ABONNEER NU!

EN KRIJG TOEGANG TOT VAKKENNIS


Probeer de eerste maand GRATIS
Daarna slechts € 230 per jaar (excl. btw)
Huidige filter(s):

Rechtbank Midden-Nederland 11-02-2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:546

Essentie (redactie)

Beroep vervalbeding huwelijkse voorwaarden slaagt niet. Peildatum samenstelling en waardering te verrekenen vermogen moment waarop partijen feitelijk gescheiden zijn gaan leven. Als man meent dat hij ook verrekenvordering op vrouw heeft, dient hij te stellen en aannemelijk te maken dat de zij op peildatum bepaalde vermogensbestanddelen had en waarde daarvan. Wettelijke rente verrekenvordering vanaf datum indiening verzoek. Vordering overleden vader vrouw op man kan alleen worden meegenomen als deze aan haar is toebedeeld.


Datum publicatie17-03-2025
ZaaknummerC/16/556897 / FA RK 23-975 en C/16/566124 / FA RK 23-2085
ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsUtrecht
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenFamilievermogensrecht; Afd. 8.2 Verrekenbedingen;
Familieprocesrecht; Verjaring / rechtsverwerking; Bewijsrecht; Nevenvoorzieningen
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Huwelijksvermogensrecht. Afwikkeling periodiek verrekenbeding (waaronder vervalbeding, peildatum, stelplicht en bewijslast). Verjaring rechtsvordering tot terugbetaling van lening op grond van artikel 3:307 BW. Verhouding tussen verjaringstermijn rente artikel 3:308 BW en verlengingsgrond van artikel 3:321 lid 1 sub a BW. Terugvorderen kosten huishouding.

Volledige uitspraak


RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht

locatie Utrecht

zaaknummers: C/16/556897 / FA RK 23-975 en C/16/566124 / FA RK 23-2085

Beschikking van 11 februari 2025

in de zaak van:

[de vrouw] ,

wonende in [woonplaats 1] ,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. S. van Gestel,

tegen

[de man] ,

wonende in [woonplaats 2] ,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. R. van Coolwijk.

1De procedure

1.1.

De rechtbank heeft op [2023] de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en de beslissing op de nevenverzoeken aangehouden.

1.2.

De rechtbank heeft daarna de volgende stukken ontvangen:

  • de akte overlegging producties tevens reactie op verweerschrift voorlopige voorzieningen van de vrouw van 14 juni 2023 (met bijlagen), nogmaals ingediend op 22 november 2024;

  • de akte overlegging producties tevens voorwaardelijke vermeerdering oorspronkelijk verzoek van de vrouw (met bijlagen), binnengekomen op 17 oktober 2023;

  • het verweerschrift van de man met daarin zelfstandige verzoeken (met bijlagen), binnengekomen op 21 november 2023;

  • de brief van de man van 22 november 2024 (met bijlagen);

  • de brief van de vrouw van 22 november 2024 (met bijlagen).

1.3.

De verzoeken zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van 3 december 2024. Daarbij waren partijen met hun advocaten aanwezig. Beide advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen.

2Waar de procedure over gaat

2.1.

Partijen zijn met elkaar getrouwd op [1974] in [plaats] , nu gemeente [gemeente] . Zij zijn getrouwd onder het maken van huwelijkse voorwaarden, die zij op [1974] met elkaar hebben gesloten. In die huwelijkse voorwaarden zijn partijen een gemeenschap van inboedel overeengekomen, en hebben zij verder iedere gemeenschap van goederen uitgesloten. Daarnaast zijn zij met elkaar in artikel 6 een periodiek verrekenbeding overeengekomen. In dat artikel is opgenomen dat de regeling omtrent verdeling van onverteerde inkomsten vervalt ‘ingeval van verbreking der feitelijke samenleving’.

2.2.

De man is op 4 november 1993 eigenaar geworden van de woning aan de [adres] te ( [postcode] ) [plaats] , hierna ook te noemen: de (echtelijke) woning. De koopprijs van de woning bedroeg NLG 370.000,-. Voor de aankoop van de woning zijn partijen een hypothecaire geldlening van NLG 400.000,- aangegaan bij de ABN Amro. Beide partijen waren hoofdelijk aansprakelijk voor deze hypothecaire geldlening. Tussen partijen staat vast dat gedurende het huwelijk uit te verrekenen inkomsten een bedrag van € 107.184,- op deze lening is afgelost. In de periode december 1998 tot en met [1999] heeft de vader van de vrouw in verschillende delen een bedrag van in totaal NLG 250.000,- aan de man overgemaakt. Tussen partijen staat vast dat deze gelden in de woning zijn geïnvesteerd, maar partijen zijn het niet eens over de titel waaronder de vader van de vrouw deze bedragen aan de man heeft verstrekt. De vader van de vrouw is op [1999] overleden. De vrouw en haar zus waren de enig erfgenamen van hun vader, ieder voor gelijke delen. De vrouw heeft gedurende het huwelijk van partijen ook nog een geldsom van haar tante gelegateerd gekregen van € 110.000,-.

2.3.

De man heeft de woning op 3 juli 2023 aan een derde-koper geleverd tegen een koopprijs van € 872.500,-. De verkoopopbrengst na aftrek van de restende hypothecaire geldlening en overige kosten bedroeg € 750.796,08. Op 29 juni 2023 zijn partijen met elkaar een depotovereenkomst overeengekomen op grond waarvan een bedrag van € 500.000,- bij de notaris in depot is gebleven in afwachting van de uitkomst van onderhavige procedure. De vrouw heeft uit dit depot een bedrag van € 50.000,- uitgekeerd gekregen.

2.4.

De vrouw verzoekt de rechtbank om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoer bij voorraad:

  • de man te veroordelen om binnen twee weken na de te wijzen beschikking alle onderliggende stukken van de tijdens het huwelijk opgebouwde pensioenaanspraken in het geding te brengen, waaronder zijn arbeidscontracten bij [onderneming 1] en [onderneming 2] en alle uniforme pensioenoverzichten (hierna: de UPO’s);

  • de man te veroordelen om binnen twee weken na de te wijzen beschikking alle jaaropgaven van zijn bankrekeningen over de laatste drie jaren in het geding te brengen en de zaak aan te houden voor het geval de vrouw aan de hand daarvan haar verrekenvordering wenst aan te passen;

  • de man te veroordelen om binnen twee weken na de te wijzen beschikking een bedrag van € 156.528,- aan haar te voldoen ter zake van de door hem in de echtelijke woning bespaarde inkomsten en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum indiening van het verzoekschrift echtscheiding tot de dag der algehele voldoening;

  • de man te veroordelen om binnen twee weken na de te wijzen beschikking een bedrag van € 328.457,- aan haar te betalen, zijnde de vordering van NLG 250.000,- uit 1998/1999 te vermeerderen met de overeengekomen rente tot mei 2023 en vanaf laatstgenoemde datum te vermeerderen met de wettelijke rente tot de dag der algehele voldoening, althans – uitsluitend voor het geval de rechtbank oordeelt dat de vordering van NLG 250.000,- niet op haar is overgegaan dan wel deze vordering is verjaard, de man te veroordelen om het bedrag van € 328.457,- aan haar te voldoen ten titel van vergoeding (artikel 1:87 BW) , te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 mei 2023 tot de dag der algehele voldoening.

2.5.

De man vindt dat de verzoeken van de vrouw afgewezen moeten worden. Daarnaast verzoekt hij de rechtbank om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoer bij voorraad:

- binnen veertien dagen nadat de beschikking is gewezen de vrouw te veroordelen eraan mee te werken dat notaris mr. [A] vanuit het onder zich houdende depot aan de vrouw een bedrag van € 50.737,87 voldoet en aan de man het meerdere, en dat indien de vrouw weigert te voldoen aan deze veroordeling het vonnis in de plaats treedt van de medewerking van de vrouw.

2.6.

De vrouw is van mening dat dit (zelfstandige) verzoek van de man afgewezen moet worden.

3De beoordeling

3-I Verrekening waarde woning

3-I-a Standpunten partijen

3.1.

Tussen partijen is in geschil of en op welke wijze de waarde van de woning in de verrekening betrokken dient te worden. De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de woning in de verrekening betrokken dient te worden, en dat daarbij uitgegaan dient te worden van een waarde van € 872.500,-. Tijdens het huwelijk is met een bedrag van
€ 107.184,- uit overgespaarde inkomsten in de woning geïnvesteerd. De totale verkrijgingsprijs voor de woning bedroeg inclusief de kosten van de verbouwing
€ 294.957,- (€ 181.512,- aankoopprijs en € 113.445,- verbouwingskosten). De woning behoort derhalve voor een bedrag van € 317.056,- tot het te verrekenen vermogen. De man dient de helft van dit bedrag aan de vrouw te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 mei 2023 tot de dag der algehele voldoening.

3.2.

De man heeft zich op het standpunt gesteld dat het recht van de vrouw om verrekening te vragen is komen te vervallen. Hij verwijst daarbij naar het vervalbeding dat in artikel 6 van de huwelijkse voorwaarden is opgenomen. Indien en voor zover er nog wel enige verrekening plaats zou moeten vinden, stelt de man dat als peildatum voor de omvang en samenstelling van het te verrekenen vermogen 1 juli 2018 geldt. Dat is het moment waarop partijen feitelijk uit elkaar zijn gegaan. Verrekening kan echter pas plaatsvinden als de vrouw ook inzage geeft in het te verrekenen vermogen aan haar zijde. Dat heeft zij niet gedaan. Ook om die reden dient het verzoek van de vrouw tot verrekening van de waarde van de woning afgewezen te worden. Indien en voor zover de waarde van de woning wel verrekend dient te worden, dient van de waarde per 1 juli 2018 te worden uitgegaan. De man stelt de waarde per die datum op € 643.000,-. Dat is het gemiddelde van de WOZ-waarde van de woning per 1 januari 2018 en 1 januari 2019. De investering uit overgespaarde inkomsten van € 107.184,- en de totale tegenprestatie van € 294.957,- worden niet door de man betwist. De man stelt zich dan ook op het standpunt dat de woning voor een bedrag van € 233.658,85 tot het te verrekenen vermogen behoort. De verrekenvordering van de vrouw bedraagt aldus € 116.829, waarvan zij reeds een voorschot van € 50.000,- heeft ontvangen. De man betoogt verder dat hij over de verrekenvordering geen wettelijke rente is verschuldigd. De vrouw heeft hem niet in gebreke gesteld, en hij is dus ook niet in verzuim.

3-1-b Het oordeel van de rechtbank

3-I-b1 Beroep op het vervalbeding

3.4

Ten aanzien van het beroep van de man op het vervalbeding heeft als uitgangspunt te gelden dat het in beginsel naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat een beroep op een dergelijke vervalbeding wordt gedaan, tenzij blijkt van door de echtgenoot die zich op het vervalbeding beroept te stellen en zo nodig te bewijzen omstandigheden die een beroep op het beding rechtvaardigen. De man heeft daartoe aangevoerd dat partijen al vijf jaar niet meer samenwoonden toen op 8 mei 2023 het verzoekschrift tot echtscheiding werd ingediend. Daarnaast heeft zijn (toenmalige) advocaat in de periode vanaf 1 juli 2018 verschillende brieven aan de vrouw geschreven over de verkoop van de woning, en is haar in die brieven aangeraden een eigen advocaat aan te zoeken. Daarna heeft de man ook daadwerkelijk in een gerechtelijke procedure verkoop van de woning gevorderd en die vordering toegewezen gekregen.

3.5.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze omstandigheden niet voldoende om een beroep op het vervalbeding te rechtvaardigen. De procedure die de man uiteindelijk heeft aangespannen, had alleen betrekking op de verkoop van de echtelijke woning. Ook in de correspondentie van zijn advocaat in de aanloop naar die procedure werd alleen over de verkoop van de woning gesproken. Van een echtscheidingssituatie was dus nog geen sprake. Van de vrouw kon dus ook nog niet worden verwacht dat zij haar rechten op verrekening veilig zou stellen door verrekening te vorderen. Evenmin kon de man aan het uitblijven van een dergelijke vordering het gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat de vrouw haar recht op verrekening niet meer geldend zou willen maken. Dit betekent dat het beroep van de man op het vervalbeding in de huwelijkse voorwaarden niet slaagt, en dat tussen partijen alsnog verrekening van de periodiek overgespaarde inkomsten plaats zal moeten vinden.

3-I-b2 Peildatum

3.6.

Nu tussen partijen alsnog verrekening plaats dient te vinden, is vervolgens de vraag welke peildatum voor de samenstelling en waardering van het verrekenen vermogen als uitgangspunt dient te worden genomen. Op grond van artikel 1:141 lid 2 jo. artikel 1:142 lid 1 sub b van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) geldt dat als peildatum voor de verrekening de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding heeft te gelden, tenzij partijen bij schriftelijke overeenkomst van die datum zijn afgeweken (zie artikel 1:142 lid 2 BW) . Van die uitzondering is in dit geval sprake. Partijen zijn in artikel 6 van hun huwelijkse voorwaarden immers overeengekomen dat ‘de in dit artikel vermelde regeling omtrent verdeling van onverteerde inkomsten vervalt ingeval van verbreking der feitelijke samenleving.’ De vraag is vervolgens hoe deze afspraak tussen partijen uitgelegd dient te worden.

3.7.

De vrouw heeft betoogd dat als peildatum voor de verrekening en waardering de datum van verkoop van de woning dient te gelden, dan wel 1 januari 2023. Toen heeft de man namelijk bekend gemaakt dat hij wilde scheiden. Op basis van de letterlijke tekst van artikel 6 lijkt dat echter niet doorslaggevend. In artikel 6 wordt immers gesproken over ‘het verbreken van de feitelijke samenleving’. Er wordt dus niet aangesloten bij het moment waarop voor beide partijen duidelijk is dat hun huwelijk door echtscheiding gaat eindigen. De vrouw heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan aangenomen zou kunnen worden dat dit desalniettemin toch de bedoeling van partijen bij het aangaan van de huwelijkse voorwaarden is geweest. Om die reden volgt de rechtbank de man in zijn standpunt dat voor de peildatum voor de samenstelling en waardering van het te verrekenen vermogen moet worden aangesloten bij het moment waarop partijen feitelijk gescheiden zijn gaan leven.

3.8.

De man heeft gesteld dat hij de echtelijke woning op 1 juli 2018 heeft verlaten. Daartoe heeft hij een huurovereenkomst met zijn dochter en haar partner overgelegd, die is getekend op 29 juni 2017. Tijdens de mondelinge behandeling heeft hij toegelicht dat hij vanaf oktober 2017 huur aan zijn dochter is gaan betalen. Zijn dochter had het appartement gekocht, en hij wilde er graag in gaan wonen. Het appartement moest echter wel eerst worden verbouwd. De man heeft het appartement toen alvast gehuurd, om te voorkomen dat iemand anders het zou huren. De verbouwing was eind 2017 min of meer afgerond, maar daarna ontstond er een forse lekkage en moest de vloer opnieuw gelegd worden. Uiteindelijk heeft de man het appartement per 1 juli 2018 betrokken. De vrouw heeft hier tegenover gesteld dat de huurovereenkomst enkel per oktober 2017 is aangegaan om de aannemer aan te sporen haast te maken met de verbouwingswerkzaamheden. Zij heeft verder verklaard dat de man al huur betaalde toen zij bij elkaar in de echtelijke woning woonden. Volgens de vrouw is de man uiteindelijk eind 2018 in het appartement gaan wonen.

3.9.

Op basis van hetgeen partijen hebben gesteld, staat in ieder geval vast dat de man de echtelijke woning in 2018 heeft verlaten. De vrouw heeft verder niet betwist dat hij het appartement al in 2017 heeft gehuurd, dat de verbouwing eind 2017 was afgerond, maar dat daarna nog wel een grote lekkage ontstond die moest worden hersteld. Op basis hiervan is het logisch ervan uit te gaan dat de man het appartement heeft betrokken snel nadat die herstelwerkzaamheden waren uitgevoerd. Dit uitgangspunt sluit aan bij de door de man genoemde datum van 1 juli 2018. Dat betekent dat de rechtbank ervan uitgaat dat de feitelijke samenleving tussen partijen op 1 juli 2018 is geëindigd. Op grond van artikel 6 van de akte van huwelijkse voorwaarden is 1 juli 2018 daarmee de peildatum voor de samenstelling en omvang van het te verrekenen vermogen.

3-I-b3 Vaststellen volledige verrekenvordering

3.10.

Volgens de man dient de vordering van de vrouw tot verrekening van de waarde van de woning afgewezen te worden, omdat zij niet heeft aangegeven wat de volledige samenstelling en omvang van het te verrekenen vermogen is. Met name heeft zij nagelaten om inzage te geven in de omvang en samenstelling van het vermogen dat aan haar zijde in de verrekening betrokken dient te worden.

3.11.

Dit verweer van de man gaat niet op. Als de man meent dat hij ook een verrekenvordering op de vrouw heeft, dient hij te stellen en aannemelijk te maken dat de vrouw op de peildatum bepaalde vermogensbestanddelen had, en wat de waarde daarvan was. Daarbij gelden de gewone regels van het bewijsrecht van artikel 149 en 150 Rv (zie Hoge Raad 9 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:637). De man zal daarbij een eigen verrekenvordering in moeten stellen. De verrekenvordering van de vrouw op de man, en de verrekenvordering van de man op de vrouw, worden dan van rechtswege tot hun gemeenschappelijk beloop verrekend (zie artikel 1:137 lid 2 BW) . De man heeft echter geen verrekenvordering jegens de vrouw ingesteld. Evenmin heeft hij op grond van artikel 1:141 lid 3 jo artikel 1:143 BW gevorderd dat het te verrekenen vermogen van de vrouw wordt beschreven. Dit betekent dat de rechtbank uitsluitend heeft te oordelen over de verrekenvordering die de vrouw jegens de man heeft ingesteld.

3-I-b4 Vaststelling omvang verrekenvordering vrouw

3.12.

Op basis van hetgeen hiervoor is overwogen, komt de rechtbank thans toe aan het vaststellen van de omvang van de verrekenvordering van de vrouw op de man. Partijen zijn het erover eens dat de woning tot het te verrekenen vermogen behoort. Daarbij is het aan de vrouw om te stellen en aannemelijk te maken wat de waarde van die woning per 1 juli 2018 was (zie Hoge Raad 9 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:637, en vgl. rechtsoverweging 3.11 hiervoor). De vrouw heeft dit echter nagelaten. Zij heeft slechts verwezen naar het bedrag waarvoor de woning op 13 april 2023 is verkocht. De man heeft gesteld dat de woning per 1 juli 2018 € 643.000,- waard was. Dat is het gemiddelde van de WOZ-waarde van de woning per 1 januari 2018 en 1 januari 2019. Bij de vaststelling van de verrekenvordering zal de rechtbank daarom van deze waarde uitgaan.

3.13.

Partijen zijn het erover eens dat er gedurende de verrekenperiode een bedrag van
€ 107.184,-uit overgespaarde inkomsten in de woning is geïnvesteerd. Zij zijn het er bovendien over eens dat de ‘totale tegenprestatie’ voor de verkrijging en verbouwing van de woning € 294.957,- bedroeg. Daarvan uitgaande, dient de woning op grond van artikel 1:136 lid 1 BW voor een bedrag van € 107.184,- / € 294.957,- x € 643.000,- = € 233.658,85 in de verrekening betrokken te worden. Op grond van artikel 1:135 lid 1 BW bedraagt de verrekenvordering van de vrouw op de man dan € 116.829,-.

3-I-b5 De wettelijke rente

3.14.

De vrouw heeft gevorderd om de man te veroordelen tot betaling van de wettelijke over haar verrekenvordering, en wel met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding (9 mei 2023). De man heeft zich tegen deze vordering verweerd, en zich op het standpunt gesteld dat hij geen wettelijke rente is verschuldigd omdat de vrouw hem niet in gebreke heeft gesteld en hij (dus) niet in verzuim is. Daarnaast acht hij het in strijd met de redelijkheid en billijkheid dat aan de vrouw wettelijke rente wordt toegewezen.

3.15.

De rechtbank zal de man veroordelen tot betaling van de wettelijke rente met ingang van 9 mei 2023 (datum indiening verzoekschrift echtscheiding). Daartoe is bepalend dat er door de niet-uitvoering van het periodiek verrekenbeding een finale verrekenverplichting is ontstaan. De vordering uit hoofde van die finale verrekenverplichting is op grond van artikel 6 van de akte van huwelijkse voorwaarden ontstaan op het moment van het feitelijk uiteengaan van partijen. Dat is 1 juli 2018 (zie de rechtsoverwegingen 3.6 tot en met 3.9 hiervoor). Op dat moment is de vordering van de vrouw opeisbaar geworden (zie artikel 6:38 BW) . Daaraan doet niet af dat op dat moment de omvang van die vordering nog niet vaststond.

3.16.

Voor de vraag of, en zo ja wanneer, de man vervolgens in verzuim is geraakt, is van belang dat in artikel 6 van de akte van huwelijkse voorwaarden is bepaald dat de echtgenoten ‘per het einde van elk jaar ter verdeling bij helfte bijeenvoegen hetgeen van ieders inkomsten over dat jaar onverteerd is gebleven’. Daarmee is voor de nakoming van de periodieke verrekenplicht een termijn overeengekomen als bedoeld in artikel 6:83, aanhef en onder a, BW. Dat heeft tot gevolg dat het verzuim ter zake van de (door omzetting van het niet-uitgevoerde periodieke verrekenbeding ontstane) finale verrekenplicht aanstonds en zonder ingebrekestelling intreedt op het moment waarop die vordering ontstaat en opeisbaar wordt, ook al is voor die finale verrekenplicht niet een dergelijke termijn overeengekomen (zie Hoge Raad 2 december 2011, ECLI:NL:HR:BU6591). In deze zaak betekent dit dat de man met ingang van 1 juli 2018 wettelijke rente is verschuldigd. Daarmee ligt de vordering van de vrouw om de man te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente met ingang van 9 mei 2023 voor toewijzing gereed.

3-I-c Conclusie (verrekening waarde woning)

3.17.

De conclusie van het voorgaande is dat de vrouw een vordering heeft op de man ter zake verrekening van de waarde van de woning van € 116.829,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 mei 2023.

3-II Betalingen door de vader van de vrouw aan de man

3-II-a Standpunten partijen

3.18.

De vrouw stelt dat haar vader in de periode vanaf december 1998 tot [1999] een bedrag van in totaal NLG 250.000,- aan de man heeft geleend, tegen een rente van 4.5%. Deze bedragen waren nodig om een grote lekkage in de woning op te lossen. De woning is daarbij grondig verbouwd. Het was de bedoeling dat zou worden vastgelegd welk bedrag de man in totaal van de vader van de vrouw had geleend, maar omdat de vader van de vrouw op [1999] onverwachts overleed, is dat er nooit van gekomen. Ook het verschuldigde rentepercentage is nooit vastgelegd. De vader van de vrouw heeft echter dezelfde voorwaarden aan de lening gesteld als de voorwaarden die golden voor de lening die hij een aantal jaar eerder aan de zus van de vrouw en haar man heeft gesteld. Die overeenkomst van geldlening is wel schriftelijk vastgelegd, en voor die lening is een rente van 4,5% overeengekomen. De vader van de vrouw heeft zijn dochters altijd gelijk willen behandelen. Ook met de man is dus een rentepercentage van 4,5% overeengekomen. Na het overlijden van de vader van de vrouw is in het kader van de verdeling van zijn nalatenschap de vordering op de man aan de vrouw toegedeeld. Zij is vanaf dat moment dus (enig) schuldeiser van de man. Omdat de man de rente nimmer heeft betaald, bedraagt de totale vordering op de man thans € 328.457,-. Indien en voor zover de rechtbank van oordeel zou zijn dat de vordering van haar vader niet op haar is overgegaan dan wel is verjaard, heeft de vrouw zich subsidiair op het standpunt gesteld dat zij een vergoedingsrecht op de man heeft ter grootte van het bedrag van NLG 250.000,-, te vermeerderen met de waardestijging van de woning die aan deze investering is toe te rekenen. Ook in dat geval is de man aan haar een bedrag van € 328.457,- verschuldigd.

3.19.

De man heeft zich met een aantal stellingen tegen de vordering van de vrouw verweerd. Ten eerste heeft hij zich op het standpunt gesteld dat de vader van de vrouw de aan hem verstrekte gelden niet ten titel van lening heeft verstrekt, maar dat deze gelden aan hem zijn geschonken. De man heeft verder aangevoerd dat de vordering na het overlijden van haar vader niet rechtsgeldig aan de vrouw is toegedeeld. Er is geen akte van cessie opgemaakt, en een mededeling ex artikel 3:94 BW heeft niet plaatsgevonden. Omdat de vordering niet uitsluitend aan de vrouw is gaan toebehoren, kan zij geen beroep doen op de verlengingsgrond van de verjaring van artikel 3:321 lid 1 sub a BW. Dat betekent dat de vordering op grond van artikel 3:307 lid 1 BW is verjaard. De vrouw heeft bovendien haar recht om terugbetaling te vorderen verwerkt. Daarnaast is het volgens de man in strijd met de redelijkheid en billijkheid dat de vrouw nu terugbetaling vordert. Ten aanzien van de verschuldigde rente heeft de man nog aangevoerd dat er helemaal geen rente is afgesproken. Daarnaast kwalificeert de verschuldigde rente volgens hem als kosten van de huishouding, en heeft de vrouw door het niet incasseren van deze rente een bijdrage aan die kosten van de huishouding geleverd. Zij kan deze nu dus niet van de man vorderen.

3-II-b Het oordeel van de rechtbank

3-II-b1 Is sprake van een overeenkomst van geldlening

3.20.

Tussen partijen staat niet ter discussie dat de vader van de man in de periode december 1998 tot en met [1999] in totaal een bedrag van NLG 250.000,- aan de man heeft overgemaakt. Het meest verstrekkende verweer van de man is dat de vader van de vrouw deze bedragen niet ten titel van lening, maar ten titel van schenking aan hem heeft voldaan. Als dat zo is, heeft de vader van de vrouw nooit een vordering op de man gehad, en kan de vrouw reeds om die reden geen terugbetaling van de man vorderen. De rechtbank is echter van oordeel dat het geldbedrag van NLG 250.000,- ten titel van lening aan de man is verstrekt. Dat volgt uit de bankafschriften die de vrouw als productie 5 in geding heeft gebracht. Dat betreft afschriften van de bankrekening van haar vader. Uit die bankafschriften blijkt een vijftal overboekingen naar de bankrekening van de man. Bij ieder van die overboekingen staat vermeld ‘ [de man] LENING’. Hieruit volgt duidelijk wat volgens de vader van de vrouw de titel van de overboekingen is geweest. Vaststaat dat de man de overgeboekte gelden in ontvangst heeft genomen. Daarmee heeft hij ook de titel van die betalingen aanvaard. Daarmee staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat tussen de vader van de vrouw en de man een overeenkomst van geldlening bestond, dan wel door aanvaarding van de betalingen tot stand is gekomen. Dat betekent dat de vader van de vrouw een vordering tot terugbetaling op de man heeft verkregen. Toen de vader van de vrouw op [1999] overleed, behoorde tot zijn vermogen dus in ieder geval een vordering van NLG 250.000,- op de man.

3-II-b2 Is de vordering rechtsgeldig aan de vrouw toegedeeld en geleverd

3.21.

De vraag is vervolgens of de vrouw enig rechthebbende van deze vordering is geworden. Uit het testament van de vader van de vrouw volgt dat zijn twee dochters zijn enig-erfgenaam waren, ieder voor een gelijk aandeel. Tussen de vrouw en haar zus is door het overlijden van hun vader dus een gemeenschap van nalatenschap ontstaan. Daartoe behoorde ook de vordering op de man. Op grond van artikel 6:15 lid 2 BW gold ten aanzien van die vordering dat de vrouw en haar zus gezamenlijk één vorderingsrecht hadden (en dus niet ieder een eigen vorderingsrecht voor de helft van het totaal verschuldigde bedrag). De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat deze vordering aan haar is toegedeeld en geleverd, waardoor zij enig rechthebbende (en dus enig schuldeiser) van de man is geworden. De man heeft dat betwist. Als de vordering inderdaad niet aan de vrouw is toegedeeld en geleverd, behoort deze nog steeds gemeenschappelijk aan de vrouw en haar zus toe. In dat geval kwalificeert de vordering tot terugbetaling van de vrouw niet als een nevenverzoek in de zin van artikel 827 lid 1 sub b en/of g Rv. De vrouw heeft in dat geval immers niet in haar hoedanigheid van echtgenoot een vordering op de man, maar in haar hoedanigheid van erfgenaam, en dan samen met haar zus. Daardoor kan de vrouw alleen namens de erfgenamen (haarzelf en haar zus) betaling van het door de man verschuldigde bedrag vorderen, en moet zij een veroordeling vragen jegens haar en haar zus. Los van het feit dat de vrouw dat in deze procedure niet heeft gedaan, en het verzoek reeds om die reden zou moeten worden afgewezen (zie Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1283; Hoge Raad 27 oktober 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1856 en Hoge Raad 5 maart 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2868), is een dergelijke vordering ten behoeve van de nalatenschap niet een nevenvoorziening met betrekking tot afwikkeling van het verrekenbeding dat tussen partijen geldt (artikel 827 lid 1 sub b Rv) . Evenmin vertoont een dergelijke vordering voldoende samenhang met de echtscheidingsprocedure als bedoeld in artikel 827 lid 1 g Rv. Als de vordering niet aan de vrouw is toegedeeld en geleverd, is zij om die reden niet ontvankelijk in haar verzoek tot terugbetaling, althans moet dat verzoek worden afgewezen.

3.22.

Bij beantwoording van de vraag of de vordering rechtsgeldig aan de vrouw is toegedeeld en geleverd, stelt de rechtbank het volgende voorop. Artikel 3:182 BW bepaalt dat als een verdeling wordt aangemerkt iedere rechtshandeling waartoe alle deelgenoten, hetzij in persoon, hetzij vertegenwoordigd, meewerken en krachtens welke een of meer deelgenoten een of meer van hen een of meer goederen der gemeenschap met uitsluiting van de overige deelgenoten verkrijgen. Artikel 3:186 lid 1 BW bepaalt vervolgens dat voor de overgang van het aan ieder der deelgenoten toegedeelde een levering is vereist op dezelfde wijze als voor overdracht is voorgeschreven. Voor levering van een vordering op naam stelt de wet het vereiste van een tot levering bestemde akte, en mededeling daarvan aan de schuldenaar door de vervreemder of de verkrijger (artikel 3:94 lid 1 BW) . Daarbij kwalificeert bij een verdeling de akte van verdeling in beginsel ook als de akte bestemd voor levering van de vordering. Er is in dat geval dus geen afzonderlijke leveringsakte vereist (zie Hoge Raad 27 oktober 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1856). Wat betreft de vereiste mededeling van de akte geldt dat dit een constitutief vereiste voor de overgang van de vordering is. De wet stelt geen bijzondere vereisten aan de vorm van de mededeling. Dat betekent dat zij dus in iedere vorm kan geschieden, en in een of meer gedragingen besloten kan liggen (artikel 3:37 BW) . Die gedraging kan ook zijn dat de cessionaris (in dit geval: de vrouw) tot inning van de vordering overgaat.

3.23.

Nu de vrouw een beroep heeft gedaan op de rechtsgevolgen van haar stelling dat de vordering van haar vader rechtsgeldig aan haar is toegedeeld en geleverd, en de man dit gemotiveerd heeft betwist, rust op de vrouw de bewijslast van deze stelling. Zij zal daarbij moeten bewijzen dat een verdelings-/cessieakte is opgemaakt. Of van deze akte mededeling is gedaan, is minder relevant. De vrouw is immers tot inning van de vordering overgegaan, en daarin ligt in ieder geval mededeling van de akte aan de man besloten (als die akte er is). De vrouw heeft gesteld dat de successieaangifte, en de instemming van de vrouw en haar zus met die aangifte, als akte van cessie moet worden beschouwd. Dat is echter niet het geval. Een successieaangifte is een fiscaal document, en kwalificeert niet als een tot levering bestemd ondertekend geschrift (vgl. artikel 156 lid 1 Rv) . De vrouw heeft verder een tweetal getuigenverklaring in geding gebracht. Het betreft een verklaring van de heer [B] en een verklaring van de heer [C] . Zij zijn beiden belastingadviseur, en hebben gewerkt voor de vader van de vrouw, en voor de vrouw en haar zus. De heer [B] verklaart onder meer:

Ik begrijp dat [de man (voornaam)] stelt dat aan hem nimmer is medegedeeld dat de vordering die jouw vader op hem had bij het overlijden van jouw vader aan jou is overgedragen en dat ook de voorwaarde waaronder die lening is verstrekt door hem worden betwist. Dit is niet juist.

[…]

Ons kantoor is verder betrokken geweest bij de afwikkeling van de nalatenschap van jouw vader. Daarbij is de vordering van jouw vader op [de man (voornaam)] aan jou overgedragen. [de man (voornaam)] is hierover wel degelijk geïnformeerd. De jaren nadien is deze schuld en zijn positie daarin ook meerdere malen bij het verzorgen van de belastingaangiftes met jullie beiden besproken.

De heer [C] verklaart:

Ons kantoor heeft u begeleid bij het laatste gedeelte van de afwikkeling van de nalatenschap van uw vader. Verder hebben wij voor u en uw echtgenoot, de heer [de man] , tot en met 2017 de aangiftes IB verzorgd.

De vordering van uw vader op uw echtgenoot, die bij zijn overlijden aan u is overgedragen, hebben wij niet in een aangifte IB opgevoerd omdat tot en met 2012 de rente betaald aan de partner op basis van artikel 3.120 lid 7, later 9 niet aftrekbaar was. […].”

3.24.

Anders dan de vrouw stelt, volgt uit deze verklaringen niet dat een akte van verdeling/akte van cessie is opgemaakt. Beiden belastingadviseurs verklaren slechts dat de vordering is overgedragen. Zij verklaren niet dat een akte van verdeling/akte van cessie is opgemaakt, en ook niet wanneer dit is gebeurd. Ook met deze verklaringen heeft de vrouw dus niet voldaan aan de op haar rustende bewijslast. De vrouw heeft wel een gespecificeerd bewijsaanbod gedaan. Daarbij heeft zij aangeboden dat de heer [B] , de heer [C] , haar zus en de destijds betrokken notaris als getuigen worden gehoord. Dit bewijsaanbod is relevant voor de te bewijzen feiten; als er destijds een akte van verdeling/akte van cessie is gemaakt en deze (mogelijk) verloren is gegaan, kan haar bestaan nog wel volgens de gewone regels van bewijslevering worden bewezen, bijvoorbeeld doordat getuigen verklaren dat zij de verdelingsakte hebben opgemaakt of gezien en van haar inhoud hebben kennisgenomen. Dit betekent dat de rechtbank de vrouw zal toelaten tot het leveren van (getuigen-)bewijs dat een akte van verdeling/akte van cessie is opgemaakt waarin de vordering van haar vader op de man aan haar is toegedeeld.

3.25.

Slaagt de vrouw erin te bewijzen dat een dergelijke akte van verdeling/cessie is opgemaakt, dan is zij ontvankelijk in haar verzoek om terugbetaling van deze lening. In dat geval houdt de vrouw deze vordering immers (uitsluitend) in haar hoedanigheid van echtgenoot, waardoor dit verzoek voldoende samenhang vertoont met de echtscheidingsprocedure als bedoeld in artikel 827 lid 1 1g Rv. In die situatie heeft de rechtbank dan nog wel te oordelen over het beroep op verjaring dat de man heeft gedaan. Volgens de man is de vordering immers verjaard, waarbij hij een beroep doet op de verjaringstermijn van artikel 3:307 lid 1 BW. Op grond van artikel 3:307 lid 1 BW verjaart een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst tot een geven of doen door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden. Omdat er tussen de vader van de vrouw en de man geen termijn voor nakoming (in dit geval: terugbetaling) is bepaald, is de verjaringstermijn volgens de man op grond van artikel 6:38 BW direct na betaling van de bedragen gaan lopen. Dat betekent dat de vordering tot terugbetaling (zo die al zou bestaan) ruimschoots is verjaard. De vrouw heeft hiertegen aangevoerd dat vorderingen tussen echtgenoten op grond van artikel 3:320 jo. 3:321 lid 1 sub a BW niet kunnen verjaren. Bovendien heeft zij gesteld dat niet de verjaringstermijn van artikel 3:307 lid 1 BW, maar die van artikel 3:307 lid 2 BW van toepassing is. Daarnaast heeft zij gesteld dat het eerste voor de hand liggende moment waarop de lening opeisbaar is geworden, het moment is waarop de gezinswoning werd verkocht. Dat was in 2023, en toen heeft zij ook meteen de vordering tot betaling ingesteld.

3.26.

De rechtbank oordeelt als volgt. Een termijn voor nakoming als bedoeld in artikel 3:307 lid 1 BW hoeft niet expliciet in een overeenkomst te zijn opgenomen, maar kan ook in de aard van die overeenkomst besloten liggen. Daarvan is in dit geval sprake. Vaststaat dat de vader van de vrouw aan de man een aanzienlijk geldbedrag heeft uitgeleend ten behoeve van de echtelijke woning. In de aard van een dergelijke lening ligt besloten dat het geleende bedrag niet direct terugbetaald hoeft te worden, net zoals dit bij een hypothecaire geldlening bij een bank niet hoeft. Bij een bank dient terugbetaling van de lening in ieder geval bij verkoop van de woning te geschieden. Het ligt voor de hand om ook bij een interfamiliaire lening bij dat uitgangspunt aan te sluiten. Dat betekent dat van een lening voor onbepaalde tijd geen sprake is. Daardoor geldt niet de verjaringsbepaling van artikel 3:307 lid 2 BW, op grond waarvan de vordering tot terugbetaling in ieder geval twintig jaar na het ontstaan daarvan is verjaard, maar geldt de verjaringsbepaling van artikel 3:307 lid 1 BW. Daarbij is de vordering tot terugbetaling pas opeisbaar geworden toen de echtelijke woning verkocht en geleverd werd. Dat is op 3 juli 2023 geweest. Dat betekent dat de verjaringstermijn van vijf jaar van artikel 3:308 lid 1 BW (pas) vanaf dat moment is gaan lopen. Op dat moment had de vrouw haar vordering tot terugbetaling al ingesteld. Daarmee is van verjaring van de rechtsvordering tot terugbetaling geen sprake zijn. Bij die stand van zaken behoeft het beroep van de vrouw op de verlengingsgrond van artikel 3:320 jo. 3:321 lid 1 sub a BW niet verder beoordeeld te worden.

3.27.

Wat betreft het beroep van de man op rechtsverwerking, oordeelt de rechtbank als volgt (ook hier weer voor het geval de vrouw erin slaagt te bewijzen dat een akte van verdeling c.q. cessie is opgemaakt). Zelfs als de stelling van de man juist is dat de vordering van de vader van de vrouw op hem volledig buiten zijn medeweten om aan de vrouw is toegedeeld, is dat niet voldoende om te concluderen dat de vrouw haar rechten op terugbetaling heeft verwerkt. De man wist immers dat hij een fors geldbedrag van de vader van de vrouw had geleend, en wist, althans had kunnen weten, dat de vrouw (mede)erfgenaam van haar vader was. De man mocht er dan ook niet zonder meer op vertrouwen dat met het overlijden van de vader van de vrouw het geleende geld niet meer terugbetaald hoefde te worden, ook niet als hij na dat overlijden niets meer over deze vordering heeft gehoord. Dat geldt te meer vanwege de hiervoor onder rechtsoverweging 3.26. beschreven aard van de geldlening. Uit die aard vloeit voort dat deze niet direct opeisbaar was, maar samenhing met de eigendom van de woning, welke eigendom tot 2023 heeft voortgeduurd (en tot welk moment de lening dus überhaupt niet opeisbaar was). De rechtbank volgt de man verder ook niet in zijn stelling dat het geleende geld moet worden beschouwd als bijdrage van de vrouw in de kosten van de huishouding, zodat zij deze gelden om die reden niet van hem kan terugvorderen. Toen het geld in de woning werd geïnvesteerd, was dit immers geld van de vader van de vrouw, zodat deze gelden reeds om die reden niet als bijdrage van de vrouw kunnen worden beschouwd. Bovendien moeten tot de kosten der huishouding in het algemeen worden gerekend hetgeen in het huishouden verteerd of verbruikt wordt, en hetgeen ten behoeve van het draaiende houden van de huishouding wordt uitgegeven (vgl. Kamerstukken II 2001-2002, 27 554, nr. 5, p. 5). Onder deze definitie valt niet een éénmalige grote investering in een echtelijke woning die eigendom is van slechts één van de echtgenoten, ook niet als die investering (mede) is aangegaan voor het kunnen verrichten van groot onderhoud aan deze woning. Ook hierop stuit het verweer van de man dus af.

3-II-b3 Is er rente overeengekomen

3.28.

Wat betreft de over de geldlening verschuldigde rente overweegt de rechtbank als volgt. De vrouw heeft gesteld dat haar vader met de man een rente over het door hem geleende bedrag van 4,5% op jaarbasis is overeengekomen. De man heeft dat betwist. Ook hier geldt dat de vrouw een beroep doet op de rechtsgevolgen van de door haar gestelde feiten, en dat op haar dus de bewijslast daarvan rust. De vrouw heeft in dat kader verwezen naar de afspraken die haar vader met haar zus en echtgenoot heeft gemaakt. Met hen had de vader van de vrouw ook een rente van 4,5% over het geleende bedrag afgesproken, Omdat haar vader zijn dochters gelijk wilde behandelen, is met de man ook een rente van 4,5% overeengekomen. De vrouw verwijst in dit verband bovendien naar de successieaangifte, waarin op pagina 2 van bijlage 2 de leningen met rentepercentages zijn vermeld. Tot slot verwijst de vrouw naar de verklaring van de heer [B] en de heer [C] . De heer [B] verklaart over de rente het volgende:

[…]

In de jaren ‘90 was ik als vennoot van de [onderneming 3] betrokken bij alle financiële transacties van jouw vader en van jullie. In de jaren ‘98/99 is NLG 250.000,- door jouw vader aan [de man (voornaam)] geleend, overeenkomstig zijn wensen en in lijn ook met zijn gedachtengoed, inhoudende dat zijn beide dochters exact gelijk moeten worden behandeld en dat familiekapitaal veilig moet worden gesteld. Hij was door heel zakelijk in. Voor [de man (voornaam)] gelden dus dezelfde voorwaarden en rentepercentages als die reeds voor jouw zwager (echtgenoot van jouw zuster) golden. Wij weten ook waarom jouw vader dit niet meer op schrift heeft kunnen zetten, maar ik kan deze voorwaarden zeker bevestigen.

[…].

De heer [C] verklaart:

[…]

De vordering van uw vader op uw echtgenoot, die bij zijn overlijden aan u is overgedragen, hebben wij niet in een aangifte IB opgevoerd omdat tot en met 2012 de rente betaald aan de partner op basis van artikel 3.120 lid 7, later 9 niet aftrekbaar was. […].”

3.29.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw met het door aangedragen bewijs niet aan de op haar rustende bewijslast voldaan. Waar het immers om gaat, is of de man en de vader van de vrouw een rente van 4,5% met elkaar zijn overeengekomen. De vrouw zal daarbij niet alleen moeten bewijzen dat haar vader de intentie had een rente van 4,5% met de man overeen te komen, maar ook dat hij dat aan de man kenbaar heeft gemaakt en dat de man dit rentepercentage heeft aanvaard. Wat tussen de vader en de zus van de vrouw is overeengekomen, is dus niet doorslaggevend. Daaruit kan hooguit de bedoeling van de vader van de vrouw worden afgeleid om een rente van 4,5% te rekenen, maar niet dat dit ook tussen hem en de man is overeengekomen. Dat dit is overeengekomen volgt ook niet zonder meer uit het rentepercentage dat in de successieaangifte is vermeld. De man heeft immers verklaard dat hij in het geheel niet bij het opstellen van die aangifte is betrokken. Uit deze aangifte kan daarmee niet worden afgeleid dat de man deze renteverplichting heeft aanvaard, Bovendien is in de aangifte ten aanzien van de lening aan de zus een rentepercentage van 4.5% genoemd, maar ten aanzien van de lening aan de man een rentepercentage van 2,75%. Dit is dus in strijd met de stelling van de vrouw dat haar vader met de man een rentepercentage van 4,5% is overeengekomen, en ook in strijd met haar stelling dat zij en haar zus (althans hun echtgenoten) altijd gelijk behandeld zijn.

3.30.

Tot slot kunnen ook de verklaringen van de heer [B] en de heer [C] de vrouw niet tot afdoende bewijs dienen. De heer [B] verklaart immers uitsluitend dat de vader van de vrouw zijn dochters gelijk wilde behandelen, en dat voor de man ‘dus’ hetzelfde rentepercentage gold als voor haar zus en haar man. Zoals hiervoor reeds overwogen, is dat niet voldoende. De heer [C] verklaart op zijn beurt alleen maar waarom de rente nooit in de aangifte IB van partijen is verwerkt. De heer [C] geeft in zijn verklaring geen feiten op basis waarvan kan worden aangenomen dat er tussen de vader van de vrouw en de man überhaupt een rente is overeengekomen. Ook met deze verklaringen heeft de vrouw dus niet voldaan aan de op haar rustende bewijslast. Ook op dit onderdeel heeft de vrouw echter een gespecificeerd bewijsaanbod gedaan. Zij heeft aangeboden om de heer [B] en de heer [C] als getuigen te horen, Zij kunnen volgens de vrouw niet alleen verklaren dat de vader van de vrouw aan de man een bedrag van NLG 250.000,- heeft geleend, maar ook dat daarbij een rentepercentage van 4,5% is overeengekomen. De rechtbank zal de vrouw daarom in de gelegenheid stellen tot het leveren van (getuigen-)bewijs dat tussen haar vader en de man een rente van 4,5% over het door hem geleende bedrag is overeengekomen.

3.31.

Voor het geval de vrouw in dat bewijs slaagt, oordeelt de rechtbank nu ook al als volgt. De man heeft een beroep op verjaring gedaan ten aanzien van de volledige vordering die de vrouw op hem stelt te hebben. Dat beroep op verjaring betreft dus ook de wettelijke rente. Op grond van artikel 3:308 BW verjaren vorderingen tot betaling van renten van geldsommen door verloop van vijf jaren na aanvang van de dag volgend op die waarop de vordering opeisbaar is geworden. Ervan uitgaande dat voor de betaling van de rentetermijnen – als die komen vast te staan – geen termijn voor nakoming is bepaald, waren deze direct opeisbaar. De vrouw heeft haar vordering tot terugbetaling van de hoofdsom en voldoening van de verschuldigde rentetermijnen bij verzoekschrift van 9 mei 2023 ingesteld. Dat betekent dat de rentetermijnen die vóór 9 mei 2018 zijn verschenen op grond van artikel 3:308 BW zijn verjaard. Dat zou slechts anders kunnen zijn, als de vrouw een beroep op de verlengingsgrond van artikel 3:321 lid 1 sub a BW kan doen. Of zij dat kan doen, hangt op de eerste plaats af van het antwoord op de vraag of (en wanneer) de vordering aan haar is toegedeeld en geleverd. Is de vordering aan haar toegedeeld en geleverd, dan houdt zij die vordering vanaf dat moment als echtgenoot, en geldt daarvoor de verlengingsgrond van artikel 3:321 lid 1 sub a BW. In dat geval treedt er echter een conflict op tussen de ratio achter het bepaalde in artikel 3:308 BW, en de ratio achter het bepaalde in artikel 3:321 lid 1 sub a BW. De ratio achter artikel 3:308 BW is te voorkomen dat niet betaalde termijnen oplopen tot een zware schuld, ten gevolge waarvan de huishouding van de schuldenaar zou worden verstoord. Daarnaast wordt met de verjaringstermijn van artikel 3:308 BW het belang gediend van derden die een op de vermogenspositie van de schuldenaar berustende rechtsverhouding met hem aangaan (zie Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 948 en punt 6 van de conclusie van A-G Strikwerda vóór Hoge Raad 20 november 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0766). De ratio achter artikel 3:321 lid 1 sub a BW is dat de wetgever niet heeft gewild dat een verjaringstermijn tijdens het huwelijk zou kunnen aflopen, omdat het verrichten van de in dat geval noodzakelijke stuitingshandelingen de goede verstandhouding tussen de echtgenoten in gevaar zou kunnen brengen. Zou deze laatste regel evenwel onverkort bij verschenen rentetermijnen worden toegepast, dan kan tussen echtgenoten juist een situatie ontstaan die artikel 3:308 BW beoogt te voorkomen. Dit roept de vraag op welke van beide regels prevaleert.

3.32.

Naar het oordeel van de rechtbank prevaleert in dit soort gevallen de verjaringstermijn van artikel 3:308 BW. De redelijkheid en billijkheid die de verhouding tussen de echtgenoten beheerst gebiedt dat de bescherming van de echtgenoot-schuldeiser niet zover dient te gaan, dat de echtgenoot-schuldenaar bij het einde van het huwelijk met een door de verschuldigde rente fors opgelopen schuld wordt geconfronteerd. Dat geldt te meer nu in de meeste gevallen de verschuldigde rente tussen echtgenoten niet periodiek zal worden voldaan, juist omdát de echtgenoten een gemeenschappelijke huidhouding met elkaar voeren en zij onderling niet tot betaling en afrekening overgaan (wat juist ook de reden is voor bescherming van de echtgenoot-schuldeiser middels artikel 3:321 lid 1 sub a BW) . Door de regel van artikel 3:308 BW te laten prevaleren, wordt dus een evenwichtige balans bereikt tussen enerzijds de bescherming van de positie van de echtgenoot-schuldeiser (hoofdsom verjaart niet), en anderzijds de belangen van de echtgenoot-schuldenaar (de schuld loopt niet op tot enorme bedragen boven de oorspronkelijke hoofdsom). Een dergelijke balans stemt overeen met de eisen van redelijkheid en billijkheid die de verhouding tussen de echtgenoten beheersen. Door de verlengingsgrond van artikel 3:308 BW te laten prevaleren, wordt bovendien voorkomen dat de positie van andere schuldeisers van de echtgenoot-schuldenaar onevenredig kunnen worden geschaad.

3.32.

Dit alles heeft tot gevolg dat wanneer de vrouw slaagt in de op haar rustende bewijslast dat tussen haar vader en de man een rentepercentage over het geleende bedrag is overeengekomen, de rechtsvordering van de vrouw tot voldoening van die verschuldigde rente over de periode tot 9 mei 2018 is verjaard. Dat betekent dat de vrouw die rente niet meer in rechte van de man kan vorderen, en dat dit deel van haar vordering sowieso zal worden afgewezen. Daar staat tegenover dat als komt vast te staan dat tussen de vader van de vrouw en de man een rente is overeengekomen, het beroep van de man op de redelijkheid en billijkheid voor de verschuldigdheid van de rente vanaf 9 mei 2018 hem niet kan baten. De man heeft in dat kader aangevoerd dat de door de vrouw gederfde - want door haar niet opgeëiste - rente als haar bijdrage in de kosten van de huishouding moet worden gezien. Die bijdrage kan zij volgens de man niet terugvorderen. Naar het oordeel van de rechtbank miskent de man met deze stelling dat de vrouw op grond van de bestaande schuldverhouding zonder meer betaling van de rente van hem kan vorderen, en dat hij zich pas daarná – als deze rente als kosten van de huishouding zou kwalificeren – op het standpunt kan stellen dat hij met inachtneming van deze betaling over een bepaalde periode meer heeft bijgedragen in de kosten van de huishouding dan hij had hoeven doen. In dat geval is het aan de man om alle daarvoor benodigde elementen te stellen en te bewijzen. Voor die benodigde elementen verwijst de rechtbank naar hetgeen zij onder rechtsoverweging 3.39. en 3.40. nog zal overwegen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man niet aan zijn stelplicht en bewijslast ter zake van deze elementen voldaan. Daarom kan dit verweer de man niet baten.

3-II-b4 Vergoedingsrecht (subsidiaire grondslag)

3.33.

De vrouw heeft aan haar verzoek om de man te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 328.457,- subsidiair ten grondslag gelegd dat zij een vergoedingsrecht op de man heeft verkregen. Dat heeft zij gedaan indien en voor zover de rechtbank oordeelt dat de vordering van haar vader niet op haar is overgegaan of deze is verjaard. In dat geval dient de man volgens de vrouw een bedrag van € 328.457,- aan haar te vergoeden, naar de rechtbank aanneemt op grond van artikel 1:87 BW. Over deze subsidiaire grondslag oordeelt de rechtbank nu reeds als volgt.

3.34.

Een vergoedingsrecht kan tussen echtgenoten ontstaan wanneer er een vermogensverschuiving tussen hen plaatsvindt. Die vermogensverschuiving kan bestaan uit de gedeeltelijke voldoening van een tegenprestatie voor de verkrijging van een goed dat tot het vermogen van de andere echtgenoot gaat behoren, of uit de aflossing van een schuld van de andere echtgenoot. Daarbij ontstaat het vergoedingsrecht op het moment dat de vermogensverschuiving plaatsvindt. In dit geval heeft een dergelijke vermogensverschuiving niet plaatsgevonden. De man heeft immers geld van de vader van de vrouw gekregen, en niet van de vrouw zelf. Aldus is geen sprake van een situatie waarin de vrouw de tegenprestatie voor de verkrijging van een goed gedeeltelijk voor de man heeft voldaan of een schuld van hem heeft afgelost. De vrouw kan de door haar gestelde vordering van € 328.457,- dan ook niet op het bestaan van een vergoedingsrecht baseren. Bij die stand van zaken kan in het midden blijven wat de omvang van een dergelijke vergoedingsrecht dan zou zijn.

3-II-c Conclusie (betalingen vader vrouw)

3.35.

De conclusie van de beslissingen over de door de vader van de vrouw aan de man betaalde bedragen is als volgt. De rechtbank stelt de vrouw in de gelegenheid om te bewijzen dat een akte van verdeling/akte van cessie is opgemaakt waarin de vordering aan haar is toegedeeld. Slaagt de vrouw er niet in om dat te bewijzen, dan zal zij in deze vordering niet ontvankelijk worden verklaard dan wel zal dat verzoek worden afgewezen, omdat het verzoek tot terugbetaling in dat geval niet als een nevenverzoek in de zin van artikel 827 lid 1 sub g Rv kwalificeert en de vrouw in dat geval slechts namens de nalatenschap kan procederen. Slaagt de vrouw wel in haar bewijsopdracht, dan is de vordering tot terugbetaling van de hoofdsom van € 113.445,- toewijsbaar, omdat het beroep van de man op verjaring niet slaagt.

3.36.. De rechtbank zal de vrouw bovendien in de gelegenheid stellen om bewijs te leveren van haar stelling dat tussen haar vader en de man een rentepercentage van 4,5% over het geleende bedrag is overeengekomen. Slaagt zij erin om dat te bewijzen, dan zal haar vordering evenwel worden afgewezen voor zover het de wettelijke rente tot 9 mei 2018 betreft. De rechtsvordering tot betaling van de rente tot die datum is op grond van artikel 3:308 BW verjaard.

3-III Vergoedingsrecht kosten huishouding

3.37.

De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat als haar vordering ter zake de verrekening van de waarde van de woning en de lening van haar vader niet volledig worden toegewezen, zij een vergoedingsrecht op de man heeft omdat zij in dat geval meer heeft bijgedragen aan de kosten van de huishouding dan waartoe zij gehouden was. Zij heeft tijdens het huwelijk aanzienlijke bedragen uit de nalatenschap van haar vader en haar tante ontvangen. Deze zijn volgens de vrouw volledig besteed aan de kosten van de huishouding. De man had echter ook vermogen, en had dus ook een deel van deze kosten moeten dragen. Als de (onvoorwaardelijke) vorderingen van de vrouw volledig worden toegewezen, hebben partijen (alsnog) naar rato van hun vermogen in de kosten van de huishouding bijgedragen. Worden haar vorderingen niet volledig toegewezen, dan is dat niet het geval. De omvang van dat vergoedingsrecht is in dat geval afhankelijk van dat deel van haar vorderingen dat wel wordt toegewezen.

3.38.

De man heeft verweer gevoerd tegen deze voorwaardelijke vordering van de vrouw. Daarbij heeft hij aangevoerd dat er geen juridische grondslag is voor het door de vrouw gestelde vergoedingsrecht. Daarnaast heeft hij zich op het standpunt gesteld dat de vrouw niet heeft voldaan aan de op haar rustende stelplicht en bewijslast. Tot slot heeft de man een beroep gedaan op het vervalbeding in artikel 6 van de akte van huwelijkse voorwaarden en op rechtsverwerking.

3.39.

Bij de beoordeling van de voorwaardelijke vordering van de vrouw stelt de rechtbank het volgende voorop. In artikel 5 van hun huwelijkse voorwaarden zijn partijen overeengekomen dat de kosten van de huishouding door hen tezamen zullen worden gedragen ‘naar rato van hun zuivere jaarlijkse inkomsten, en voor zover deze inkomsten niet toereikend mochten zijn, naar evenredigheid van hun vermogens’. In deze regeling ligt besloten dat wanneer de kosten van de huishouding ten laste zijn gekomen van het inkomen of vermogen van een echtgenoot die niet in die kosten behoefde bij te dragen, of wanneer die kosten voor een groter bedrag ten laste van het inkomen of vermogen van een echtgenoot zijn gekomen dan waartoe hij in die kosten moet bijdragen, aanleiding bestaat tot vergoeding door de andere echtgenoot. De grondslag voor het verzoek van de vrouw kan dus in deze bepaling worden gevonden. Daarbij geldt dan wel als uitgangspunt dat de onderlinge afrekening plaats dient te vinden na het verstrijken van ieder kalenderjaar. Het gaat dus om een jaarlijkse verrekening. Daarbij rust op de echtgenoot die zich op het standpunt stelt dat hij meer heeft bijgedragen dan waartoe hij gehouden is de stelplicht en bewijslast daarvan. Diegene doet immers een beroep op de rechtsgevolgen daarvan. In deze zaak is dat de vrouw. Om te kunnen voldoen aan die op haar rustende stelplicht en bewijslast dient de vrouw in ieder geval te stellen, en bij voldoende gemotiveerde betwisting te bewijzen, wat (i) de totale kosten van de huishouding over ieder kalenderjaar waren, (ii) wie in dat betreffende jaar welke kosten heeft betaald, (iii) ten laste van welke middelen die kosten zijn voldaan, (iv) wie in dat betreffende jaar welk inkomen heeft genoten, en (v) wie welke (inkomsten uit) vermogen in dat betreffende jaar heeft gehad. Aan de hand van de bijdragen die partijen hebben geleverd, en afhankelijk van de vraag ten laste van welke middelen zij die bijdragen hebben voldaan, kan vervolgens worden vastgesteld of, en in welke jaren, de vrouw inderdaad te veel heeft bijgedragen aan de kosten van de huishouding.

3.40.

De rechtbank constateert dat vrouw geen, dan wel onvoldoende, feiten en omstandigheden heeft gesteld ten aanzien van de onderdelen (i), (ii), (iii) en (v). Daarmee heeft de vrouw dus niet voldaan aan de op haar rustende stelplicht. Dit geldt te meer nu de man heeft betwist dat de vrouw uit haar vermogen kosten van de huishouding heeft voldaan. Daartoe heeft hij onder meer aangevoerd dat de vrouw haar vermogen heeft besteed aan luxegoederen (tassen, designerkleding en sieraden), die niet tot de kosten van de huishouding gerekend kunnen worden. Nu de vrouw niet heeft voldaan aan de op haar rustende stelplicht, en de man de stellingen van de vrouw heeft betwist, zal de rechtbank de voorwaardelijke vordering van de vrouw tot vergoeding van teveel betaalde kosten van de huishouding reeds om die reden afwijzen. Aan de overige verweren van de man komt de rechtbank dus niet toe.

3-IV Aflossing hypothecair krediet

3.41.

De man heeft bij brief van 22 november 2024 zijn verzoeken aangevuld, en aan de rechtbank verzocht om in de afrekening tussen partijen ook te betrekken de aflossing op een hypothecair krediet bij de ABN Amro die ten laste van de verkoopopbrengst van zijn woning heeft plaatsgevonden. De vrouw was hoofdelijk aansprakelijk voor deze lening, zodat de vrouw de helft van deze aflossing aan hem dient te vergoeden. De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat dit verzoek van de man afgewezen dient te worden. De gelden die zijn geleend zijn volgens haar op de bankrekening van de man uitbetaald. De man heeft niet aangetoond dat deze gelden ten gunste van beide partijen zijn gekomen. Zij hoefde deze schuld dus ook niet mede te dragen.

3.42.

De rechtbank zal het verzoek van de man afwijzen. Vaststaat dat partijen hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het hypothecair krediet bij de ABN Amro. Op grond van artikel 6:10 lid 1 BW zijn hoofdelijk schuldenaren, ieder voor het gedeelte van de schuld dat hen in hun onderlinge verhouding aangaat, verplicht om in die schuld bij te dragen. Draagt een schuldenaar meer bij in een schuld dan hij op grond van de onderlinge verhouding aangaat, dan verkrijgt hij op grond van artikel 6:10 lid 2 BW voor het meerdere een vorderingsrecht op de andere schuldenaren (een zogenoemde ‘regresvordering’). De man stelt dat het hypothecair krediet partijen in hun onderlinge verhouding voor gelijke delen aanging, en doet een beroep op de rechtsgevolgen daarvan (i.e. dat hij (dus) teveel heeft betaald en hij dat van de vrouw kan terugvorderen). Het is daarmee aan de man om te stellen, en bij voldoende gemotiveerde betwisting te bewijzen, dat de schuld bij de ABN Amro hen ieder voor gelijke delen aanging. Dat heeft hij niet, dan wel onvoldoende, gedaan. De vrouw heeft immers onbetwist gesteld dat het geleende geld op een bankrekening is overgemaakt die uitsluitend op zijn naam stond. Daarnaast heeft de vrouw betwist dat het geld aan partijen gezamenlijk ten goede is gekomen. Gegeven die stellingen van de vrouw, had het op de weg van de man gelegen om zijn stellingen over de bestemming van het geld – en dus de onderlinge draagplicht van partijen - nader te concretiseren en bewijzen. Nu hij dat niet heeft gedaan, zal zijn verzoek worden afgewezen.

3-V Overlegging UPO’s

3.43.

De vrouw heeft verzocht om de man te veroordelen om binnen twee weken na de te wijzen beschikking alle onderliggende stukken van de tijdens het huwelijk opgebouwde pensioenaanspraken in het geding te brengen, waaronder zijn arbeidscontracten bij zijn voormalige werkgevers en alle UPO’s. De vrouw wil op basis van deze informatie kunnen beoordelen of de man niets achterhoudt. De man voert verweer tegen dit verzoek. Hij heeft de stukken die hij heeft al aan de vrouw beschikbaar gesteld. Bovendien is bij de pensioenverzekeraars van de man al melding van de echtscheiding gedaan, en zijn zij tot verevening en uitkering van de door hem opgebouwde aanspraken overgegaan.

3.44.

De rechtbank oordeelt als volgt. De man heeft zijn UPO’s al aan de vrouw verstrekt, en de pensioenverzekeraars keren het vereveningsaandeel van het door de man opgebouwde pensioen al aan haar uit. Dit vereveningsaandeel is door de pensioenverzekeraars vastgesteld. De man heeft daar geen invloed op gehad. Er is naar het oordeel van de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de juistheid van het vereveningsaandeel dat de pensioenverzekeraars hebben vastgesteld. Dat de vrouw het door de man opgebouwde pensioen laag vindt gelet op zijn functie en dienstjaren, is daartoe niet voldoende. Andere argumenten heeft de vrouw niet aangevoerd. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw dan ook afwijzen.

3-VI Overlegging jaaropgaven bankrekeningen laatste drie jaar

3.45.

Naast informatie over het door de man opgebouwde ouderdomspensioen heeft de vrouw ook verzocht om de man te veroordelen om binnen twee weken na de te wijzen beschikking alle jaaropgaven van zijn bankrekeningen over de laatste drie jaar in geding te brengen en de zaak aan te houden voor het geval de vrouw aan de hand daarvan haar verrekenvordering wenst aan te passen. De man heeft aangevoerd dat de vrouw geen belang heeft bij haar verzoek om deze jaaropgaven te verstrekken. De peildatum verrekening is immers in 2018 gelegen, zodat de vrouw er geen belang bij heeft om te weten wat de saldi van zijn bankrekeningen in de jaren 2019 tot en met 2022 waren.

3.49.

De rechtbank volgt de man in zijn verweer. Zoals hiervoor reeds geoordeeld, is de peildatum voor de verrekening 1 juli 2018. De verrekenverplichting van partijen is na die datum geëindigd. Daarmee heeft de vrouw er geen belang (meer) bij om de jaaropgaven van de bankrekeningen over de jaren 2019 tot en met 2022 te krijgen. Daaraan voegt de rechtbank nog toe dat als ten aanzien van de peildatum verrekening het standpunt van de vrouw zou zijn gevolgd, haar verzoek ook niet toegewezen zou worden. In dat geval geldt immers dat per 9 mei 2023 zou moeten worden bepaald wat de saldi van de bankrekeningen van de man waren (artikel 1:142 lid 1 sub a BW) . In dat geval zou de vrouw ook onvoldoende belang hebben bij afgifte van de jaaropgaven van de bank, omdat uit die jaaropgaven slechts de stand van de bankrekeningen aan het einde van ieder jaar volgt. De stand van de saldi per peildatum verrekening zou hier dus ook niet uit blijken.

3-VII Uitbetaling depot en depotkosten

3.50.

De man heeft de rechtbank verzocht om te beslissen hoe het door de notaris gehouden depotbedrag tussen partijen verdeeld dient te worden. Nu nog niet vaststaat welk bedrag de man aan de vrouw verschuldigd is, zal de rechtbank de beslissing op dat verzoek aanhouden.

4Conclusie en regeling in der minne

4.1.

De conclusie van het al voorgaande is als volgt. De vrouw heeft ter zake de verrekening van de waarde van de woning een vordering op de man van € 116.829,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 mei 2023. Wat betreft haar vordering ter zake de geldlening van haar vader, zal zij in de gelegenheid worden gesteld om te bewijzen dat een akte van verdeling/akte van cessie is opgemaakt. Slaagt de vrouw er niet in om te bewijzen dat de vordering van haar vader aan haar is toegedeeld, dan zal de vrouw in deze vordering niet ontvankelijk worden verklaard, althans zal haar verzoek worden afgewezen. Slaagt de vrouw wel in haar bewijsopdracht, dan is de vordering tot terugbetaling van de hoofdsom van € 113.445,- toewijsbaar, omdat het beroep van de man op verjaring in dat geval niet slaagt.

4.2.

De rechtbank zal de vrouw bovendien in de gelegenheid stellen om bewijs te leveren van haar stelling dat tussen haar vader en de man een rentepercentage van 4,5% over het geleende bedrag is overeengekomen. Slaagt zij erin om dat te bewijzen, dan zal haar vordering evenwel worden afgewezen voor zover het de wettelijke rente tot 9 mei 2018 betreft. De rechtsvordering tot betaling van de rente tot die datum is op grond van artikel 3:308 BW verjaard.

4.3.

De rechtbank zal de vordering van de vrouw tot vergoeding van de kosten van de huishouding afwijzen. Datzelfde geldt voor het verzoek ten aanzien van het hypothecair krediet en de verzoeken ten aanzien van de UPO’s en de jaaropgaven van de bank.

4.4.

De rechtbank geeft (de advocaten van) partijen in overweging om op grond van deze stand van zaken nog een keer te beproeven of er niet alsnog een regeling in der minne tussen hen kan worden bereikt. Een getuigenverhoor kost tijd en geld, en de uitkomst daarvan is voor beide partijen onzeker. Slaagt de vrouw niet in het aan haar opgedragen bewijs, dan zal haar verzoek om terugbetaling van de lening van haar vader in deze procedure worden afgewezen. Dat betekent in dit geval echter niet dat zij niet alsnog in een andere procedure terugbetaling van de man kan vorderen. Het komt de rechtbank voor dat beide partijen er dus belang bij hebben om deze zaak alsnog in der minne te regelen. Om die reden geeft de rechtbank partijen in overweging om de termijn voor het opgeven van de door de vrouw te horen getuigen ook te gebruiken om te bezien of zij er alsnog in slagen een regeling te treffen.

5De beslissing

De rechtbank:

5.1.

laat de vrouw toe om te bewijzen dat:

  1. in het kader van de verdeling van de nalatenschap van haar vader een akte van verdeling c.q. cessie is opgemaakt waarin de vordering van haar vader op de man aan haar is toegedeeld;

  2. tussen haar vader en de man een rente van 4,5% overeen is gekomen over het door haar vader aan de man geleende bedrag van NLG 250.000,-.

5.2.

bepaalt dat de vrouw uiterlijk binnen vier weken na de datum van deze beschikking bij akte eventueel schriftelijk bewijs in het geding brengt, en bepaalt dat als de vrouw dat bewijs (ook) door middel van getuigen wenst te leveren, het verhoor van deze getuigen zal geschieden ten overstaan van mr. M.A.A.T. Engbers die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan het Vrouwe Justitiaplein 1 te (3511 EX) Utrecht, en wel op een nader door haar vast te stellen dag en tijdstip;

5.3.

bepaalt dat de vrouw bij diezelfde akte het aantal voor te brengen getuigen zal opgeven, waarna de rechter de verhinderdagen van beide partijen, van hun advocaten en van de getuigen zal opvragen en dag en uur van het verhoor vaststelt;

5.4.

bepaalt dat de vrouw overeenkomstig artikel 170 Rv de namen en woonplaatsen van de getuigen tenminste een week voor het verhoor aan de wederpartij en de griffier van de rechtbank dient op te geven;

5.5.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. T.M. Subelack, rechter, in samenwerking met mr. S. Clement, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2025. In verband met afwezigheid van de rechter is de beschikking getekend door mr. M.A.A.T. Engbers, rechter.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

meer blogs >> podcasts >>

BLOGS en PODCASTS

Verjaarde vorderingen en de verdeling van de nalatenschap
Mr. Arend de Bakker, 08-10-2024
Kunnen verjaarde rechtsvorderingen in de verdeling van de nalatenschap betrokken worden? De auteur analyseert diepgaand de literatuur en de jurisprudentie hierover. Een blog, bestemd voor de superspecialist!
De geldigheid van een concept testament
Mr. Stephanie Hasselaar-Veltkamp, 02-07-2024
Onder bijzondere omstandigheden kunnen aan een concept-testament wellicht rechten worden ontleend. De auteur behandelt de recente ontwikkelingen hierover.
De stiefouder heeft het vruchtgebruik van de erfenis
Mr. Herlinde Bos, 02-07-2024
De verdeling van een erfenis tussen kinderen en stiefouders kan tot ingewikkelde situaties leiden. Wat betekent het voor een kind als de stiefouder het vruchtgebruik van de nalatenschap heeft?
De inbrengverplichting: worden andere erfgenamen gecompenseerd voor giften aan een erfgenaam?
Mr. Eline Gubbens, 18-06-2024
Regelmatig ontstaat discussie over giften die erfgenamen tijdens leven van de erflater hebben ontvangen. In deze blog wordt uitgelegd wanneer deze giften via inbreng of de legitieme portie moeten worden gecompenseerd.
De erfenis zuiver aanvaarden ... of toch maar niet?
Mr. Myrna van Wijk, 04-06-2024
In dit artikel meer over de opties van de erfgenaam: zuiver aanvaarden, beneficiair aanvaarden of verwerpen. Waar moet je aan denken? En wat zijn de mogelijkheden bij een onverwachte schuld?
Onwaardig om te erven?
Mr. Marloes Warffemius, 21-11-2023
Je kunt niet erven van degene die je om het leven hebt gebracht. Wat betekent dit voor Yvon K., die overleed voordat het tot een uitspraak kwam inzake 'de gifmoord'? De auteur bespreekt enkele relevante uitspraken.
Podcastgesprek - Wanneer is een testament nietig of vernietigbaar?
Mr. Martine Stut en Mr. Sander Baetens, 06-06-2023
Wanneer kan een testament ongedaan worden gemaakt? Hoe kom je aan informatie? Waar moet je op letten in een procedure? Erfrechtadvocaten Martine Stut en Sander Baetens gaan hier uitvoerig op in.
Podcastgesprek - Vermoeden van financieel ouderenmisbruik - wat nu?
Mr. Sander Baetens en Mr. Martine Stut, 11-04-2023
Na overlijden van een erflater rijst soms het vermoeden dat er geld is verdwenen. Wat kun je als advocaat dan ondernemen? Erfrechtadvocaten Sander Baetens en Martine Stut gaan uitvoerig in op deze vraag.
Benoeming tot executeur; wat je vooraf moet weten
Mr. Sanae Ballah, 31-01-2023
Bij testament kan een executeur benoemd worden om na overlijden de erfenis te regelen; een belangrijke taak die verschillende implicaties meebrengt. In deze blog meer over de verschillende soorten executeurs en diens taken.
Podcastgesprek: Uitspraken 2022 - dé keuze van de hoofdredactie (2)
Mr. Rob van Coolwijk en Mr. André van Oosten en Mr. Hanneke Moons, 20-12-2022
Dit is het tweede deel van het eindejaarsoverzicht: de drie hoofdredacteuren van de Kennisbank Familierecht bespreken opnieuw interessante uitspraken uit 2022.
×
Ga nu naar Overzicht wetten - Ga naar wetsartikel:

Wetten, regelgeving en verdragen

Geen wetnummer opgegeven.

Wetten en regelgeving

Verdragen en uitvoeringswetten

Beschikbare Officiële bekendmakingen in de kennisbank:

Informatie

Wanneer er op een icoon is geklikt in een Artikel, dan kan hier extra informatie komen te staan.
Lexicon
BRONNEN