af was bij een pleeggezin en dat de beslissing om afstand te doen hun eigen keuze – en daarmee hun ‘eigen schuld’ – was geweest. Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt, aldus [appellante 1] , dat begrip, kennis en inzicht in de redenen waarom gebeurtenissen iemand zijn overkomen, plus acceptatie dat die omstandigheden buiten de macht van het slachtoffer lagen, belangrijke randvoorwaarden zijn voor de verwerking van het opgelopen trauma. Dit proces van traumaverwerking is volgens [appellante 1] bij haar vertraagd/geblokkeerd door toedoen van de Staat, die haar (en de andere moeders) immers had geïndoctrineerd en nooit zijn eigen verantwoordelijkheid heeft erkend. Daardoor hebben vrouwen, waaronder zijzelf, pas tientallen jaren later beseft dat de scheiding van hun kind niet hún schuld was, maar dat zij slachtoffer waren van de tijdgeest en van een falende overheid. Omdat de Staat niets heeft gedaan om die schadelijke overtuiging ongedaan te maken, heeft hij geprofiteerd van zijn eigen onrechtmatig handelen en van het verborgen blijven (het verzwijgen) van het bestaan van dat onrechtmatig handelen, zo betoogt [appellante 1] . Zij voert daarbij aan dat in de rechtspraak is uitgemaakt dat het verzwijgen of nalaten essentiële informatie mee te delen die het instellen van een vordering mogelijk moeten maken, ook kan kwalificeren als ‘opzettelijk verborgen houden’. Volgens [appellante 1] moet ervan worden uitgegaan dat zij en de moeders tot aan de instelling van het Aanmeldpunt op 1 september 2019 niet in staat waren om een vordering in te stellen en dat het bestaan van de schuld dus al die tijd verborgen is geweest. Vanwege de toepasselijkheid van artikel 3:321 lid 1 onder f BW zou de termijn echter met zes maanden zijn verlengd, zodat zowel de aansprakelijkstelling van [appellante 1] als die van BCW op tijd was.

6.22

Met de Staat is het hof van oordeel dat dit betoog geen succes heeft, alleen al omdat geen sprake is geweest van een opzettelijk verborgen houden en evenmin van het opzettelijk verborgen houden van (de opeisbaarheid van) een schuld als bedoeld in artikel 3:321 lid 1 onder f BW (dat wil zeggen van het opzettelijk verborgen houden van (rechts)feiten die de grond vormen voor het bestaan van de vordering) 24. De weigering om het bestaan van een vordering te erkennen (en dus ook: het nalaten om de eigen verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid te erkennen respectievelijk uit te dragen) valt niet onder artikel 3:321 lid 1 onder f BW. Bovendien gaat het hof niet mee in de stelling dat [appellante 1] tot 1 september 2019 niet in staat was een vordering in te stellen (zie ook hierna onder 6.32). Van een verborgen zijn van een schuld tot die datum is daarom ook geen sprake.

Beroep op verjaring niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar

6.23

De vordering van [appellante 1] is dus verjaard. Daarmee komt het hof toe aan de beoordeling van de vraag of het beroep van de Staat op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Hierna zal het hof uiteenzetten waarom het deze vraag ontkennend beantwoordt.

6.24

Hierboven is al overwogen dat de lange verjaringstermijn van twintig jaar van artikel 3:310 lid 1 BW een objectief en in beginsel absoluut karakter heeft. Daaraan liggen zwaarwegende argumenten ten grondslag, waaronder de rechtszekerheid en de omstandigheden dat door tijdsverloop bewijsproblemen kunnen ontstaan en getuigenverklaringen minder betrouwbaar worden. De Hoge Raad houdt dan ook strikt de hand aan de verjaringsregels, ook als dat uit het ‘oogpunt van individuele gerechtigheid’ moeilijk te aanvaarden is. 25 Slechts in uitzonderlijke gevallen zal een beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid 26 onaanvaardbaar zijn. De vraag of van zo’n uitzonderlijk geval sprake is moet worden beantwoord met in achtneming van alle omstandigheden van het zich voordoende geval en aan de hand van op de zaak toegesneden gezichtspunten (zoals, niet limitatief, opgesomd in het Schelde-arrest 27), die de benadeelde in staat stellen uiteen te zetten waarom hij of zij ondanks het verstrijken van de verjaringstermijn, inhoudelijk moet kunnen procederen over zijn of haar vordering. 28

6.25

Hierboven is al gewezen op het belang van de rechtszekerheid en op de omstandigheid dat door het verstrijken van de tijd bewijsmateriaal (bewijsstukken, getuigen) verloren gaat. AG Snijders wijst er in zijn conclusie in de Sri Lankaanse adoptiezaak 29 op dat het daardoor steeds moeilijker wordt om alle relevante feiten te achterhalen en om over de feiten in een procedure over de verwijtbaarheid een debat te voeren dat recht doet aan de feiten zoals deze werkelijk waren. De AG merkt daarbij op dat dit niet alleen een belang van de aangesproken partij is, maar ook van de rechtspleging, die niet behoort te leiden tot beslissingen met een feitelijke basis die onvoldoende verantwoord is. Mede gelet daarop heeft de AG in zijn conclusie ervoor gepleit om voor het kunnen maken van een uitzondering op de verjaring de eis te stellen dat (a priori) vaststaat dat de vordering bestaat. Hoewel dit inderdaad als voordeel heeft dat niet eerst een onderzoek moet worden uitgevoerd naar een vordering waarvan het bestaan door tijdsverloop onzeker is om op basis daarvan te kunnen bepalen of al dan niet een beroep op de verjaring kan worden gedaan, ziet het hof voor het stellen van een eis in de door de AG bepleite zin onvoldoende grond. Het hof acht het niet juist om bij voorbaat uit te sluiten dat de verjaring zou kunnen worden doorbroken als het bestaan van de vordering níet a priori vaststaat. Dat neemt niet weg dat het hof wel met de AG eens is dat de (on)zekerheid over het bestaan van de vordering (ook) een relevant gezichtspunt is (dat dus aan de opsomming in het hiervoor vermelde Schelde-arrest kan worden toegevoegd): als het bestaan van de vordering min of meer vaststaat, worden van een aantal van de met de rechtszekerheid samenhangende bezwaren (zoals die rondom getuigenverklaringen) van minder gewicht. In dit geval geldt dat het antwoord op de vraag of [appellante 1] een vordering op de Staat heeft, nog open ligt. Partijen zijn het niet eens over wat er destijds precies is gebeurd en hoe het handelen van de Raad moet worden gekwalificeerd. In zoverre is er een duidelijk verschil met de Indonesische executie-zaak, 30 waarin dit hof het beroep op verjaring als onaanvaardbaar heeft aangemerkt: in die zaak had de Staat de onrechtmatigheid van standrechtelijke executies (ook onder het destijds geldende recht) erkend en was de buitengewone ernst en de grote mate van verwijtbaarheid daarvan ook niet in geschil.

6.26

Ter onderbouwing van haar stelling dat het beroep op verjaring in deze zaak naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, voert [appellante 1] onder meer aan dat sprake is geweest van verborgen schade. Het hof overweegt dat het bij ‘verborgen schade’ moet gaan om schade die pas aan het licht komt nadat de toepasselijke verjaringstermijn al is verstreken. Daarvan kan in dit geval niet worden gesproken: de pijn door en het verdriet over het gemis van haar zoon waren immers vanaf het begin voor [appellante 1] kenbaar.

6.27

Daarmee is de kous echter nog niet af. Anders dan de Staat heeft betoogd, gelden de mogelijke onaanvaardbaarheid van het beroep op verjaring in uitzonderlijke gevallen en de daarbij behorende gezichtspunten namelijk niet uitsluitend in het geval van verborgen schade. Een dergelijke beperking volgt niet uit de formulering van het Schelde-arrest (of uit andere arresten van de Hoge Raad). Op grond van de rechtspraak van het EHRM geldt dat de verjaringsregeling het recht op toegang tot de rechter van art. 6 EVRM niet in de kern mag aantasten. De beperking die de verjaring op die toegang meebrengt, moet daarom in het gegeven geval gerechtvaardigd kunnen worden door en dus niet onevenredig zijn aan het met de verjaring gediende belang. Met de AG in zijn hierboven aangehaalde conclusie 31 is het hof van oordeel dat van onevenredigheid in die zin niet alleen sprake kan zijn als het gaat om verborgen schade, maar ook als de benadeelde om een andere reden de vordering redelijkerwijs niet eerder kon instellen. Dat laatste kan bijvoorbeeld 32 het geval zijn als de benadeelde niet wist en ook niet kon te weten dat zijn schade een gevolg was van een onrechtmatige daad (een ‘verborgen onrechtmatige daad’).

6.28

Volgens [appellante 1] doet dit zich ook in haar situatie voor. Zoals hierboven (onder 6.22, in het kader van het beroep op de verlengingsgrond van artikel 3:321 lid 1 onder f) al weergegeven stelt zij dat zij als gevolg van het collectief zwijgen niet eerder dan in het najaar van 2019 in staat was om een vordering in te stellen. Dit collectief zwijgen was volgens haar het resultaat van een “giftige mix van schaamte, schuldgevoel en onverwerkt trauma naar aanleiding van traumatische ervaringen die mede veroorzaakt zijn door toedoen van de Raad”. Onder verwijzing naar het hiervoor al genoemde rapport van Van den Hout voert [appellante 1] aan dat de maatschappelijke ontwikkelingen vanaf de jaren ’70 de traumaverwerking nog verder vertraagden: de maatschappij werd weliswaar liberaler, maar hierdoor brokkelde ook het maatschappelijke begrip voor de keuze van de moeders af, wat het schuldgevoel en eigenverwijt versterkte. Tot het moment waarop het collectief zwijgen werd verbroken door een gebaar van de Staat, waardoor de moeders in staat werden gesteld tot een herattributie van verantwoordelijkheid en beseften dat zij (mede) door toedoen van de Staat geen reële keuzevrijheid hadden gehad, waren de moeders – en dus ook [appellante 1] – niet in staat een vordering in te stellen. De psychologische afstand tot het rechtssysteem was simpelweg te groot en de moeders hadden al die tijd feitelijk geen toegang tot het recht, aldus nog steeds [appellante 1] . Zij merkt daarbij op dat deze algemene psychologische verklaring volgens Van den Hout ook op haar van toepassing is. Volgens [appellante 1] (en BCW) is het niet goed mogelijk om één punt in de tijd aan te wijzen waarop voor alle vrouwen het collectief zwijgen werd verbroken, omdat traumaverwerking voor elke moeder anders verloopt, en dat iedere keuze daarom per definitie arbitrair is. Zij achten het echter “op grote schaal niet onlogisch” om aan te sluiten bij het moment van instellen van het Aanmeldpunt gedwongen afstand en adoptie in september/oktober 2019, omdat juist door gebruik van het woord ‘gedwongen’ het besef doordrong dat geen sprake was geweest van een vrije keuze. [appellante 1] heeft hierbij voorop gelopen: zij stelde de Staat al in september 2019 aansprakelijk.

6.29

Het hof volgt [appellante 1] niet in deze redenering. [appellante 1] is steeds op de hoogte geweest van de feiten en omstandigheden waarop zij haar stellingen over het onrechtmatig handelen en nalaten van de Raad baseert; die stellingen vinden hun grondslag immers in haar eigen herinneringen over de gebeurtenissen in 1968-1974. Zij was zich ook bewust van haar schade (haar pijn en verdriet). Dat het psychologisch verklaarbaar is dat [appellante 1] de Raad niet eerder de schuld heeft gegeven en de Staat aansprakelijk heeft gesteld, betekent nog niet in juridische zin dat [appellante 1] objectief gezien niet eerder in staat moet worden geacht een vordering tegen de Staat in te stellen en dat de verjaring daarom moet worden doorbroken. Het hof roept in herinnering dat de Hoge Raad strikt de hand houdt aan de absolute verjaringstermijn van twintig jaar, óók als dat uit het oogpunt van individuele gerechtigheid moeilijk te aanvaarden is. Het feit dat sprake is van een schrijnende situatie – en dat is zonder twijfel het geval – is dus onvoldoende. Het hof wijst hierbij ook nog op een belangrijk verschil tussen de korte verjaringstermijn van 5 jaar van artikel 3:310 lid 1 BW en de lange verjaringstermijn van 20 jaar van datzelfde artikellid. De korte termijn begint te lopen op het moment dat de benadeelde bekend is met het bestaan van de vordering en met de aansprakelijke persoon. Daarmee neemt deze verjaringstermijn pas een aanvang als de benadeelde daadwerkelijk in staat is een vordering in te stellen. Op die manier kan onder omstandigheden rekening worden gehouden met een individueel verwerkingsproces. Dat is echter alleen het geval voor zover de lange verjaringstermijn nog niet is verstreken. Met de woorden ‘in ieder geval’ in het eerste lid van artikel 3:310 BW heeft de wetgever omwille van de rechtszekerheid een duidelijke objectief bepaalbare grens getrokken (van 20 jaar), waarna de rechtsvordering verjaart ongeacht of de benadeelde in staat is geweest om deze in te stellen. Het ligt dan niet voor de hand om – in het kader van een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid – zo’n verwerkingsproces toch reden te laten zijn om alsnog een uitzondering aan te nemen op de lange verjaringstermijn. Dit geldt temeer nu duidelijk is dat met afwijkingen van de lange verjaringstermijn uiterste terughoudendheid moet worden betracht.

6.30

Het beroep van [appellante 1] op de uitspraak van dit hof in de zaak van de executies in Indonesië 33 gaat niet op. In die zaak leefden de benadeelden in dorpen in een land en omgeving die niet waren te vergelijken met de omstandigheden in Nederland en hadden zij door hun juridische, maatschappelijke, culturele, politieke en economische positie lange tijd feitelijk geen toegang tot het recht. De geestelijke afstand tot toegang tot het recht waar [appellante 1] aan refereert is niet vergelijkbaar met de feitelijke afstand in de Indonesische zaken. De strenge rechtspraak rond de lange wettelijke verjaringstermijn is gewezen in de context van de Nederlandse rechtstaat, met de daarbij behorende mogelijkheden van informatievoorziening, rechtshulp en rechtsbijstand. De Staat wijst er terecht op dat dit ook de context is van deze zaak.

6.31

[appellante 1] voert ook nog aan dat de Staat het de Moeders in de periode na de afstand en adoptie praktisch onmogelijk maakte om binnen de verjaringstermijn een vordering in te stellen. In dat verband hebben de Moeders gewezen op de volgende, volgens hen opgeworpen obstakels:

  • i) De moeders werd niet medegedeeld welke instanties betrokken waren, waardoor de rol van de Raad lange tijd onduidelijk bleef.

  • ii) De dossiers van de Raad waren (voor een deel) gearchiveerd, maar moeders ondervonden systematisch grote moeite om daadwerkelijk hun stukken te kunnen inzien en werden meer dan eens van het kastje naar de muur gestuurd. Ook [appellante 1] moest een half jaar meermalen bellen voordat het haar lukte om inzage te krijgen in haar dossier.

  • iii) De particuliere instellingen en doorgangshuizen van destijds zijn niet langer meer alle ‘actief’ en dat bemoeilijkt toegang tot de dossiers en rapporten. Ook [appellante 1] kwam er min of meer per toeval achter dat op de locatie waar voorheen de Paula Stichting was gevestigd nog dossiers aanwezig waren. Haar dossier kwam na een half jaar boven water.

  • iv) Een deel van de gegevens is ook vernietigd en de keuze die de Raad daarin heeft gemaakt, lijkt volstrekt willekeurig te zijn.

  • v) De moeders konden vaak pas toegang krijgen tot de dossiers van de Raad als zij daartoe toestemming hadden gekregen van hun (afstands)kinderen dan wel pleegouders of adoptieouders in het geval waarin de kinderen minderjarig waren. Met name die toestemmingseis van de afstandskinderen vormde voor veel vrouwen het meest in het oog springende obstakel. Die toestemming konden veel moeders tientallen jaren namelijk niet krijgen omdat moeder en kind vaak geen contact meer hadden en dus ook geen contactgegevens hadden van elkaar, zoals aanvankelijk ook het geval was bij [appellante 1] . Toen [appellante 1] contact opnam met de Raad deelde die haar mee dat zij haar dossier alleen gezamenlijk met haar afgestane zoon mocht inzien. Uiteindelijk heeft [appellante 1] haar zoon gevraagd om schriftelijk toestemming tot inzage te geven, op basis waarvan de Raad instemde met haar verzoek om inzage.

  • vi) Het was niet ongebruikelijk dat adoptieouders probeerden om de moeders de toegang tot de dossiers te onthouden.

6.32

Daargelaten dat niet (is onderbouwd dat) al deze obstakels op [appellante 1] van toepassing zijn (in het bijzonder (i), (iv) en (vi)), geldt dat deze obstakels, ook in onderlinge samenhang bezien, onvoldoende basis vormen voor de aanname dat [appellante 1] (al dan niet door toedoen van de Staat) niet in staat is geweest om binnen 20 jaar een vordering tegen de Staat in te stellen of ten minste haar vordering te stuiten. Aannemelijk is dat de zoektocht naar en het inzage krijgen in de relevante dossiers moeizaam en frustrerend is geweest. Dat het niet mogelijk was om binnen de verjaringstermijn de dossiers op te sporen en in te zien, is echter niet onderbouwd. Zonder onderbouwing is dat niet op voorhand aannemelijk (zo was in een ander geval kennelijk al in 1993-1994 sprake van inzage in een dossier 34). Bovendien is niet duidelijk waarom inzage in de dossiers noodzakelijk was om een vordering in te stellen. De vordering van [appellante 1] is immers zoals gezegd grotendeels gebaseerd op haar eigen herinneringen aangaande het handelen en nalaten van de Raad (onder meer: onvoldoende voorlichting geven en te veel druk uitoefenen). Daarvoor had zij de dossiers niet nodig, temeer nu volgens haar de dossiers ook nog eens onjuiste informatie zouden bevatten.

6.33

Het argument dat de Staat in geen enkel belang wordt getroffen als de verjaring zou worden doorbroken, overtuigt evenmin. De Staat heeft terecht tegengeworpen dat het voor hem lastig is zich ruim 50 jaar later te verweren tegen (onder meer) de stelling dat er onwaarheden in de dossiers staan en dat de Raad bepaalde onrechtmatige handelingen heeft verricht. Dat klemt temeer nu [appellante 1] zich mede beroept op een algemeen patroon dat haar stellingen zou bevestigen. Voor dat algemene patroon is mede de gang van zaken bij andere vrouwen van belang. Zoals de Staat opmerkt zullen vele getuigen niet meer werkzaam zijn voor de Raad of niet meer in leven zijn, en is het hoe dan ook de vraag of zij zich de precieze gebeurtenissen 50 jaar later goed zullen kunnen herinneren.

6.34

Het is juist dat het recht van moeder en kind om bij elkaar te blijven een fundamenteel recht is. Dat de scheiding diepe wonden heeft geslagen is evident. Dat betekent echter niet dat het handelen van de Raad in de zaak van [appellante 1] als zo verwijtbaar moet worden aangemerkt dat de verjaring daarom moet worden doorbroken. Wat de Raad precies heeft gedaan of nagelaten en hoe dat handelen en nalaten moeten worden gekwalificeerd staat immers nog geenszins vast en aan de vaststelling daarvan komt het hof in deze procedure niet toe. Het hof roept nogmaals in herinnering dat de omstandigheid dat sprake is van een schrijnend geval niet voldoende is om de verjaring te doorbreken.

6.35

Tot slot is los van hetgeen hiervoor (6.27-6.34) is overwogen, het volgende van belang. Zelfs als [appellante 1] zou worden gevolgd in haar stelling dat zij lange tijd niet in staat was om een vordering in te stellen, dan geldt dat zij in elk geval niet voldoende heeft onderbouwd dat zij een vordering heeft ingesteld binnen een redelijke termijn nadat zij daartoe alsnog in staat mocht worden geacht (dit gezichtspunt wordt ook genoemd in het eerder aangehaalde Schelde-arrest, en wel als gezichtspunt g). Als redelijke termijn wordt in het algemeen een termijn van twee jaar gehanteerd en er is niets aangevoerd op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat in dit geval een langere termijn gerechtvaardigd zou zijn. [appellante 1] (en met haar BCW) laat de termijn van twee jaar pas beginnen in het najaar van 2019, op het moment van instellen van het Aanmeldpunt gedwongen afstand en adoptie. Naar het oordeel van het hof is dit een te willekeurig moment en is er onvoldoende reden om aan te nemen dat [appellante 1] , pas toen in staat was een vordering in te stellen, en niet al (vele) jaren eerder, of in elk geval al in de periode oktober 2014–mei 2017. De ervaringen van de afstandsmoeders vormden al sinds 2014 onderwerp van parlementair debat. Naar aanleiding van de uitzending van het programma Brandpunt in oktober 2014 zijn er Kamervragen gesteld en al in het WODC-rapport van mei 2017 werd geconcludeerd dat de moeders geen reële keuzevrijheid hadden gehad. Dat dit slechts een verkennend onderzoek was, maakt niet dat [appellante 1] de Staat toen niet aansprakelijk had kunnen stellen. Zoals hierboven (6.28) overigens al is overwogen hebben de Moeders ook toegegeven dat elke keuze voor een moment waarop het collectief zwijgen werd doorbroken in feite arbitrair is en dat september/oktober 2019 niet het moment was waarop voor elke moeder het collectief zwijgen werd doorbroken. Ook in dat licht bezien is er onvoldoende grond om aan te nemen dat [appellante 1] pas in het najaar van 2019, althans niet eerder dan in het najaar van 2017 (twee jaar voor de aansprakelijkstelling) in staat was juridische stappen te zetten en dat dus aan het vereiste van de redelijke termijn is voldaan. Het feit dat [appellante 1] pas bij kennisname van de dossiers van de Raad en van de Paula Stichting zag wat de gevolgen voor haar zoon waren geweest, leidt evenmin tot de conclusie dat zij niet eerder in staat was haar vordering in te stellen, hoe schrijnend de situatie van haar zoon ook was. [appellante 1] komt in dit geding niet op voor de belangen van haar zoon.

6.36

De conclusie luidt dat de rechtsvordering van [appellante 1] is verjaard. Het verweer van de Staat slaagt.

Ten overvloede: enkele algemene inhoudelijke overwegingen

6.37

Ten overvloede wijdt het hof nog enkele overwegingen aan de inhoudelijke stellingen van de Moeders.

6.38

Naar het oordeel van het hof gaan de Moeders uit van een te ruime uitleg van de taak van de Raad op grond van de wet en de wetsgeschiedenis.
Het is juist dat ook in de periode 1956-1984 uitgangspunt was dat de familierechtelijke band tussen moeder en kind behouden moest worden en dat artikel 8 EVRM positieve verplichtingen meebracht voor de Staat op dat punt. Net als nu nog steeds geval is, was het echter ook toen onder bepaalde bijzondere omstandigheden en in het belang van het kind mogelijk om een uitzondering op dit uitgangspunt te aanvaarden, zoals in het geval van ontheffing uit de ouderlijke macht na een beslissing tot afstand ter adoptie.
De vordering van de Moeders is in de kern gebaseerd op de stelling dat de Raad hen had moeten beschermen tegen de druk van de destijds bestaande maatschappelijke, sociale en religieuze vooroordelen. Zij leiden uit de wetgeschiedenis van de Adoptiewet af dat de wetgever de Raad indertijd die taak van ‘beschermheer’ heeft toegekend. Naar het oordeel van het hof valt dit echter niet als zodanig uit die wetsgeschiedenis af te leiden. Wat daar wel uit blijkt is dat de wetgever oog had voor het gesignaleerde risico dat de introductie van een wettelijke vorm van adoptie het doen van afstand zou kunnen bevorderen, omdat zo’n legale optie te verkiezen zou zijn boven een alternatief langs onderhandse kanalen. De wetgever achtte niet waarschijnlijk dat dit gevaar door de invoering van de adoptiemogelijkheid zou worden vergroot (zie ook hierboven onder 3.12). De wetgever verwachtte dat instellingen voor maatschappelijk werk en kinderbescherming zich door de mogelijkheid van adoptie niet zouden laten verleiden tot het in de hand werken van het afstaan van kinderen en hij gaf de verzekering dat hij zou bevorderen dat de Raad zich daarvoor zou hoeden. Dat betekent echter niet dat de wetgever de Raad dus de taak toekende om de moeders te beschermen tegen de druk van maatschappelijke, sociale en religieuze vooroordelen. Van een dergelijke druk rept de wetsgeschiedenis niet. Dat het vooroordelen waren (en dus onjuist en af te keuren), was bovendien in die tijd geen vaststaand gegeven waarover consensus bestond; uit de wetsgeschiedenis blijkt ook niet dat de wetgever daar wel van uit is gegaan. De moeders, hun familie, de kerk en andere betrokkenen maakten deel uit van de maatschappij, net zoals de Raad en overigens ook de wetgever. Zij werden dus allen beïnvloed door de daarin levende opvattingen, die ook niet statisch waren, maar steeds in ontwikkeling (vergelijk in dat verband het WODC-rapport, 3.3 hierboven).

6.39

Dit neemt uiteraard niet weg dat de Raad wel verplicht was zorgvuldig met de belangen van de moeders om te gaan en een zorgvuldigheidsverplichting had ten opzichte van de moeders. Of die plicht zo ver ging als de Moeders stellen, betwijfelt het hof. Voorshands komt het hof het inhoudelijk oordeel van de rechtbank juist voor waar het gaat om de onrechtmatigheidsvraag. Wat hiervan echter ook zij, niet uitgesloten is dat de Raad in individuele gevallen niet aan de op hem rustende zorgvuldigheidsverplichting heeft voldaan, bijvoorbeeld door niet de in redelijkheid van hem te verwachten informatie te verschaffen. Na zoveel jaren kan moeilijk worden nagegaan of en in hoeverre hiervan sprake is geweest, en in hoeverre dit dan in relevante mate heeft bijgedragen aan het genomen afstandsbesluit gezien het feit dat ook veel andere betrokkenen invloed uitoefenden op dat besluit (denk aan de ouders, de kennissen uit de leefomgeving, de particuliere instellingen). Zoals hierboven overwogen komt het hof aan zo’n inhoudelijke beoordeling ook niet toe.

6.40

Het hof benadrukt nogmaals dat het feit dat het hof in deze procedure oordeelt dat de Staat juridisch niet aansprakelijk is, niet betekent dat de scheiding van de moeders van hun kind “dus” hun eigen schuld is geweest. Het betekent evenmin dat hun leed niet wordt erkend. Zoals hierboven al overwogen staat niet ter discussie dat veel vrouwen ten aanzien van wel of geen afstand doen ter adoptie geen reële keuzevrijheid hebben gehad en dat sprake is van een zwarte bladzijde in de geschiedenis van Nederland.

Conclusie, proceskosten en slotopmerkingen

6.41

De conclusie is dat het hoger beroep van de Moeders niet slaagt. Het incidenteel hoger beroep van de Staat slaagt wel. Omdat het hof anders dan de rechtbank van oordeel is dat BCW niet in haar vorderingen kan worden ontvangen, zal het hof het vonnis voor zover dat is gewezen tussen BCW en de Staat vernietigen, en opnieuw rechtdoende, BCW niet-ontvankelijk verklaren in haar vorderingen. Het vonnis tussen [appellante 1] en de Staat wordt bekrachtigd.

6.42

Het hof zal de Moeders als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het principaal hoger beroep en zal BCW daarnaast ook veroordelen in de kosten van het incidenteel hoger beroep. Het hof zal verder bepalen dat de Moeders nakosten en wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd zijn, zoals gevorderd. De kostenveroordelingen zullen uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, eveneens zoals gevorderd.

7Beslissing

Het hof:

- vernietigt het vonnis van de rechtbank Den Haag van 26 januari 2022, zoals dat is gewezen tussen Bureau Clara Wichman en de Staat, en in zoverre opnieuw rechtdoende: verklaart Bureau Clara Wichmann niet-ontvankelijk in haar vorderingen;

- bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Den Haag van 26 januari 2022, zoals dat is gewezen tussen [appellante 1] en de Staat;

- veroordeelt de Moeders in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde de Staat begroot op € 783,- aan griffierecht en € 3.642,- aan salaris advocaat in het principaal hoger beroep, te vermeerderen met de wettelijke rente als deze kosten niet binnen veertien dagen na heden zijn voldaan;

- veroordeelt Bureau Clara Wichmann daarnaast ook in de kosten van het incidenteel beroep, aan de zijde van de Staat begroot op € 1.824,-, te vermeerderen met de wettelijke rente als dit bedrag niet binnen veertien dagen na heden is voldaan;

- bepaalt dat als de Moeders niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze proceskostenveroordeling(en) hebben voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, zij de kosten van die betekening ad € 178,- moeten betalen, plus extra nakosten van € 92,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als deze niet binnen veertien dagen na betekening zijn voldaan;

- verklaart deze kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mr. E.M. Dousma-Valk, G. Dulek-Schermers en mr. E. Bauw en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2025 in aanwezigheid van de griffier.

1

Het hof heeft er nota van genomen dat de Moeders de term ‘afstandsmoeders’ als kwetsend ervaren, omdat die lijkt te impliceren dat zij bewust voor afstand hebben gekozen. Het hof zal de term daarom zo weinig mogelijk gebruiken, maar ontkomt er soms niet aan, omdat de term gebruikelijk is geworden en in veel stukken voorkomt. Voor het hof houdt de term geen waardeoordeel in.

2

Wet tot invoering van de mogelijkheid van adoptie en wijziging, in verband daarmede, van het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en het Wetboek van Strafrecht: wet van 26 januari 1956, Stb 1956, 42, zoals gewijzigd bij wet van 11 december 1958, houdende vaststelling van Boek l van het nieuwe Burgerlijk Wetboek met uitzondering van de titels 9 en 10, Stb. 1958, 590 en ingevoerd bij Invoeringswet Boek 1 nieuw B.W. (wet van 3 april 1969. Stb. 167) en in werking getreden bij besluit van 4 juni 1969. Stb. 1969, 256. Sinds 1 januari 1970 is de adoptie geregeld in de artikelen 1:227-1:229 BW.

3

Wet van 1 mei 1981, houdende regelen met betrekking tot het afbreken van zwangerschap, Stb. 1981, 257.

4

Wet van 6 februari 1901, S. 62, tot wijziging en aanvulling van de bepalingen in het B.W. omtrent de vaderlijke macht en de voogdij en daarmede samenhangende artikelen, alsmede van een daarmede verband houdende voorschrift in het W.v.B.Rv., in werking getreden 1 december 1905.

5

Stb. 1954, 602.

6

Zie voetnoot 2.

7

MvT Adoptiewet, Kamerstukken II, 1953/54, 3530, nr. 3 (productie 58).

8

MvA, Kamerstukken II, 1955/56, 3530, nr. 35b (productie 70).

9

Het Aanmeldpunt Afstand en adoptie in Nederland: vertrouwen is mensenwerk, Rapportage van de Commissie van onafhankelijke deskundigen inzake het onderzoek naar binnenlandse afstand en adoptie onder voorzitterschap van prof. dr. C. Finkenauer.

10

Brief van de Minister aan de Voorzitter van de Tweede Kamer van 9 november 2021, Kamerstukken II 2020 -2021, 31 265, nr. 97.

11

Kamerstukken II, 2021/22, 35 925-VI, nr. 62, motie van de leden Van Nispen en Van der Staaij.

12

Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2022/23, nr. 3196, 39.

13

Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2024/25, nr. 263.

14

Kamerstukken II 2017/18, 34 608, nr. 6, p. 18.

15

Kamerstukken II 1991/92, 22 486, nr. 3, p. 27. Zie ook HR 26 februari 2010.ECLI:NL:HR:2010:BK5756 (Plazacasa), r.o. 4.2.

16

Gerechtshof Amsterdam 14 april 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:1157.

17

Rechtbank Amsterdam 20 november 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:8741.

18

Gerechtshof Amsterdam 29 juli 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:3005.

19

Artikel 2004 BW (oud) in samenhang met artikel 68a en 73 Overgangswet NBW.

20

Vgl. HR 27 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1887, r.o. 3.1.2.

21

Zie de in de vorige voetnoot genoemde uitspraak van de Hoge Raad uit 2020, r.o. 3.1.5.

22

HR 22 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:412.

23

EHRM 26 maart 2013, nr. 21794/08.

24

HR 1 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE7347, r.o. 3.4.2.

25

Vgl. o.a. HR 3 november 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1867, NJ 1998, 380.

27

HR 28 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5635 (De Schelde).

28

HR 24 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:494 (Maersk), r.o. 3.3.8.

29

ECLI:NL:PHR:2023:958 sub 8.9-8.13.

30

Gerechtshof Den Haag 1 oktober 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:2524.

31

Conclusie AG sub 8.6. (zie voor vindplaats voetnoot 29).

32

Zie voor een ander voorbeeld de al in voetnoot 30 genoemde uitspraak (executie Indonesië).

33

Zie wederom voetnoot 30.

34

Zie producties 40A. In de als productie 40A overgelegde verklaring staat dat de betrokken moeder maar een half uurtje leestijd kreeg en dat er veel onleesbaar was gemaakt, maar uit de verklaring kan ook worden opgemaakt dat zij niettemin langs deze weg de voor haar relevante informatie te weten is gekomen.

meer blogs >> podcasts >>

BLOGS en PODCASTS

Alimentatie berekenen bij samengestelde gezinnen: een tussenstand
Mr. Hedy Bollen, 17-12-2024
Diverse auteurs deden de laatste jaren voorstellen om het alimentatierekenen voor samengestelde gezinnen te verbeteren. De auteur zet de voorstellen op rij en geeft ze een persoonlijke score.
Podcastgesprek: Nieuwe rekenmethodiek voor kinderalimentatie bij samengestelde gezinnen? (II)
Mr. Jan Bram de Groot en Mr. Rob van Coolwijk, 13-11-2024
Nadat in het eerste deel van dit tweeluik de achtergrond van de discussie werd geschetst, zoomen Rob van Coolwijk en Jan Bram de Groot in dit deel nader in op de door De Groot voorgestelde rekenmethodiek.
Podcastgesprek: Nieuwe rekenmethodiek voor kinderalimentatie bij samengestelde gezinnen? (I)
Mr. Jan Bram de Groot en Mr. Rob van Coolwijk, 11-11-2024
Wat zou er moeten wijzigen voor kinderalimentatie bij samengestelde gezinnen en waarom? Rob van Coolwijk gaat hierover in gesprek met Jan Bram de Groot, voorzitter van de Expertgroep Alimentatienormen.
Vaststelling vaderschap van een overleden man: kan daar verweer tegen worden gevoerd?
Mr. dr. Myriam Lückers, 05-11-2024
De weduwe wordt niet aangemerkt als belanghebbende bij een verzoek gerechtelijke vaststelling vaderschap van haar overleden man, aldus HR 4 oktober 2024. Is verweer in een dergelijke zaak dan niet mogelijk?
Unieke beschikking: van rechtswege onstaan ouderlijk gezag aangetekend in gezagsregister
Michelle Booij-Smid, 05-11-2024
Meeroudergezinnen lopen nog altijd tegen problemen aan met betrekking tot juridisch ouderschap en gezag. In deze zaak bood Rechtbank Amsterdam de moeders en hun kind een oplossing.
Verjaarde vorderingen en de verdeling van de nalatenschap
Mr. Arend de Bakker, 08-10-2024
Kunnen verjaarde rechtsvorderingen in de verdeling van de nalatenschap betrokken worden? De auteur analyseert diepgaand de literatuur en de jurisprudentie hierover. Een blog, bestemd voor de superspecialist!
Aansprakelijkheid bij scheidingsbegeleiding? Een reëel risico
Drs. Jasper Horsthuis, 08-10-2024
In een uitspraak van de rechtbank Den Haag werd een mediator aansprakelijk gesteld voor vermeende tekortkomingen bij de begeleiding. Wat mag van een scheidingsprofessional worden verwacht?
Zorgregeling voor baby’s en hele jonge kinderen: een nieuw uitgangspunt
Mr. Eline Gubbens, 08-10-2024
Recent wetenschappelijk onderzoek naar contactregelingen voor jonge kinderen heeft geleid tot nieuwe inzichten met betrekking tot zorgregelingen. Wat zien we daarvan terug in richtlijnen en jurisprudentie?
Podcastgesprek: Dga en scheiding
Mr. Frank van den Barselaar en Drs. Jacqueline van der Vorm, 10-09-2024
De echtscheiding van een dga is vaak bijzonder complex. Fiscalisten Frank van den Barselaar en Jacqueline van der Vorm bespreken met elkaar verschillende financiële en fiscale aspecten hiervan.
Podcastgesprek: Ondernemer en scheiding
Drs. Jacqueline van der Vorm en Mr. Frank van den Barselaar, 27-08-2024
Fiscalisten Jacqueline van der Vorm en Frank van den Barselaar bespreken de verschillende aspecten die komen kijken bij de begeleiding van ondernemers en/of hun partner bij een scheiding.
×

Rapport alimentatienormen versie 2024

 

INHOUDSOPGAVE

Voorwoord
1. Inleiding
2. Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen
2.1 Inleiding
2.2 Modellen voor het bepalen van het netto besteedbaar (gezins)inkomen
2.3 Verschillende soorten inkomen
2.4 Kindgebonden budget
3. Behoefte
3.1. Algemeen
3.2 Het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen
3.3 Behoefte van de ex-partner
4. Draagkracht
4.1 Algemeen
4.2 Berekening van draagkracht voor kinderalimentatie en partneralimentatie (algemeen)
4.3 Bepalen van draagkracht voor kinderalimentatie voor kinderen tot 21 jaar
4.4 Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie
4.5 Inkomensvergelijking (voorheen jusvergelijking)
4.6 Bijzondere omstandigheden die de draagkracht kunnen beïnvloeden
4.7 Inkomensverlies van een onderhoudsplichtige
4.8 Uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn
4.9 Fiscale gevolgen van het hebben van een auto van de zaak
4.10 Draagkracht bij verpleging in een instelling voor langdurige zorg
5. Stappenplannen en rekenvoorbeelden
5.1 Stappenplan kinderalimentatie
5.2 Stappenplan partneralimentatie
5.3 Rekenvoorbeelden niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten
5.4 Rekenvoorbeeld aanvaardbaarheidstoets

Voorwoord

Wettelijke maatstaven

De hoogte van kinder- en partneralimentatie is afhankelijk van de behoefte van degene die recht heeft op alimentatie en van de draagkracht van degene die de alimentatie moet betalen (artikel 1:397, lid 1, Burgerlijk Wetboek). Behoefte en draagkracht zijn open normen, dat wil zeggen dat niet in wet- of andere regelgeving is vastgelegd wat daaronder precies moet worden verstaan.

Aanbevelingen en rekenmodellen

In het Rapport alimentatienormen (hierna: het rapport) doet de Expertgroep Alimentatie (hierna: de expertgroep) aanbevelingen voor het concretiseren en toepassen van deze open normen in het juridische debat en voor het aan de hand daarvan berekenen van de hoogte van kinder- en partneralimentatie.

Met deze aanbevelingen beoogt de expertgroep de rechtseenheid te bevorderen en bij te dragen aan de voorspelbaarheid van de uitkomst van een alimentatieprocedure. Het rapport is uitdrukkelijk niet bedoeld als handboek voor alles wat met alimentatie te maken heeft. Het rapport bevat geen aanbevelingen voor onderwerpen die buiten de reikwijdte van de begrippen behoefte en draagkracht en het aan de hand daarvan berekenen van alimentatie vallen. Die onderwerpen komen daarom in dit rapport niet aan bod. Als een vraag daarover voorligt, zal de rechter een op het geval toegesneden oordeel geven.

Voor het berekenen van alimentatie heeft de expertgroep modellen ontwikkeld (zie bijlage 1). Verschillende uitgevers brengen rekenprogramma’s uit die gebaseerd zijn op deze reken- modellen.

Het rapport is in 2023 ingrijpend herschreven en gemoderniseerd: indeling, stijl en taalgebruik zijn gewijzigd, maar inhoudelijk zijn de aanbevelingen hetzelfde gebleven. Voor de leesbaarheid is het rapport in de wij-vorm geschreven. Waar staat dat ‘wij’ iets doen mag gelezen worden dat de expertgroep aanbeveelt om dat zo te doen.

Gebruik van het rapport

Dit rapport is geschreven door rechters met het doel de aanbevelingen toe te passen bij de beoordeling van aan hen voorgelegde alimentatiegeschillen. Rechters kunnen van de aanbevelingen afwijken. Zij zullen dat in de regel alleen doen als er bijzondere omstandig- heden zijn. Bij die beoordeling speelt wat partijen stellen en hoe zij dat onderbouwen een belangrijke rol. Een relatief strikte toepassing van de aanbevelingen bevordert de rechtseenheid en de voorspelbaarheid van rechterlijke beslissingen.

Advocaten, mediators en anderen maken voor hun advieswerk en (rechts)bijstand gebruik van het rapport. Bij de meeste alimentatiekwesties maken partijen zelf afspraken, zonder tussenkomst van een rechter. Dat staat partijen vrij. Belangrijk is dat zij bij die afspraken binnen de wettelijke kaders blijven.
Gemeenten kunnen de aanbevelingen in dit rapport gebruiken bij verhaal van bijstands- uitkeringen. De specifieke bestuursrechtelijke vragen rond bijstandsverhaal vallen buiten het bestek van dit rapport.

Rapport 2024

De editie van 2024 bevat een belangrijke wijziging. Met ingang van 2023 is ook voor de bepaling van de draagkracht voor partneralimentatie het forfaitaire systeem van toepassing. Uitgangspunt daarbij is dat de onderhoudsplichtige een budget voor de eigen lasten heeft. Voor bijzondere lasten die volgens de onderhoudsplichtige niet uit dat budget kunnen worden bestreden (bijvoorbeeld herinrichtingskosten, advocaatkosten etc.) gelden nu zowel voor kinderalimentatie als voor partneralimentatie dezelfde uitgangspunten (zie hoofdstuk 4.6).

Den Haag, december 2023

mr. J.B. de Groot, voorzitter

mr. Y. Oosting, secretarisLeeuwarden, december 2022

1. INLEIDING

In artikel 1:392, lid 1, BW staat wie op grond van bloed- of aanverwantschap gehouden zijn tot het verstrekken van levensonderhoud. Dat zijn de ouders, de kinderen en behuwd- kinderen, schoonouders en stiefouders. In deze wetsbepaling staat niet wie de onderhouds- gerechtigden zijn. Dat kunnen we afleiden uit de formulering en uit andere artikelen in Titel 17 van Boek 1, BW.

In dit rapport doet de expertgroep aanbevelingen voor het vaststellen of wijzigen van de hoogte van kinder- en/of partneralimentatie na het verbreken van de relatie (alleen bij kinderalimentatie), echtscheiding, na het verbreken van een geregistreerd partnerschap en na scheiding van tafel en bed.

Het gaat daarbij om:

  • een bijdrage van de ouder in de kosten van verzorging en opvoeding van zijn of haar kind(eren) aan de andere ouder  (kinderalimentatie) of direct aan het kind (indien dat 18 jaar of ouder is);
  • een uitkering tot levensonderhoud aan de gewezen echtgeno(o)t(e), de echtgenoot van wie iemand gescheiden is van tafel en bed en de gewezen geregistreerde partner (partneralimentatie). Hierna spreken wij in al deze gevallen van ex-partners.

Op grond van artikel 1:404, lid 1, BW zijn ouders verplicht naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen. Gedurende het huwelijk of geregistreerd partnerschap zijn ook stiefouders onderhoudsplichtig voor de minderjarige kinderen van hun echtgenoot of geregistreerde partner die tot hun gezin behoren (art. 1:395 BW). Ouders, en in voorkomend geval stiefouders, zijn ook onderhoudsplichtig voor hun kinderen van 18 tot 21 jaar (artikel 1:395a BW). Voor kinderen vanaf 21 jaar zijn ouders onderhoudsplichtig op grond van artikel 1:392, lid 1, BW.

Als ouders uit elkaar gaan, moeten zij afspraken maken over de verdeling van de kosten van hun kind of kinderen. In de praktijk betekent dit meestal dat de ene ouder aan de andere (verzorgende) ouder – dat is de ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft – of aan het kind zelf als dat 18 jaar of ouder is (kinder)alimentatie moet betalen. Als de ouders er samen niet uitkomen, zal de rechter op verzoek bepalen welk bedrag aan kinderalimentatie een ouder moet betalen.

Als een ex-partner partneralimentatie moet betalen aan de andere partner, kunnen zij daar samen afspraken over maken. Als zij daar met elkaar niet uitkomen, zal de rechter daarover desgevraagd beslissen. 

Of en welke bedrag(en) iemand aan alimentatie moet betalen hangt ervan af: 

  1. of er een onderhoudsverplichting is, en
  2. of sprake is van behoeftigheid (dit geldt niet voor kinderen tot 21 jaar), en
  3. of de onderhoudsgerechtigde behoefte heeft aan een financiële bijdrage, en
  4. of de onderhoudsplichtige draagkracht heeft om de bijdrage te betalen.

ad 1. Rangorde onderhoudsverplichtingen

Kinderen en stiefkinderen die de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt, hebben voorrang boven alle andere onderhoudsgerechtigden. Deze voorrangsregel is aan de orde als iemand verplicht is levensonderhoud te verstrekken aan twee of meer personen, terwijl hij of zij onvoldoende draagkracht heeft om dit levensonderhoud aan alle onderhoudsgerechtigden volledig te verschaffen (art. 1:400, lid 1, BW).

Door deze voorrangsregel moet een onderhoudsplichtige eerst de kinderalimentatie voor kinderen en stiefkinderen tot 21 jaar betalen en pas daarna (als aan de overige voorwaarden is voldaan) de alimentatie voor (stief)kinderen vanaf 21 jaar en de partneralimentatie.

ad 2. Behoeftigheid

Voor het opleggen van een alimentatieverplichting moet bij ex-partners en kinderen vanaf 21 jaar sprake zijn van behoeftigheid. Een onderhoudsgerechtigde is behoeftig:

  • wanneer hij of zij niet in staat is om (geheel) in het eigen levensonderhoud te voorzien, omdat hij of zij de nodige eigen middelen mist; én
  • hij of zij deze eigen middelen niet in redelijkheid kan verwerven.

Indien de onderhoudsgerechtigde geen of onvoldoende inkomsten heeft om in het levensonderhoud te voorzien, kan er aanleiding zijn om rekening te houden met een bepaalde verdiencapaciteit. Dat wil zeggen de mogelijkheid om in redelijkheid inkomen te verwerven. Of er aanleiding bestaat om met een verdiencapaciteit rekening te houden is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, zoals opleiding, werkervaring, de geboden tijd om werk te zoeken, de gezondheid en de zorg voor kinderen.

Als een onderhoudsgerechtigde over vermogen beschikt, kan het onder omstandigheden redelijk zijn dat we verlangen dat iemand op dit vermogen inteert.

De expertgroep geeft geen richtlijnen over de behoeftigheid.

Ad 3 en 4. Behoefte en draagkracht

Behoefte

Behoefte is – ook bij kinderen – een van de wettelijke maatstaven voor vaststelling van alimentatie. Volgens vaste jurisprudentie is behoefte geen absoluut begrip. Het bestaan en de omvang van de behoefte hangen af van de individuele omstandigheden en moeten we van geval tot geval bepalen. Allerlei omstandigheden kunnen hierbij een rol spelen.

In elk geval is behoefte niet beperkt tot het bestaansminimum.

Draagkracht

Of iemand draagkracht heeft om alimentatie te betalen hangt enerzijds af van de inkomsten en het vermogen en anderzijds van de noodzakelijke uitgaven die daarop in mindering komen.

Daarbij gaat het niet alleen om de middelen waarover de onderhoudsplichtige beschikt, maar ook over die waarover hij redelijkerwijze had kunnen beschikken. Bij de uitgaven gaat het niet alleen om de uitgaven voor de onderhoudsplichtige zelf, maar kunnen ook de uitgaven een rol spelen voor anderen van wie het onderhoud voor rekening van de onderhoudsplichtige komt.

De vast te stellen alimentatie mag niet hoger zijn dan enerzijds de behoefte van de onderhoudsgerechtigde en anderzijds de draagkracht van de onderhoudsplichtige.

De laagste van die twee vormt de maximale bijdrage. De omstandigheden van partijen kunnen aanleiding geven de alimentatie lager dan dit maximum vast te stellen.

Opbouw van het rapport

In hoofdstuk 2 leggen we de begrippen netto besteedbaar inkomen en netto besteedbaar gezinsinkomen uit en laten we zien hoe we deze berekenen. In hoofdstuk 3 gaan we in op het bepalen van de behoefte voor zowel kinderalimentatie als partneralimentatie. In hoofdstuk 4 staan we stil bij het bepalen van de draagkracht voor kinder- en partneralimentatie. In dat hoofdstuk gaan we ook in op de zorgkorting die een rol speelt bij het bepalen van het bedrag aan kinderalimentatie dat iemand moet betalen. In hoofdstuk 5 zetten we aan de hand van twee stappenplannen met voorbeelden uiteen hoe we de behoefte en de draagkracht en uiteindelijk het bedrag aan kinder- en partneralimentatie bepalen.

Achter het rapport zitten de volgende bijlagen:

  • Bijlage 1 Model voor de netto methode, model voor de bruto methode en de toelichting op de modellen.
  • Bijlage 2 Diverse tarieven.
  • Bijlage 3 Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen.
  • Bijlage 4 Draagkrachttabel kinderalimentatie.

2 Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen

2.1 Inleiding

Behoefte en draagdracht bepalen we voor kinder- en partneralimentatie op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen respectievelijk het netto besteedbaar inkomen. Bij kinderalimentatie speelt naast het netto besteedbaar (gezins)inkomen het kindgebonden budget een rol.

In dit hoofdstuk bespreken we de begrippen netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen.

Onder netto besteedbaar inkomen verstaan we het bruto inkomen verminderd met de daarover verschuldigde of ingehouden premies sociale verzekeringen (inclusief de inkomens- afhankelijke bijdrage premie zorgverzekeringswet) en loon- en/of inkomstenbelasting. Het netto besteedbaar gezinsinkomen is het gezamenlijke netto besteedbare inkomen van de (ex-)partners toen zij nog een gezin vormden.

2.2 Modellen voor het bepalen van het netto besteedbaar (gezins)inkomen

De expertgroep heeft twee modellen gemaakt waarmee we het netto besteedbaar inkomen berekenen: het netto model en het bruto model. Beide modellen staan in Bijlage 1 bij dit rapport.

In het netto model gebruiken we netto inkomensgegevens om het netto besteedbaar (gezins)inkomen te bepalen. In het bruto model berekenen we het netto besteedbaar inkomen aan de hand van (onder andere) de bruto inkomensgegevens.

2.2.1 Het netto model

We kunnen het netto model gebruiken bij het bepalen van de draagkracht van een onder- houdsplichtige met een inkomen uit dienstbetrekking of een uitkering van minder dan € 1.930 bruto per maand (incl. vakantietoeslag). Het bruto inkomen vinden we in een loon- of salarisspecificatie of in een specificatie van de uitkering. Ook het daarvan resterende netto inkomen blijkt uit die specificaties. De gehele berekening voeren we vervolgens uit met nettobedragen op maandbasis.

Het netto model kunnen we ook gebruiken als het inkomen niet is onderworpen aan de heffing van loon- en inkomstenbelasting in Nederland.

Het netto besteedbaar inkomen vinden we in het netto model bij post 8.

  

2.2.2 Het bruto model

We gebruiken het bruto model bij bruto inkomens vanaf € 1.930 per maand en bij alle inkomens buiten dienstbetrekking (bijvoorbeeld bij IB-ondernemers). We gebruiken het bruto model ook als er fiscale voordelen zijn (bijvoorbeeld bij uitgaven voor inkomens- voorzieningen), fiscale bijtellingen, bij bezittingen die in box 3 belast zijn of als specifieke heffingskortingen een rol spelen. Het invullen van dit bruto model is in grote lijnen vergelijkbaar met het invullen van een aangifte voor de inkomstenbelasting.

In het bruto model vinden we het netto besteedbaar inkomen bij post 121.

2.3 Verschillende soorten inkomen

2.3.1 Inkomen uit dienstbetrekking of uitkering

Werknemers en uitkeringsgerechtigden kunnen hun inkomen met loonstroken, uitkerings- specificaties en/of één of meer jaaropgaven aantonen.

2.3.2 Winst uit onderneming

Een natuurlijke persoon die een onderneming op eigen naam of in samenwerking met anderen drijft (IB-ondernemer), geniet winst uit onderneming. De ondernemer moet inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen betalen over de gerealiseerde winst, na aftrek van ondernemersaftrekken en eventuele andere aftrekposten. Het komt regelmatig voor dat een ondernemer niet de gehele nettowinst (het netto besteedbaar inkomen dat volgt uit de berekening met het bruto model) voor het levensonderhoud gebruikt. Een deel van de winst (waar al inkomstenbelasting over is betaald) blijft dan in de onderneming achter, bijvoorbeeld om daarmee investeringen te doen of om (bedrijfs)schulden af te lossen. Het netto besteedbaar inkomen is dan lager.

Bij het bepalen van de draagkracht van een ondernemer kijken we naar wat deze ondernemer in redelijkheid aan inkomen uit de onderneming kan verwerven zonder de continuïteit van de onderneming in gevaar te brengen. We moeten daarom een schatting makenvan de toekomstige ontwikkelingen in de onderneming (een prognose). In de praktijk lijkt de gedachte te bestaan dat we daarvoor moeten kijken naar het gemiddelde resultaat van de laatste drie jaren. Hoewel dat gemiddelde resultaat helpend kan zijn bij het maken van de prognose (en inzage in recente jaarstukken van de ondernemer daarvoor onmisbaar is), is dat gemiddelde resultaat slechts één van de omstandigheden die bij het maken van de prognose een rol kan spelen.

2.3.3 De directeur-grootaandeelhouder

De directeur-grootaandeelhouder in een vennootschap (meestal een BV) krijgt in de regel salaris, net als een werknemer in een ‘normale’ dienstbetrekking. Daarnaast kan hij winst- uitkeringen (dividend, winst uit aanmerkelijk belang) ontvangen. Wanneer een directeur-grootaandeelhouder privéuitgaven laat voorschieten door of geld leent van de BV die deze schuld in rekening-courant boekt, kan er aanleiding zijn om bij het bepalen van de behoefte en/of draagkracht met deze opnames rekening te houden. 

2.3.4 Inkomen uit vermogen

In bepaalde gevallen kunnen we bij het bepalen van het netto besteedbaar inkomen rekening houden met werkelijke inkomsten uit vermogen, zoals inkomen uit de verhuur van onroerend goed. Dat inkomen moet dan in elk geval bestendig beschikbaar (kunnen) zijn.

2.4 Kindgebonden budget

Het kindgebonden budget is een inkomensafhankelijke maandelijkse bijdrage van de overheid die bij alleenstaande ouders wordt verhoogd met een zogeheten ‘alleenstaande ouderkop’.

Het kindgebonden budget is bedoeld als inkomensondersteuning voor (in beginsel) de ouder die kinderbijslag voor het kind ontvangt.

3. BEHOEFTE

3.1 Algemeen

Bij het bepalen van het bedrag dat iemand aan kinder- en/of partneralimentatie moet betalen, houden we rekening met de behoefte van de onderhoudsgerechtigden (volgens art. 1:397, lid 1, BW). De wetgever heeft de betekenis van het begrip behoefte niet nader ingevuld. Het is een zogenoemde open norm. Behoefte kunnen we omschrijven als het bedrag dat nodig is voor de kosten van levensonderhoud en dat aansluit bij de mate van welstand waarin partijen tijdens hun samenleving hebben geleefd. Het bestaan en de omvang van de behoefte hangen dus af van de individuele omstandigheden. Daarbij kunnen algemene ervaringsregels een rol spelen (volgens art. 149, lid 2, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

Bij kinderalimentatie houden we er rekening mee dat ouders de kosten van verzorging en opvoeding van hun kinderen niet helemaal zelf hoeven te betalen. De kinderbijslag die de ouders (in de regel: de ouder bij wie een kind het hoofdverblijf heeft) ontvangen dekt een deel van die kosten. Het restant komt voor rekening van de ouders zelf. Dat restant noemen we in dit rapport ‘het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’.

Hierna gebruiken we in het kader van kinderalimentatie daarom niet de term ‘behoefte’, maar spreken we van ‘het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’ of kortweg ‘eigen aandeel’.

Bij partneralimentatie beveelt de expertgroep voor het bepalen van de behoefte het gebruik aan van een vuistregel, de zogenoemde hofnorm. Zie voor een uitleg van de hofnorm paragraaf 3.3.1 en 3.3.2.

3.2 Het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

3.2.1 Inleiding

De expertgroep doet in dit rapport een concrete aanbeveling voor het bepalen van het eigen aandeel. Deze aanbeveling berust op de algemene ervaringsregel dat ouders in gezinnen een vast percentage van het beschikbare inkomen besteden aan hun kind(eren).

We bepalen het eigen aandeel aan de hand van de Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen (Bijlage 4). In deze bijlage staat ook een toelichting op hoe de tabel werkt. In de tabel is rekening gehouden met de kinderbijslag. In de regel ontvangt de ouder bij wie een kind het hoofdverblijf heeft de kinderbijslag.

Hierna bespreken we de onderwerpen die van belang zijn bij het bepalen van het eigen aandeel.

3.2.2 De Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

De Tabel eigen aandeel is als volgt tot stand gekomen.

De welstand van het gezin waarin de ouders met de kinderen leven en daarmee de hoogte van de uitgaven voor de kinderen hangt samen met het netto besteedbaar gezinsinkomen.

Uit onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) blijkt dat ouders een bepaald percentage van dat gezinsinkomen aan hun kinderen besteden.

De Tabel eigen aandeel is gebaseerd op dit onderzoek. Het systeem is uitgewerkt in het rapport Kosten van kinderen ten behoeve van vaststelling kinderalimentatie. https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/rapport-kosten-kkn-sept-2006.pdf  In 2018 hebben het CBS en het NIBUD voor het laatst onderzoek gedaan naar de percentages van het gezinsinkomen die ouders aan hun kinderen besteden. De bedragen in de Tabel eigen aandeel zijn sinds 2019 gebaseerd op de cijfers uit dit laatste onderzoek. Het Nibud actualiseert de bedragen in de tabel jaarlijks met de meest actuele percentages van de kosten van kinderen en de kinderbijslagbedragen. De bedragen in de tabel worden verder niet geïndexeerd.

We berekenen het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen na scheiding op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen in de laatste periode dat de ouders en de kinderen een gezin vormden. Dit omdat de kinderen aan de welstand zoals die aanwezig was toen de ouders met de kinderen nog bij elkaar woonden gewend zijn geraakt en zij door de scheiding van de ouders – in beginsel – niet slechter af zouden moeten zijn.

Het eigen aandeel per kind is lager naarmate er meer kinderen in een gezin leven. Dat komt doordat de gemiddelde kosten per kind (door “schaalvoordelen”) dalen bij meer kinderen.

In de Tabel eigen aandeel houden we geen rekening met de leeftijd(en) van de kinderen.

De tabel is gebaseerd op gemiddelde bedragen aan kinderbijslag. Als er meer kinderen in een gezin zijn, bepalen we het eigen aandeel per kind door het tabelbedrag te delen door het aantal kinderen.

3.2.3 Bepalen eigen aandeel op basis van het laatste gezinsinkomen toen de ouders nog bij elkaar waren

In beginsel bepalen we het eigen aandeel op basis van het gezamenlijke inkomen dat ouders hadden toen zij nog bij elkaar waren, inclusief het kindgebonden budget en andere (fiscale) aanspraken (zoals de aanspraak op de inkomensafhankelijke combinatiekorting).

Wanneer we het eigen aandeel vaststellen op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen in een eerder jaar dan het jaar waarin de kinderalimentatie ingaat, indexeren we dat eigen aandeel naar het jaar van ingang.

3.2.4 Eigen aandeel bij gezinnen met minderjarige kinderen en kinderen van 18 tot 21 jaar

De Tabel eigen aandeel ziet op kosten van minderjarige kinderen. Bij het gebruik van de tabel gaan we er voor het aantal kinderen van uit dat alle kinderen minderjarig zijn, ook als er naast een minderjarig kind of kinderen één of meer kinderen van 18 tot 21 jaar zijn.

3.2.5 Eigen aandeel bij ouders die nooit met het kind of de kinderen in gezinsverband hebben samengeleefd

Wanneer ouders nooit in gezinsverband met het betrokken kind of de kinderen hebben samengeleefd, bepalen we het eigen aandeel door het gemiddelde te nemen van het eigen aandeel berekend op basis van het inkomen van de ene ouder en het eigen aandeel op basis van het inkomen van de andere ouder. Op deze manier beoordelen we de welstand die het kind bij iedere ouder afzonderlijk ervaart of zou hebben ervaren als het alleen bij die ouder opgroeit of was opgegroeid. Met (inkomsten van) nieuwe partners houden we geen rekening.

Bij de bepaling van het inkomen van iedere ouder afzonderlijk houden we rekening met het kindgebonden budget en andere (fiscale) aanspraken (zoals de aanspraak op de inkomensafhankelijke combinatiekorting), indien de ouder voldoet aan de voorwaarden om daarvoor in aanmerking te komen of zou voldoen als het kind bij hem of haar zou opgroeien (zoals de inkomens- en vermogensgrens). Voor een ouder bij wie het kind niet opgroeit gaat het om een fictief bedrag (alsof het kind alleen bij die ouder zou opgroeien).

3.2.6 Bijzondere kosten

In de tabelbedragen zijn alle gebruikelijke kosten van een kind, zoals voeding, kleding en huisvesting begrepen. Allerlei kosten en activiteiten zijn uitwisselbaar. Zo kunnen ouders het bedrag voor ‘ontspanning’ in het eigen aandeel op verschillende manieren besteden: van voetbal tot paardrijden en van computergame tot vioolles. Uit het CBS-onderzoek blijkt dat hogere uitgaven in een gezin aan de ene post samengaan met lagere uitgaven aan een andere post. Met andere woorden, wanneer een gezin een meer dan gemiddeld bedrag aan bijvoorbeeld kleding besteedt, dan hoeft dat niet te betekenen dat voor de post kleding een correctie moet plaatsvinden. Ouders bezuinigen dan op één of meer andere posten. Vanwege die uitwisselbaarheid kunnen we slechts in globale termen aangeven in welke gevallen naast de tabelbedragen met bijzondere kosten rekening kan worden gehouden.

Bepaalde extra kosten kunnen zo uitzonderlijk zijn, dat ouders deze niet kunnen betalen uit de standaardbedragen in de tabel en deze uitgaven daadwerkelijk op het (gezins) inkomen drukken. Voorbeelden zijn de kosten voor:

  • een gehandicapt kind;
  • topsport;
  • privélessen;
  • extra hoge schoolgelden; en
  • kinderopvang of oppaskosten die – na aftrek van de kinderopvangtoeslag en eeneventuele bijdrage van de werkgever – zo hoog zijn dat deze niet gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven op andere posten.

[[NOTE: Volgens het rapport Kosten van kinderen behoren ook hoge oppaskosten in verband met de verwerving

van inkomsten tot de categorie bijzondere kosten die niet in de tabel verwerkt zijn. Uit onderzoek van het

CBS uit de tijd voor de huidige systematiek van financiering van de kinderopvang is echter gebleken dat

bij een echtpaar oppaskosten niet leiden tot in totaal hogere kosten van kinderen. Kennelijk worden in

die situatie hoge oppaskosten of kosten van kinderopvang gecompenseerd met lagere uitgaven aan een

andere post. Hoewel dit onderzoek dateert van de tijd vóór de huidige systematiek van financiering van

kinderopvang, acht de expertgroep het aannemelijk dat dit in het merendeel van de gevallen nog steeds

zo is. Indien echter sprake is van dermate hoge kosten voor kinderopvang of dermate hoge oppaskosten

dat deze niet (volledig) gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven op andere posten, kan dat

leiden tot in totaal hogere kosten van kinderen dan het tabelbedrag.]]

Bij dergelijke bijzondere extra kosten berekenen we het eigen aandeel als volgt. Als ouders de betreffende extra kosten al voor de scheiding maakten, dan trekken we deze kosten (minus tegemoetkomingen daarop van bijvoorbeeld werkgever of overheid) af van het netto besteedbaar gezinsinkomen. Het eigen aandeel bepalen we vervolgens op basis van het resterende netto besteedbaar gezinsinkomen. Het nieuwe eigen aandeel bestaat uit het in de tabel gevonden bedrag plus de extra kosten na de scheiding, opnieuw verminderd met de eventuele tegemoetkomingen in die kosten.

Als de kosten pas na de scheiding zijn ontstaan, berekenen we het eigen aandeel op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen zonder correctie en tellen we de bijzondere kosten op bij het gevonden eigen aandeel.

3.2.7 Vermindering of wegvallen van inkomen van één van de ouders na (echt)scheiding

Vermindering of wegvallen van inkomen van een ouder na (echt)scheiding mag geen invloed hebben op de hoogte van het eigen aandeel. Het welvaartsniveau ten tijde van het uit elkaar gaan blijft in beginsel bepalend. Wel kan dit lagere inkomen tot een lagere draagkracht en dus een lagere bijdrage leiden.

3.2.8 Stijging van het eigen aandeel na een latere aanzienlijke inkomensstijging van een van de ouders

Wanneer het inkomen van een ouder na scheiding zodanig stijgt dat het hoger is dan het (gezins)inkomen tijdens het huwelijk of de samenleving, is de expertgroep van mening dat dit invloed moet hebben op de hoogte van het eigen aandeel. Indien het gezinsverband zou hebben voortgeduurd, zou die verhoging immers ook een positieve invloed hebben gehad op het bedrag dat voor de kinderen zou zijn uitgegeven. In dat geval bepalen we het eigen aandeel op basis van dat hogere inkomen van die ouder opnieuw.

3.2.9 Stijging van het eigen aandeel na een latere aanzienlijke inkomensstijging van één van de ouders die nooit met het kind/de kinderen in gezinsverband hebben samengeleefd

Ook voor kinderen van ouders die niet in gezinsverband hebben samengewoond, vindt de expertgroep dat een aanzienlijke inkomensstijging van één van de ouders invloed moet hebben op de vaststelling van het eigen aandeel. We berekenen het eigen aandeel opnieuw als het netto besteedbaar inkomen van één ouder stijgt tot boven de feitelijke netto besteed- bare inkomens van de ouders samen bij de eerdere vaststelling van het eigen aandeel (de drempel), vermeerderd met het destijds werkelijk genoten kindgebonden budget. Als de inkomensstijging de ouder betreft die voor het betreffende kind of kinderen geen kindge- bonden budget ontvangt, dan verstaan we onder het gestegen netto besteedbaar inkomen dat inkomen zonder bijtelling van een fictief kindgebonden budget.

Als de drempel is gehaald berekenen we het eigen aandeel vervolgens opnieuw op de wijze zoals hiervoor omschreven voor de berekening van het eigen aandeel van ouders die nooit hebben samengewoond, maar dan op basis van de actuele inkomens van de beide ouders.

Daarbij beoordelen we de situatie weer alsof het kind bij die ouder zou wonen, zodat wel met het (fictief) kindgebonden budget waar dan aanspraak op zou bestaan rekening moet worden gehouden én met eventuele heffingskortingen waar in die – fictieve – situatie aanspraak op zou bestaan.

3.2.10 De behoefte van kinderen van 18 tot 21 jaar

De Tabel eigen aandeel kunnen we niet gebruiken voor het bepalen van de behoefte van kinderen van 18 tot 21 jaar.

Studerenden

Voor kinderen van 18 tot 21 jaar die onder de Wet studiefinanciering (Wsf) vallen heeft de expertgroep geen aparte maatstaven ontwikkeld. We nemen voor het bepalen van de behoefte de normen van de Wsf tot uitgangspunt. Volgens de Wsf bestaat het budget voor een student uit een normbedrag voor de kosten van levensonderhoud, een tegemoetkoming

in de kosten van lesgeld danwel het collegegeldkrediet en de reisvoorziening. Een student die stelt voor één of meer bepaalde posten een hoger budget nodig te hebben, moet dat aannemelijk maken. De aanspraken die een student heeft op studiefinanciering of een andere tegemoetkoming (zoals een bijdrage uit een privaat studiefonds) kunnen de behoefte onder omstandigheden verlagen. In het algemeen zijn de basisbeurs en de aanvullende beurs (een gift) behoefte verlagend, omdat van een student in redelijkheid mag worden verlangd dat hij binnen de genoemde termijn een diploma haalt. De rentedragende lening en het collegegeldkrediet moeten wel altijd worden terugbetaald en verlagen de behoefte in beginsel niet.

Voor studenten in het hoger onderwijs is de Wsf-norm voor thuiswonende studenten gelijk aan die voor uitwonende studenten. Heeft een thuiswonende student geen woon- last, dan kan dat de behoefte verlagen, bijvoorbeeld met een bedrag ter hoogte van de gemiddelde basishuur.

Niet studerenden

Voor niet-studerenden van 18 tot 21 jaar kunnen we bij het bepalen van de behoefte eveneens aansluiten bij het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud uit de Wsf.

De bedragen voor studiekosten (boeken en leermiddelen) die in de norm zitten, trekken we daar dan van af.

Eigen inkomsten van kinderen van 18 tot 21 jaar

Structurele eigen inkomsten van kinderen van 18 tot 21 jaar kunnen de behoefte verlagen.

Kind van 18 tot 21 jaar ontvangt zorgtoeslag

Uit het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud wordt een kind van 18 tot 21 jaar geacht ook de premie voor de zorgverzekering te voldoen. In dat normbedrag is al rekening gehouden met een ontvangen zorgtoeslag. Een eventuele zorgtoeslag hoeven we dus niet nog afzonderlijk in mindering te brengen.

3.2.11 De behoefte van kinderen vanaf 21 jaar

Ook een kind van 21 jaar en ouder kan behoefte hebben aan een bijdrage in zijn levensonderhoud.

Anders dan kinderen tot 21 jaar, kan een meerderjarig kind in beginsel alleen aanspraak maken op een bijdrage van een (van de) ouder(s) wanneer dat kind behoeftig is. Daarvan is sprake als het niet in staat is om (geheel) in het eigen levensonderhoud te voorzien omdat het:

a. de nodige eigen middelen mist en

b. deze in redelijkheid niet kan verwerven.

De behoefte van een kind vanaf 21 jaar kunnen we vervolgens op dezelfde wijze bepalen als die van kinderen van 18 tot 21 jaar.

3.3 Behoefte van de ex-partner

3.3.1 Inleiding

Voor het bepalen van de netto behoefte in het kader van partneralimentatie heeft de rechtspraak een eenvoudig te hanteren vuistregel ontwikkeld: de zogenoemde hofnorm.

De hofnorm berust op de algemene ervaringsregel dat de kosten van twee afzonderlijke huishoudens (dus na scheiding) hoger zijn dan de helft van de kosten van een gezin.

De hofnorm is volgens de expertgroep een heldere en in de praktijk eenvoudig te hanteren maatstaf die leidt tot een reële schatting van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde na het verbreken van het huwelijk of geregistreerd partnerschap.

Ontvangen kinderalimentatie, kinderbijslag en kindgebonden budget zijn geen inkomen van de onderhoudsgerechtigde ouder, maar zijn bedoeld voor de kinderen. Deze bedragen maken daarom geen deel uit van het eigen inkomen of de verdiencapaciteit van de onderhoudsgerechtigde.

3.3.2 Toepassing van de hofnorm

Uitgangspunt bij toepassing van de hofnorm is dat het gehele netto besteedbaar gezinsinkomen beschikbaar is geweest voor het levensonderhoud van beide partijen.

Wanneer in het gezin kinderen waren voor wie de ouders onderhoudsplichtig waren, dan verminderen we het netto besteedbaar gezinsinkomen met het eigen aandeel van de ouders in de kosten van die kinderen.

De behoefte op basis van de hofnorm bedraagt dan Netto besteedbaar gezinsinkomen

€ .....

Af: Eigen Aandeel kosten kinderen voor wie ouders onderhoudsplichtig waren

€ ..... -/-

Beschikbaar tijdens huwelijk / geregistreerd partnerschap

 ..... 

Behoefte: 60 %

€ .....

Toepassing van de hofnorm heeft als bijkomend voordeel dat ex-echtgenoten niet in een positie worden gebracht waarin zij zich genoodzaakt zien tot nodeloos escalerende discussies over individuele op een behoeftelijst voorkomende kostenposten, hoe gering van omvang ook. Indien een partij het niet eens is met de behoefte die is berekend aan de hand van de hofnorm, ligt het op de weg van die partij om toepassing van de hofnorm gemotiveerd te betwisten en te onderbouwen hoe hoog de behoefte volgens hem/haar is.

3.3.3 Nieuwe relatie onderhoudsgerechtigde zonder ‘samenwonen als waren zij gehuwd’ in de zin van artikel 1:160 BW

Een nieuwe relatie van de onderhoudsgerechtigde die niet het karakter heeft van ‘samen- leven als waren zij gehuwd’ of ‘als waren zij geregistreerd partner’ kan behoefte verlagend werken.

4. DRAAGKRACHT

4.1 Algemeen

Bij het bepalen van de hoogte van het bedrag van kinder- en partneralimentatie houden we (naast de behoefte van de onderhoudsgerechtigde, zie hoofdstuk 3) rekening met de draagkracht van de onderhoudsplichtige(n) (vgl. art. 1:397, lid 1, BW). Wij hanteren als uitgangspunt dat een onderhoudsplichtige voor het eigen levensonderhoud naast een bedrag voor wonen en ziektekosten ten minste een bedrag ter grootte van de bijstandsnorm nodig heeft.

Bij kinderalimentatie kunnen we het begrip draagkracht omschrijven als het bedrag dat een ouder kan bijdragen aan de kosten van verzorging en opvoeding van het kind. Bij partner­ alimentatie ziet het begrip draagkracht op het bedrag dat de onderhoudsplichtige (maximaal) kan betalen aan partneralimentatie. De expertgroep hanteert bij het bepalen van draagkracht als uitgangspunt dat een onderhoudsplichtige na het betalen van alimen- tatie genoeg geld overhoudt om in het eigen levensonderhoud te voorzien.

In par. 4.2.1. geven wij aan de hand van een kernschema aan hoe we draagkracht voor kinder- en partneralimentatie bepalen. In par. 4.2.2 volgt een toelichting op de begrippen die we daarbij gebruiken.

In par. 4.3 en verder gaan we in op van de verdeling van de kosten van de kinderen over de ouders en de berekening van het bedrag van kinderalimentatie.

In par. 4.4 gaan we in op de berekening van draagkracht voor en het bedrag aan partneralimentatie.

In par. 4.5 en verder staan we stil bij enkele bijzondere situaties.

4.2 Berekening van draagkracht voor kinderalimentatie en partneralimentatie (algemeen)

4.2.1. Kernschema voor het berekenen van draagkracht

Draagkracht voor kinder- en partneralimentatie berekenen we aan de hand van het volgende kernschema:

inkomsten    
  Netto besteedbaar inkomen volgens bruto of netto methode €...  
  (alleen bij kinderalimentatie) kindgebonden budget €... +  
  €...
af: lasten    
  Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3) € …  
  Woonbudget (30% van het NBI) € …  
  Andere noodzakelijke lasten € … +  
Draagkrachtloos inkomen   €…
Draagkrachtruimte   €...

Draagkracht is een percentage (draagkrachtpercentage) van het bedrag aan draagkrachtruimte.

4.2.2 Toelichting op de begrippen in het kernschema

4.2.2.1 Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen

Zie voor de uitleg van deze begrippen hoofdstuk 2.

4.2.2.2 Draagkrachtloos inkomen

Het bedrag dat de onderhoudsplichtige nodig heeft voor zijn eigen noodzakelijke lasten en dat daarom geen draagkracht voor het betalen van alimentatie oplevert, noemen we het draagkrachtloos inkomen. Het draagkrachtloos inkomen bestaat uit de gecorrigeerde bijstandsnorm, het woonbudget en andere noodzakelijke lasten.

4.2.2.3 (Gecorrigeerde) bijstandsnorm

Bij de bepaling van de draagkracht hanteren we als uitgangspunt dat de onderhoudsplichtige voor zichzelf ten minste het bestaansminimum moet behouden naast een redelijk gedeelte van zijn draagkrachtruimte. Het bestaansminimum bepalen we aan de hand van de bijstandsnorm. Dat is het bedrag dat de onderhoudsplichtige bij afwezigheid van eigen middelen van bestaan als uitkering krachtens de Participatiewet zou ontvangen. Dit bedrag is afhankelijk van de (nieuwe) gezinssituatie. De Participatiewet onderscheidt diverse categorieën. Daarvan zijn er drie voor de draagkrachtberekening van belang: alleenstaanden (daaronder zijn ook alleenstaande ouders –ongeacht het aantal kinderen – begrepen), gehuwden (met of zonder kinderen) en pensioengerechtigden in de zin van art. 7a eerste lid van de Algemene Ouderdomswet. In artikel 22 Participatiewet is de verhoogde norm voor pensioengerechtigden opgenomen. In beginsel rekenen we met de  norm voor een alleenstaande en houden we geen rekening met de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a Participatiewet. Wel houden we rekening met de verhoogde norm voor pensioengerechtigden. De jongerennorm passen we niet toe.

Het bedrag van de bijstandsnorm verminderen we met de in de bijstandsnorm begrepen componenten voor wonen en zorgkosten en vermeerderen we met een vast bedrag voor de kosten van de zorgverzekering en – afhankelijk van de hoogte van het netto besteed- baar inkomen – een bedrag voor onvoorziene uitgaven. In het kernschema noemen we de uitkomst daarvan de gecorrigeerde bijstandsnorm.

Aldus bepalen we het bedrag van de gecorrigeerde bijstandsnorm (2024, eerste halfjaar) als volgt:

Bijstandsnorm   € 1.284
Af: Wooncomponent € 189  
Af: ziektekostencomponent € 42  
Bij: totaal ziektekosten € 166  
Onvoorzien € 50  
Totaal af/bij    -/- € 15
Gecorrigeerde bijstandsnorm (afgerond op € 5)   € 1.270

Voor AOW-gerechtigden geldt op grond van de Participatiewet een bijstandsnorm van € 1.426 (2024, eerste halfjaar). Voor hen verhogen we het bedrag van de gecorrigeerde bijstandsnorm tot € 1.415.

4.2.2.4 Woonbudget

De onderhoudsplichtige wordt geacht vanuit het woonbudget alle redelijke lasten voor een woning passend bij zijn/haar inkomen te kunnen voldoen. Daaronder verstaan we onder meer:

  • voor een huurwoning: de huur (verminderd met eventuele huurtoeslag), verplichte servicekosten en lokale belastingen;
  • voor een koopwoning: de rente over de eigenwoningschuld verminderd met het fiscaal voordeel in verband met de eigen woning, gangbare aflossingen op die schuld, inleg voor spaar- of beleggingspolissen die aan de hypotheek zijn gekoppeld, premie voor de opstalverzekering, lokale belastingen en polder- of waterschapslasten en onderhoudskosten.

Voor zowel huur- als koopwoningen geldt dat de onderhoudsplichtige (redelijke) lasten voor gas, water en licht die meer bedragen dan het bedrag dat hij vanuit de bijstandsnorm kan voldoen ook vanuit het woonbudget moet betalen.

Als een onderhoudsplichtige duurzaam aanmerkelijk hogere woonlasten heeft dan het woonbudget kunnen we met die extra lasten rekening houden als we kunnen vaststellen dat deze lasten niet vermijdbaar zijn en dat het (voort)bestaan daarvan niet aan de onderhoudsplichtige kan worden verweten (zie 4.6.2).

Indien (mogelijk) sprake is van een tekort aan draagkracht om in de behoefte te voorzien en er aanwijzingen zijn dat de werkelijke woonlasten van een onderhoudsplichtige duur- zaam aanmerkelijk lager zijn dan het woonbudget, bijvoorbeeld omdat deze samenwoont, kan er reden zijn om met een bedrag lager dan het woonbudget te rekenen.(Hoge Raad 16 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:586.) Het ligt op de weg van de onderhoudsplichtige om in dat geval inzicht te geven in de eigen werkelijke woonlasten. Indien een onderhoudsplichtige samenwoont met een nieuwe partner, is bij de beoordeling of bij de onderhoudsplichtige sprake is van een duurzaam aanmerkelijk lagere werkelijke woonlast het uitgangspunt dat de partner de helft van de gezamenlijke woonlast kan dragen.

Het fiscaal voordeel dat betrekking heeft op de eigen woning tellen we niet bij het netto besteedbaar inkomen. Het fiscaal voordeel met betrekking tot de eigen woning evenals andere fiscale aspecten spelen wel een rol bij de bepaling van het verzamelinkomen, dat relevant is voor (bijvoorbeeld) de berekening van het kindgebonden budget.

4.2.2.5 Andere noodzakelijke lasten

Bij het bepalen van draagkracht kunnen we naast de gecorrigeerde bijstandsnorm en het woonbudget rekening houden met lasten van de onderhoudsplichtige die niet vermijdbaar en ook niet verwijtbaar zijn aangegaan of voortbestaan. We noemen die lasten ‘andere noodzakelijke lasten’. Een voorbeeld van een dergelijke last is de aflossing op schulden waarvoor beide partijen draagplichtig zijn. In par. 4.6.2 gaan we hier dieper op in.

4.2.2.6 Draagkrachtruimte

Het verschil tussen het netto besteedbaar inkomen en het draagkrachtloos inkomen noemen we de draagkrachtruimte. Bij een positieve draagkrachtruimte is de onderhoudsplichtige in staat alimentatie te betalen.

4.2.2.7 Draagkrachtpercentage, draagkracht en vrije ruimte

We hanteren als uitgangspunt dat we vanaf een bepaald inkomen niet de gehele draag- krachtruimte gebruiken voor het opleggen van een onderhoudsverplichting, maar dat we slechts een bepaald percentage daarvan bestempelen als draagkracht. Dit percentage noemen we het draagkrachtpercentage. We verdelen de draagkrachtruimte daardoor over onderhoudsplichtige en onderhoudsgerechtigde(n) in een verhouding die vastligt in het draagkrachtpercentage. Alle onderhoudsverplichtingen brengen we in beginsel ten laste van de draagkracht.

Voor kinderalimentatie is het beschikbare percentage te vinden in de draagkrachttabel (bijlage 4). Voor partneralimentatie hanteren we 60% procent als draagkrachtpercentage.

De resterende 40% van de draagkrachtruimte noemen we de vrije ruimte. Dit bedrag kan de onderhoudsplichtige gebruiken om vrij te besteden en/of om al dan niet tijdelijk hogere lasten van te betalen.

4.3 Bepalen van draagkracht voor kinderalimentatie voor kinderen tot 21 jaar

4.3.1 Inleiding

Ouders (en in voorkomend geval een stiefouder) zijn verplicht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding respectievelijk levensonderhoud en studie van hun minderjarige kinderen en hun meerderjarige kinderen tot 21 jaar. In de praktijk komt het er voor minderjarige kinderen op neer dat de ene ouder aan de andere ouder (in de regel de ouder waar het kind het hoofdverblijf heeft) kinderalimentatie betaalt. Die andere ouder betaalt zelf ook mee aan de kosten van de kinderen. Waar wij hierna spreken over het bepalen van de draagkracht voor kinderalimentatie, bedoelen wij tevens het bepalen van de draagkracht van de verzorgende ouder om bij te dragen aan de kosten van verzorging en opvoeding/de kosten van levensonderhoud en studie van de kinderen.

Kinderalimentatie heeft voorrang op alle andere onderhoudsverplichtingen. Daarom nemen we bij de bepaling van de draagkracht voor kinderalimentatie alleen de financiële situatie van de onderhoudsplichtige(n) in aanmerking. We houden geen rekening met een nieuwe partner/echtgeno(o)t/geregistreerde partner. De gedachte hierachter is dat een nieuwe partner in staat moet worden geacht in het eigen levensonderhoud te voorzien, terwijl we dit van een kind niet verwachten.

4.3.2 De draagkrachttabel (Bijlage 5)

In de draagkrachttabel in bijlage 5 geven we aan hoe we de draagkracht voor kinderalimentatie – uitgaande van het kernschema – bij een bepaald netto besteedbaar inkomen bepalen.

Daarvoor tellen we het na de scheiding (te) ontvangen kindgebonden budget op bij het netto besteedbaar inkomen van de ouder die het kindgebonden budget ontvangt. (Zie ECLI:NL:HR:2015:3011.)

Vanaf een bepaald netto besteedbaar inkomen plus kindgebonden budget (2024: € 1.965) hanteren we een draagkrachtpercentage van 70%. Bij lagere netto besteedbare inkomens is het draagkrachtpercentage hoger. Er resteert dan een lager of geen bedrag aan vrije ruimte.

Zie hiervoor de draagkrachttabel.

Bij de lagere inkomens verlagen we in de gecorrigeerde bijstandsnorm de post ‘onvoorzien’.

Bij een netto besteedbaar inkomen plus kindgebonden budget van € 1.815 (2024) of minder, gaan we uit van een minimumdraagkracht van € 25 voor één kind en € 50 voor twee of meer kinderen.

Vanaf de AOW-leeftijd gelden andere bedragen.

4.3.3 Ouder(s) met een uitkering krachtens de Participatiewet of met een inkomen tot bijstandsniveau

We nemen geen draagkracht aan bij een ouder bij wie een kind het hoofverblijf heeft en die een bijstandsuitkering ontvangt, ook niet als die ouder een kindgebonden budget ontvangt.

Het aannemen van draagkracht in een dergelijk geval leidt er namelijk toe dat het aandeel in de kosten van de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft lager wordt. Dat zou de verhaalsmogelijkheid van de bijstand door de gemeente beperken. Daardoor draagt de gemeente (en niet de betreffende ouder) een deel van de kosten van de kinderen.

Bij een niet-verzorgende ouder met een uitkering krachtens de Participatiewet of bij één of beide ouders met een inkomen tot bijstandsniveau beveelt de expertgroep aan om wel een minimumdraagkracht aan te nemen. De bijdrage kan desondanks lager dan de minimum draagkracht uitvallen, bijvoorbeeld door de zorgkorting of als sprake is van niet vermijdbare

en niet vermijdbare lasten (zie par. 4.6.2 en verder).

Ter verduidelijking dient het volgende schema:

 

Minimale 

Draagkrachtvergelijking?
(par. 4.3.4)
Verzorgende ouder met bijstandsuitkering Nee Nee
Verzorgende ouder met inkomen tot bijstandsniveau Ja Ja *
Niet-verzorgende ouder met bijstandsuitkering Ja Ja *
Niet-verzorgende ouder met inkomen tot bijstandsniveau Ja Ja *

* Alleen als de gezamenlijke draagkracht van de ouders meer is dan het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen.

4.3.4 Verdelen van het eigen aandeel over de ouders met een draagkrachtvergelijking en toepassen van de zorgkorting

Nadat we het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen hebben bepaald en de draagkracht van de ouders hebben vastgesteld, kunnen we berekenen welk bedrag iedere ouder moet bijdragen in de kosten van de kinderen.

De verplichting tot bijdragen van een onderhoudsplichtige is mede afhankelijk van de draagkracht van andere onderhoudsplichtigen. Indien de ouders na de scheiding samen voldoende draagkracht hebben om volledig in het eigen aandeel te voorzien, berekenen we wie welk deel van dat eigen aandeel moet dragen. Hiervoor maken we een draagkrachtvergelijking.

Het is niet nodig een draagkrachtvergelijking te maken als de gezamenlijke draagkracht van de ouders gelijk is aan of minder is dan het eigen aandeel. Dan beperken we de bijdrage van de onderhoudsplichtige ouder tot diens draagkracht. We houden bij het bepalen van de draagkracht wel rekening met een extra heffingskorting en/of een kindgebonden budget waarvoor een ouder door aanwezigheid van deze kinderen in aanmerking kan komen.

Bij een gezamenlijke draagkracht die gelijk is aan het eigen aandeel of bij een tekort, verdelen we de beschikbare draagkracht in beginsel gelijk over alle kinderen waarvoor de betrokkene onderhoudsplichtig is, tenzij er een aantoonbaar verschil is in het eigen aandeel voor het ene en het andere kind.

4.3.5 Zorgkorting

Bij een zorg- of omgangsregeling voorziet de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft gedurende de tijd dat het kind bij die ouder verblijft ‘in natura’ in een deel van de kosten van het kind. Om die reden dalen de kosten die de ouder bij wie het kind het hoofverblijf heeft. We bepalen de kosten van de zorgregeling op basis van een percentage van het eigen aandeel. Dit percentage is afhankelijk van het gemiddeld aantal dagen per week – vakanties meegerekend – dat het kind doorbrengt bij of voor rekening komt van de ouder waar het kind niet zijn hoofdverblijf heeft.

We berekenen de zorgkorting over het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen volgens de betreffende tabel. We houden dus geen rekening met extra kosten.

De zorgkorting is:

  • 5% bij gedeelde zorg gedurende minder dan 1 dag per week;
  • 15% bij gedeelde zorg op gemiddeld 1 dag per week;
  • 25% bij gedeelde zorg op gemiddeld 2 dagen per week;
  • 35% bij gedeelde zorg op gemiddeld 3 dagen per week.

De zorgkorting bedraagt in beginsel ten minste 5% van het eigen aandeel (tabelbedrag), omdat ouders onderling en jegens het kind het recht en de verplichting hebben tot omgang.

In ieder geval tot dat bedrag zou de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft in de zorg moeten kunnen voorzien.

Verder hanteren we het uitgangspunt dat de ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft de ‘verblijfsoverstijgende kosten’ (zoals schoolgeld, contributie voor sport, kleding en dergelijke) draagt. Daarvoor heeft deze ouder 30% van het eigen aandeel vermeerderd met de kinderbijslag ter beschikking.

Uitzonderingen op toepassing van de zorgkorting zijn mogelijk, bijvoorbeeld indien de ouder bij wie het kind zijn hoofdverblijf niet heeft, zijn of haar verplichting tot omgang of verdeling van de zorg niet nakomt.

Zorgkorting bij co-ouderschap

Co-ouderschap is een niet-wettelijke term die in de praktijk gangbaar is voor verschillende varianten van gedeelde zorg. Ook hier is het uitgangspunt dat de ouders naar rato van hun draagkracht in de kosten van een kind bijdragen. De zorgkorting verwerken we op de in hoofdstuk 5 bij stap 6 beschreven wijze in de berekening, waarbij wij geen onderscheid maken tussen ruime zorgregelingen en co-ouderschap.

Het is mogelijk dat de co-ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft voor de inkomstenbelasting voor een kind aanspraak maakt op de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Als dat het geval is houden we hier rekening mee bij de berekening van het netto besteedbaar inkomen van die ouder.

4.4 Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie

4.4.1 Inleiding

Bij de berekening van draagkracht voor partneralimentatie gelden grotendeels dezelfde uitgangspunten als die wij hiervoor bij de kinderalimentatie hebben uiteengezet. Ook hier is het netto besteedbare inkomen van de onderhoudsplichtige het vertrekpunt.

4.4.2 Afwijkingen in het kernschema

Op grond van artikel 1:400, lid 1, BW heeft kinderalimentatie voorrang boven alle andere onderhoudsverplichtingen. Als de gewezen partner niet alleen aanspraak maakt op partneralimentatie, maar ook op kinderalimentatie, maken we eerst een draagkrachtberekening voor kinderalimentatie. Op basis van de behoefte van de kinderen en de draagkracht van de ouders maken we een draagkrachtvergelijking.

Vervolgens maken we een draagkrachtberekening op de hiervoor onder 4.2.1 omschreven wijze voor de vaststelling van partneralimentatie. Het aandeel van de ouder in de kosten van de kinderen brengen we in mindering op de berekende draagkracht. De resterende draagkracht kunnen we aanwenden voor partneralimentatie.

Anders dan bij kinderalimentatie tellen we bij het berekenen van draagkracht voor partneralimentatie een eventueel (te) ontvangen kindgebonden budget niet op bij het netto besteedbare inkomen.

Fiscale aftrekbaarheid betaalde partneralimentatie

Bij partneralimentatie heeft de onderhoudsplichtige op grond van artikel 6.3, lid 1, Wet IB 2001 recht op een persoonsgebonden aftrekpost voor de betaalde alimentatie.

De onderhoudsplichtige die inkomstenbelasting verschuldigd is, kan in het betreffende jaar in aanmerking komen voor vermindering of teruggaaf van inkomensheffing. We duiden dit wel als fiscaal voordeel.

Als de onderhoudsplichtige recht heeft op deze persoonsgebonden aftrek dan neemt zijn betaalcapaciteit in feite toe, zodat die persoon per saldo meer kan missen dan het bedrag van de berekende draagkracht. Indien een onderhoudsplichtige daadwerkelijk aanspraak kan maken op een fiscaal voordeel, is dus sprake van ‘extra draagkracht’ gelijk aan het voorzienbare fiscaal voordeel. Bij de laagste inkomens, te weten de inkomens onder € 1.400 bruto per maand inclusief vakantietoeslag (ongeveer € 1.090 netto), laten we deze extra draagkracht buiten beschouwing, omdat door heffingskortingen toch al geen inkomsten- belasting hoeft te worden betaald. Bij hogere inkomens hevelen we het fiscaal voordeel in de bruto methode over naar de onderhoudsgerechtigde(n).

4.5 Inkomensvergelijking (voorheen jusvergelijking)

Als sprake is van eigen inkomen van een onderhoudsgerechtigde en/of van een relatief hoge behoefte en draagkracht, kan het redelijk zijn dat we de financiële situatie van partijen nader vergelijken. De expertgroep vindt het redelijk dat de onderhoudsgerechtigde inclusief de partneralimentatie niet meer te besteden heeft dan de onderhoudsplichtige. Met andere woorden: de onderhoudsgerechtigde hoeft niet in een betere financiële positie te worden gebracht dan de onderhoudsplichtige. Daarvoor berekenen we bij welk bedrag aan partneralimentatie het besteedbaar inkomen van partijen gelijk is. Eventuele bijzondere niet verwijtbare en niet vermijdbare lasten aan de zijde van de onderhoudsplichtige en/of de onderhoudsgerechtigde nemen we mee in de vergelijking. Dit geldt ook voor eventuele kosten van kinderen, voor zover deze hoger zijn dan een te ontvangen kindgebonden budget door de betreffende partij. Als voor de onderhoudsgerechtigde dan een hoger bedrag resteert dan voor de onderhoudsplichtige vindt een correctie van de hoogte van de alimentatie plaats en verlagen we deze in beginsel tot een zodanige alimentatie waarbij beide partijen een gelijk besteedbaar inkomen hebben. Met behulp van een alimentatierekenprogramma kan dit bedrag eenvoudig worden berekend.

De kinderalimentatie die de onderhoudsgerechtigde ontvangt, rekenen we toe aan de desbetreffende kinderen en geldt voor die ouder niet als inkomen. Wel houden we bij de bepaling van het inkomen van die ouder rekening met de eventuele inkomensafhankelijke combinatiekorting in verband met de aanwezigheid van kinderen in het gezin.

Het schema (in een situatie waarin de onderhoudsplichtige een niet vermijdbare extra last heeft en kinderalimentatie betaalt, terwijl de onderhoudsgerechtigde een kindgebonden budget ontvangt) kan voorgaande beschrijving van een vergelijking verduidelijken.

Onderhoudsplichtige   Onderhoudsgerechtigde    
NBI volgens post 120 € ... NBI volgens post 120   € ...
Af: niet vermijdbare lasten € ...      
Resteert € ...      
Af: aandeel in kosten kinderen € ... Af: aandeel in kosten kinderen € ...  
    Minus ontvangen KGB € ...  
    Totaal kosten kinderen (KGB > aandeel: 0)   € ...
Inkomen voor vergelijking € ... Inkomen voor vergelijking   € ...

De beide inkomens voor de vergelijking tellen we vervolgens bij elkaar op en delen we door twee. Als de onderhoudsgerechtigde na betaling van de berekende partneralimentatie een hoger bedrag overhoudt dan de uitkomst van die som, dan stellen we dat bedrag op verzoek van de alimentatieplichtige naar beneden bij.

4.6 Bijzondere omstandigheden die de draagkracht kunnen beïnvloeden

4.6.1 Inleiding

Een alimentatieverplichting die een rechter heeft opgelegd mag niet tot gevolg hebben dat de onderhoudsplichtige niet meer in de eigen noodzakelijke kosten van bestaan kan voorzien.

Er kunnen zich omstandigheden voordoen waarin we met een hoger draagkrachtloos inkomen rekening houden dan enkel de som van de (forfaitaire) woonlast en de gecorri-  geerde bijstandsnorm.

Als een onderhoudsplichtige niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten heeft, kunnen we met die lasten rekening houden bij het bepalen van het draagkrachtloos inkomen.

Zie par. 4.6.2.

Als een onderhoudsplichtige lasten heeft die we als niet-vermijdbaar maar wel als verwijtbaar aanmerken, dan kan dat reden zijn om de aanvaardbaarheidstoets toe te passen.

Die houdt – kort gezegd – in dat we toetsen of een onderhoudsplichtige na aftrek van zijn lasten (waaronder alimentatie) minder dan 95% van de geldende bijstandsnorm overhoudt.

Zie par. 4.6.3.

In par. 4.6.4 beschrijven we hoe we kunnen omgaan met de draagkracht van iemand die is toegelaten tot de wettelijke schuldsanering of in een buitenwettelijk schuldsaneringstraject is opgenomen.

Hoe we omgaan met een inkomensverlies dat een onderhoudsplichtige zelf heeft veroorzaakt behandelen we in par. 4.7.(ECLI:NL:HR:1998:ZC2556)

In par. 4.10 gaan we in op de draagkracht bij verpleging van een onderhoudsplichtige in een instelling voor langdurige zorg.

4.6.2 Lasten die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar zijn

We kunnen het draagkrachtloos inkomen verhogen als bepaalde niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten vaststaan, ongeacht of die lasten voor, tijdens of na het huwelijk zijn ontstaan. Na deze verhoging brengen we het draagkrachtloos inkomen in mindering op het netto besteedbaar inkomen. Wat overblijft is de draagkrachtruimte. Daarvan is in beginsel 70% beschikbaar voor kinderalimentatie en 60% voor partneralimentatie. De resterende 30% respectievelijk 40%: de draagkrachtvrije ruimte, dient -mede- om financiële tegenvallers op te vangen.

Een vermijdbare last is een last waarvan de betaler zich geheel of gedeeltelijk kan bevrijden. Dat is bijvoorbeeld het geval als de betaler de schuld met spaartegoed kan aflossen. De betaler kan zich dan geheel bevrijden van de last. Als de betaler de hoogte van zijn maandelijkse aflossingen kan verlagen, kan hij zich gedeeltelijk van die last bevrijden: de hogere aflossing is dan vermijdbaar. Ook een last die een betaler ergens anders binnen het budget kan opvangen is vermijdbaar (bijvoorbeeld binnen de post ‘onvoorzien’ in de gecorrigeerde bijstandsnorm of met de draagkrachtvrije ruimte). Omdat een vermijdbare last niet op het inkomen hoeft te drukken, houden we daar geen rekening mee in de draagkrachtberekening.

Een verwijtbare last is een last die de onderhoudsplichtige met het oog op zijn onder- houdsverplichting niet had mogen laten ontstaan of die hij niet mag laten voortbestaan.

Een verwijtbare last drukt wel op het inkomen van de onderhoudsplichtige, maar heeft geen voorrang op de betaling van alimentatie. De onderhoudsplichtige dient deze last in beginsel uit zijn vrije ruimte te voldoen. Indien door het opleggen van een alimentatieverplichting een onaanvaardbare situatie zou ontstaan, kan de onderhoudsplichtige een beroep doen op de aanvaardbaarheidstoets (zie hierna par. 4.6.3).

Een last die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar is, drukt op het inkomen van de onderhouds­plichtige: hij kan zich niet van die last bevrijden. Een dergelijke last nemen we daarom op in het draagkrachtloos inkomen als deze last voorrang moet hebben op de kosten van ver­ zorging en opvoeding, levensonderhoud en studie van de kinderen en/of de kosten van levensonderhoud van de ex-partner.

Voorbeelden van lasten die op deze wijze in het draagkrachtloos inkomen zouden kunnen worden opgenomen zijn (niet uitputtend):

  • Rente en aflossing van de restschuld van de voormalige gezamenlijke woning;
  • Herinrichtingskosten (voor zover niet te bestrijden uit het woonbudget);
  • Kosten voor (verplichte) bijstand van een advocaat;
  • Reiskosten voor werk.

Woonlasten voormalige echtelijke woning als niet verwijtbare en niet vermijdbare last

Als een onderhoudsplichtigde lasten van de (voormalige) echtelijke woning (gedeeltelijk) betaalt en de onderhoudsgerechtigde in die woning woont, passen we het woonbudget voor beiden aan door de werkelijke woonlasten in aanmerking te nemen: voor degene die in de voormalige echtelijke woning woont: zijn aandeel in die last; voor degene die de woning heeft verlaten: de eigen werkelijke woonlasten en daarnaast zijn of haar aandeel in de lasten van de (voormalige) echtelijke woning.

4.6.3 Verwijtbare lasten: de aanvaardbaarheidstoets

Elke onderhoudsplichtige dient de eigen financiële huishouding en daarmee zijn of haar draagkracht zo goed mogelijk in te richten. Het aangaan van extra lasten kan verwijtbaar zijn als de onderhoudsplichtige die last met het oog op zijn of haar onderhoudsverplichting niet had mogen aangaan of laten voortbestaan. Met een verwijtbare last houden we bij het bepalen van de draagkracht geen rekening.

Als de onderhoudsplichtige zich niet van die verwijtbare last kan bevrijden en na betaling van de op te leggen alimentatie niet meer in staat is om in de eigen noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, dan kan hij of zij een beroep doen op de aanvaardbaarheidstoets.

In het algemeen vinden we dat sprake is van een onaanvaardbare situatie als de onderhoudsplichtige minder dan 95% van het voor hem of haar geldende bedrag van de bijstandsnorm (art. 22a Participatiewet) overhoudt om in de noodzakelijke lasten te voorzien. De onderhoudsplichtige moet – onderbouwd met onderliggende stukken – stellen dat van een dergelijke situatie sprake is door volledig en duidelijk inzicht te geven in zijn inkomens- en vermogenspositie en zijn bestedingen.

4.6.4 Schuldsanering

Een onderhoudsplichtige ouder die is toegelaten tot de Wettelijke schuldsanering natuurlijke personen kan de rechter-commissaris verzoeken bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag rekening te houden met de onderhoudsverplichting voor zijn kinderen. Onder omstandigheden mogen we van de onderhoudsplichtige ouder verwachten dat hij van

deze mogelijkheid gebruik maakt, bijvoorbeeld indien duidelijk is dat de financiële positie van de ouders gezamenlijk zodanig is dat sprake is van een klemmend tekort om in de behoefte van de kinderen te voorzien. Als de rechter-commissaris geen rekening houdt met de zorg- of onderhoudsverplichting of als een toegekende correctie onvoldoende is om aan de alimentatieplicht te voldoen, dan beveelt de expertgroep aan de te betalen bijdrage op nihil te bepalen voor de duur van de schuldsanering.

Voor een ouder die een minnelijk schuldsaneringstraject doorloopt, geldt hetzelfde: deze kan de bewindvoerder vragen bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag rekening te houden met de onderhoudsverplichting voor zijn kinderen.

4.7 Inkomensverlies van een onderhoudsplichtige

Nadat partijen de hoogte van kinder- en/of partneralimentatie zijn overeengekomen of de rechter die heeft vastgesteld, kan de hoogte van het inkomen van een onderhoudsplichtige veranderen. Als een onderhoudsplichtige buiten zijn schuld (een deel van) zijn inkomen verliest, houden we in beginsel rekening met het nieuwe (lagere) inkomen. We verwachten van die onderhoudsplichtige dat hij er alles aan doet om snel weer zijn oude inkomen te verwerven. Als dat niet lukt dan ligt het op zijn weg om dit te stellen en te onderbouwen.

Indien een onderhoudsplichtige zelf een inkomensvermindering heeft veroorzaakt, hangt de beslissing om deze vermindering van inkomen bij de bepaling van zijn draagkracht al dan niet buiten beschouwing te laten af van het antwoord op de vraag of:

1. hij redelijkerwijs het oude inkomen weer kan verwerven; en

2. of dit van hem kan worden gevergd.

Is het antwoord op beide vragen positief, dan gaan we uit van het oorspronkelijke inkomen.

Is echter het antwoord op (één van) beide vragen negatief, dan hangt het van de omstandigheden van het geval af of we een inkomensvermindering geheel of ten dele buiten beschouwing laten. In het bijzonder moeten we bezien of de onderhoudsplichtige uit hoofde van zijn verhouding tot de onderhoudsgerechtigde zich met het oog op diens belangen had behoren te onthouden van de gedragingen die tot inkomensvermindering hebben geleid. Is dat niet het geval, dan rekenen we met het nieuwe verminderde inkomen.

Is dat wel het geval dan rekenen we met het oude fictieve inkomen. Het buiten beschouwing laten van de inkomensvermindering mag in beginsel niet ertoe leiden dat de onderhoudsplichtige als gevolg van zijn aldus berekende fictieve draagkracht bij de voldoening aan zijn onderhoudsplicht feitelijk niet meer over voldoende middelen van bestaan beschikt en in ieder geval niet over minder dan 95% van de voor hem geldende bijstandsnorm. Hierbij gaan we in beginsel ervan uit dat de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a Participatiewet niet voor hem geldt.

4.8 Uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn

Bij uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn hanteren wij het volgende uitgangspunt: wanneer we die uitgaven als persoonsgebonden aftrekpost meenemen bij het berekenen van het netto besteedbaar inkomen, dan nemen wij die uitgaven ook mee als lasten bij de berekening van de draagkracht en de alimentatie. Als we bepaalde (aftrekbare) uitgaven niet meenemen als lasten bij de berekening van de draagkracht van de onderhoudsplichtige, dan nemen we de fiscale voordelen van deze uitgaven ook niet mee in de berekening. Anders zouden we alleen de ‘lusten’ optellen bij het netto besteedbaar inkomen en de lasten niet meenemen bij het berekenen van het draagkrachtloos inkomen. Op sommige werknemers en op de genieters van resultaat uit overige werkzaamheden, ondernemers en directeuren-grootaandeelhouder zijn de werknemersverzekeringen en/of pensioenvoorzieningen niet van toepassing. Uitgaven voor inkomensvoorzieningen, bijvoorbeeld in verband met arbeidsongeschiktheid of pensioen, kunnen we, indien deze niet bovenmatig zijn, in aanmerking nemen. Bij de vaststelling van de draagkracht voor partneralimentatie wordt het netto besteedbaar inkomen verminderd met de netto premie, dat wil zeggen de premie verminderd met eventueel fiscaal voordeel.

4.9 Fiscale gevolgen van het hebben van een auto van de zaak

Met de fiscale bijtelling vanwege een auto van de zaak houden we geen rekening.

4.10 Draagkracht bij verpleging in een instelling voor langdurige zorg

Een onderhoudsplichtige die wordt verpleegd in een instelling voor langdurige zorg is daarvoor een eigen bijdrage verschuldigd. Conform de handelwijze van het Centraal Administratie Kantoor (CAK) stellen we deze bijdrage vast op basis van het verzamelinkomen van de onderhoudsplichtige. We kunnen onder omstandigheden rekening houden met een onderhoudsverplichting jegens minderjarige kinderen en kinderen tussen de 18 en 21 jaar. Het verdient aanbeveling de draagkracht zo te berekenen dat we het netto inkomen van de onderhoudsplichtige verminderen met de noodzakelijke lasten (denk aan kleding en ontspanning en de eigen bijdrage.

5. Stappenplannen en rekenvoorbeelden

5.1 Stappenplan kinderalimentatie

We laten hierna in drie stappen met rekenvoorbeelden zien hoe we het bedrag aan kinderalimentatie bepalen. Na het stappenplan geven we enkele rekenvoorbeelden voor bijzondere situaties.

De rekenvoorbeelden laten zien hoe we bepaalde berekeningen maken. De bedragen in de rekenvoorbeelden zijn fictief. Alle bedragen zijn steeds per maand en afgerond op hele euro’s, tenzij anders vermeld.

Waar we hierna bij het berekenen van draagkracht ‘ouders’ schrijven, bedoelen we ook onderhoudsplichtige stiefouders.

Stap 1: Vaststellen van het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

Voor het vaststellen van het eigen aandeel bepalen we eerst het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van huwelijk/samenleving. netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van huwelijk/samenleving

Besteedbaar inkomen ouder I € 1.800
Besteedbaar inkomen ouder II € 1.150
Aanspraak kindgebonden budget € 50
Totaal besteedbaar gezinsinkomen € 3.000

Aan de hand van de Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen (Bijlage 4) bepalen we op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen inclusief kindgebonden budget het eigen aandeel. Voor een gezin met één kind is dat € 395 per maand.

In de tabellen voor 2024 is rekening gehouden met kinderbijslag vanaf 1 januari 2024.

Daarnaast is rekening gehouden met de hoge inflatie van het afgelopen jaar. Het percentage kosten van kinderen is opgehoogd met 1 tot 2 procentpunt.

Rekenvoorbeeld berekenen eigen aandeel bij netto besteedbaar gezinsinkomen tussen twee kolombedragen

Ligt het netto besteedbaar gezinsinkomen tussen twee tabelbedragen in, dan verhogen we het eigen aandeel vanaf het laagste tabelbedrag naar rato.

Stap 2: Bepalen van de draagkracht van de ouders

Rekenvoorbeeld bepalen draagkracht ouders

De draagkracht van een ouder berekenen we in beginsel op basis van het eigen netto besteedbaar inkomen en (indien van toepassing) het kindgebonden budget op het moment dat de kinderalimentatie ingaat of wijzigt.

De ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft (in dit voorbeeld: ouder I) heeft een netto besteedbaar inkomen van € 2.000. Deze ouder ontvangt een kindgebonden budget van € 400.

De ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft (ouder II), heeft een netto besteedbaar inkomen van € 2.600. Deze ouder draagt een niet verwijtbare en niet vermijdbare last (dat is een andere noodzakelijke last) van € 200.

De onderstaande berekeningen kunnen we samenvatten in de formule:

Draagkracht = 70%

[NBI -/- (0,3 x NBI + gecorrigeerde bijstandsnorm + overige noodzakelijke lasten)]

Draagkracht Ouder I    
Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen € 2.000  
Kindgebonden Budget € 400  
Totaal   € 2400
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3) € 1.270  
Woonbudget € 720  
Andere noodzakelijke lasten € –  
Totaal (= draagkrachtloos inkomen)    € 1.990
Draagkrachtruimte   € 410
Draagkracht 70% (afgerond)   € 287
     
Draagkracht Ouder II    
Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen € 2.600  
Kindgebonden Budget € –  
Totaal    € 2.600
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3)  € 1.270  
Woonbudget € 780  
Andere noodzakelijke lasten € 200  
Totaal (= draagkrachtloos inkomen)   € 2.250
Draagkrachtruimte   € 350
Draagkracht 70% (afgerond)   € 245

Stap 3: Draagkrachtvergelijking, zorgkorting en bepalen hoogte van dekinderalimentatie

We verdelen van het eigen aandeel over de ouders door het maken van een draagkrachtvergelijking.

Rekenvoorbeeld draagkrachtvergelijking

De ouders in het rekenvoorbeeld in stap 2 hebben één kind en het eigen aandeel is € 450.

De gezamenlijke draagkracht van ouder I en ouder II is € 532 (€ 287 + € 245).

De kosten verdelen we over beide ouders volgens de formule:

Formule:

eigen draagkracht / gezamenlijke draagkracht x eigen aandeel

Het aandeel van ouder I bedraagt (afgerond):

Formule:

287 / 532 x 450 = 243

Het aandeel van ouder II bedraagt (afgerond):

Formule:

245 / 532 x 450 = 207

Samen € 450

Eigen Aandeel   € 450
Draagkracht Ouder I € 287  
Draagkracht Ouder II € 245  
Totale draagkracht    € 532
Ouder I draagt  € 243  
Ouder II draagt  € 207  

Voor het berekenen van het bedrag aan kinderalimentatie dat de ouder bij wie het kind niet staat ingeschreven moet betalen aan de andere ouder brengen we zorgkorting in mindering op het bedrag dat die ouder draagt.

Ouder II draagt  € 207
Zorgkorting 15%  € 68
Ouder II betaalt  € 139

Bijzondere situaties

Rekenvoorbeeld bepalen eigen aandeel van ouders die nooit in gezinsverband hebbensamengeleefd (par. 3.2.4)

Ouders hebben samen met het kind nooit samengewoond en een gezin gevormd. Het kind heeft het hoofdverblijf bij ouder I. Het eigen aandeel van de ouders is het gemiddelde van het bedrag dat elk van hen aan het kind zou besteden als dit bij hem/haar woont/zou wonen.

Besteedbaar inkomen ouder I  € 2.000
Kindergebonden Budget  €  400
Totaal  € 2.400
Eigen Aandeel ouder I volgens tabel  € 294
   
Besteedbaar inkomen ouder II  € 2.600
Kindergebonden Budget (fictief)  € 200
Totaal  € 2.800
Eigen Aandeel ouder II volgens tabel  € 361
   
Eigen Aandeel ouder I volgens tabel  € 294
Eigen Aandeel ouder II volgens tabel  € 361
Totaal Eigen Aandeel beide ouders  € 655
Waarvan de helft  € 328

Rekenvoorbeeld tekort aan gezamenlijke draagkracht van ouders om in het eigen aandeel te voorzien

Als de gezamenlijke draagkracht van ouders onvoldoende is om het eigen aandeel volledig te kunnen bekostigen, moeten zij in elk geval tot de grens van hun draagkracht bijdragen. In het onderstaande voorbeeld is het eigen aandeel € 800.

Voorbeeld

Draagkracht ouder I  € 354  
Draagkracht ouder II  € 312  
Totale draagkracht    € 666
Draagkrachttekort    € 135
     
Draagkracht ouder II    € 312
Ouder II betaalt aan ouder I    € 312

Tekort aan gezamenlijke draagkracht en zorgkorting

Als sprake is van een zorgregeling, maken we een uitzondering op de regel dat de zorgkorting de bijdrage vermindert. Uitgangspunt is dat de ouders ieder de helft van het tekort dragen.

Als de helft van het tekort minder is dan de zorgkorting, dan brengen we de helft van het tekort in mindering op de zorgkorting. Het restant van de zorgkorting brengen we in mindering op de te betalen bijdrage.

Voorbeeld

Eigen Aandeel    € 800
Zorgkorting 15%  € 120  
Draagkracht Ouder I  € 354  
Draagkracht Ouder II  € 312  
Totale draagkracht    € 666
Draagkrachttekort    € 135
Helft tekort    € 67
     
Draagkracht Ouder II    € 312
Zorgkorting  € 120  
Af: helft tekort  € 67  
In aanmerking te nemen zorgkorting    € 53
Ouder II betaalt aan Ouder I    € 259

Als de helft van het tekort meer is dan het bedrag van de zorgkorting dan verminderen we de te betalen bijdrage niet met zorgkorting.

Eigen Aandeel    € 1.200
zorgkorting 15%  € 180  
Draagkracht Ouder I  € 354  
Draagkracht Ouder II  € 312  
Totale draagkracht    € 666
draagkrachttekort    € 535
helft tekort    € 267
     
Draagkracht Ouder II    € 312
zorgkorting  € 180  
af: helft tekort  € 267  
in aanmerking te nemen zorgkorting    €–
Ouder II betaalt aan Ouder I    € 312

5.2 Stappenplan partneralimentatie

Hierna laten we in drie stappen met rekenvoorbeelden zien hoe we het bedrag aan partneralimentatie bepalen. De rekenvoorbeelden laten zien hoe we bepaalde berekeningen maken.

De bedragen in de voorbeelden zijn fictief. Alle bedragen zijn steeds per maand en afgerond op hele euro’s, tenzij anders vermeld.

Ontvangen kinderalimentatie, kinderbijslag en kindgebonden budget zijn bestemd om de kosten van levensonderhoud (verzorging en opvoeding) van de kinderen te bestrijden.

De (resterende) kosten van de kinderen drukken op het inkomen van de ouder(s) en zijn daarom van invloed op de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde en op de draagkracht van de onderhoudsplichtige.

Stap 1: Bepalen van de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde

De resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde bepalen we – kortgezegd – door op de huwelijksgerelateerde behoefte zijn of haar eigen inkomen en/of verdiencapaciteit in mindering te brengen.

We bepalen de huwelijksgerelateerde behoefte van de onderhoudsgerechtigde aan de hand van de hofnorm.

Volgens de hofnorm is de huwelijksgerelateerde behoefte:

60% [netto besteedbaar gezinsinkomen -/- (indien van toepassing) het (toen de ouders nog in gezinsverband leefden) voor rekening van de ouders komende eigen aandeel in de kosten van de kinderen].

Rekenvoorbeeld bepalen huwelijksgerelateerde behoefte

Het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsplichtige voordat partijen uit elkaar gingen was € 3.500 per maand.

Het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsgerechtigde voordat partijen uit elkaar gingen was € 2.000 per maand.

Tot het gezin behoren twee kinderen. Het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen is € 800 per maand.

De behoefte op basis van de hofnorm is dan

Inkomen onderhoudsplichtige  € 3.500  
Inkomen onderhoudsgerechtigde  € 2.000  
Kindgebonden budget  € –  
Netto besteedbaar gezinsinkomen    € 5.500
Af: Eigen Aandeel kosten kinderen    € 800
Beschikbaar voor echtgenoten/partners    € 4.700
Behoefte volgens hofnorm: 60%    € 2.820

Vervolgens stellen we vast of de onderhoudsgerechtigde over de middelen beschikt om in de behoefte van € 2.820 te voorzien of die in redelijkheid kan verwerven (verdiencapaciteit).

De resterende behoefte is de behoefte volgens hofnorm -/- eigen inkomen / redelijkerwijs te verwerven inkomen.

Rekenvoorbeeld bepalen resterende behoefte (zonder kinderen)

Behoefte volgens hofnorm: 60%    € 2.820
Af: eigen inkomen onderhousgerechtigde  € 2.000  
Aanvullende verdiencapaciteit  € 500  
Eigen inkomen inclusief verdiencapaciteit    € 2.500
Resterende behoefte    € 320

Rekenvoorbeeld bepalen resterende behoefte (met kinderen)

Behoefte volgens hofnorm: 60%      € 2.820
Af: eigen inkomen onderhousgerechtigde  € 2.000    
Aanvullende verdiencapaciteit  € –    
Eigen inkomen inclusief verdiencapaciteit    € 2.000  
Aandeel in levensonderhoud kinderen  € 350    
Ontvangen KGB  € 250    
Kosten kinderen uit eigen inkomen    € 100  
Voor onderhoudsgerechtigde zelf beschikbaar      € 1.900
Resterende behoefte      € 920

Stap 2: Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie

De draagkracht voor partneralimentatie bepalen we op basis van het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsplichtige aan de hand van de in par. 4.4 genoemde uitgangspunten.

Rekenvoorbeeld: netto besteedbaar inkomen, draagkrachtloos inkomen,draagkrachtpercentage en draagkracht

Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen  € 3.500  
Bij: extra verdiencapaciteit  € –  
Totaal    € 3.500
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.4)  € 1.175  
Woonbudget  € 1.050  
Andere noodzakelijke lasten  € –  
Totaal (=draagkrachtloos inkomen)    € 2.225
Draagkrachtruimte    € 1.275
Draagkracht 60% (afgerond)    € 765

Voor het bepalen van de draagkracht van een onderhoudsplichtige is niet alleen diens feitelijke inkomen van belang, maar ook het inkomen dat hij of zij redelijkerwijs kan verwerven.

Bij partneralimentatie hanteren we een draagkrachtpercentage van 60. Op het gevonden bedrag brengen we het aandeel van de onderhoudsplichtige ouder in de kosten van verzorging en opvoeding van minderjarige kinderen en de kosten van levensonderhoud en studie van kinderen tot 21 jaar in mindering. In dit voorbeeld gaan wij ervan uit dat dat aandeel € 450 is.

Draagkracht 60% (afgerond)  € 765
Aandeel in levensonderhoud kinderen  € 450
Resteert voor partneralimentatie  € 315

Omdat betaalde partneralimentatie fiscaal aftrekbaar is (tot maximaal het gecombineerde tarief in de tweede schijf) bruteren we dit netto bedrag.

Stap 3: Inkomensvergelijking

Rekenvoorbeeld inkomensvergelijking zonder kinderen

Netto Besteedbaar Inkomen (NBI) Partner I  € 3.000
Netto Besteedbaar Inkomen (NBI) Partner II  € 2.000
Netto Besteedbaar Gezinsinkomen (NBGI)  € 5.000
Behoefte volgens Hofnorm  € 3.000
Resterende behoefte Partner II (na aftrek NBI)  € 1.000
Draagrkracht Partner I voor PAL 2023  € 555
Inkomensvergelijking  € -500

De draagkracht van de onderhoudsplichtige is minder dan de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde. Daarom kan de partneralimentatie niet hoger zijn dan de laagste van deze twee: € 555 (netto).

Als de onderhoudsgerechtigde na ontvangst van partneralimentatie een hoger netto inkomen overhoudt dan de onderhoudsplichtige, dan kan de onderhoudsplichtige een beroep doen op inkomensvergelijking. Na vergelijking blijkt dat beide partijen een gelijk netto inkomen hebben als de partneralimentatie € 500 bedraagt. Onderhoudsgerechtigde en onderhoudsplichtige hebben dan allebei € 2.500 te besteden.

Rekenvoorbeeld inkomensvergelijking met kinderen

  Patner I Partner II  
Netto Besteedbaar Inkomen (NBI)    € 3.000 € 2.000 € 5.000
Kindgebonden Budget tijdens huwelijk      € 200
Netto Besteedbaar Gezinsinkomen (NBGI)      € 5.200
Eigen aandeel ouders      € 600
Beschikbaar voor (ex-)partners tijdens huwelijk      € 4.600
Behoefte    € 2.760  
Draagkracht KAL 2023  € 648 € 158  
Aandeel kosten kinderen  € 483 € 117  
KGB na scheiding  € – € 400  
Kosten kinderen na aftrek KGB  € 483 € -  
Resterende behoefte (na aftrek eigen NBI)    € 760  
Draagkracht PAL 2023  € 555    
Resteert voor PAL na aandeel kosten kinderen  € 72    
Inkomen na aftrek kosten kinderen  € 2.517 € 2.000  
Inkomensvergelijking   € -259 € 259  

In dit voorbeeld is de draagkracht van de onderhoudsplichtige (na aftrek van de kinderalimentatie) lager dan de behoefte van de onderhoudsgerechtigde en ook lager dan het bedrag (na inkomensvergelijking) waarbij partijen een gelijk besteedbaar inkomen hebben.

In dat geval beperken we de partneralimentatie tot € 259 netto per maand.

5.3 Rekenvoorbeelden niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten

Als een partij stelt en – al dan niet tegenover de betwisting door de wederpartij – voldoende onderbouwt dat sprake is van lasten die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar zijn, dan kunnen we deze lasten opnemen in het draagkrachtloos inkomen.

Rekenvoorbeeld niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten

NBI    € 2.500
Forfait noodzakelijke lasten  € 1.270  
Woonbudget  € 750  
Aflossing restschuld  € 200  
Draagkrachtloos inkomen    € 2.220
Draagkrachtruimte    € 280
Draagkracht kinderalimentatie (70%)    € 196
Draagkracht partneralimentatie (60%)    € 168

Woonlasten voormalige echtelijke woning

Indien een onderhoudsplichtige lasten van de (voormalige) echtelijke woning (gedeeltelijk)betaalt en de onderhoudsgerechtigde in die woning woont, passen we het woonbudget aan door de werkelijke woonlasten in aanmerking te nemen: voor degene die in de voormalige echtelijke woning woont: zijn aandeel in die last; voor degene die de woning heeft verlaten: de eigen werkelijke woonlasten en daarnaast zijn of haar aandeel in de lasten van de (voormalige) echtelijke woning.

Rekenvoorbeeld woonlasten voormalige echtelijke woning

Netto besteedbaar inkomen van de vertrokken ouder/partner is € 3.500 per maand.

Zijn aandeel in de netto woonlast van de (voormalige) echtelijke woning is € 500 maand.

De eigen werkelijke woonlast is € 800 per maand. Het netto besteedbaar inkomen van ouder/partner die is achtergebleven is € 1.500 maand, het kindgebonden budget € 300 per maand en de woonlast € 200 per maand.

NBI achterblijvende ouder/partner    € 1.500
KGB    € 300
NBI voor kinderalimentatie    € 1.800
Forfait noodzakelijke lasten  € 1.270  
Werkelijke woonlasten  € 200  
Draagkrachtloos inkomen    € 1.470
Draagkrachtruimte    € 330
Draagkracht kinderalimentatie (70%)    € 231
     
NBI vertrokken ouder/partner    € 3.500
Forfait noodzakelijke lasten  € 1.270  
Eigen werkelijke woonlasten  € 800  
Lasten echtelijk woning  € 500  
Draagkrachtloos inkomen    € 2.570
Draagkrachtruimte    € 930
Draagkracht kinderalimentatie (70%)    € 651

5.4 Rekenvoorbeeld aanvaardbaarheidstoets

In het onderstaande voorbeeld is sprake van fictieve bedragen!

Een alimentatieplichtige ouder heeft een verwijtbare maar niet te vermijden last van € 400 per maand. Het NBI van die ouder bedraagt € 1.800 en op basis daarvan is de draagkracht voor kinderalimentatie € 60 per maand.

De werkelijke woonlasten bedragen € 500 en de woontoeslag is € 100. De premie zorgverzekering is € 140 per maand en de zorgtoeslag is € 100.

De aanvaardbaarheidstoets leidt tot een verlaging van de kinderalimentatie tot € 39 per maand.

NBI Alimentatieplichtige      €­ 1.800
Bijstandsnorm alleenstaande 2024  € 1.284    
Af: wooncomponent 2023  € 189    
Af: nominale premie ZVW 2023  € 42    
Bijstandsnorm minus woonlasten en ZVW    € 1.137  
       
95% daarvan    € 1.080  
Woonlasten  € 500    
Af: huurtoeslag  € 100    
Werkelijke woonlasten    € 400  
Zorgverzekering  € 140    
Af: zorgtoeslag  € 100    
Overige zorgkosten  € –    
Werkelijke zorgkosten    € 40  
  €–    
  €–    
  €–    
Overige (verwijtbare) lasten    € 400  
Totaal noodzakleijke lasten      € 1.920
Resteert      €­ 39
       
Draagkracht/ geldende kinderalimentatie      €­ 60
Te betalen      € 39
Ga nu naar Overzicht wetten - Ga naar wetsartikel:

Wetten, regelgeving en verdragen

Geen wetnummer opgegeven.

Wetten en regelgeving

Verdragen en uitvoeringswetten

Beschikbare Officiële bekendmakingen in de kennisbank:

Informatie

Wanneer er op een icoon is geklikt in een Artikel, dan kan hier extra informatie komen te staan.
Lexicon
BRONNEN