ABONNEER NU!

EN KRIJG TOEGANG TOT VAKKENNIS


Probeer de eerste maand GRATIS
Daarna slechts € 230 per jaar (excl. btw)

Rechtbank Den Haag 28-02-2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:3937

Essentie (redactie)

Man verzoekt vrouw te verbieden zijn achternaam nog te gebruiken. Uit art. 1:9 lid 1 BW volgt dat vrouw bevoegd is om na ontbinding huwelijk door echtscheiding de geslachtsnaam van man te blijven voeren. Blijkens lid 2 kan de vrouw de aan haar toegekende bevoegdheid slechts ontnomen worden indien geen afstammelingen in leven zijn en dan alleen wanneer daartoe gegronde redenen bestaan. Nu partijen samen twee (in leven zijnde) kinderen hebben, kan vrouw recht om geslachtsnaam man te blijven voeren niet worden ontzegd.


Datum publicatie18-03-2025
ZaaknummerC/09/644140 / FA RK 23-1781
ProcedureEerste aanleg - meervoudig
ZittingsplaatsDen Haag
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenAlimentatie;
Familievermogensrecht;
Overig; Geslachtsnaam (art. 1:5 t/m 1:9 BW)
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Partneralimentatie en verdeling huwelijksgemeenschap. Berekening vergoedingsrechten i.v.m. aflossing op hypotheek en verbeteringen aan de woning, artikel 1:87 lid 2 sub a en b BW.

Volledige uitspraak


Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige Kamer

Rekestnummers: FA RK 23-1781 (echtscheiding) / FA RK 23-9006 (verdeling)

Zaaknummers: C/09/644140 (echtscheiding) / C/09/658147 (verdeling)

Datum beschikking: 28 februari 2025

Scheiding

Beschikking op het op 1 maart 2023 ingekomen verzoek van:

[de vrouw] ,

de vrouw,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. R.A.M. Jorna te ’s-Gravenhage.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man] ,

de man,

zonder bekende woon- of verblijfplaats,

advocaat: mr. J.W.G. van der Wallen te Rijswijk.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • het verzoekschrift van de zijde van de vrouw, ingekomen op 1 maart 2023;

  • het verweerschrift met zelfstandige verzoeken van de zijde van de man, ingekomen op 29 september 2023;

  • het verweerschrift tegen de zelfstandige verzoeken van de zijde van de vrouw, ingekomen op 28 november 2023;

  • de brief van 17 juni 2024, met bijlagen, van de zijde van de vrouw;

  • het aanvullende verzoekschrift van de zijde van de vrouw, overgelegd ter zitting van
    25 juni 2024;

  • het verweerschrift tegen de aanvullende verzoeken van de zijde van de man, ingekomen op 2 september 2024;

  • het gewijzigde verzoekschrift van de zijde van de vrouw, ingekomen op 1 oktober 2024;

  • de brief van 18 december 2024, met bijlagen, van de zijde van de vrouw;

  • het verweerschrift met aanvullende zelfstandige verzoeken van de zijde van de man, ingekomen op 20 december 2024.

Op 25 juni 2024 is de zaak op de zitting behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw met haar advocaat, alsmede de man. Van deze zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Op de zitting heeft de rechtbank regie gevoerd en een aantal regiebeslissingen genomen.

Op 16 januari 2025 is de behandeling op de zitting voortgezet. Hierbij zijn verschenen: de vrouw met haar advocaat en de man met zijn advocaat. Van de zijde van de vrouw en de man zijn pleitnotities overgelegd en voorgedragen.

Na de zitting van 16 januari 2025 heeft de rechtbank het volgende stuk ontvangen:

- het bericht van 16 januari 2025, met bijlagen (loonstroken), van de zijde van de vrouw.

Feiten

- Partijen zijn gehuwd op [dag] 1996 te [plaats 1] in gemeenschap van goederen.

- Deze rechtbank heeft op 5 maart 2024 voorlopige voorzieningen getroffen, inhoudende dat:

  • de vrouw met ingang van 1 mei 2024 bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan de [adres 1] te [plaats 2] ;

  • de vrouw aan de man met ingang van 5 maart 2024 voorlopig een partneralimentatie van € 1.531,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

Verzoek en verweer

De vrouw verzoekt in haar laatste stuk (de brief van 18 december 2024) de echtscheiding uit te spreken en:

- de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap van partijen vast te stellen zoals uit de als productie 70 primaire en subsidiaire in het geding gebrachte vermogensverdelingsvoorstellen blijkt en

primair de vrouw te machtigen om alles te doen wat noodzakelijk is om de goederenrechtelijke eigendomsoverdracht van de verschillende goederen zoals hieronder opgesomd sub a tot en met d aan de vrouw en sub e tot en met g aan de man, te realiseren, met bepaling dat de beschikking in de plaats treedt van de voor de eigendomsoverdracht en levering noodzakelijke toestemming en/of handtekening van de man en/of notariële akte of een deel daarvan, waarin de goederenrechtelijke levering plaatsvindt;

subsidiair de man te veroordelen om binnen vier weken na betekening van het vonnis zijn volledige medewerking te verlenen aan de goederenrechtelijke levering van de verschillende goederen zoals hieronder opgesomd sub a tot en met d aan de vrouw en sub e tot en met g aan de man, onder oplegging van een dwangsom van € 1.000,- per dag of dagdeel waarin de man in gebreke blijft zijn volledige medewerking te verlenen;

aan de vrouw:

a. het appartementsrecht rechtgevende op het gebruik van het appartement aan de [adres 1] te [plaats 2] ;

b. het appartementsrecht rechtgevende op het gebruik van het appartement aan de [adres 2] te [plaats 2] ;

c. het tegoed op de Spaarpolis [nummer 1] , behorend bij Spaarhypotheek [nummer 2] dat verpand is aan de ING bank ter meerdere zekerheid van de hypothecaire geldleningen van partijen bij die bank, onder de verplichting dat de vrouw de volgende hypothecaire geldleningen als eigen schuld zal voldoen:

i. ING lineaire hypotheek [nummer 3] met zekerheid op de [adres 2] / en [adres 1] groot € 43.478,22;

ii. ING [nummer 2] spaarhypotheek leningdeel 1.0 met zekerheid op de [adres 1 en adres 2] , groot € 103.008,11;

iii. ING [nummer 2] aflossingsvrije hypotheek leningdeel 2.0 met zekerheid op de [adres 1 en adres 2] groot nihil;

iv. ING [nummer 4] lineaire hypotheek leningdeel 1.0 met zekerheid op de [adres 1 en adres 2] groot € 29.375,73;

v. ING [nummer 4] aflossingsvrije hypotheek leningdeel 1.1 met zekerheid op de [adres 1 en adres 2] groot
€ 78.400,-;

vi. en voorwaardelijk ook de ING [nummer 5] lineaire hypotheek met zekerheid op de [adres 3] groot
€ 21.600,-, alleen voor zover deze woning aan de man wordt toegescheiden;

d. het onverdeeld aandeel van 50% in de onroerende zaken staande en gelegen te Frankrijk [postcode 1] , [plaats 3] , voor een waarde van € 57.500,-, en te bepalen dat de vrouw ter zake deze verdeling ten titel van overbedeling aan de man € 28.750,- dient te betalen;

aan de man:

e. primair het appartementsrecht rechtgevende op het gebruik van het appartement aan de [adres 3] te [plaats 2] ;

subsidiair voor het geval de rechtbank niet bepaalt dat de vrouw de verplichtingen uit de hypotheekschuld ING [nummer 5] lineaire hypotheek met zekerheid op de [adres 3] groot € 21.600,- op zich neemt, de vrouw te machtigen om de woning voornoemd mede namens de man te gelde te maken door deze te verkopen en te leveren en daarbij te bepalen dat:

i. de vrouw gerechtigd zal zijn tot de helft van de verkoopopbrengst van deze woning, na aflossing daaruit van de lening tot zekerheid waarvan hypotheek op de woning is gevestigd en na betaling uit de verkoopopbrengst van de kosten en lasten die verband houden met de verkoop van de woning;

ii. de vrouw gemachtigd is om alles te doen wat de verkopende makelaar noodzakelijk acht voor een vlotte verkoop van deze woning;

iii. de beschikking in de plaats komt van de noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring van de man tot het in de verkoop geven van het onroerend goed bij een makelaar;

iv. de man te veroordelen tot medewerking, in de ruimste zin van het woord, waaronder begrepen afgifte van een sleutel aan de door de vrouw in te schakelen makelaar voor de bezichtiging door potentiële kopers en dat de woning voor iedere bezichtiging is schoongemaakt en opgeruimd;

v. de beschikking in de plaats komt van de voor de eigendomsoverdracht en levering van het onroerende goed noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van de man;

f. het onverdeeld aandeel van 50% in de onroerende zaak staande en gelegen te Frankrijk in [postcode 2] [plaats 4] , voor een waarde van
€ 42.200,-, en te bepalen dat de man ter zake deze verdeling ten titel van overbedeling aan de vrouw € 21.100,- dient te betalen;

g. het onverdeeld aandeel van 50% in de onroerende zaak staande en gelegen te Frankrijk [postcode 3] [plaats 5] , voor een waarde van € 25.000,- en te bepalen dat de man ter zake deze verdeling ten titel van overbedeling aan de vrouw € 12.500,- dient te betalen;

  • de man te veroordelen om aan de vrouw te betalen een bedrag van € 7.861,- in verband met achtergehouden huurpenningen tot 31 december 2024, te vermeerderen met de helft van de door de man nog na 1 januari 2025 te ontvangen huurpenningen ad € 1.410,- per maand, een en ander zolang er sprake is van gemeenschappelijke eigendom van het betreffende goed, en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum verzoekschrift, dan wel de datum van beschikking, tot aan de dag der algehele voldoening;

  • de man te veroordelen om aan de vrouw te betalen een bedrag van € 2.699,39 (privé uitgaven man tot 5 maart 2024), althans een door uw rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het verzoekschrift, dan wel de datum van beschikking, tot aan de dag der algehele voldoening;

  • de man te veroordelen om aan de vrouw te betalen een bedrag van € 2.200,- (advocaatkosten man), althans een door uw rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van dit verzoekschrift, dan wel de datum van beschikking, tot aan de dag der algehele voldoening;

  • de man te veroordelen om aan de vrouw te betalen een bedrag van € 1.958,38 in verband met privé uitgaven man die na 5 maart 2024 nog uit de en/of rekening van partijen zijn betaald, althans een door uw rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het verzoekschrift, dan wel de datum van beschikking, tot aan de dag der algehele voldoening;

  • de man te veroordelen om aan de vrouw te betalen een bedrag van € 619,36 (door vrouw betaalde onderhoudskosten), althans een door uw rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het verzoekschrift, dan wel de datum van beschikking, tot aan de dag der algehele voldoening;

  • voorwaardelijk, voor het geval de rechtbank een partneralimentatie vaststelt, de alimentatieduur te beperken primair tot één jaar en subsidiair tot drie jaar,

een en ander met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De man voert – onder referte ten aanzien van het verzoek tot echtscheiding – verweer.

Daarnaast verzoekt de man in zijn laatste stuk (het verweerschrift met aanvullende zelfstandige verzoeken van 20 december 2024) zelfstandig:

  • de vrouw te verbieden om de achternaam van de man “ [achternaam] ” na de echtscheiding nog te gebruiken;

  • in het kader van de verdeling van de huwelijksgemeenschap aan de man toe te delen:

 de onroerende zaak aan de [adres 2] te [plaats 2] , inclusief de inboedel, met 50% van het Spaarfonds [nummer 2] ;

 de onroerende zaak aan de [adres 3] te [plaats 2] met resthypotheek ad € 15.200,45 per 16 december 2024;

 de onroerende zaak te [plaats 4] , Frankrijk voor wat betreft het aandeel van de vrouw;

 de onroerende zaak te [plaats 5] , Frankrijk voor wat betreft het aandeel van de vrouw;

 de Mercedes met kenteken [kenteken 1] voor de getaxeerde waarde ad € 1.500,-;

 de Mercedes met kenteken [kenteken 2] voor de getaxeerde waarde ad € 1.000,-;

 de Allianz NLD levensverzekering [nummer 6] ;

 de roerende zaken: eettafel en stoelen, tv-stoel, Lundia modulaire bed, Lundia modulaire kledingkast, kluis en de container met inhoud;

 de inboedel in de woning aan de [adres 3] te [plaats 2] ;

- met ingang van de datum van de echtscheiding een door de vrouw aan de man te betalen partneralimentatie van € 4.166,- per maand vast te stellen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen,

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.

Beoordeling

Echtscheiding

De vrouw stelt zich op het standpunt dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht en zij verzoekt daarom de echtscheiding uit te spreken. Alhoewel de man niet wil scheiden, verzet hij zich niet tegen het verzoek van de vrouw. De rechtbank zal het verzoek tot echtscheiding dan ook als niet weersproken en op de wet gegrond toewijzen.

Gebruik achternaam

De man verzoekt de vrouw te verbieden om zijn achternaam na de echtscheiding nog te gebruiken. De rechtbank zal dit verzoek afwijzen en overweegt daartoe als volgt. Uit artikel 1:9 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de vrouw bevoegd is om na de ontbinding van het huwelijk door echtscheiding de geslachtsnaam van de man te blijven voeren. Blijkens lid 2 van voormeld artikel kan de rechtbank de vrouw de aan haar toegekende bevoegdheid slechts ontnemen indien uit het huwelijk geen afstammelingen in leven zijn en dan alleen wanneer daartoe gegronde redenen bestaan. Nu partijen samen twee (in leven zijnde) kinderen hebben, kan de vrouw het recht om de geslachtsnaam van de man te blijven voeren niet worden ontzegd.

Partneralimentatie

Behoefte van de man

De rechtbank zal de huwelijksgerelateerde behoefte van de man conform de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie berekenen aan de hand van de hofnorm. Hierbij wordt de behoefte van de onderhoudsgerechtigde vastgesteld op 60% van het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van het uiteengaan van partijen minus de eventuele kosten van de kinderen. Partijen zijn in de tweede helft van 2023 feitelijk uit elkaar gegaan.

Vaststaat dat de man ten tijde van het uiteengaan van partijen geen inkomsten had anders dan zijn aandeel in de huurinkomsten. De volledige huurinkomsten zullen hierna worden

meegenomen bij de berekening van het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de vrouw.

Aan de zijde van de vrouw gaat de rechtbank uit van een inkomen uit loondienst van

€ 83.054,- bruto per jaar, zoals blijkt uit de jaaropgave 2023. Daarnaast wordt rekening gehouden met de door de vrouw gestelde en door de man niet betwiste netto huurinkomsten van € 695,- per maand ( [adres 3] ) en € 928,- per maand ( [adres 2] ), zijnde in totaal € 19.476,- per jaar.

Sinds 2016 ontvangt de vrouw rente over papieren schenkingen van haar vader. De vrouw heeft de door har vader geschonken bedragen steeds direct aan hem terug geleend tegen een rente van 6%. Vanaf 2019 gaat het om een bedrag van € 29.323,- per jaar. Van 2018 tot en met 2021 heeft de vrouw vanuit de rente-inkomsten jaarlijks € 20.000,- afgelost op de hypotheekschuld die betrekking heeft op het appartement aan de [adres 2] . Deze jaarlijkse aflossingen hebben ertoe geleid dat de netto huuropbrengst van het appartement aan de [adres 2] is gestegen. De rechtbank acht het gelet op het voorgaande niet juist om bij de berekening van het netto besteedbaar gezinsinkomen rekening te houden met de volledige rente-inkomsten van € 29.323,- per jaar. Er zou dan voor wat betreft een bedrag van € 20.000,- sprake zijn van een dubbeltelling. Aldus zal rekening worden gehouden met rente-inkomsten van € 9.323,- per jaar (€ 29.323,- minus € 20.000,-). Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw onvoldoende onderbouwd dat dit bedrag niet ten goede is gekomen aan het gezin. Op de zitting heeft de vrouw zelf aangegeven dat zij vanuit haar privévermogen soms uitgaven deed, zoals het collegegeld van de kinderen.

Voor wat betreft de waarde van het box 3 vermogen sluit de rechtbank aan bij de aangifte inkomstenbelasting 2022 (banktegoeden € 117.319,-, onroerende zaken € 606.844,-, uitgeleend geld € 490.915,-, schulden € 103.156,-).

Rekening houdend met de arbeidskorting berekent de rechtbank het NBI van de vrouw ten tijde van het uiteengaan op € 5.249,- per maand. Dit is ook het netto besteedbaar gezinsinkomen.

Evenals in de voorlopige voorzieningenprocedure zal de rechtbank een bedrag van € 900,- aan kosten van de kinderen in mindering brengen op het netto besteedbaar gezinsinkomen. Het betreft kosten voor de meerderjarige dochter van partijen. De man heeft onvoldoende betwist dat partijen ten tijde van hun uiteengaan deze kosten voldeden.

De rechtbank berekent de behoefte van de man op basis van bovenstaande conform de hofnorm op € 2.609,- netto per maand in 2023 (60% van (€ 5.249,- minus € 900,-)). Geïndexeerd naar 2025 bedraagt de behoefte van de man € 2.951,- netto per maand.

Aanvullende behoefte van de man

Op de hiervoor berekende netto behoefte van de man moet zijn eigen inkomen dan wel verdiencapaciteit in mindering worden gebracht.

Hoewel de man een goede opleiding heeft genoten (de man heeft de HTS gedaan), heeft hij sinds 2008 geen betaalde baan meer gehad. De rechtbank is met de vrouw van oordeel dat de man onvoldoende heeft onderbouwd dat hij niet kan gaan werken. Door de man zijn geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij op medische gronden niet in staat is om betaald werk te verrichten. Daarnaast heeft hij ook niet gesolliciteerd, want uit de stelling van de man volgt dat hij alleen heeft rondgevraagd in zijn netwerk.

Gelet op de leeftijd van de man (de man is 63 jaar oud) acht de rechtbank de man in staat om 28 uur per week te werken. Uitgaande van het minimumloon van € 14,06 bruto per uur, berekent de rechtbank de verdiencapaciteit van de man op € 1.706,- bruto per maand exclusief vakantiegeld, zijnde € 1.769,- netto per maand.

Nu, zoals hierna zal blijken, de appartementen aan de [adres 3] en de [adres 2] aan de vrouw zullen worden toegedeeld, zal de man na de echtscheiding geen huurinkomsten meer hebben.

Met inachtneming van de eigen verdiencapaciteit van de man is er sprake van een netto aanvullende behoefte van € 1.182,- per maand (€ 2.951,- minus € 1.769,-) en een bruto aanvullende behoefte van € 2.213,- per maand.

Draagkracht van de vrouw

Bij de berekening van de financiële draagkracht van de vrouw gaat de rechtbank uit van de loonstroken over de maanden oktober, november en december 2024. Hieruit blijkt een salaris van € 8.012,72 per maand, een Individueel Keuze Budget (IKB) van € 1.322,10 per maand, een pensioenpremie van € 566,81 per maand en een premie AP van € 11,21 per maand.

Zoals hierna zal blijken, zullen de appartementen aan de [adres 3] en de [adres 2] aan de vrouw worden toegedeeld. De rechtbank zal dan ook rekening houden met huurinkomsten van € 695,- per maand ( [adres 3] ) en € 928,- per maand ( [adres 2] ), zijnde in totaal € 19.476,- per jaar.

Tot slot houdt de rechtbank rekening met rente-inkomsten van € 29.323,- per jaar in verband met de papieren schenkingen van de vader van de vrouw.

Voor wat betreft de waarde van het box 3 vermogen sluit de rechtbank aan bij de aangifte inkomstenbelasting 2023 (banktegoeden € 137.649,-, onroerende zaken € 935.752,-, uitgeleend geld € 510.715,-, schulden € 94.456,-). Aangezien het saldo op de RentePlus Rekening inmiddels nihil is, zal een bedrag van € 69.110,- van de waarde van de banktegoeden worden afgetrokken. Van de waarde van de onroerende zaken zal een bedrag van € 87.292,- worden afgetrokken, omdat, zoals hierna zal blijken, de woning in [plaats 5] , Frankrijk zal worden verkocht en de woning in [plaats 4] , Frankrijk aan de man zal worden toegedeeld.

Rekening houdend met de arbeidskorting berekent de rechtbank het NBI van de vrouw op
€ 7.189,- per maand.

Voor de bepaling van de draagkracht van de vrouw zal de rechtbank conform de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie de draagkrachtformule van 60% x [NBI – (0,3 x NBI + 1.310)] toepassen. Hieruit volgt een draagkracht van de vrouw van € 2.233,- per maand (60% x [7.189 – (2.157 + 1.310)]). Gebruteerd komt dit neer op € 3.571,- per maand.

De rechtbank gaat voorbij aan het standpunt van de vrouw dat bij de bepaling van haar draagkracht rekening moet worden gehouden met haar bijdragen aan de kinderen van partijen (€ 122,65 per maand voor de werkende dochter en € 622,50 per maand voor de studerende zoon). De rechtbank begrijpt dat voor de vrouw gevoelsmatig de kinderen voorgaan op de man. Gezien de leeftijd van de kinderen (27 en 25 jaar), heeft de vrouw echter geen wettelijke onderhoudsverplichting meer jegens hen, terwijl zij wel een wettelijke onderhoudsverplichting heeft jegens de man.

Conclusie

Nu de bruto aanvullende behoefte van de man (€ 2.213,- per maand) lager is dan de draagkracht van de vrouw (€ 3.571,- bruto per maand), wordt de partneralimentatie begrensd tot de hoogte van de bruto aanvullende behoefte van de man. De partneralimentatie zal dan ook worden vastgesteld op een bedrag van € 2.213,- per maand.

Limitering

De vrouw heeft verzocht de partneralimentatie te limiteren primair tot één jaar en subsidiair tot drie jaar. Zij voert daartoe aan dat de echtscheidingsprocedure al lange tijd loopt en dat de man desondanks nog geen enkele poging heeft gedaan om zelf inkomen te verwerven. Naar de mening van de vrouw kan niet van haar worden verwacht dat zij de man nog veel langer blijft onderhouden.

De rechtbank zal het verzoek van de vrouw afwijzen. Zij overweegt daartoe dat het limiteren van partneralimentatie een ingrijpende beslissing is. Vanwege de ingrijpende gevolgen van limitering worden hoge eisen gesteld aan de door de alimentatieplichtige te stellen, en zo nodig te bewijzen, omstandigheden die limitering zouden rechtvaardigen. De rechtbank ziet in wat de vrouw heeft gesteld onvoldoende aanleiding om de partneralimentatie te limiteren tot één dan wel drie jaar. Daarbij merkt de rechtbank op dat in het voorgaande reeds is uitgegaan van een verdiencapaciteit aan de zijde van de man. Niet gebleken is dat de man over één dan wel drie jaar volledig in zijn eigen levensonderhoud kan voorzien.

Uitvoerbaarverklaring bij voorraad

De man heeft verzocht om de beslissing op het verzoek tot vaststelling van partneralimentatie uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Volgens artikel 288 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan de rechter de eindbeschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaren, maar volgens artikel 233 lid 1 Rv is dat niet mogelijk als uit de wet anders voortvloeit.

Uit de wet vloeit op grond van artikel 826 lid 1 onder c Rv voort dat de op 5 maart 2024 door deze rechtbank gewezen voorlopige voorziening inzake partneralimentatie op dit moment nog behoort te gelden. Daarmee verdraagt zich niet dat de beslissing op de nevenvoorziening partneralimentatie uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. Daarom zal de rechtbank het verzoek om uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de nevenvoorziening partneralimentatie afwijzen.

Aanhechten berekeningen

De door de rechtbank gemaakte berekeningen zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.

Verdeling huwelijksgemeenschap

Nu niet is gesteld of gebleken dat partijen huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt, moet gelet op het bepaalde in de artikelen 1:93 en 1:94 BW (tekst tot 1 januari 2018) worden aangenomen dat tussen hen een algehele gemeenschap van goederen bestaat.

Bij de verdeling van de gemeenschap van goederen moet als uitgangspunt worden genomen dat partijen in gelijke mate delen in de baten van de gemeenschap, terwijl ieder de lasten van de gemeenschap voor de helft moet dragen. Als wettelijke peildatum voor het vaststellen van de omvang van de huwelijksgemeenschap geldt de datum van indiening van het verzoekschrift, zijnde 1 maart 2023. Als peildatum voor de waardering geldt in het beginsel de datum van feitelijke verdeling.

Door partijen zijn de volgende bestanddelen van de huwelijksgemeenschap naar voren gebracht:

1. de appartementen aan de [adres 1 en adres 2] te [plaats 2] en de hieraan gekoppelde hypothecaire schulden;

2. het appartement aan de [adres 3] te [plaats 2] en de hieraan gekoppelde hypothecaire schuld;

3. het 50% aandeel in de woning in [plaats 5] , Frankrijk;

4. het 50% aandeel in de twee woningen in [plaats 3] , Frankrijk;

5. het 50% aandeel in de woning in [plaats 4] , Frankrijk;

6. de polis van levensverzekering bij Allianz;

7. de bankrekeningen;

8. de inboedel;

9. de auto’s;

10. de creditcardschuld;

11. de aanslag inkomstenbelasting 2022.

Ad 1. De appartementen aan de [adres 1 en adres 2] te [plaats 2] en de hieraan gekoppelde hypothecaire schulden

Partijen hebben twee appartementen aan de [adres 1 en adres 2] te [plaats 2] : een benedenwoning (nummer [adres 1] ) en de woning daarboven (nummer [adres 2] ). Het appartement aan de [adres 1] is de voormalige echtelijke woning en het appartement aan de [adres 2] wordt verhuurd. In opdracht van de rechtbank hebben partijen de appartementen bindend laten taxeren (het appartement aan de [adres 1] tegen de waarde in het economisch verkeer en het appartement aan de [adres 2] tegen de waarde in verhuurde staat). De getaxeerde waarde van het appartement aan de [adres 1] bedraagt € 695.000,- en de getaxeerde waarde van het appartement aan de [adres 2] € 300.000,-.

Op dit moment zijn er nog drie schulden ten behoeve waarvan hypothecaire zekerheid is gevestigd op zowel de [adres 2] als de [adres 1] : ING lineair
[nummer 3] (hoogte per 15 januari 2025: € 37.904,22), ING [nummer 4] leningdeel 1.0 en ING [nummer 4] leningdeel 1.1 (totale hoogte per 15 januari 2025: € 102.567,48). De schuld ING [nummer 2] is recent afgelost vanuit het Spaarfonds dat is vrijgevallen.

Tussen partijen is niet in geschil dat het appartement aan de [adres 1] aan de vrouw zal worden toegedeeld tegen de getaxeerde waarde van € 695.000,-. Partijen maken beiden aanspraak op toedeling van het appartement aan de [adres 2] tegen de getaxeerde waarde van € 300.000,-.

De rechtbank acht het gezien de slechte verstandhouding tussen partijen niet wenselijk dat de eigendom van de appartementen aan de [adres 1 en adres 2] wordt gesplitst. Naar verwachting zal er een onwerkbare situatie ontstaan als partijen samen in een Vereniging van Eigenaren zullen zitten. Het inschakelen van een VvE-beheerder, zoals de advocaat van de man op de zitting heeft geopperd, biedt geen oplossing, omdat partijen ook dan gezamenlijk belangrijke beslissingen zullen moeten nemen. Op de zitting heeft de man bovendien aangegeven dat hij mogelijk zelf (tijdelijk) zijn intrek wil nemen in één van de kamers van het appartement aan de [adres 2] . Partijen zullen elkaar dan steeds tegenkomen, wat vanwege de spanningen tussen partijen zeer onwenselijk is. Ook als de man niet zelf in het appartement gaat wonen, maar alle kamers verhuurd blijven, zal hij als huisbaas regelmatig in het pand aanwezig moeten zijn.

Gelet op het voorgaande en omdat de man financieel niet in staat is om de beide appartementen over te nemen, terwijl de vrouw hiertoe wel in staat is (de vrouw heeft een positief hypotheekadvies overgelegd en kan ook nog geld lenen bij haar vader), zal de rechtbank zowel het appartement aan de [adres 2] als het appartement aan de [adres 1] toedelen aan de vrouw. De toedeling van de appartementen zal plaatsvinden onder de verplichting voor de vrouw om de man te doen ontslaan uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hiervoor genoemde hypothecaire schulden en onder verrekening van de waarde bij helfte met de man.

De vrouw heeft (primair) verzocht om te bepalen dat deze beschikking in de plaats treedt van de voor de eigendomsoverdracht van de appartementen noodzakelijke toestemming en/of handtekening van de man. Gezien het verloop van de onderhavige procedure (de man heeft meermaals zijn standpunten en verzoeken gewijzigd), alsmede het gegeven dat de man graag had gewild dat het appartement aan de [adres 2] aan hem was toegedeeld, ziet de rechtbank aanleiding om het verzoek van de vrouw toe te wijzen. Zij zal bepalen dat deze beschikking ex artikel 3:300 BW in de plaats treedt van de voor de eigendomsoverdracht noodzakelijke toestemming en/of handtekening van de man indien hij niet binnen twee weken na de eerste uitnodiging van de notaris daartoe meewerkt aan de eigendomsoverdracht.

Ad 2. Het appartement aan de [adres 3] te [plaats 2] en de hieraan gekoppelde hypothecaire schuld

Het appartement van partijen aan de [adres 3] te [plaats 2] wordt verhuurd. In opdracht van de rechtbank hebben partijen het appartement bindend laten taxeren tegen de waarde in verhuurde staat. De waarde is vastgesteld op € 280.000,-. Op het appartement is hypothecaire zekerheid gevestigd ten behoeve van de schuld ING [nummer 5] (hoogte per 15 januari 2025: € 14.933,48).

Aanvankelijk waren partijen het erover eens dat het appartement zou worden toegedeeld aan de man. Op de zitting heeft de man echter aangegeven dat hij het appartement niet meer toegedeeld wenst te krijgen, ook niet in het geval het appartement aan de [adres 2] aan de vrouw wordt toegedeeld. De vrouw heeft daarop verzocht het appartement aan haar toe te delen. Zij kan geld lenen bij haar vader om de man uit te kopen.

Partijen zijn het niet eens over de waarde waartegen het appartement aan de vrouw moet worden toegedeeld. Naar de mening van de vrouw moet worden uitgegaan van de getaxeerde waarde in verhuurde staat, terwijl de man wenst uit te gaan van de waarde in het economisch verkeer (onverhuurde staat).

De rechtbank zal het appartement aan de [adres 3] toedelen aan de vrouw tegen de getaxeerde waarde in verhuurde staat van € 280.000,-. Het appartement wordt op dit moment verhuurd en het huurcontract loopt nog tot in ieder geval december 2025. Daar komt bij dat het appartement ooit door partijen is aangeschaft voor de verhuur.

De toedeling van het appartement zal plaatsvinden onder de verplichting voor de vrouw om de man te doen ontslaan uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hiervoor genoemde hypothecaire schuld en om via de transporterende notaris aan de man de helft van de overwaarde (te weten de taxatiewaarde van het appartement van € 280.000,- minus de omvang van de hypothecaire schuld op de datum van de notariële overdracht) te voldoen.

Gelet op dat wat hiervoor is overwogen ten aanzien van de appartementen aan de [adres 1 en adres 2] , ziet de rechtbank aanleiding om ook ten aanzien van het appartement aan de [adres 3] te bepalen dat deze beschikking in de plaats treedt van de voor de eigendomsoverdracht van het appartement noodzakelijke toestemming en/of handtekening van de man. De rechtbank zal bepalen dat deze beschikking ex artikel 3:300 BW in de plaats treedt van de voor de eigendomsoverdracht noodzakelijke toestemming en/of handtekening van de man indien hij niet binnen twee weken na de eerste uitnodiging van de notaris daartoe meewerkt aan de eigendomsoverdracht.

Ad 3,4 en 5. Het 50% aandeel in de onroerende zaken te Frankrijk

Partijen zijn samen met hun twee kinderen eigenaar van een viertal woningen in Frankrijk (de kinderen zijn ieder voor 25% eigenaar en partijen samen voor 50%).

Aanvankelijk waren partijen het erover eens dat het aandeel in de woning in [plaats 5] zou worden toegedeeld aan de man. Op de zitting heeft de man echter aangegeven dat hij het aandeel in deze woning niet meer toegedeeld wenst te krijgen. Nu ook de vrouw het aandeel in de woning in [plaats 5] niet wil overnemen, zal de woning moeten worden verkocht. Volgens de vrouw gaan de kinderen akkoord met de verkoop van de woning in [plaats 5] . De rechtbank gaat voorbij aan het verzoek van de vrouw om ter zake de verkoop van de woning in [plaats 5] een ‘spoorboekje’ op te nemen. Aangezien er naast partijen nog twee andere eigenaren zijn, kan de rechtbank niet bepalen welke stappen moeten worden gevolgd. Daarbij komt dat de woning in Frankrijk is gelegen. De rechtbank geeft partijen in overweging om één van de twee makelaars die de woning hebben getaxeerd opdracht te geven de woning te verkopen.

Partijen zijn het erover eens dat het aandeel in de twee woningen in [plaats 3] zal worden toegedeeld aan de vrouw tegen de getaxeerde waarde van in totaal € 57.500,- en dat het aandeel in de woning in [plaats 4] zal worden toegedeeld aan de man tegen de getaxeerde waarde van € 42.200,-. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.

Op de zitting heeft de vrouw met betrekking tot het aandeel van partijen in de onroerende zaken in Frankrijk haar primaire verzoek om te bepalen dat de beschikking in de plaats treedt van de voor de eigendomsoverdracht noodzakelijke toestemming en/of handtekening van de man, ingetrokken. De vrouw handhaaft haar subsidiaire verzoek om de man te veroordelen zijn medewerking te verlenen aan de eigendomsoverdracht op straffe van een dwangsom. De rechtbank zal dit verzoek afwijzen. Aangezien de man het eens is met de verkoop van de woning in [plaats 5] en de toedeling van de woningen in [plaats 3] en [plaats 4] ziet de rechtbank niet in waarom hij hieraan zijn medewerking niet zou verlenen.

Ad 6. De polis van levensverzekering bij Allianz

Partijen zijn het erover eens dat de polis van levensverzekering bij Allianz aan de man zal worden toegedeeld tegen de waarde per heden. De rechtbank zal aldus beslissen.

Ad 7. De bankrekeningen

Tot de gemeenschap behoren de volgende gemeenschappelijke bankrekeningen:

  1. ING Oranje Spaarrekening [nummer 7]

  2. ING Oranje Spaarrekening [nummer 8]

  3. ING Betaalrekening [rekeningnummer 1]

  4. RentePlus Rekening Centraal Beheer [rekeningnummer 2]

Ad a) ING Oranje Spaarrekening [nummer 7]

Partijen zijn het erover eens dat deze bankrekening moet worden toegedeeld aan de vrouw tegen een waarde van nihil. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.

Ad b) ING Oranje Spaarrekening [nummer 8]

Partijen zijn het erover eens dat deze bankrekening moet worden toegedeeld aan de vrouw. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw voldoende gemotiveerd dat het saldo op deze rekening op 1 maart 2023 van € 2.004,34 nadien volledig is aangewend voor gezamenlijke kosten. De rekening zal dan ook aan de vrouw worden toegedeeld tegen een waarde van nihil.

Ad c) ING Betaalrekening [rekeningnummer 1]

Partijen zijn het erover eens dat deze bankrekening moet worden toegedeeld aan de vrouw tegen het saldo per heden. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.

Ad d) RentePlus Rekening Centraal Beheer [rekeningnummer 2]

Partijen zijn het erover eens dat deze bankrekening moet worden toegedeeld aan de vrouw. Op de peildatum van 1 maart 2023 bedroeg het saldo op deze rekening € 61.992,51, terwijl het huidige saldo nihil bedraagt. De man maakt aanspraak op de helft van het saldo van
€ 61.992,51. Tegelijkertijd heeft hij erkend dat de rekening na 1 maart 2023 is gebruikt voor gezamenlijke kosten, onder andere de hoge kosten van de overlegscheiding. De man stelt zich op het standpunt dat de vrouw na 1 maart 2023 een veel groter bedrag van de rekening heeft onttrokken dan hijzelf. De vrouw heeft dit weersproken en de man heeft aan zijn stelling geen conclusie verbonden. Voor zover de man heeft willen stellen dat hij ter zake nog een vordering heeft op de gemeenschap, heeft hij deze stelling onvoldoende onderbouwd. Aangezien het huidige saldo op de rekening nihil bedraagt, zal de rechtbank de rekening toedelen aan de vrouw tegen een waarde van nihil.

De man heeft nog gesteld dat de volgende bankrekeningen op naam van de vrouw ook tot de gemeenschap behoren:

ING Spaarloonrekening [rekeningnummer 3]

ASN Ideaalsparen [rekeningnummer 4]

Ad e) ING Spaarloonrekening [rekeningnummer 3]

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw genoegzaam aangetoond dat deze rekening al vóór de peildatum was opgeheven. Ten aanzien van deze rekening zal de rechtbank dus geen beslissing nemen.

Ad f) ASN Ideaalsparen [rekeningnummer 4]

Op de zitting heeft de vrouw toegelicht dat deze rekening van januari 2014 tot en met juli 2017 heeft gefunctioneerd als gezamenlijke spaarrekening. In augustus 2017 zou het volledige saldo zijn overgemaakt naar een nieuwe gezamenlijke rekening. Volgens de vrouw is de rekening bij ASN vanaf dat moment exclusief door haar gebruikt en enkel gevoed met schenkingen en rente over papieren schenkingen van haar vader. Zowel ten aanzien van de schenkingen als ten aanzien van de revenuen daarvan is door de vader van de vrouw bepaald dat deze niet zullen vallen in enige huwelijksgoederengemeenschap. Naar de mening van de vrouw valt het huidige saldo van de rekening bij ASN dan ook buiten de gemeenschap.

De man heeft betwist dat de rekening bij ASN sinds augustus 2017 uitsluitend is gevoed met schenkingen en rente-inkomsten van de vrouw. Volgens hem stortte de vrouw op deze rekening ook inkomsten uit arbeid, zoals bijvoorbeeld haar vakantiegeld. Het saldo moet naar de mening van de man dan ook wel degelijk worden gedeeld.

De rechtbank kan niet vaststellen of de rekening bij ASN enkel is gevoed met schenkingen en rente over papieren schenkingen van de vader van de vrouw. De vrouw heeft wel aangetoond dat zij sinds 2016 op deze rekening jaarlijks rente over papieren schenkingen van haar vader ontvangt (in december 2017 een bedrag van € 14.592,-, in december 2018 een bedrag van € 21.928,- en in de jaren daarna telkens in december een bedrag van
€ 29.323,-). In totaal heeft de vrouw sinds 2017 een bedrag van € 212.458,- aan rente-inkomsten ontvangen. De papieren schenkingen zijn gedaan onder uitsluitingsclausule, waarbij geldt dat de uitsluitingsclausule zich mede uitstrekt over de verschuldigde rente. Het betreft dan ook privévermogen van de vrouw. Vanuit de rente-inkomsten is in totaal
€ 80.000,- afgelost op de hypotheekschuld, zodat nog € 132.458,- (€ 212.458 minus
€ 80.000,-) aan rente-inkomsten resteert. Op de zitting heeft de vrouw verklaard dat het saldo op de rekening bij ASN op dit moment € 53.410,89 bedraagt. Dit laatste is door de man niet betwist. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw gelet op het voorgaande voldoende onderbouwd dat dit saldo is opgebouwd uit resterende rente-inkomsten. De rechtbank zal dan ook bepalen dat de rekening bij ASN wordt toegedeeld aan de vrouw, zonder nadere verrekening van het saldo met de man.

Ad 8. De inboedel

De vrouw stelt zich op het standpunt dat de inboedel van de appartementen aan de [adres 1 en adres 2] al is verdeeld, omdat de man bij zijn vertrek uit de voormalige echtelijke woning veel spullen heeft meegenomen. De man is het hier niet mee eens en wenst nog de eettafel met stoelen, de opa-stoel, het Lundia bed, de Lundia kledingkast, de kluis en de container met inhoud toegedeeld te krijgen. De vrouw stemt ermee in dat de
opa-stoel en het Lundia bed aan de man worden toegedeeld. Voor wat betreft de container met inhoud hebben partijen op de zitting met elkaar afgesproken dat zij op 26 januari 2025 samen zullen kijken wat er in de container zit en dat zij de inhoud vervolgens zullen verdelen. De vrouw heeft aangegeven dat als er in de container zit wat de man zegt dat erin zit, dat hij dan de gehele inhoud van de container mag hebben. Uiterlijk 1 juli 2025 zal de man de container op zijn kosten weghalen.

De rechtbank zal de opa-stoel en het Lundia bed toedelen aan de man en de overige inboedel van de appartementen aan de [adres 1 en adres 2] aan de vrouw, een en ander zonder nadere verrekening van de waarde. De rechtbank kan niet vaststellen wat er aan inboedel aanwezig was en is in de woningen aan de [adres 1 en adres 2] , maar zij gaat ervan uit dat de inboedel zo eerlijk is verdeeld.

Aangezien het appartement aan de [adres 3] gemeubileerd wordt verhuurd, zal de rechtbank de inboedel in het appartement aan de [adres 3] toedelen aan de vrouw. Rekening houdend met de waarde van een normale inboedel in een tweekamerappartement, bepaalt de rechtbank de waarde van de inboedel in het appartement aan de [adres 3] op € 3.000,-. Dit betekent dat de vrouw de man € 1.500,- moet betalen.

Ad 9. De auto’s

Tot de gemeenschap behoren vier auto’s.

Twee auto’s (een auto van het merk Audi met kenteken [kenteken 3] en een auto van het merk Mercedes met kenteken [kenteken 4] ) staan al jaren in een halfopen schuur bij de woning in [plaats 4] , Frankrijk. De man heeft taxatierapporten overgelegd waaruit een waarde van deze auto’s blijkt van nihil. Volgens de vrouw zijn de auto’s respectievelijk € 2.000,- en € 10.000,- waard. Zij baseert zich hierbij op verkoopadvertenties van soortgelijke auto’s. Geen van partijen wenst de auto’s toegedeeld te krijgen.

De rechtbank zal de twee hiervoor genoemde auto’s toedelen aan de man, omdat ze staan op het terrein van de woning die aan de man zal worden toegedeeld. Daar komt bij dat de auto’s op naam van de man staan. Op basis van de door de man overgelegde taxatierapporten en foto’s van de auto’s gaat de rechtbank ervan uit dat de auto’s geen waarde hebben. De auto’s zullen dan ook aan de man worden toegedeeld tegen een waarde van nihil.

Voor wat betreft de twee andere auto’s (een auto van het merk Mercedes met kenteken
[kenteken 1] en een auto van het merk Mercedes met kenteken [kenteken 2] ) geldt dat de man taxatierapporten heeft overgelegd waaruit waarden blijken van respectievelijk
€ 1.500,- en € 1.000,-. De man wenst de auto’s enkel toegedeeld krijgen voor deze bedragen. Volgens de vrouw zijn de auto’s respectievelijk € 12.000,- en € 10.000,- waard. Ook hier baseert de vrouw zich op verkoopadvertenties van soortgelijke auto’s. Zij verzoekt de auto’s voor deze bedragen toe te delen aan de man.

Nu de man taxatierapporten heeft overgelegd, zal de rechtbank de auto’s toedelen aan de man tegen de door hem gestelde waarden van € 1.500,- en € 1.000,-. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw de door haar gestelde waarden onvoldoende onderbouwd. De vrouw heeft ook niet verzocht haar in de gelegenheid te stellen de auto’s zelf te laten taxeren.

De rechtbank acht het niet redelijk dat de vrouw de helft van de door de man (zonder overleg met de vrouw) gemaakte taxatiekosten zou moeten voldoen. De taxatiekosten komen dan ook volledig voor rekening van de man.

Ad 10. De creditcardschuld

Naar de rechtbank begrijpt verzoekt de vrouw te bepalen dat zij de creditcardschuld van
€ 1,15 als eigen schuld voor haar rekening zal nemen, onder de verplichting van de man om een bedrag van € 0,58 aan haar te vergoeden. Nu de man geen verweer heeft gevoerd tegen dit verzoek, zal de rechtbank het verzoek toewijzen.

Ad 11. De aanslag inkomstenbelasting 2022

Naar de rechtbank begrijpt verzoekt de vrouw te bepalen dat zij de schuld aan de belastingdienst aangaande de aanslag inkomstenbelasting 2022 van € 1.517,- als eigen schuld voor haar rekening zal nemen, onder de verplichting van de man om een bedrag van € 758,50 aan haar te vergoeden. Nu de man geen verweer heeft gevoerd tegen dit verzoek, zal de rechtbank het verzoek toewijzen.

Vergoedingsrechten vrouw in verband met aflossingen op de hypotheek en verbeteringen aan de woning

De vrouw stelt dat zij op grond van artikel 1:95 lid 2 BW vergoedingsvorderingen op de gemeenschap heeft. In dit kader heeft zij het volgende naar voren gebracht.

In 2014 heeft de vrouw van haar vader een schenking van € 88.500,- ontvangen. In de onderhandse schenkingsakte van 30 april 2014 is opgenomen dat het geschonken bedrag uiterlijk op 31 december 2016 door de begiftigde zal worden besteed aan de eigen woning van de begiftigde, hetzij aan de aflossing van een eigenwoningschuld (hypotheekschuld) of een verbouwing van de eigen woning. Daarnaast is bepaald dat het geschonken bedrag niet zal vallen in enige gemeenschap van goederen. Vanuit het geschonken bedrag heeft de vrouw in 2014 € 39.600,- afgelost op de hypothecaire schuld ING [nummer 4] leningdeel 1.1. Dit was de maximaal toelaatbare aflossing van 20% van het oorspronkelijke hypotheekbedrag van € 198.000,-. Praktisch het gehele restant van € 48.900,- is in 2015 uitgegeven aan nieuwe kozijnen, beglazing en dakisolatie voor de appartementen aan de [adres 1 en adres 2] .

Van 2015 tot en met 2018 heeft de vrouw een viertal papieren schenkingen ontvangen van haar vader. In de notariële schenkingsakten is een uitsluitingsclausule opgenomen die zich mede uitstrekt over de verschuldigde rente. Sinds 2016 ontvangt de vrouw rente over de papieren schenkingen. In 2016 een bedrag van € 7.278,-, in 2017 een bedrag van € 14.592,-, in 2018 een bedrag van € 21.928,- en in de jaren daarna telkens een bedrag van
€ 29.323,-. Vanuit de rente-inkomsten heeft de vrouw van 2018 tot en met 2021 jaarlijks
€ 20.000,- afgelost op de hypothecaire schuld ING [nummer 4] leningdeel 1.1.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw voldoende aangetoond dat zij een schenking van € 88.500,- van haar vader heeft ontvangen en dat hiermee een bedrag van
€ 39.600,- is afgelost op de hypotheek van partijen. Door de vrouw is niet alleen een onderhandse schenkingsakte overgelegd, maar ook een bankafschrift van de spaarrekening van de vader van de vrouw waaruit blijkt dat hij op 1 mei 2014 een bedrag van € 88.500,- heeft overgemaakt naar zijn betaalrekening. Alleen een bankafschrift van de overschrijving van de betaalrekening van de vader van de vrouw naar de (inmiddels opgeheven) betaalrekening van partijen ontbreekt. Blijkens een overgelegd bankafschrift van de spaarrekening van de vrouw is op 12 mei 2014 een bedrag van € 48.900,- ontvangen vanaf de betaalrekening van partijen met omschrijving ‘bewaren voor besteding eigen woning’. Door de vrouw is een door zowel de vrouw als de man ondertekende opdrachtbevestiging met betrekking tot kunststof kozijnen van 8 oktober 2014 overgelegd. In de opdrachtbevestiging is een totaalprijs van € 45.000,- opgenomen. Gelet op de overgelegde stukken en het besprokene op de zitting acht de rechtbank voldoende aannemelijk dat de door de vrouw gestelde verbeteringen hebben plaatsgevonden en dat deze vanuit het geschonken bedrag van de vader van de vrouw zijn bekostigd.

Ook de door de vrouw gestelde aflossingen op de hypotheek van in totaal € 80.000,- vanuit rente-inkomsten heeft de vrouw voldoende aangetoond. Door de vrouw zijn bankafschriften van de betaalrekening van partijen overgelegd waaruit blijkt dat in december 2018, december 2019, december 2020 en december 2021 telkens een bedrag van € 20.000,- vanaf de spaarrekening van de vrouw bij ASN is ontvangen met omschrijving ‘extra aflossing hypotheek’. Op haar spaarrekening bij ASN ontvangt de vrouw de rente over de papieren schenkingen (ook hiervan is bewijs overgelegd).

Uit artikel 1:95 lid 2 BW volgt dat het beloop van de vergoedingsrechten van de vrouw moet worden bepaald overeenkomstig artikel 1:87 BW.

De hoogte van het vergoedingsrecht van de vrouw in verband met de aflossingen op de hypotheek moet op basis van artikel 1:87 lid 2 sub a BW als volgt worden berekend:

hypotheekaflossingen / aankoopwaarde woning x waarde woning ten tijde van de afrekening

Anders dan de vrouw gaat de rechtbank ervan uit dat de aflossingen enkel kunnen worden toegerekend aan het appartement aan de [adres 2] . Partijen hebben het appartement aan de [adres 1] gekocht in 1994 (voor een bedrag van omgerekend € 103.008,-) en het appartement aan de [adres 2] in 2002 (voor een bedrag van
€ 272.500,-). Bij de aankoop van het appartement aan de [adres 2] is een nieuwe hypotheek van € 375.508,- afgesloten waarbij zekerheid is gevestigd op beide appartementen. In deze hypotheek is de oude hypotheek die was afgesloten bij de aankoop van het appartement aan de [adres 1] ter hoogte van € 103.008,- meegenomen (ING [nummer 2] , inmiddels volledig afgelost vanuit het Spaarfonds). Voor de aankoop van het appartement aan de [adres 2] is € 272.500,- geleend (nu ING [nummer 4] leningdeel 1.0 en ING [nummer 4] leningdeel 1.1). De vrouw heeft enkel afgelost op ING [nummer 4] leningdeel 1.1.

Gelet op het voorgaande berekent de rechtbank het vergoedingsrecht van de vrouw op
€ 119.600,- / € 272.500,- x € 300.000,- = (afgerond) € 131.670,-.

De hoogte van het vergoedingsrecht van de vrouw in verband met de verbeteringen aan de woning moet op basis van artikel 1:87 lid 2 sub b BW als volgt worden berekend:

investering / (waarde woning ten tijde van de investering + investering) x waarde woning ten tijde van de afrekening

Nu uit de overgelegde opdrachtbevestiging een totaalprijs van € 45.000,- blijkt, zal de rechtbank uitgaan van een investering ter hoogte van dat bedrag. De verbeteringen hebben betrekking op zowel het appartement aan de [adres 2] als het appartement aan de [adres 1] . De rechtbank zal de waarde van beide appartementen dan ook bij elkaar optellen. Voor wat betreft de waarde van de appartementen in 2015 gaat de rechtbank conform de berekening van de vrouw uit van de WOZ-waarde per 1 januari 2016, zijnde in totaal € 651.000,-.

Gelet op het voorgaande berekent de rechtbank het vergoedingsrecht van de vrouw op

€ 45.000,- / (€ 651.000,- + € 45.000,-) x € 995.000,- = (afgerond) € 64.332,-.

Vergoedingsrecht gemeenschap

De vrouw stelt dat zij een bedrag van € 11.252,- aan de gemeenschap moet vergoeden vanwege het feit dat in 2019 per abuis schenkbelasting is betaald vanaf de gemeenschappelijke betaalrekening van partijen. De rechtbank zal overeenkomstig het voorgaande beslissen. Zij gaat voorbij aan de stelling van de man dat het bedrag dat de vrouw aan de gemeenschap moet vergoeden mogelijk hoger is. De man heeft hiertoe geen begin van bewijs geleverd, terwijl het op zijn weg had gelegen om een en ander aan te tonen.

Regresvorderingen vrouw

Vordering ter zake door de man achtergehouden huurinkomsten

De vrouw stelt dat de man zich tot en met december 2024 een bedrag van € 15.722,- aan huurinkomsten heeft toegeëigend doordat hij aan de huurders heeft laten weten dat de huur naar zijn privérekening moest worden overgemaakt dan wel contant aan hem moest worden betaald. De vrouw maakt aanspraak op de helft van dit bedrag, te vermeerderen met de helft van de door de man nog na 1 januari 2025 te ontvangen huurpenningen ad € 1.410,- per maand, een ander zolang er sprake is van gemeenschappelijk eigendom van het betreffende goed.

De rechtbank overweegt als volgt.

Per 5 maart 2024 (de ingangsdatum van de voorlopige partneralimentatie) komt ieder van partijen de helft van de netto huurinkomsten toe. Dit staat ook uitdrukkelijk vermeld in de beschikking voorlopige voorzieningen van 5 maart 2024 van deze rechtbank. Voor zover de vrouw niet de helft van de netto huurinkomsten is toegekomen, heeft zij voor dat bedrag een vordering op de man. De rechtbank heeft onvoldoende informatie om vast te stellen hoe hoog het bedrag is dat de vrouw nog toekomt en zal het verzoek van de vrouw daarom afwijzen. Dit laat echter onverlet dat partijen ten aanzien van alle huurinkomsten nog een nadere berekening dienen te maken.

Vordering ter zake privé-uitgaven die de man tot 5 maart 2024 vanaf de gemeenschappelijke rekening heeft gedaan

De vrouw stelt dat de man in de periode van september 2023 tot 5 maart 2024 (de ingangsdatum van de voorlopige partneralimentatie) vanaf de gemeenschappelijke rekening uitgaven van in totaal € 2.699,39 heeft gedaan die niet kwalificeren als kosten van de huishouding. Omdat er sprake was van roodstand op de gemeenschappelijke rekening heeft de vrouw het saldo moeten aanzuiveren vanuit haar privévermogen. Zij meent om die reden een vordering op de man te hebben van € 2.699,39.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ondanks het feit dat partijen sinds september 2023 feitelijk uit elkaar zijn, zijn zij nog altijd echtgenoten. Op grond van artikel 1:81 BW zijn echtgenoten verplicht elkaar over en weer het nodige te verschaffen. De vrouw is dus, ook gedurende de scheidingsprocedure, onverminderd onderhoudsplichtig jegens de man. Gelet op het voorgaande, en nu in de periode tot 5 maart 2024 nog geen voorlopige partneralimentatie gold, zal het verzoek van de vrouw worden afgewezen.

Vordering ter zake door de man vóór 5 maart 2024 vanaf de gemeenschappelijke rekening betaalde advocaatkosten

De vrouw stelt dat de man in de periode van 14 november 2023 tot 7 februari 2024 vanaf de gemeenschappelijke rekening in totaal € 2.200,- aan advocaatkosten heeft betaald. Omdat er sprake was van roodstand op de gemeenschappelijke rekening heeft de vrouw het saldo moeten aanzuiveren vanuit haar privévermogen. Zij meent om die reden een vordering op de man te hebben van € 2.200,-.

De rechtbank zal ook dit verzoek afwijzen nu het uitgaven betreft die zijn gedaan in de periode tot 5 maart 2024 (de ingangsdatum van de voorlopige partneralimentatie).

Vordering ter zake privé-uitgaven die de man na 5 maart 2024 vanaf de gemeenschappelijke rekening heeft gedaan

De vrouw stelt dat de man na 5 maart 2024 (de ingangsdatum van de voorlopige partneralimentatie) vanaf de gemeenschappelijke rekening uitgaven van in totaal € 1.958,38 heeft gedaan, terwijl hij vanaf 5 maart 2024 al zijn uitgaven diende te betalen vanuit de door de rechtbank vastgestelde voorlopige partneralimentatie. Omdat er sprake was van roodstand op de gemeenschappelijke rekening heeft de vrouw het saldo moeten aanzuiveren vanuit haar privévermogen. Zij meent om die reden een vordering op de man te hebben van
€ 1.958,38.

Nu de man de hoogte van de door hem na 5 maart 2024 vanaf de gemeenschappelijke rekening gedane uitgaven niet heeft betwist, zal de rechtbank het verzoek van de vrouw toewijzen. Per 5 maart 2024 betaalt de vrouw een voorlopige partneralimentatie aan de man. Vanaf die datum dient de man dan ook zijn eigen kosten te betalen.

Vordering ter zake door de vrouw betaalde onderhoudskosten gemeenschappelijk onroerend goed

De vrouw stelt dat zij in mei 2024 vanuit haar privévermogen twee facturen van in totaal
€ 619,36 heeft betaald ter zake het onderhoud van de appartementen aan de [adres 1 en adres 2] . Naar de rechtbank begrijpt verzoekt de vrouw vast te stellen dat de man de helft van dit bedrag aan haar dient te betalen.

De rechtbank zal dit verzoek afwijzen, omdat de vrouw de facturen niet heeft overgelegd en voorts niet kan worden vastgesteld of het ging om noodzakelijke kosten.

Vergoedingsrecht/regresvorderingen man

Hoewel in de stukken van de man meermaals is aangegeven dat de man nog recht heeft op bepaalde bedragen, zijn in het petitum geen vergoedings- of regresvorderingen opgenomen, zodat de rechtbank reeds om die reden geen vergoedingsrecht of regresvordering van de man kan vaststellen.

Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat de man de door hem gestelde vordering van
€ 13.008,11 op geen enkele wijze heeft onderbouwd. Ook als juist is dat de man, zoals hij stelt, een bedrag van € 13.008,11 uit hoofde van een levensverzekering die vóór het huwelijk is afgesloten, heeft geïnvesteerd in het appartement aan de [adres 2] , dan heeft de man voor dat bedrag geen vergoedingsvordering. Ook een voorhuwelijkse levensverzekering van partijen maakt immers deel uit van de gemeenschap van goederen.

Proceskosten

Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:

*

spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [dag] 1996 te [plaats 1] ;

*

bepaalt dat de vrouw aan de man met ingang van de dag dat de beschikking van echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand een partneralimentatie van € 2.213,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

*

stelt de verdeling van de huwelijksgemeenschap als volgt vast, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand:

1. aan de man worden toegedeeld:

1.1

de helft van de verkoopopbrengst van het 50% aandeel in de onroerende zaak te [plaats 5] , Frankrijk;

1.2

het 50% aandeel in de onroerende zaak te [plaats 4] , Frankrijk, tegen een waarde van € 42.200,-, onder verrekening van de waarde bij helfte met de vrouw;

1.3

de polis van levensverzekering bij Allianz ( [nummer 6] ) tegen de waarde per heden, onder verrekening van de waarde bij helfte met de vrouw;

1.4

de opa-stoel en het Lundia bed, zonder nadere verrekening van de waarde daarvan met de vrouw;

1.5

de auto van het merk Audi met kenteken [kenteken 3] tegen een waarde van nihil;

1.6

de auto van het merk Mercedes met kenteken [kenteken 4] tegen een waarde van nihil;

1.7

de auto van het merk Mercedes met kenteken [kenteken 1] tegen een waarde van € 1.500,-, onder verrekening van de waarde bij helfte met de vrouw;

1.8

de auto van het merk Mercedes met kenteken [kenteken 2] tegen een waarde van € 1.000,-, onder verrekening van de waarde bij helfte met de vrouw;

2. aan de vrouw worden toegedeeld:

2.1

de appartementsrechten rechtgevende op het gebruik van de appartementen aan de [adres 1 en adres 2] te [plaats 2] , onder de verplichting om de man te doen ontslaan uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire schulden (ING lineair [nummer 3] , ING [nummer 4] leningdeel 1.0 en ING [nummer 4] leningdeel 1.1) en onder verrekening van de overwaarde (te weten de taxatiewaarde van de appartementen van in totaal € 995.000,- minus de omvang van de hypothecaire schulden op de datum van de notariële overdracht) bij helfte met de man,

2.2

het appartementsrecht rechtgevende op het gebruik van het appartement aan de [adres 3] te [plaats 2] , onder de verplichting om de man te doen ontslaan uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire schuld (ING [nummer 5] ) en onder verrekening van de overwaarde (te weten de taxatiewaarde van het appartement van € 280.000,- minus de omvang van de hypothecaire schuld op de datum van de notariële overdracht) bij helfte met de man;

2.3

de helft van de verkoopopbrengst van het 50% aandeel in de onroerende zaak te [plaats 5] , Frankrijk;

2.4

het 50% aandeel in de onroerende zaken te [plaats 3] , Frankrijk, tegen de taxatiewaarde van in totaal € 57.500,-, onder verrekening van de waarde bij helfte met de man;

2.5

de ING Oranje Spaarrekening [nummer 7] tegen een waarde van nihil;

2.6

de ING Oranje Spaarrekening [nummer 8] tegen een waarde van nihil;

2.7

de ING Betaalrekening [rekeningnummer 1] tegen het saldo per heden, onder verrekening van het saldo bij helfte met de man;

2.8

de RentePlus Rekening Centraal Beheer [rekeningnummer 2] tegen een waarde van nihil;

2.9

de ASN Ideaalsparen [rekeningnummer 4] , zonder nadere verrekening van het saldo met de man;

2.10

de inboedel van de appartementen aan de [adres 1 en adres 2] te
[plaats 2] , met uitzondering van de opa-stoel en het Lundia bed, zonder nadere verrekening van de waarde daarvan met de man;

2.11

de inboedel in het appartement aan de [adres 3] te [plaats 2] tegen een waarde van € 3.000,-, onder verrekening van de waarde bij helfte met de man;

bepaalt dat indien de man niet binnen twee weken na de eerste uitnodiging van de notaris daartoe meewerkt aan de eigendomsoverdracht van de appartementsrechten rechtgevende op het gebruik van de appartementen aan de [adres 2] en [adres 1] te
[plaats 2] alsmede de eigendomsoverdracht van het appartementsrecht rechtgevende op het gebruik van het appartement aan de [adres 3] te [plaats 2] deze beschikking ex artikel 3:300 van het Burgerlijk Wetboek in de plaats treedt van de voor de eigendomsoverdracht noodzakelijke toestemming en/of handtekening van de man;

*

bepaalt dat de vrouw de creditcardschuld (ING Creditcard [nummer 9] ) van € 1,15

voor haar rekening zal nemen, onder de verplichting van de man om een bedrag van € 0,58

aan de vrouw te vergoeden;

*

bepaalt dat de vrouw de schuld aan de belastingdienst aangaande de aanslag

inkomstenbelasting 2022 van € 1.517,- voor haar rekening zal nemen, onder de verplichting

van de man om een bedrag van € 758,50 aan de vrouw te vergoeden;

*

bepaalt dat de vrouw een vergoedingsvordering op de gemeenschap heeft van € 131.670,- in verband met aflossingen op de hypotheek vanuit privévermogen;

*

bepaalt dat de vrouw een vergoedingsvordering op de gemeenschap heeft van € 64.332,- in verband met verbeteringen aan de appartementen aan de [adres 1 en adres 2] vanuit privévermogen;

*

bepaalt dat de vrouw een bedrag van € 11.252,- aan de gemeenschap moet vergoeden vanwege het feit dat in 2019 per abuis schenkbelasting is betaald vanaf de gemeenschappelijke betaalrekening van partijen;

*

bepaalt dat de man aan de vrouw een bedrag van € 1.958,38 moet betalen ter zake
privé-uitgaven die na 5 maart 2024 door de man zijn gedaan vanaf de gemeenschappelijke rekening;

*

verklaart deze beschikking – met uitzondering van de echtscheiding en de partneralimentatie – uitvoerbaar bij voorraad;

*

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

*

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.S.F. de Nijs, C.L. Strop en A.M. van der Vliet, rechters, bijgestaan door mr. C.P.E. van de Fliert-Verburg als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 28 februari 2025.

meer blogs >> podcasts >>

BLOGS en PODCASTS

Alimentatie berekenen bij samengestelde gezinnen: een tussenstand
Mr. Hedy Bollen, 17-12-2024
Diverse auteurs deden de laatste jaren voorstellen om het alimentatierekenen voor samengestelde gezinnen te verbeteren. De auteur zet de voorstellen op rij en geeft ze een persoonlijke score.
Podcastgesprek: Nieuwe rekenmethodiek voor kinderalimentatie bij samengestelde gezinnen? (II)
Mr. Jan Bram de Groot en Mr. Rob van Coolwijk, 13-11-2024
Nadat in het eerste deel van dit tweeluik de achtergrond van de discussie werd geschetst, zoomen Rob van Coolwijk en Jan Bram de Groot in dit deel nader in op de door De Groot voorgestelde rekenmethodiek.
Podcastgesprek: Nieuwe rekenmethodiek voor kinderalimentatie bij samengestelde gezinnen? (I)
Mr. Jan Bram de Groot en Mr. Rob van Coolwijk, 11-11-2024
Wat zou er moeten wijzigen voor kinderalimentatie bij samengestelde gezinnen en waarom? Rob van Coolwijk gaat hierover in gesprek met Jan Bram de Groot, voorzitter van de Expertgroep Alimentatienormen.
Vaststelling vaderschap van een overleden man: kan daar verweer tegen worden gevoerd?
Mr. dr. Myriam Lückers, 05-11-2024
De weduwe wordt niet aangemerkt als belanghebbende bij een verzoek gerechtelijke vaststelling vaderschap van haar overleden man, aldus HR 4 oktober 2024. Is verweer in een dergelijke zaak dan niet mogelijk?
Unieke beschikking: van rechtswege onstaan ouderlijk gezag aangetekend in gezagsregister
Michelle Booij-Smid, 05-11-2024
Meeroudergezinnen lopen nog altijd tegen problemen aan met betrekking tot juridisch ouderschap en gezag. In deze zaak bood Rechtbank Amsterdam de moeders en hun kind een oplossing.
Verjaarde vorderingen en de verdeling van de nalatenschap
Mr. Arend de Bakker, 08-10-2024
Kunnen verjaarde rechtsvorderingen in de verdeling van de nalatenschap betrokken worden? De auteur analyseert diepgaand de literatuur en de jurisprudentie hierover. Een blog, bestemd voor de superspecialist!
Aansprakelijkheid bij scheidingsbegeleiding? Een reëel risico
Drs. Jasper Horsthuis, 08-10-2024
In een uitspraak van de rechtbank Den Haag werd een mediator aansprakelijk gesteld voor vermeende tekortkomingen bij de begeleiding. Wat mag van een scheidingsprofessional worden verwacht?
Zorgregeling voor baby’s en hele jonge kinderen: een nieuw uitgangspunt
Mr. Eline Gubbens, 08-10-2024
Recent wetenschappelijk onderzoek naar contactregelingen voor jonge kinderen heeft geleid tot nieuwe inzichten met betrekking tot zorgregelingen. Wat zien we daarvan terug in richtlijnen en jurisprudentie?
Podcastgesprek: Dga en scheiding
Mr. Frank van den Barselaar en Drs. Jacqueline van der Vorm, 10-09-2024
De echtscheiding van een dga is vaak bijzonder complex. Fiscalisten Frank van den Barselaar en Jacqueline van der Vorm bespreken met elkaar verschillende financiële en fiscale aspecten hiervan.
Podcastgesprek: Ondernemer en scheiding
Drs. Jacqueline van der Vorm en Mr. Frank van den Barselaar, 27-08-2024
Fiscalisten Jacqueline van der Vorm en Frank van den Barselaar bespreken de verschillende aspecten die komen kijken bij de begeleiding van ondernemers en/of hun partner bij een scheiding.
×

Rapport alimentatienormen versie 2024

 

INHOUDSOPGAVE

Voorwoord
1. Inleiding
2. Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen
2.1 Inleiding
2.2 Modellen voor het bepalen van het netto besteedbaar (gezins)inkomen
2.3 Verschillende soorten inkomen
2.4 Kindgebonden budget
3. Behoefte
3.1. Algemeen
3.2 Het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen
3.3 Behoefte van de ex-partner
4. Draagkracht
4.1 Algemeen
4.2 Berekening van draagkracht voor kinderalimentatie en partneralimentatie (algemeen)
4.3 Bepalen van draagkracht voor kinderalimentatie voor kinderen tot 21 jaar
4.4 Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie
4.5 Inkomensvergelijking (voorheen jusvergelijking)
4.6 Bijzondere omstandigheden die de draagkracht kunnen beïnvloeden
4.7 Inkomensverlies van een onderhoudsplichtige
4.8 Uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn
4.9 Fiscale gevolgen van het hebben van een auto van de zaak
4.10 Draagkracht bij verpleging in een instelling voor langdurige zorg
5. Stappenplannen en rekenvoorbeelden
5.1 Stappenplan kinderalimentatie
5.2 Stappenplan partneralimentatie
5.3 Rekenvoorbeelden niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten
5.4 Rekenvoorbeeld aanvaardbaarheidstoets

Voorwoord

Wettelijke maatstaven

De hoogte van kinder- en partneralimentatie is afhankelijk van de behoefte van degene die recht heeft op alimentatie en van de draagkracht van degene die de alimentatie moet betalen (artikel 1:397, lid 1, Burgerlijk Wetboek). Behoefte en draagkracht zijn open normen, dat wil zeggen dat niet in wet- of andere regelgeving is vastgelegd wat daaronder precies moet worden verstaan.

Aanbevelingen en rekenmodellen

In het Rapport alimentatienormen (hierna: het rapport) doet de Expertgroep Alimentatie (hierna: de expertgroep) aanbevelingen voor het concretiseren en toepassen van deze open normen in het juridische debat en voor het aan de hand daarvan berekenen van de hoogte van kinder- en partneralimentatie.

Met deze aanbevelingen beoogt de expertgroep de rechtseenheid te bevorderen en bij te dragen aan de voorspelbaarheid van de uitkomst van een alimentatieprocedure. Het rapport is uitdrukkelijk niet bedoeld als handboek voor alles wat met alimentatie te maken heeft. Het rapport bevat geen aanbevelingen voor onderwerpen die buiten de reikwijdte van de begrippen behoefte en draagkracht en het aan de hand daarvan berekenen van alimentatie vallen. Die onderwerpen komen daarom in dit rapport niet aan bod. Als een vraag daarover voorligt, zal de rechter een op het geval toegesneden oordeel geven.

Voor het berekenen van alimentatie heeft de expertgroep modellen ontwikkeld (zie bijlage 1). Verschillende uitgevers brengen rekenprogramma’s uit die gebaseerd zijn op deze reken- modellen.

Het rapport is in 2023 ingrijpend herschreven en gemoderniseerd: indeling, stijl en taalgebruik zijn gewijzigd, maar inhoudelijk zijn de aanbevelingen hetzelfde gebleven. Voor de leesbaarheid is het rapport in de wij-vorm geschreven. Waar staat dat ‘wij’ iets doen mag gelezen worden dat de expertgroep aanbeveelt om dat zo te doen.

Gebruik van het rapport

Dit rapport is geschreven door rechters met het doel de aanbevelingen toe te passen bij de beoordeling van aan hen voorgelegde alimentatiegeschillen. Rechters kunnen van de aanbevelingen afwijken. Zij zullen dat in de regel alleen doen als er bijzondere omstandig- heden zijn. Bij die beoordeling speelt wat partijen stellen en hoe zij dat onderbouwen een belangrijke rol. Een relatief strikte toepassing van de aanbevelingen bevordert de rechtseenheid en de voorspelbaarheid van rechterlijke beslissingen.

Advocaten, mediators en anderen maken voor hun advieswerk en (rechts)bijstand gebruik van het rapport. Bij de meeste alimentatiekwesties maken partijen zelf afspraken, zonder tussenkomst van een rechter. Dat staat partijen vrij. Belangrijk is dat zij bij die afspraken binnen de wettelijke kaders blijven.
Gemeenten kunnen de aanbevelingen in dit rapport gebruiken bij verhaal van bijstands- uitkeringen. De specifieke bestuursrechtelijke vragen rond bijstandsverhaal vallen buiten het bestek van dit rapport.

Rapport 2024

De editie van 2024 bevat een belangrijke wijziging. Met ingang van 2023 is ook voor de bepaling van de draagkracht voor partneralimentatie het forfaitaire systeem van toepassing. Uitgangspunt daarbij is dat de onderhoudsplichtige een budget voor de eigen lasten heeft. Voor bijzondere lasten die volgens de onderhoudsplichtige niet uit dat budget kunnen worden bestreden (bijvoorbeeld herinrichtingskosten, advocaatkosten etc.) gelden nu zowel voor kinderalimentatie als voor partneralimentatie dezelfde uitgangspunten (zie hoofdstuk 4.6).

Den Haag, december 2023

mr. J.B. de Groot, voorzitter

mr. Y. Oosting, secretarisLeeuwarden, december 2022

1. INLEIDING

In artikel 1:392, lid 1, BW staat wie op grond van bloed- of aanverwantschap gehouden zijn tot het verstrekken van levensonderhoud. Dat zijn de ouders, de kinderen en behuwd- kinderen, schoonouders en stiefouders. In deze wetsbepaling staat niet wie de onderhouds- gerechtigden zijn. Dat kunnen we afleiden uit de formulering en uit andere artikelen in Titel 17 van Boek 1, BW.

In dit rapport doet de expertgroep aanbevelingen voor het vaststellen of wijzigen van de hoogte van kinder- en/of partneralimentatie na het verbreken van de relatie (alleen bij kinderalimentatie), echtscheiding, na het verbreken van een geregistreerd partnerschap en na scheiding van tafel en bed.

Het gaat daarbij om:

  • een bijdrage van de ouder in de kosten van verzorging en opvoeding van zijn of haar kind(eren) aan de andere ouder  (kinderalimentatie) of direct aan het kind (indien dat 18 jaar of ouder is);
  • een uitkering tot levensonderhoud aan de gewezen echtgeno(o)t(e), de echtgenoot van wie iemand gescheiden is van tafel en bed en de gewezen geregistreerde partner (partneralimentatie). Hierna spreken wij in al deze gevallen van ex-partners.

Op grond van artikel 1:404, lid 1, BW zijn ouders verplicht naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen. Gedurende het huwelijk of geregistreerd partnerschap zijn ook stiefouders onderhoudsplichtig voor de minderjarige kinderen van hun echtgenoot of geregistreerde partner die tot hun gezin behoren (art. 1:395 BW). Ouders, en in voorkomend geval stiefouders, zijn ook onderhoudsplichtig voor hun kinderen van 18 tot 21 jaar (artikel 1:395a BW). Voor kinderen vanaf 21 jaar zijn ouders onderhoudsplichtig op grond van artikel 1:392, lid 1, BW.

Als ouders uit elkaar gaan, moeten zij afspraken maken over de verdeling van de kosten van hun kind of kinderen. In de praktijk betekent dit meestal dat de ene ouder aan de andere (verzorgende) ouder – dat is de ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft – of aan het kind zelf als dat 18 jaar of ouder is (kinder)alimentatie moet betalen. Als de ouders er samen niet uitkomen, zal de rechter op verzoek bepalen welk bedrag aan kinderalimentatie een ouder moet betalen.

Als een ex-partner partneralimentatie moet betalen aan de andere partner, kunnen zij daar samen afspraken over maken. Als zij daar met elkaar niet uitkomen, zal de rechter daarover desgevraagd beslissen. 

Of en welke bedrag(en) iemand aan alimentatie moet betalen hangt ervan af: 

  1. of er een onderhoudsverplichting is, en
  2. of sprake is van behoeftigheid (dit geldt niet voor kinderen tot 21 jaar), en
  3. of de onderhoudsgerechtigde behoefte heeft aan een financiële bijdrage, en
  4. of de onderhoudsplichtige draagkracht heeft om de bijdrage te betalen.

ad 1. Rangorde onderhoudsverplichtingen

Kinderen en stiefkinderen die de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt, hebben voorrang boven alle andere onderhoudsgerechtigden. Deze voorrangsregel is aan de orde als iemand verplicht is levensonderhoud te verstrekken aan twee of meer personen, terwijl hij of zij onvoldoende draagkracht heeft om dit levensonderhoud aan alle onderhoudsgerechtigden volledig te verschaffen (art. 1:400, lid 1, BW).

Door deze voorrangsregel moet een onderhoudsplichtige eerst de kinderalimentatie voor kinderen en stiefkinderen tot 21 jaar betalen en pas daarna (als aan de overige voorwaarden is voldaan) de alimentatie voor (stief)kinderen vanaf 21 jaar en de partneralimentatie.

ad 2. Behoeftigheid

Voor het opleggen van een alimentatieverplichting moet bij ex-partners en kinderen vanaf 21 jaar sprake zijn van behoeftigheid. Een onderhoudsgerechtigde is behoeftig:

  • wanneer hij of zij niet in staat is om (geheel) in het eigen levensonderhoud te voorzien, omdat hij of zij de nodige eigen middelen mist; én
  • hij of zij deze eigen middelen niet in redelijkheid kan verwerven.

Indien de onderhoudsgerechtigde geen of onvoldoende inkomsten heeft om in het levensonderhoud te voorzien, kan er aanleiding zijn om rekening te houden met een bepaalde verdiencapaciteit. Dat wil zeggen de mogelijkheid om in redelijkheid inkomen te verwerven. Of er aanleiding bestaat om met een verdiencapaciteit rekening te houden is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, zoals opleiding, werkervaring, de geboden tijd om werk te zoeken, de gezondheid en de zorg voor kinderen.

Als een onderhoudsgerechtigde over vermogen beschikt, kan het onder omstandigheden redelijk zijn dat we verlangen dat iemand op dit vermogen inteert.

De expertgroep geeft geen richtlijnen over de behoeftigheid.

Ad 3 en 4. Behoefte en draagkracht

Behoefte

Behoefte is – ook bij kinderen – een van de wettelijke maatstaven voor vaststelling van alimentatie. Volgens vaste jurisprudentie is behoefte geen absoluut begrip. Het bestaan en de omvang van de behoefte hangen af van de individuele omstandigheden en moeten we van geval tot geval bepalen. Allerlei omstandigheden kunnen hierbij een rol spelen.

In elk geval is behoefte niet beperkt tot het bestaansminimum.

Draagkracht

Of iemand draagkracht heeft om alimentatie te betalen hangt enerzijds af van de inkomsten en het vermogen en anderzijds van de noodzakelijke uitgaven die daarop in mindering komen.

Daarbij gaat het niet alleen om de middelen waarover de onderhoudsplichtige beschikt, maar ook over die waarover hij redelijkerwijze had kunnen beschikken. Bij de uitgaven gaat het niet alleen om de uitgaven voor de onderhoudsplichtige zelf, maar kunnen ook de uitgaven een rol spelen voor anderen van wie het onderhoud voor rekening van de onderhoudsplichtige komt.

De vast te stellen alimentatie mag niet hoger zijn dan enerzijds de behoefte van de onderhoudsgerechtigde en anderzijds de draagkracht van de onderhoudsplichtige.

De laagste van die twee vormt de maximale bijdrage. De omstandigheden van partijen kunnen aanleiding geven de alimentatie lager dan dit maximum vast te stellen.

Opbouw van het rapport

In hoofdstuk 2 leggen we de begrippen netto besteedbaar inkomen en netto besteedbaar gezinsinkomen uit en laten we zien hoe we deze berekenen. In hoofdstuk 3 gaan we in op het bepalen van de behoefte voor zowel kinderalimentatie als partneralimentatie. In hoofdstuk 4 staan we stil bij het bepalen van de draagkracht voor kinder- en partneralimentatie. In dat hoofdstuk gaan we ook in op de zorgkorting die een rol speelt bij het bepalen van het bedrag aan kinderalimentatie dat iemand moet betalen. In hoofdstuk 5 zetten we aan de hand van twee stappenplannen met voorbeelden uiteen hoe we de behoefte en de draagkracht en uiteindelijk het bedrag aan kinder- en partneralimentatie bepalen.

Achter het rapport zitten de volgende bijlagen:

  • Bijlage 1 Model voor de netto methode, model voor de bruto methode en de toelichting op de modellen.
  • Bijlage 2 Diverse tarieven.
  • Bijlage 3 Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen.
  • Bijlage 4 Draagkrachttabel kinderalimentatie.

2 Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen

2.1 Inleiding

Behoefte en draagdracht bepalen we voor kinder- en partneralimentatie op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen respectievelijk het netto besteedbaar inkomen. Bij kinderalimentatie speelt naast het netto besteedbaar (gezins)inkomen het kindgebonden budget een rol.

In dit hoofdstuk bespreken we de begrippen netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen.

Onder netto besteedbaar inkomen verstaan we het bruto inkomen verminderd met de daarover verschuldigde of ingehouden premies sociale verzekeringen (inclusief de inkomens- afhankelijke bijdrage premie zorgverzekeringswet) en loon- en/of inkomstenbelasting. Het netto besteedbaar gezinsinkomen is het gezamenlijke netto besteedbare inkomen van de (ex-)partners toen zij nog een gezin vormden.

2.2 Modellen voor het bepalen van het netto besteedbaar (gezins)inkomen

De expertgroep heeft twee modellen gemaakt waarmee we het netto besteedbaar inkomen berekenen: het netto model en het bruto model. Beide modellen staan in Bijlage 1 bij dit rapport.

In het netto model gebruiken we netto inkomensgegevens om het netto besteedbaar (gezins)inkomen te bepalen. In het bruto model berekenen we het netto besteedbaar inkomen aan de hand van (onder andere) de bruto inkomensgegevens.

2.2.1 Het netto model

We kunnen het netto model gebruiken bij het bepalen van de draagkracht van een onder- houdsplichtige met een inkomen uit dienstbetrekking of een uitkering van minder dan € 1.930 bruto per maand (incl. vakantietoeslag). Het bruto inkomen vinden we in een loon- of salarisspecificatie of in een specificatie van de uitkering. Ook het daarvan resterende netto inkomen blijkt uit die specificaties. De gehele berekening voeren we vervolgens uit met nettobedragen op maandbasis.

Het netto model kunnen we ook gebruiken als het inkomen niet is onderworpen aan de heffing van loon- en inkomstenbelasting in Nederland.

Het netto besteedbaar inkomen vinden we in het netto model bij post 8.

  

2.2.2 Het bruto model

We gebruiken het bruto model bij bruto inkomens vanaf € 1.930 per maand en bij alle inkomens buiten dienstbetrekking (bijvoorbeeld bij IB-ondernemers). We gebruiken het bruto model ook als er fiscale voordelen zijn (bijvoorbeeld bij uitgaven voor inkomens- voorzieningen), fiscale bijtellingen, bij bezittingen die in box 3 belast zijn of als specifieke heffingskortingen een rol spelen. Het invullen van dit bruto model is in grote lijnen vergelijkbaar met het invullen van een aangifte voor de inkomstenbelasting.

In het bruto model vinden we het netto besteedbaar inkomen bij post 121.

2.3 Verschillende soorten inkomen

2.3.1 Inkomen uit dienstbetrekking of uitkering

Werknemers en uitkeringsgerechtigden kunnen hun inkomen met loonstroken, uitkerings- specificaties en/of één of meer jaaropgaven aantonen.

2.3.2 Winst uit onderneming

Een natuurlijke persoon die een onderneming op eigen naam of in samenwerking met anderen drijft (IB-ondernemer), geniet winst uit onderneming. De ondernemer moet inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen betalen over de gerealiseerde winst, na aftrek van ondernemersaftrekken en eventuele andere aftrekposten. Het komt regelmatig voor dat een ondernemer niet de gehele nettowinst (het netto besteedbaar inkomen dat volgt uit de berekening met het bruto model) voor het levensonderhoud gebruikt. Een deel van de winst (waar al inkomstenbelasting over is betaald) blijft dan in de onderneming achter, bijvoorbeeld om daarmee investeringen te doen of om (bedrijfs)schulden af te lossen. Het netto besteedbaar inkomen is dan lager.

Bij het bepalen van de draagkracht van een ondernemer kijken we naar wat deze ondernemer in redelijkheid aan inkomen uit de onderneming kan verwerven zonder de continuïteit van de onderneming in gevaar te brengen. We moeten daarom een schatting makenvan de toekomstige ontwikkelingen in de onderneming (een prognose). In de praktijk lijkt de gedachte te bestaan dat we daarvoor moeten kijken naar het gemiddelde resultaat van de laatste drie jaren. Hoewel dat gemiddelde resultaat helpend kan zijn bij het maken van de prognose (en inzage in recente jaarstukken van de ondernemer daarvoor onmisbaar is), is dat gemiddelde resultaat slechts één van de omstandigheden die bij het maken van de prognose een rol kan spelen.

2.3.3 De directeur-grootaandeelhouder

De directeur-grootaandeelhouder in een vennootschap (meestal een BV) krijgt in de regel salaris, net als een werknemer in een ‘normale’ dienstbetrekking. Daarnaast kan hij winst- uitkeringen (dividend, winst uit aanmerkelijk belang) ontvangen. Wanneer een directeur-grootaandeelhouder privéuitgaven laat voorschieten door of geld leent van de BV die deze schuld in rekening-courant boekt, kan er aanleiding zijn om bij het bepalen van de behoefte en/of draagkracht met deze opnames rekening te houden. 

2.3.4 Inkomen uit vermogen

In bepaalde gevallen kunnen we bij het bepalen van het netto besteedbaar inkomen rekening houden met werkelijke inkomsten uit vermogen, zoals inkomen uit de verhuur van onroerend goed. Dat inkomen moet dan in elk geval bestendig beschikbaar (kunnen) zijn.

2.4 Kindgebonden budget

Het kindgebonden budget is een inkomensafhankelijke maandelijkse bijdrage van de overheid die bij alleenstaande ouders wordt verhoogd met een zogeheten ‘alleenstaande ouderkop’.

Het kindgebonden budget is bedoeld als inkomensondersteuning voor (in beginsel) de ouder die kinderbijslag voor het kind ontvangt.

3. BEHOEFTE

3.1 Algemeen

Bij het bepalen van het bedrag dat iemand aan kinder- en/of partneralimentatie moet betalen, houden we rekening met de behoefte van de onderhoudsgerechtigden (volgens art. 1:397, lid 1, BW). De wetgever heeft de betekenis van het begrip behoefte niet nader ingevuld. Het is een zogenoemde open norm. Behoefte kunnen we omschrijven als het bedrag dat nodig is voor de kosten van levensonderhoud en dat aansluit bij de mate van welstand waarin partijen tijdens hun samenleving hebben geleefd. Het bestaan en de omvang van de behoefte hangen dus af van de individuele omstandigheden. Daarbij kunnen algemene ervaringsregels een rol spelen (volgens art. 149, lid 2, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

Bij kinderalimentatie houden we er rekening mee dat ouders de kosten van verzorging en opvoeding van hun kinderen niet helemaal zelf hoeven te betalen. De kinderbijslag die de ouders (in de regel: de ouder bij wie een kind het hoofdverblijf heeft) ontvangen dekt een deel van die kosten. Het restant komt voor rekening van de ouders zelf. Dat restant noemen we in dit rapport ‘het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’.

Hierna gebruiken we in het kader van kinderalimentatie daarom niet de term ‘behoefte’, maar spreken we van ‘het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’ of kortweg ‘eigen aandeel’.

Bij partneralimentatie beveelt de expertgroep voor het bepalen van de behoefte het gebruik aan van een vuistregel, de zogenoemde hofnorm. Zie voor een uitleg van de hofnorm paragraaf 3.3.1 en 3.3.2.

3.2 Het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

3.2.1 Inleiding

De expertgroep doet in dit rapport een concrete aanbeveling voor het bepalen van het eigen aandeel. Deze aanbeveling berust op de algemene ervaringsregel dat ouders in gezinnen een vast percentage van het beschikbare inkomen besteden aan hun kind(eren).

We bepalen het eigen aandeel aan de hand van de Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen (Bijlage 4). In deze bijlage staat ook een toelichting op hoe de tabel werkt. In de tabel is rekening gehouden met de kinderbijslag. In de regel ontvangt de ouder bij wie een kind het hoofdverblijf heeft de kinderbijslag.

Hierna bespreken we de onderwerpen die van belang zijn bij het bepalen van het eigen aandeel.

3.2.2 De Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

De Tabel eigen aandeel is als volgt tot stand gekomen.

De welstand van het gezin waarin de ouders met de kinderen leven en daarmee de hoogte van de uitgaven voor de kinderen hangt samen met het netto besteedbaar gezinsinkomen.

Uit onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) blijkt dat ouders een bepaald percentage van dat gezinsinkomen aan hun kinderen besteden.

De Tabel eigen aandeel is gebaseerd op dit onderzoek. Het systeem is uitgewerkt in het rapport Kosten van kinderen ten behoeve van vaststelling kinderalimentatie. https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/rapport-kosten-kkn-sept-2006.pdf  In 2018 hebben het CBS en het NIBUD voor het laatst onderzoek gedaan naar de percentages van het gezinsinkomen die ouders aan hun kinderen besteden. De bedragen in de Tabel eigen aandeel zijn sinds 2019 gebaseerd op de cijfers uit dit laatste onderzoek. Het Nibud actualiseert de bedragen in de tabel jaarlijks met de meest actuele percentages van de kosten van kinderen en de kinderbijslagbedragen. De bedragen in de tabel worden verder niet geïndexeerd.

We berekenen het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen na scheiding op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen in de laatste periode dat de ouders en de kinderen een gezin vormden. Dit omdat de kinderen aan de welstand zoals die aanwezig was toen de ouders met de kinderen nog bij elkaar woonden gewend zijn geraakt en zij door de scheiding van de ouders – in beginsel – niet slechter af zouden moeten zijn.

Het eigen aandeel per kind is lager naarmate er meer kinderen in een gezin leven. Dat komt doordat de gemiddelde kosten per kind (door “schaalvoordelen”) dalen bij meer kinderen.

In de Tabel eigen aandeel houden we geen rekening met de leeftijd(en) van de kinderen.

De tabel is gebaseerd op gemiddelde bedragen aan kinderbijslag. Als er meer kinderen in een gezin zijn, bepalen we het eigen aandeel per kind door het tabelbedrag te delen door het aantal kinderen.

3.2.3 Bepalen eigen aandeel op basis van het laatste gezinsinkomen toen de ouders nog bij elkaar waren

In beginsel bepalen we het eigen aandeel op basis van het gezamenlijke inkomen dat ouders hadden toen zij nog bij elkaar waren, inclusief het kindgebonden budget en andere (fiscale) aanspraken (zoals de aanspraak op de inkomensafhankelijke combinatiekorting).

Wanneer we het eigen aandeel vaststellen op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen in een eerder jaar dan het jaar waarin de kinderalimentatie ingaat, indexeren we dat eigen aandeel naar het jaar van ingang.

3.2.4 Eigen aandeel bij gezinnen met minderjarige kinderen en kinderen van 18 tot 21 jaar

De Tabel eigen aandeel ziet op kosten van minderjarige kinderen. Bij het gebruik van de tabel gaan we er voor het aantal kinderen van uit dat alle kinderen minderjarig zijn, ook als er naast een minderjarig kind of kinderen één of meer kinderen van 18 tot 21 jaar zijn.

3.2.5 Eigen aandeel bij ouders die nooit met het kind of de kinderen in gezinsverband hebben samengeleefd

Wanneer ouders nooit in gezinsverband met het betrokken kind of de kinderen hebben samengeleefd, bepalen we het eigen aandeel door het gemiddelde te nemen van het eigen aandeel berekend op basis van het inkomen van de ene ouder en het eigen aandeel op basis van het inkomen van de andere ouder. Op deze manier beoordelen we de welstand die het kind bij iedere ouder afzonderlijk ervaart of zou hebben ervaren als het alleen bij die ouder opgroeit of was opgegroeid. Met (inkomsten van) nieuwe partners houden we geen rekening.

Bij de bepaling van het inkomen van iedere ouder afzonderlijk houden we rekening met het kindgebonden budget en andere (fiscale) aanspraken (zoals de aanspraak op de inkomensafhankelijke combinatiekorting), indien de ouder voldoet aan de voorwaarden om daarvoor in aanmerking te komen of zou voldoen als het kind bij hem of haar zou opgroeien (zoals de inkomens- en vermogensgrens). Voor een ouder bij wie het kind niet opgroeit gaat het om een fictief bedrag (alsof het kind alleen bij die ouder zou opgroeien).

3.2.6 Bijzondere kosten

In de tabelbedragen zijn alle gebruikelijke kosten van een kind, zoals voeding, kleding en huisvesting begrepen. Allerlei kosten en activiteiten zijn uitwisselbaar. Zo kunnen ouders het bedrag voor ‘ontspanning’ in het eigen aandeel op verschillende manieren besteden: van voetbal tot paardrijden en van computergame tot vioolles. Uit het CBS-onderzoek blijkt dat hogere uitgaven in een gezin aan de ene post samengaan met lagere uitgaven aan een andere post. Met andere woorden, wanneer een gezin een meer dan gemiddeld bedrag aan bijvoorbeeld kleding besteedt, dan hoeft dat niet te betekenen dat voor de post kleding een correctie moet plaatsvinden. Ouders bezuinigen dan op één of meer andere posten. Vanwege die uitwisselbaarheid kunnen we slechts in globale termen aangeven in welke gevallen naast de tabelbedragen met bijzondere kosten rekening kan worden gehouden.

Bepaalde extra kosten kunnen zo uitzonderlijk zijn, dat ouders deze niet kunnen betalen uit de standaardbedragen in de tabel en deze uitgaven daadwerkelijk op het (gezins) inkomen drukken. Voorbeelden zijn de kosten voor:

  • een gehandicapt kind;
  • topsport;
  • privélessen;
  • extra hoge schoolgelden; en
  • kinderopvang of oppaskosten die – na aftrek van de kinderopvangtoeslag en eeneventuele bijdrage van de werkgever – zo hoog zijn dat deze niet gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven op andere posten.

[[NOTE: Volgens het rapport Kosten van kinderen behoren ook hoge oppaskosten in verband met de verwerving

van inkomsten tot de categorie bijzondere kosten die niet in de tabel verwerkt zijn. Uit onderzoek van het

CBS uit de tijd voor de huidige systematiek van financiering van de kinderopvang is echter gebleken dat

bij een echtpaar oppaskosten niet leiden tot in totaal hogere kosten van kinderen. Kennelijk worden in

die situatie hoge oppaskosten of kosten van kinderopvang gecompenseerd met lagere uitgaven aan een

andere post. Hoewel dit onderzoek dateert van de tijd vóór de huidige systematiek van financiering van

kinderopvang, acht de expertgroep het aannemelijk dat dit in het merendeel van de gevallen nog steeds

zo is. Indien echter sprake is van dermate hoge kosten voor kinderopvang of dermate hoge oppaskosten

dat deze niet (volledig) gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven op andere posten, kan dat

leiden tot in totaal hogere kosten van kinderen dan het tabelbedrag.]]

Bij dergelijke bijzondere extra kosten berekenen we het eigen aandeel als volgt. Als ouders de betreffende extra kosten al voor de scheiding maakten, dan trekken we deze kosten (minus tegemoetkomingen daarop van bijvoorbeeld werkgever of overheid) af van het netto besteedbaar gezinsinkomen. Het eigen aandeel bepalen we vervolgens op basis van het resterende netto besteedbaar gezinsinkomen. Het nieuwe eigen aandeel bestaat uit het in de tabel gevonden bedrag plus de extra kosten na de scheiding, opnieuw verminderd met de eventuele tegemoetkomingen in die kosten.

Als de kosten pas na de scheiding zijn ontstaan, berekenen we het eigen aandeel op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen zonder correctie en tellen we de bijzondere kosten op bij het gevonden eigen aandeel.

3.2.7 Vermindering of wegvallen van inkomen van één van de ouders na (echt)scheiding

Vermindering of wegvallen van inkomen van een ouder na (echt)scheiding mag geen invloed hebben op de hoogte van het eigen aandeel. Het welvaartsniveau ten tijde van het uit elkaar gaan blijft in beginsel bepalend. Wel kan dit lagere inkomen tot een lagere draagkracht en dus een lagere bijdrage leiden.

3.2.8 Stijging van het eigen aandeel na een latere aanzienlijke inkomensstijging van een van de ouders

Wanneer het inkomen van een ouder na scheiding zodanig stijgt dat het hoger is dan het (gezins)inkomen tijdens het huwelijk of de samenleving, is de expertgroep van mening dat dit invloed moet hebben op de hoogte van het eigen aandeel. Indien het gezinsverband zou hebben voortgeduurd, zou die verhoging immers ook een positieve invloed hebben gehad op het bedrag dat voor de kinderen zou zijn uitgegeven. In dat geval bepalen we het eigen aandeel op basis van dat hogere inkomen van die ouder opnieuw.

3.2.9 Stijging van het eigen aandeel na een latere aanzienlijke inkomensstijging van één van de ouders die nooit met het kind/de kinderen in gezinsverband hebben samengeleefd

Ook voor kinderen van ouders die niet in gezinsverband hebben samengewoond, vindt de expertgroep dat een aanzienlijke inkomensstijging van één van de ouders invloed moet hebben op de vaststelling van het eigen aandeel. We berekenen het eigen aandeel opnieuw als het netto besteedbaar inkomen van één ouder stijgt tot boven de feitelijke netto besteed- bare inkomens van de ouders samen bij de eerdere vaststelling van het eigen aandeel (de drempel), vermeerderd met het destijds werkelijk genoten kindgebonden budget. Als de inkomensstijging de ouder betreft die voor het betreffende kind of kinderen geen kindge- bonden budget ontvangt, dan verstaan we onder het gestegen netto besteedbaar inkomen dat inkomen zonder bijtelling van een fictief kindgebonden budget.

Als de drempel is gehaald berekenen we het eigen aandeel vervolgens opnieuw op de wijze zoals hiervoor omschreven voor de berekening van het eigen aandeel van ouders die nooit hebben samengewoond, maar dan op basis van de actuele inkomens van de beide ouders.

Daarbij beoordelen we de situatie weer alsof het kind bij die ouder zou wonen, zodat wel met het (fictief) kindgebonden budget waar dan aanspraak op zou bestaan rekening moet worden gehouden én met eventuele heffingskortingen waar in die – fictieve – situatie aanspraak op zou bestaan.

3.2.10 De behoefte van kinderen van 18 tot 21 jaar

De Tabel eigen aandeel kunnen we niet gebruiken voor het bepalen van de behoefte van kinderen van 18 tot 21 jaar.

Studerenden

Voor kinderen van 18 tot 21 jaar die onder de Wet studiefinanciering (Wsf) vallen heeft de expertgroep geen aparte maatstaven ontwikkeld. We nemen voor het bepalen van de behoefte de normen van de Wsf tot uitgangspunt. Volgens de Wsf bestaat het budget voor een student uit een normbedrag voor de kosten van levensonderhoud, een tegemoetkoming

in de kosten van lesgeld danwel het collegegeldkrediet en de reisvoorziening. Een student die stelt voor één of meer bepaalde posten een hoger budget nodig te hebben, moet dat aannemelijk maken. De aanspraken die een student heeft op studiefinanciering of een andere tegemoetkoming (zoals een bijdrage uit een privaat studiefonds) kunnen de behoefte onder omstandigheden verlagen. In het algemeen zijn de basisbeurs en de aanvullende beurs (een gift) behoefte verlagend, omdat van een student in redelijkheid mag worden verlangd dat hij binnen de genoemde termijn een diploma haalt. De rentedragende lening en het collegegeldkrediet moeten wel altijd worden terugbetaald en verlagen de behoefte in beginsel niet.

Voor studenten in het hoger onderwijs is de Wsf-norm voor thuiswonende studenten gelijk aan die voor uitwonende studenten. Heeft een thuiswonende student geen woon- last, dan kan dat de behoefte verlagen, bijvoorbeeld met een bedrag ter hoogte van de gemiddelde basishuur.

Niet studerenden

Voor niet-studerenden van 18 tot 21 jaar kunnen we bij het bepalen van de behoefte eveneens aansluiten bij het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud uit de Wsf.

De bedragen voor studiekosten (boeken en leermiddelen) die in de norm zitten, trekken we daar dan van af.

Eigen inkomsten van kinderen van 18 tot 21 jaar

Structurele eigen inkomsten van kinderen van 18 tot 21 jaar kunnen de behoefte verlagen.

Kind van 18 tot 21 jaar ontvangt zorgtoeslag

Uit het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud wordt een kind van 18 tot 21 jaar geacht ook de premie voor de zorgverzekering te voldoen. In dat normbedrag is al rekening gehouden met een ontvangen zorgtoeslag. Een eventuele zorgtoeslag hoeven we dus niet nog afzonderlijk in mindering te brengen.

3.2.11 De behoefte van kinderen vanaf 21 jaar

Ook een kind van 21 jaar en ouder kan behoefte hebben aan een bijdrage in zijn levensonderhoud.

Anders dan kinderen tot 21 jaar, kan een meerderjarig kind in beginsel alleen aanspraak maken op een bijdrage van een (van de) ouder(s) wanneer dat kind behoeftig is. Daarvan is sprake als het niet in staat is om (geheel) in het eigen levensonderhoud te voorzien omdat het:

a. de nodige eigen middelen mist en

b. deze in redelijkheid niet kan verwerven.

De behoefte van een kind vanaf 21 jaar kunnen we vervolgens op dezelfde wijze bepalen als die van kinderen van 18 tot 21 jaar.

3.3 Behoefte van de ex-partner

3.3.1 Inleiding

Voor het bepalen van de netto behoefte in het kader van partneralimentatie heeft de rechtspraak een eenvoudig te hanteren vuistregel ontwikkeld: de zogenoemde hofnorm.

De hofnorm berust op de algemene ervaringsregel dat de kosten van twee afzonderlijke huishoudens (dus na scheiding) hoger zijn dan de helft van de kosten van een gezin.

De hofnorm is volgens de expertgroep een heldere en in de praktijk eenvoudig te hanteren maatstaf die leidt tot een reële schatting van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde na het verbreken van het huwelijk of geregistreerd partnerschap.

Ontvangen kinderalimentatie, kinderbijslag en kindgebonden budget zijn geen inkomen van de onderhoudsgerechtigde ouder, maar zijn bedoeld voor de kinderen. Deze bedragen maken daarom geen deel uit van het eigen inkomen of de verdiencapaciteit van de onderhoudsgerechtigde.

3.3.2 Toepassing van de hofnorm

Uitgangspunt bij toepassing van de hofnorm is dat het gehele netto besteedbaar gezinsinkomen beschikbaar is geweest voor het levensonderhoud van beide partijen.

Wanneer in het gezin kinderen waren voor wie de ouders onderhoudsplichtig waren, dan verminderen we het netto besteedbaar gezinsinkomen met het eigen aandeel van de ouders in de kosten van die kinderen.

De behoefte op basis van de hofnorm bedraagt dan Netto besteedbaar gezinsinkomen

€ .....

Af: Eigen Aandeel kosten kinderen voor wie ouders onderhoudsplichtig waren

€ ..... -/-

Beschikbaar tijdens huwelijk / geregistreerd partnerschap

 ..... 

Behoefte: 60 %

€ .....

Toepassing van de hofnorm heeft als bijkomend voordeel dat ex-echtgenoten niet in een positie worden gebracht waarin zij zich genoodzaakt zien tot nodeloos escalerende discussies over individuele op een behoeftelijst voorkomende kostenposten, hoe gering van omvang ook. Indien een partij het niet eens is met de behoefte die is berekend aan de hand van de hofnorm, ligt het op de weg van die partij om toepassing van de hofnorm gemotiveerd te betwisten en te onderbouwen hoe hoog de behoefte volgens hem/haar is.

3.3.3 Nieuwe relatie onderhoudsgerechtigde zonder ‘samenwonen als waren zij gehuwd’ in de zin van artikel 1:160 BW

Een nieuwe relatie van de onderhoudsgerechtigde die niet het karakter heeft van ‘samen- leven als waren zij gehuwd’ of ‘als waren zij geregistreerd partner’ kan behoefte verlagend werken.

4. DRAAGKRACHT

4.1 Algemeen

Bij het bepalen van de hoogte van het bedrag van kinder- en partneralimentatie houden we (naast de behoefte van de onderhoudsgerechtigde, zie hoofdstuk 3) rekening met de draagkracht van de onderhoudsplichtige(n) (vgl. art. 1:397, lid 1, BW). Wij hanteren als uitgangspunt dat een onderhoudsplichtige voor het eigen levensonderhoud naast een bedrag voor wonen en ziektekosten ten minste een bedrag ter grootte van de bijstandsnorm nodig heeft.

Bij kinderalimentatie kunnen we het begrip draagkracht omschrijven als het bedrag dat een ouder kan bijdragen aan de kosten van verzorging en opvoeding van het kind. Bij partner­ alimentatie ziet het begrip draagkracht op het bedrag dat de onderhoudsplichtige (maximaal) kan betalen aan partneralimentatie. De expertgroep hanteert bij het bepalen van draagkracht als uitgangspunt dat een onderhoudsplichtige na het betalen van alimen- tatie genoeg geld overhoudt om in het eigen levensonderhoud te voorzien.

In par. 4.2.1. geven wij aan de hand van een kernschema aan hoe we draagkracht voor kinder- en partneralimentatie bepalen. In par. 4.2.2 volgt een toelichting op de begrippen die we daarbij gebruiken.

In par. 4.3 en verder gaan we in op van de verdeling van de kosten van de kinderen over de ouders en de berekening van het bedrag van kinderalimentatie.

In par. 4.4 gaan we in op de berekening van draagkracht voor en het bedrag aan partneralimentatie.

In par. 4.5 en verder staan we stil bij enkele bijzondere situaties.

4.2 Berekening van draagkracht voor kinderalimentatie en partneralimentatie (algemeen)

4.2.1. Kernschema voor het berekenen van draagkracht

Draagkracht voor kinder- en partneralimentatie berekenen we aan de hand van het volgende kernschema:

inkomsten    
  Netto besteedbaar inkomen volgens bruto of netto methode €...  
  (alleen bij kinderalimentatie) kindgebonden budget €... +  
  €...
af: lasten    
  Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3) € …  
  Woonbudget (30% van het NBI) € …  
  Andere noodzakelijke lasten € … +  
Draagkrachtloos inkomen   €…
Draagkrachtruimte   €...

Draagkracht is een percentage (draagkrachtpercentage) van het bedrag aan draagkrachtruimte.

4.2.2 Toelichting op de begrippen in het kernschema

4.2.2.1 Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen

Zie voor de uitleg van deze begrippen hoofdstuk 2.

4.2.2.2 Draagkrachtloos inkomen

Het bedrag dat de onderhoudsplichtige nodig heeft voor zijn eigen noodzakelijke lasten en dat daarom geen draagkracht voor het betalen van alimentatie oplevert, noemen we het draagkrachtloos inkomen. Het draagkrachtloos inkomen bestaat uit de gecorrigeerde bijstandsnorm, het woonbudget en andere noodzakelijke lasten.

4.2.2.3 (Gecorrigeerde) bijstandsnorm

Bij de bepaling van de draagkracht hanteren we als uitgangspunt dat de onderhoudsplichtige voor zichzelf ten minste het bestaansminimum moet behouden naast een redelijk gedeelte van zijn draagkrachtruimte. Het bestaansminimum bepalen we aan de hand van de bijstandsnorm. Dat is het bedrag dat de onderhoudsplichtige bij afwezigheid van eigen middelen van bestaan als uitkering krachtens de Participatiewet zou ontvangen. Dit bedrag is afhankelijk van de (nieuwe) gezinssituatie. De Participatiewet onderscheidt diverse categorieën. Daarvan zijn er drie voor de draagkrachtberekening van belang: alleenstaanden (daaronder zijn ook alleenstaande ouders –ongeacht het aantal kinderen – begrepen), gehuwden (met of zonder kinderen) en pensioengerechtigden in de zin van art. 7a eerste lid van de Algemene Ouderdomswet. In artikel 22 Participatiewet is de verhoogde norm voor pensioengerechtigden opgenomen. In beginsel rekenen we met de  norm voor een alleenstaande en houden we geen rekening met de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a Participatiewet. Wel houden we rekening met de verhoogde norm voor pensioengerechtigden. De jongerennorm passen we niet toe.

Het bedrag van de bijstandsnorm verminderen we met de in de bijstandsnorm begrepen componenten voor wonen en zorgkosten en vermeerderen we met een vast bedrag voor de kosten van de zorgverzekering en – afhankelijk van de hoogte van het netto besteed- baar inkomen – een bedrag voor onvoorziene uitgaven. In het kernschema noemen we de uitkomst daarvan de gecorrigeerde bijstandsnorm.

Aldus bepalen we het bedrag van de gecorrigeerde bijstandsnorm (2024, eerste halfjaar) als volgt:

Bijstandsnorm   € 1.284
Af: Wooncomponent € 189  
Af: ziektekostencomponent € 42  
Bij: totaal ziektekosten € 166  
Onvoorzien € 50  
Totaal af/bij    -/- € 15
Gecorrigeerde bijstandsnorm (afgerond op € 5)   € 1.270

Voor AOW-gerechtigden geldt op grond van de Participatiewet een bijstandsnorm van € 1.426 (2024, eerste halfjaar). Voor hen verhogen we het bedrag van de gecorrigeerde bijstandsnorm tot € 1.415.

4.2.2.4 Woonbudget

De onderhoudsplichtige wordt geacht vanuit het woonbudget alle redelijke lasten voor een woning passend bij zijn/haar inkomen te kunnen voldoen. Daaronder verstaan we onder meer:

  • voor een huurwoning: de huur (verminderd met eventuele huurtoeslag), verplichte servicekosten en lokale belastingen;
  • voor een koopwoning: de rente over de eigenwoningschuld verminderd met het fiscaal voordeel in verband met de eigen woning, gangbare aflossingen op die schuld, inleg voor spaar- of beleggingspolissen die aan de hypotheek zijn gekoppeld, premie voor de opstalverzekering, lokale belastingen en polder- of waterschapslasten en onderhoudskosten.

Voor zowel huur- als koopwoningen geldt dat de onderhoudsplichtige (redelijke) lasten voor gas, water en licht die meer bedragen dan het bedrag dat hij vanuit de bijstandsnorm kan voldoen ook vanuit het woonbudget moet betalen.

Als een onderhoudsplichtige duurzaam aanmerkelijk hogere woonlasten heeft dan het woonbudget kunnen we met die extra lasten rekening houden als we kunnen vaststellen dat deze lasten niet vermijdbaar zijn en dat het (voort)bestaan daarvan niet aan de onderhoudsplichtige kan worden verweten (zie 4.6.2).

Indien (mogelijk) sprake is van een tekort aan draagkracht om in de behoefte te voorzien en er aanwijzingen zijn dat de werkelijke woonlasten van een onderhoudsplichtige duur- zaam aanmerkelijk lager zijn dan het woonbudget, bijvoorbeeld omdat deze samenwoont, kan er reden zijn om met een bedrag lager dan het woonbudget te rekenen.(Hoge Raad 16 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:586.) Het ligt op de weg van de onderhoudsplichtige om in dat geval inzicht te geven in de eigen werkelijke woonlasten. Indien een onderhoudsplichtige samenwoont met een nieuwe partner, is bij de beoordeling of bij de onderhoudsplichtige sprake is van een duurzaam aanmerkelijk lagere werkelijke woonlast het uitgangspunt dat de partner de helft van de gezamenlijke woonlast kan dragen.

Het fiscaal voordeel dat betrekking heeft op de eigen woning tellen we niet bij het netto besteedbaar inkomen. Het fiscaal voordeel met betrekking tot de eigen woning evenals andere fiscale aspecten spelen wel een rol bij de bepaling van het verzamelinkomen, dat relevant is voor (bijvoorbeeld) de berekening van het kindgebonden budget.

4.2.2.5 Andere noodzakelijke lasten

Bij het bepalen van draagkracht kunnen we naast de gecorrigeerde bijstandsnorm en het woonbudget rekening houden met lasten van de onderhoudsplichtige die niet vermijdbaar en ook niet verwijtbaar zijn aangegaan of voortbestaan. We noemen die lasten ‘andere noodzakelijke lasten’. Een voorbeeld van een dergelijke last is de aflossing op schulden waarvoor beide partijen draagplichtig zijn. In par. 4.6.2 gaan we hier dieper op in.

4.2.2.6 Draagkrachtruimte

Het verschil tussen het netto besteedbaar inkomen en het draagkrachtloos inkomen noemen we de draagkrachtruimte. Bij een positieve draagkrachtruimte is de onderhoudsplichtige in staat alimentatie te betalen.

4.2.2.7 Draagkrachtpercentage, draagkracht en vrije ruimte

We hanteren als uitgangspunt dat we vanaf een bepaald inkomen niet de gehele draag- krachtruimte gebruiken voor het opleggen van een onderhoudsverplichting, maar dat we slechts een bepaald percentage daarvan bestempelen als draagkracht. Dit percentage noemen we het draagkrachtpercentage. We verdelen de draagkrachtruimte daardoor over onderhoudsplichtige en onderhoudsgerechtigde(n) in een verhouding die vastligt in het draagkrachtpercentage. Alle onderhoudsverplichtingen brengen we in beginsel ten laste van de draagkracht.

Voor kinderalimentatie is het beschikbare percentage te vinden in de draagkrachttabel (bijlage 4). Voor partneralimentatie hanteren we 60% procent als draagkrachtpercentage.

De resterende 40% van de draagkrachtruimte noemen we de vrije ruimte. Dit bedrag kan de onderhoudsplichtige gebruiken om vrij te besteden en/of om al dan niet tijdelijk hogere lasten van te betalen.

4.3 Bepalen van draagkracht voor kinderalimentatie voor kinderen tot 21 jaar

4.3.1 Inleiding

Ouders (en in voorkomend geval een stiefouder) zijn verplicht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding respectievelijk levensonderhoud en studie van hun minderjarige kinderen en hun meerderjarige kinderen tot 21 jaar. In de praktijk komt het er voor minderjarige kinderen op neer dat de ene ouder aan de andere ouder (in de regel de ouder waar het kind het hoofdverblijf heeft) kinderalimentatie betaalt. Die andere ouder betaalt zelf ook mee aan de kosten van de kinderen. Waar wij hierna spreken over het bepalen van de draagkracht voor kinderalimentatie, bedoelen wij tevens het bepalen van de draagkracht van de verzorgende ouder om bij te dragen aan de kosten van verzorging en opvoeding/de kosten van levensonderhoud en studie van de kinderen.

Kinderalimentatie heeft voorrang op alle andere onderhoudsverplichtingen. Daarom nemen we bij de bepaling van de draagkracht voor kinderalimentatie alleen de financiële situatie van de onderhoudsplichtige(n) in aanmerking. We houden geen rekening met een nieuwe partner/echtgeno(o)t/geregistreerde partner. De gedachte hierachter is dat een nieuwe partner in staat moet worden geacht in het eigen levensonderhoud te voorzien, terwijl we dit van een kind niet verwachten.

4.3.2 De draagkrachttabel (Bijlage 5)

In de draagkrachttabel in bijlage 5 geven we aan hoe we de draagkracht voor kinderalimentatie – uitgaande van het kernschema – bij een bepaald netto besteedbaar inkomen bepalen.

Daarvoor tellen we het na de scheiding (te) ontvangen kindgebonden budget op bij het netto besteedbaar inkomen van de ouder die het kindgebonden budget ontvangt. (Zie ECLI:NL:HR:2015:3011.)

Vanaf een bepaald netto besteedbaar inkomen plus kindgebonden budget (2024: € 1.965) hanteren we een draagkrachtpercentage van 70%. Bij lagere netto besteedbare inkomens is het draagkrachtpercentage hoger. Er resteert dan een lager of geen bedrag aan vrije ruimte.

Zie hiervoor de draagkrachttabel.

Bij de lagere inkomens verlagen we in de gecorrigeerde bijstandsnorm de post ‘onvoorzien’.

Bij een netto besteedbaar inkomen plus kindgebonden budget van € 1.815 (2024) of minder, gaan we uit van een minimumdraagkracht van € 25 voor één kind en € 50 voor twee of meer kinderen.

Vanaf de AOW-leeftijd gelden andere bedragen.

4.3.3 Ouder(s) met een uitkering krachtens de Participatiewet of met een inkomen tot bijstandsniveau

We nemen geen draagkracht aan bij een ouder bij wie een kind het hoofverblijf heeft en die een bijstandsuitkering ontvangt, ook niet als die ouder een kindgebonden budget ontvangt.

Het aannemen van draagkracht in een dergelijk geval leidt er namelijk toe dat het aandeel in de kosten van de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft lager wordt. Dat zou de verhaalsmogelijkheid van de bijstand door de gemeente beperken. Daardoor draagt de gemeente (en niet de betreffende ouder) een deel van de kosten van de kinderen.

Bij een niet-verzorgende ouder met een uitkering krachtens de Participatiewet of bij één of beide ouders met een inkomen tot bijstandsniveau beveelt de expertgroep aan om wel een minimumdraagkracht aan te nemen. De bijdrage kan desondanks lager dan de minimum draagkracht uitvallen, bijvoorbeeld door de zorgkorting of als sprake is van niet vermijdbare

en niet vermijdbare lasten (zie par. 4.6.2 en verder).

Ter verduidelijking dient het volgende schema:

 

Minimale 

Draagkrachtvergelijking?
(par. 4.3.4)
Verzorgende ouder met bijstandsuitkering Nee Nee
Verzorgende ouder met inkomen tot bijstandsniveau Ja Ja *
Niet-verzorgende ouder met bijstandsuitkering Ja Ja *
Niet-verzorgende ouder met inkomen tot bijstandsniveau Ja Ja *

* Alleen als de gezamenlijke draagkracht van de ouders meer is dan het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen.

4.3.4 Verdelen van het eigen aandeel over de ouders met een draagkrachtvergelijking en toepassen van de zorgkorting

Nadat we het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen hebben bepaald en de draagkracht van de ouders hebben vastgesteld, kunnen we berekenen welk bedrag iedere ouder moet bijdragen in de kosten van de kinderen.

De verplichting tot bijdragen van een onderhoudsplichtige is mede afhankelijk van de draagkracht van andere onderhoudsplichtigen. Indien de ouders na de scheiding samen voldoende draagkracht hebben om volledig in het eigen aandeel te voorzien, berekenen we wie welk deel van dat eigen aandeel moet dragen. Hiervoor maken we een draagkrachtvergelijking.

Het is niet nodig een draagkrachtvergelijking te maken als de gezamenlijke draagkracht van de ouders gelijk is aan of minder is dan het eigen aandeel. Dan beperken we de bijdrage van de onderhoudsplichtige ouder tot diens draagkracht. We houden bij het bepalen van de draagkracht wel rekening met een extra heffingskorting en/of een kindgebonden budget waarvoor een ouder door aanwezigheid van deze kinderen in aanmerking kan komen.

Bij een gezamenlijke draagkracht die gelijk is aan het eigen aandeel of bij een tekort, verdelen we de beschikbare draagkracht in beginsel gelijk over alle kinderen waarvoor de betrokkene onderhoudsplichtig is, tenzij er een aantoonbaar verschil is in het eigen aandeel voor het ene en het andere kind.

4.3.5 Zorgkorting

Bij een zorg- of omgangsregeling voorziet de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft gedurende de tijd dat het kind bij die ouder verblijft ‘in natura’ in een deel van de kosten van het kind. Om die reden dalen de kosten die de ouder bij wie het kind het hoofverblijf heeft. We bepalen de kosten van de zorgregeling op basis van een percentage van het eigen aandeel. Dit percentage is afhankelijk van het gemiddeld aantal dagen per week – vakanties meegerekend – dat het kind doorbrengt bij of voor rekening komt van de ouder waar het kind niet zijn hoofdverblijf heeft.

We berekenen de zorgkorting over het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen volgens de betreffende tabel. We houden dus geen rekening met extra kosten.

De zorgkorting is:

  • 5% bij gedeelde zorg gedurende minder dan 1 dag per week;
  • 15% bij gedeelde zorg op gemiddeld 1 dag per week;
  • 25% bij gedeelde zorg op gemiddeld 2 dagen per week;
  • 35% bij gedeelde zorg op gemiddeld 3 dagen per week.

De zorgkorting bedraagt in beginsel ten minste 5% van het eigen aandeel (tabelbedrag), omdat ouders onderling en jegens het kind het recht en de verplichting hebben tot omgang.

In ieder geval tot dat bedrag zou de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft in de zorg moeten kunnen voorzien.

Verder hanteren we het uitgangspunt dat de ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft de ‘verblijfsoverstijgende kosten’ (zoals schoolgeld, contributie voor sport, kleding en dergelijke) draagt. Daarvoor heeft deze ouder 30% van het eigen aandeel vermeerderd met de kinderbijslag ter beschikking.

Uitzonderingen op toepassing van de zorgkorting zijn mogelijk, bijvoorbeeld indien de ouder bij wie het kind zijn hoofdverblijf niet heeft, zijn of haar verplichting tot omgang of verdeling van de zorg niet nakomt.

Zorgkorting bij co-ouderschap

Co-ouderschap is een niet-wettelijke term die in de praktijk gangbaar is voor verschillende varianten van gedeelde zorg. Ook hier is het uitgangspunt dat de ouders naar rato van hun draagkracht in de kosten van een kind bijdragen. De zorgkorting verwerken we op de in hoofdstuk 5 bij stap 6 beschreven wijze in de berekening, waarbij wij geen onderscheid maken tussen ruime zorgregelingen en co-ouderschap.

Het is mogelijk dat de co-ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft voor de inkomstenbelasting voor een kind aanspraak maakt op de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Als dat het geval is houden we hier rekening mee bij de berekening van het netto besteedbaar inkomen van die ouder.

4.4 Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie

4.4.1 Inleiding

Bij de berekening van draagkracht voor partneralimentatie gelden grotendeels dezelfde uitgangspunten als die wij hiervoor bij de kinderalimentatie hebben uiteengezet. Ook hier is het netto besteedbare inkomen van de onderhoudsplichtige het vertrekpunt.

4.4.2 Afwijkingen in het kernschema

Op grond van artikel 1:400, lid 1, BW heeft kinderalimentatie voorrang boven alle andere onderhoudsverplichtingen. Als de gewezen partner niet alleen aanspraak maakt op partneralimentatie, maar ook op kinderalimentatie, maken we eerst een draagkrachtberekening voor kinderalimentatie. Op basis van de behoefte van de kinderen en de draagkracht van de ouders maken we een draagkrachtvergelijking.

Vervolgens maken we een draagkrachtberekening op de hiervoor onder 4.2.1 omschreven wijze voor de vaststelling van partneralimentatie. Het aandeel van de ouder in de kosten van de kinderen brengen we in mindering op de berekende draagkracht. De resterende draagkracht kunnen we aanwenden voor partneralimentatie.

Anders dan bij kinderalimentatie tellen we bij het berekenen van draagkracht voor partneralimentatie een eventueel (te) ontvangen kindgebonden budget niet op bij het netto besteedbare inkomen.

Fiscale aftrekbaarheid betaalde partneralimentatie

Bij partneralimentatie heeft de onderhoudsplichtige op grond van artikel 6.3, lid 1, Wet IB 2001 recht op een persoonsgebonden aftrekpost voor de betaalde alimentatie.

De onderhoudsplichtige die inkomstenbelasting verschuldigd is, kan in het betreffende jaar in aanmerking komen voor vermindering of teruggaaf van inkomensheffing. We duiden dit wel als fiscaal voordeel.

Als de onderhoudsplichtige recht heeft op deze persoonsgebonden aftrek dan neemt zijn betaalcapaciteit in feite toe, zodat die persoon per saldo meer kan missen dan het bedrag van de berekende draagkracht. Indien een onderhoudsplichtige daadwerkelijk aanspraak kan maken op een fiscaal voordeel, is dus sprake van ‘extra draagkracht’ gelijk aan het voorzienbare fiscaal voordeel. Bij de laagste inkomens, te weten de inkomens onder € 1.400 bruto per maand inclusief vakantietoeslag (ongeveer € 1.090 netto), laten we deze extra draagkracht buiten beschouwing, omdat door heffingskortingen toch al geen inkomsten- belasting hoeft te worden betaald. Bij hogere inkomens hevelen we het fiscaal voordeel in de bruto methode over naar de onderhoudsgerechtigde(n).

4.5 Inkomensvergelijking (voorheen jusvergelijking)

Als sprake is van eigen inkomen van een onderhoudsgerechtigde en/of van een relatief hoge behoefte en draagkracht, kan het redelijk zijn dat we de financiële situatie van partijen nader vergelijken. De expertgroep vindt het redelijk dat de onderhoudsgerechtigde inclusief de partneralimentatie niet meer te besteden heeft dan de onderhoudsplichtige. Met andere woorden: de onderhoudsgerechtigde hoeft niet in een betere financiële positie te worden gebracht dan de onderhoudsplichtige. Daarvoor berekenen we bij welk bedrag aan partneralimentatie het besteedbaar inkomen van partijen gelijk is. Eventuele bijzondere niet verwijtbare en niet vermijdbare lasten aan de zijde van de onderhoudsplichtige en/of de onderhoudsgerechtigde nemen we mee in de vergelijking. Dit geldt ook voor eventuele kosten van kinderen, voor zover deze hoger zijn dan een te ontvangen kindgebonden budget door de betreffende partij. Als voor de onderhoudsgerechtigde dan een hoger bedrag resteert dan voor de onderhoudsplichtige vindt een correctie van de hoogte van de alimentatie plaats en verlagen we deze in beginsel tot een zodanige alimentatie waarbij beide partijen een gelijk besteedbaar inkomen hebben. Met behulp van een alimentatierekenprogramma kan dit bedrag eenvoudig worden berekend.

De kinderalimentatie die de onderhoudsgerechtigde ontvangt, rekenen we toe aan de desbetreffende kinderen en geldt voor die ouder niet als inkomen. Wel houden we bij de bepaling van het inkomen van die ouder rekening met de eventuele inkomensafhankelijke combinatiekorting in verband met de aanwezigheid van kinderen in het gezin.

Het schema (in een situatie waarin de onderhoudsplichtige een niet vermijdbare extra last heeft en kinderalimentatie betaalt, terwijl de onderhoudsgerechtigde een kindgebonden budget ontvangt) kan voorgaande beschrijving van een vergelijking verduidelijken.

Onderhoudsplichtige   Onderhoudsgerechtigde    
NBI volgens post 120 € ... NBI volgens post 120   € ...
Af: niet vermijdbare lasten € ...      
Resteert € ...      
Af: aandeel in kosten kinderen € ... Af: aandeel in kosten kinderen € ...  
    Minus ontvangen KGB € ...  
    Totaal kosten kinderen (KGB > aandeel: 0)   € ...
Inkomen voor vergelijking € ... Inkomen voor vergelijking   € ...

De beide inkomens voor de vergelijking tellen we vervolgens bij elkaar op en delen we door twee. Als de onderhoudsgerechtigde na betaling van de berekende partneralimentatie een hoger bedrag overhoudt dan de uitkomst van die som, dan stellen we dat bedrag op verzoek van de alimentatieplichtige naar beneden bij.

4.6 Bijzondere omstandigheden die de draagkracht kunnen beïnvloeden

4.6.1 Inleiding

Een alimentatieverplichting die een rechter heeft opgelegd mag niet tot gevolg hebben dat de onderhoudsplichtige niet meer in de eigen noodzakelijke kosten van bestaan kan voorzien.

Er kunnen zich omstandigheden voordoen waarin we met een hoger draagkrachtloos inkomen rekening houden dan enkel de som van de (forfaitaire) woonlast en de gecorri-  geerde bijstandsnorm.

Als een onderhoudsplichtige niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten heeft, kunnen we met die lasten rekening houden bij het bepalen van het draagkrachtloos inkomen.

Zie par. 4.6.2.

Als een onderhoudsplichtige lasten heeft die we als niet-vermijdbaar maar wel als verwijtbaar aanmerken, dan kan dat reden zijn om de aanvaardbaarheidstoets toe te passen.

Die houdt – kort gezegd – in dat we toetsen of een onderhoudsplichtige na aftrek van zijn lasten (waaronder alimentatie) minder dan 95% van de geldende bijstandsnorm overhoudt.

Zie par. 4.6.3.

In par. 4.6.4 beschrijven we hoe we kunnen omgaan met de draagkracht van iemand die is toegelaten tot de wettelijke schuldsanering of in een buitenwettelijk schuldsaneringstraject is opgenomen.

Hoe we omgaan met een inkomensverlies dat een onderhoudsplichtige zelf heeft veroorzaakt behandelen we in par. 4.7.(ECLI:NL:HR:1998:ZC2556)

In par. 4.10 gaan we in op de draagkracht bij verpleging van een onderhoudsplichtige in een instelling voor langdurige zorg.

4.6.2 Lasten die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar zijn

We kunnen het draagkrachtloos inkomen verhogen als bepaalde niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten vaststaan, ongeacht of die lasten voor, tijdens of na het huwelijk zijn ontstaan. Na deze verhoging brengen we het draagkrachtloos inkomen in mindering op het netto besteedbaar inkomen. Wat overblijft is de draagkrachtruimte. Daarvan is in beginsel 70% beschikbaar voor kinderalimentatie en 60% voor partneralimentatie. De resterende 30% respectievelijk 40%: de draagkrachtvrije ruimte, dient -mede- om financiële tegenvallers op te vangen.

Een vermijdbare last is een last waarvan de betaler zich geheel of gedeeltelijk kan bevrijden. Dat is bijvoorbeeld het geval als de betaler de schuld met spaartegoed kan aflossen. De betaler kan zich dan geheel bevrijden van de last. Als de betaler de hoogte van zijn maandelijkse aflossingen kan verlagen, kan hij zich gedeeltelijk van die last bevrijden: de hogere aflossing is dan vermijdbaar. Ook een last die een betaler ergens anders binnen het budget kan opvangen is vermijdbaar (bijvoorbeeld binnen de post ‘onvoorzien’ in de gecorrigeerde bijstandsnorm of met de draagkrachtvrije ruimte). Omdat een vermijdbare last niet op het inkomen hoeft te drukken, houden we daar geen rekening mee in de draagkrachtberekening.

Een verwijtbare last is een last die de onderhoudsplichtige met het oog op zijn onder- houdsverplichting niet had mogen laten ontstaan of die hij niet mag laten voortbestaan.

Een verwijtbare last drukt wel op het inkomen van de onderhoudsplichtige, maar heeft geen voorrang op de betaling van alimentatie. De onderhoudsplichtige dient deze last in beginsel uit zijn vrije ruimte te voldoen. Indien door het opleggen van een alimentatieverplichting een onaanvaardbare situatie zou ontstaan, kan de onderhoudsplichtige een beroep doen op de aanvaardbaarheidstoets (zie hierna par. 4.6.3).

Een last die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar is, drukt op het inkomen van de onderhouds­plichtige: hij kan zich niet van die last bevrijden. Een dergelijke last nemen we daarom op in het draagkrachtloos inkomen als deze last voorrang moet hebben op de kosten van ver­ zorging en opvoeding, levensonderhoud en studie van de kinderen en/of de kosten van levensonderhoud van de ex-partner.

Voorbeelden van lasten die op deze wijze in het draagkrachtloos inkomen zouden kunnen worden opgenomen zijn (niet uitputtend):

  • Rente en aflossing van de restschuld van de voormalige gezamenlijke woning;
  • Herinrichtingskosten (voor zover niet te bestrijden uit het woonbudget);
  • Kosten voor (verplichte) bijstand van een advocaat;
  • Reiskosten voor werk.

Woonlasten voormalige echtelijke woning als niet verwijtbare en niet vermijdbare last

Als een onderhoudsplichtigde lasten van de (voormalige) echtelijke woning (gedeeltelijk) betaalt en de onderhoudsgerechtigde in die woning woont, passen we het woonbudget voor beiden aan door de werkelijke woonlasten in aanmerking te nemen: voor degene die in de voormalige echtelijke woning woont: zijn aandeel in die last; voor degene die de woning heeft verlaten: de eigen werkelijke woonlasten en daarnaast zijn of haar aandeel in de lasten van de (voormalige) echtelijke woning.

4.6.3 Verwijtbare lasten: de aanvaardbaarheidstoets

Elke onderhoudsplichtige dient de eigen financiële huishouding en daarmee zijn of haar draagkracht zo goed mogelijk in te richten. Het aangaan van extra lasten kan verwijtbaar zijn als de onderhoudsplichtige die last met het oog op zijn of haar onderhoudsverplichting niet had mogen aangaan of laten voortbestaan. Met een verwijtbare last houden we bij het bepalen van de draagkracht geen rekening.

Als de onderhoudsplichtige zich niet van die verwijtbare last kan bevrijden en na betaling van de op te leggen alimentatie niet meer in staat is om in de eigen noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, dan kan hij of zij een beroep doen op de aanvaardbaarheidstoets.

In het algemeen vinden we dat sprake is van een onaanvaardbare situatie als de onderhoudsplichtige minder dan 95% van het voor hem of haar geldende bedrag van de bijstandsnorm (art. 22a Participatiewet) overhoudt om in de noodzakelijke lasten te voorzien. De onderhoudsplichtige moet – onderbouwd met onderliggende stukken – stellen dat van een dergelijke situatie sprake is door volledig en duidelijk inzicht te geven in zijn inkomens- en vermogenspositie en zijn bestedingen.

4.6.4 Schuldsanering

Een onderhoudsplichtige ouder die is toegelaten tot de Wettelijke schuldsanering natuurlijke personen kan de rechter-commissaris verzoeken bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag rekening te houden met de onderhoudsverplichting voor zijn kinderen. Onder omstandigheden mogen we van de onderhoudsplichtige ouder verwachten dat hij van

deze mogelijkheid gebruik maakt, bijvoorbeeld indien duidelijk is dat de financiële positie van de ouders gezamenlijk zodanig is dat sprake is van een klemmend tekort om in de behoefte van de kinderen te voorzien. Als de rechter-commissaris geen rekening houdt met de zorg- of onderhoudsverplichting of als een toegekende correctie onvoldoende is om aan de alimentatieplicht te voldoen, dan beveelt de expertgroep aan de te betalen bijdrage op nihil te bepalen voor de duur van de schuldsanering.

Voor een ouder die een minnelijk schuldsaneringstraject doorloopt, geldt hetzelfde: deze kan de bewindvoerder vragen bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag rekening te houden met de onderhoudsverplichting voor zijn kinderen.

4.7 Inkomensverlies van een onderhoudsplichtige

Nadat partijen de hoogte van kinder- en/of partneralimentatie zijn overeengekomen of de rechter die heeft vastgesteld, kan de hoogte van het inkomen van een onderhoudsplichtige veranderen. Als een onderhoudsplichtige buiten zijn schuld (een deel van) zijn inkomen verliest, houden we in beginsel rekening met het nieuwe (lagere) inkomen. We verwachten van die onderhoudsplichtige dat hij er alles aan doet om snel weer zijn oude inkomen te verwerven. Als dat niet lukt dan ligt het op zijn weg om dit te stellen en te onderbouwen.

Indien een onderhoudsplichtige zelf een inkomensvermindering heeft veroorzaakt, hangt de beslissing om deze vermindering van inkomen bij de bepaling van zijn draagkracht al dan niet buiten beschouwing te laten af van het antwoord op de vraag of:

1. hij redelijkerwijs het oude inkomen weer kan verwerven; en

2. of dit van hem kan worden gevergd.

Is het antwoord op beide vragen positief, dan gaan we uit van het oorspronkelijke inkomen.

Is echter het antwoord op (één van) beide vragen negatief, dan hangt het van de omstandigheden van het geval af of we een inkomensvermindering geheel of ten dele buiten beschouwing laten. In het bijzonder moeten we bezien of de onderhoudsplichtige uit hoofde van zijn verhouding tot de onderhoudsgerechtigde zich met het oog op diens belangen had behoren te onthouden van de gedragingen die tot inkomensvermindering hebben geleid. Is dat niet het geval, dan rekenen we met het nieuwe verminderde inkomen.

Is dat wel het geval dan rekenen we met het oude fictieve inkomen. Het buiten beschouwing laten van de inkomensvermindering mag in beginsel niet ertoe leiden dat de onderhoudsplichtige als gevolg van zijn aldus berekende fictieve draagkracht bij de voldoening aan zijn onderhoudsplicht feitelijk niet meer over voldoende middelen van bestaan beschikt en in ieder geval niet over minder dan 95% van de voor hem geldende bijstandsnorm. Hierbij gaan we in beginsel ervan uit dat de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a Participatiewet niet voor hem geldt.

4.8 Uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn

Bij uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn hanteren wij het volgende uitgangspunt: wanneer we die uitgaven als persoonsgebonden aftrekpost meenemen bij het berekenen van het netto besteedbaar inkomen, dan nemen wij die uitgaven ook mee als lasten bij de berekening van de draagkracht en de alimentatie. Als we bepaalde (aftrekbare) uitgaven niet meenemen als lasten bij de berekening van de draagkracht van de onderhoudsplichtige, dan nemen we de fiscale voordelen van deze uitgaven ook niet mee in de berekening. Anders zouden we alleen de ‘lusten’ optellen bij het netto besteedbaar inkomen en de lasten niet meenemen bij het berekenen van het draagkrachtloos inkomen. Op sommige werknemers en op de genieters van resultaat uit overige werkzaamheden, ondernemers en directeuren-grootaandeelhouder zijn de werknemersverzekeringen en/of pensioenvoorzieningen niet van toepassing. Uitgaven voor inkomensvoorzieningen, bijvoorbeeld in verband met arbeidsongeschiktheid of pensioen, kunnen we, indien deze niet bovenmatig zijn, in aanmerking nemen. Bij de vaststelling van de draagkracht voor partneralimentatie wordt het netto besteedbaar inkomen verminderd met de netto premie, dat wil zeggen de premie verminderd met eventueel fiscaal voordeel.

4.9 Fiscale gevolgen van het hebben van een auto van de zaak

Met de fiscale bijtelling vanwege een auto van de zaak houden we geen rekening.

4.10 Draagkracht bij verpleging in een instelling voor langdurige zorg

Een onderhoudsplichtige die wordt verpleegd in een instelling voor langdurige zorg is daarvoor een eigen bijdrage verschuldigd. Conform de handelwijze van het Centraal Administratie Kantoor (CAK) stellen we deze bijdrage vast op basis van het verzamelinkomen van de onderhoudsplichtige. We kunnen onder omstandigheden rekening houden met een onderhoudsverplichting jegens minderjarige kinderen en kinderen tussen de 18 en 21 jaar. Het verdient aanbeveling de draagkracht zo te berekenen dat we het netto inkomen van de onderhoudsplichtige verminderen met de noodzakelijke lasten (denk aan kleding en ontspanning en de eigen bijdrage.

5. Stappenplannen en rekenvoorbeelden

5.1 Stappenplan kinderalimentatie

We laten hierna in drie stappen met rekenvoorbeelden zien hoe we het bedrag aan kinderalimentatie bepalen. Na het stappenplan geven we enkele rekenvoorbeelden voor bijzondere situaties.

De rekenvoorbeelden laten zien hoe we bepaalde berekeningen maken. De bedragen in de rekenvoorbeelden zijn fictief. Alle bedragen zijn steeds per maand en afgerond op hele euro’s, tenzij anders vermeld.

Waar we hierna bij het berekenen van draagkracht ‘ouders’ schrijven, bedoelen we ook onderhoudsplichtige stiefouders.

Stap 1: Vaststellen van het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

Voor het vaststellen van het eigen aandeel bepalen we eerst het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van huwelijk/samenleving. netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van huwelijk/samenleving

Besteedbaar inkomen ouder I € 1.800
Besteedbaar inkomen ouder II € 1.150
Aanspraak kindgebonden budget € 50
Totaal besteedbaar gezinsinkomen € 3.000

Aan de hand van de Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen (Bijlage 4) bepalen we op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen inclusief kindgebonden budget het eigen aandeel. Voor een gezin met één kind is dat € 395 per maand.

In de tabellen voor 2024 is rekening gehouden met kinderbijslag vanaf 1 januari 2024.

Daarnaast is rekening gehouden met de hoge inflatie van het afgelopen jaar. Het percentage kosten van kinderen is opgehoogd met 1 tot 2 procentpunt.

Rekenvoorbeeld berekenen eigen aandeel bij netto besteedbaar gezinsinkomen tussen twee kolombedragen

Ligt het netto besteedbaar gezinsinkomen tussen twee tabelbedragen in, dan verhogen we het eigen aandeel vanaf het laagste tabelbedrag naar rato.

Stap 2: Bepalen van de draagkracht van de ouders

Rekenvoorbeeld bepalen draagkracht ouders

De draagkracht van een ouder berekenen we in beginsel op basis van het eigen netto besteedbaar inkomen en (indien van toepassing) het kindgebonden budget op het moment dat de kinderalimentatie ingaat of wijzigt.

De ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft (in dit voorbeeld: ouder I) heeft een netto besteedbaar inkomen van € 2.000. Deze ouder ontvangt een kindgebonden budget van € 400.

De ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft (ouder II), heeft een netto besteedbaar inkomen van € 2.600. Deze ouder draagt een niet verwijtbare en niet vermijdbare last (dat is een andere noodzakelijke last) van € 200.

De onderstaande berekeningen kunnen we samenvatten in de formule:

Draagkracht = 70%

[NBI -/- (0,3 x NBI + gecorrigeerde bijstandsnorm + overige noodzakelijke lasten)]

Draagkracht Ouder I    
Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen € 2.000  
Kindgebonden Budget € 400  
Totaal   € 2400
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3) € 1.270  
Woonbudget € 720  
Andere noodzakelijke lasten € –  
Totaal (= draagkrachtloos inkomen)    € 1.990
Draagkrachtruimte   € 410
Draagkracht 70% (afgerond)   € 287
     
Draagkracht Ouder II    
Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen € 2.600  
Kindgebonden Budget € –  
Totaal    € 2.600
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3)  € 1.270  
Woonbudget € 780  
Andere noodzakelijke lasten € 200  
Totaal (= draagkrachtloos inkomen)   € 2.250
Draagkrachtruimte   € 350
Draagkracht 70% (afgerond)   € 245

Stap 3: Draagkrachtvergelijking, zorgkorting en bepalen hoogte van dekinderalimentatie

We verdelen van het eigen aandeel over de ouders door het maken van een draagkrachtvergelijking.

Rekenvoorbeeld draagkrachtvergelijking

De ouders in het rekenvoorbeeld in stap 2 hebben één kind en het eigen aandeel is € 450.

De gezamenlijke draagkracht van ouder I en ouder II is € 532 (€ 287 + € 245).

De kosten verdelen we over beide ouders volgens de formule:

Formule:

eigen draagkracht / gezamenlijke draagkracht x eigen aandeel

Het aandeel van ouder I bedraagt (afgerond):

Formule:

287 / 532 x 450 = 243

Het aandeel van ouder II bedraagt (afgerond):

Formule:

245 / 532 x 450 = 207

Samen € 450

Eigen Aandeel   € 450
Draagkracht Ouder I € 287  
Draagkracht Ouder II € 245  
Totale draagkracht    € 532
Ouder I draagt  € 243  
Ouder II draagt  € 207  

Voor het berekenen van het bedrag aan kinderalimentatie dat de ouder bij wie het kind niet staat ingeschreven moet betalen aan de andere ouder brengen we zorgkorting in mindering op het bedrag dat die ouder draagt.

Ouder II draagt  € 207
Zorgkorting 15%  € 68
Ouder II betaalt  € 139

Bijzondere situaties

Rekenvoorbeeld bepalen eigen aandeel van ouders die nooit in gezinsverband hebbensamengeleefd (par. 3.2.4)

Ouders hebben samen met het kind nooit samengewoond en een gezin gevormd. Het kind heeft het hoofdverblijf bij ouder I. Het eigen aandeel van de ouders is het gemiddelde van het bedrag dat elk van hen aan het kind zou besteden als dit bij hem/haar woont/zou wonen.

Besteedbaar inkomen ouder I  € 2.000
Kindergebonden Budget  €  400
Totaal  € 2.400
Eigen Aandeel ouder I volgens tabel  € 294
   
Besteedbaar inkomen ouder II  € 2.600
Kindergebonden Budget (fictief)  € 200
Totaal  € 2.800
Eigen Aandeel ouder II volgens tabel  € 361
   
Eigen Aandeel ouder I volgens tabel  € 294
Eigen Aandeel ouder II volgens tabel  € 361
Totaal Eigen Aandeel beide ouders  € 655
Waarvan de helft  € 328

Rekenvoorbeeld tekort aan gezamenlijke draagkracht van ouders om in het eigen aandeel te voorzien

Als de gezamenlijke draagkracht van ouders onvoldoende is om het eigen aandeel volledig te kunnen bekostigen, moeten zij in elk geval tot de grens van hun draagkracht bijdragen. In het onderstaande voorbeeld is het eigen aandeel € 800.

Voorbeeld

Draagkracht ouder I  € 354  
Draagkracht ouder II  € 312  
Totale draagkracht    € 666
Draagkrachttekort    € 135
     
Draagkracht ouder II    € 312
Ouder II betaalt aan ouder I    € 312

Tekort aan gezamenlijke draagkracht en zorgkorting

Als sprake is van een zorgregeling, maken we een uitzondering op de regel dat de zorgkorting de bijdrage vermindert. Uitgangspunt is dat de ouders ieder de helft van het tekort dragen.

Als de helft van het tekort minder is dan de zorgkorting, dan brengen we de helft van het tekort in mindering op de zorgkorting. Het restant van de zorgkorting brengen we in mindering op de te betalen bijdrage.

Voorbeeld

Eigen Aandeel    € 800
Zorgkorting 15%  € 120  
Draagkracht Ouder I  € 354  
Draagkracht Ouder II  € 312  
Totale draagkracht    € 666
Draagkrachttekort    € 135
Helft tekort    € 67
     
Draagkracht Ouder II    € 312
Zorgkorting  € 120  
Af: helft tekort  € 67  
In aanmerking te nemen zorgkorting    € 53
Ouder II betaalt aan Ouder I    € 259

Als de helft van het tekort meer is dan het bedrag van de zorgkorting dan verminderen we de te betalen bijdrage niet met zorgkorting.

Eigen Aandeel    € 1.200
zorgkorting 15%  € 180  
Draagkracht Ouder I  € 354  
Draagkracht Ouder II  € 312  
Totale draagkracht    € 666
draagkrachttekort    € 535
helft tekort    € 267
     
Draagkracht Ouder II    € 312
zorgkorting  € 180  
af: helft tekort  € 267  
in aanmerking te nemen zorgkorting    €–
Ouder II betaalt aan Ouder I    € 312

5.2 Stappenplan partneralimentatie

Hierna laten we in drie stappen met rekenvoorbeelden zien hoe we het bedrag aan partneralimentatie bepalen. De rekenvoorbeelden laten zien hoe we bepaalde berekeningen maken.

De bedragen in de voorbeelden zijn fictief. Alle bedragen zijn steeds per maand en afgerond op hele euro’s, tenzij anders vermeld.

Ontvangen kinderalimentatie, kinderbijslag en kindgebonden budget zijn bestemd om de kosten van levensonderhoud (verzorging en opvoeding) van de kinderen te bestrijden.

De (resterende) kosten van de kinderen drukken op het inkomen van de ouder(s) en zijn daarom van invloed op de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde en op de draagkracht van de onderhoudsplichtige.

Stap 1: Bepalen van de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde

De resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde bepalen we – kortgezegd – door op de huwelijksgerelateerde behoefte zijn of haar eigen inkomen en/of verdiencapaciteit in mindering te brengen.

We bepalen de huwelijksgerelateerde behoefte van de onderhoudsgerechtigde aan de hand van de hofnorm.

Volgens de hofnorm is de huwelijksgerelateerde behoefte:

60% [netto besteedbaar gezinsinkomen -/- (indien van toepassing) het (toen de ouders nog in gezinsverband leefden) voor rekening van de ouders komende eigen aandeel in de kosten van de kinderen].

Rekenvoorbeeld bepalen huwelijksgerelateerde behoefte

Het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsplichtige voordat partijen uit elkaar gingen was € 3.500 per maand.

Het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsgerechtigde voordat partijen uit elkaar gingen was € 2.000 per maand.

Tot het gezin behoren twee kinderen. Het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen is € 800 per maand.

De behoefte op basis van de hofnorm is dan

Inkomen onderhoudsplichtige  € 3.500  
Inkomen onderhoudsgerechtigde  € 2.000  
Kindgebonden budget  € –  
Netto besteedbaar gezinsinkomen    € 5.500
Af: Eigen Aandeel kosten kinderen    € 800
Beschikbaar voor echtgenoten/partners    € 4.700
Behoefte volgens hofnorm: 60%    € 2.820

Vervolgens stellen we vast of de onderhoudsgerechtigde over de middelen beschikt om in de behoefte van € 2.820 te voorzien of die in redelijkheid kan verwerven (verdiencapaciteit).

De resterende behoefte is de behoefte volgens hofnorm -/- eigen inkomen / redelijkerwijs te verwerven inkomen.

Rekenvoorbeeld bepalen resterende behoefte (zonder kinderen)

Behoefte volgens hofnorm: 60%    € 2.820
Af: eigen inkomen onderhousgerechtigde  € 2.000  
Aanvullende verdiencapaciteit  € 500  
Eigen inkomen inclusief verdiencapaciteit    € 2.500
Resterende behoefte    € 320

Rekenvoorbeeld bepalen resterende behoefte (met kinderen)

Behoefte volgens hofnorm: 60%      € 2.820
Af: eigen inkomen onderhousgerechtigde  € 2.000    
Aanvullende verdiencapaciteit  € –    
Eigen inkomen inclusief verdiencapaciteit    € 2.000  
Aandeel in levensonderhoud kinderen  € 350    
Ontvangen KGB  € 250    
Kosten kinderen uit eigen inkomen    € 100  
Voor onderhoudsgerechtigde zelf beschikbaar      € 1.900
Resterende behoefte      € 920

Stap 2: Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie

De draagkracht voor partneralimentatie bepalen we op basis van het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsplichtige aan de hand van de in par. 4.4 genoemde uitgangspunten.

Rekenvoorbeeld: netto besteedbaar inkomen, draagkrachtloos inkomen,draagkrachtpercentage en draagkracht

Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen  € 3.500  
Bij: extra verdiencapaciteit  € –  
Totaal    € 3.500
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.4)  € 1.175  
Woonbudget  € 1.050  
Andere noodzakelijke lasten  € –  
Totaal (=draagkrachtloos inkomen)    € 2.225
Draagkrachtruimte    € 1.275
Draagkracht 60% (afgerond)    € 765

Voor het bepalen van de draagkracht van een onderhoudsplichtige is niet alleen diens feitelijke inkomen van belang, maar ook het inkomen dat hij of zij redelijkerwijs kan verwerven.

Bij partneralimentatie hanteren we een draagkrachtpercentage van 60. Op het gevonden bedrag brengen we het aandeel van de onderhoudsplichtige ouder in de kosten van verzorging en opvoeding van minderjarige kinderen en de kosten van levensonderhoud en studie van kinderen tot 21 jaar in mindering. In dit voorbeeld gaan wij ervan uit dat dat aandeel € 450 is.

Draagkracht 60% (afgerond)  € 765
Aandeel in levensonderhoud kinderen  € 450
Resteert voor partneralimentatie  € 315

Omdat betaalde partneralimentatie fiscaal aftrekbaar is (tot maximaal het gecombineerde tarief in de tweede schijf) bruteren we dit netto bedrag.

Stap 3: Inkomensvergelijking

Rekenvoorbeeld inkomensvergelijking zonder kinderen

Netto Besteedbaar Inkomen (NBI) Partner I  € 3.000
Netto Besteedbaar Inkomen (NBI) Partner II  € 2.000
Netto Besteedbaar Gezinsinkomen (NBGI)  € 5.000
Behoefte volgens Hofnorm  € 3.000
Resterende behoefte Partner II (na aftrek NBI)  € 1.000
Draagrkracht Partner I voor PAL 2023  € 555
Inkomensvergelijking  € -500

De draagkracht van de onderhoudsplichtige is minder dan de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde. Daarom kan de partneralimentatie niet hoger zijn dan de laagste van deze twee: € 555 (netto).

Als de onderhoudsgerechtigde na ontvangst van partneralimentatie een hoger netto inkomen overhoudt dan de onderhoudsplichtige, dan kan de onderhoudsplichtige een beroep doen op inkomensvergelijking. Na vergelijking blijkt dat beide partijen een gelijk netto inkomen hebben als de partneralimentatie € 500 bedraagt. Onderhoudsgerechtigde en onderhoudsplichtige hebben dan allebei € 2.500 te besteden.

Rekenvoorbeeld inkomensvergelijking met kinderen

  Patner I Partner II  
Netto Besteedbaar Inkomen (NBI)    € 3.000 € 2.000 € 5.000
Kindgebonden Budget tijdens huwelijk      € 200
Netto Besteedbaar Gezinsinkomen (NBGI)      € 5.200
Eigen aandeel ouders      € 600
Beschikbaar voor (ex-)partners tijdens huwelijk      € 4.600
Behoefte    € 2.760  
Draagkracht KAL 2023  € 648 € 158  
Aandeel kosten kinderen  € 483 € 117  
KGB na scheiding  € – € 400  
Kosten kinderen na aftrek KGB  € 483 € -  
Resterende behoefte (na aftrek eigen NBI)    € 760  
Draagkracht PAL 2023  € 555    
Resteert voor PAL na aandeel kosten kinderen  € 72    
Inkomen na aftrek kosten kinderen  € 2.517 € 2.000  
Inkomensvergelijking   € -259 € 259  

In dit voorbeeld is de draagkracht van de onderhoudsplichtige (na aftrek van de kinderalimentatie) lager dan de behoefte van de onderhoudsgerechtigde en ook lager dan het bedrag (na inkomensvergelijking) waarbij partijen een gelijk besteedbaar inkomen hebben.

In dat geval beperken we de partneralimentatie tot € 259 netto per maand.

5.3 Rekenvoorbeelden niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten

Als een partij stelt en – al dan niet tegenover de betwisting door de wederpartij – voldoende onderbouwt dat sprake is van lasten die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar zijn, dan kunnen we deze lasten opnemen in het draagkrachtloos inkomen.

Rekenvoorbeeld niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten

NBI    € 2.500
Forfait noodzakelijke lasten  € 1.270  
Woonbudget  € 750  
Aflossing restschuld  € 200  
Draagkrachtloos inkomen    € 2.220
Draagkrachtruimte    € 280
Draagkracht kinderalimentatie (70%)    € 196
Draagkracht partneralimentatie (60%)    € 168

Woonlasten voormalige echtelijke woning

Indien een onderhoudsplichtige lasten van de (voormalige) echtelijke woning (gedeeltelijk)betaalt en de onderhoudsgerechtigde in die woning woont, passen we het woonbudget aan door de werkelijke woonlasten in aanmerking te nemen: voor degene die in de voormalige echtelijke woning woont: zijn aandeel in die last; voor degene die de woning heeft verlaten: de eigen werkelijke woonlasten en daarnaast zijn of haar aandeel in de lasten van de (voormalige) echtelijke woning.

Rekenvoorbeeld woonlasten voormalige echtelijke woning

Netto besteedbaar inkomen van de vertrokken ouder/partner is € 3.500 per maand.

Zijn aandeel in de netto woonlast van de (voormalige) echtelijke woning is € 500 maand.

De eigen werkelijke woonlast is € 800 per maand. Het netto besteedbaar inkomen van ouder/partner die is achtergebleven is € 1.500 maand, het kindgebonden budget € 300 per maand en de woonlast € 200 per maand.

NBI achterblijvende ouder/partner    € 1.500
KGB    € 300
NBI voor kinderalimentatie    € 1.800
Forfait noodzakelijke lasten  € 1.270  
Werkelijke woonlasten  € 200  
Draagkrachtloos inkomen    € 1.470
Draagkrachtruimte    € 330
Draagkracht kinderalimentatie (70%)    € 231
     
NBI vertrokken ouder/partner    € 3.500
Forfait noodzakelijke lasten  € 1.270  
Eigen werkelijke woonlasten  € 800  
Lasten echtelijk woning  € 500  
Draagkrachtloos inkomen    € 2.570
Draagkrachtruimte    € 930
Draagkracht kinderalimentatie (70%)    € 651

5.4 Rekenvoorbeeld aanvaardbaarheidstoets

In het onderstaande voorbeeld is sprake van fictieve bedragen!

Een alimentatieplichtige ouder heeft een verwijtbare maar niet te vermijden last van € 400 per maand. Het NBI van die ouder bedraagt € 1.800 en op basis daarvan is de draagkracht voor kinderalimentatie € 60 per maand.

De werkelijke woonlasten bedragen € 500 en de woontoeslag is € 100. De premie zorgverzekering is € 140 per maand en de zorgtoeslag is € 100.

De aanvaardbaarheidstoets leidt tot een verlaging van de kinderalimentatie tot € 39 per maand.

NBI Alimentatieplichtige      €­ 1.800
Bijstandsnorm alleenstaande 2024  € 1.284    
Af: wooncomponent 2023  € 189    
Af: nominale premie ZVW 2023  € 42    
Bijstandsnorm minus woonlasten en ZVW    € 1.137  
       
95% daarvan    € 1.080  
Woonlasten  € 500    
Af: huurtoeslag  € 100    
Werkelijke woonlasten    € 400  
Zorgverzekering  € 140    
Af: zorgtoeslag  € 100    
Overige zorgkosten  € –    
Werkelijke zorgkosten    € 40  
  €–    
  €–    
  €–    
Overige (verwijtbare) lasten    € 400  
Totaal noodzakleijke lasten      € 1.920
Resteert      €­ 39
       
Draagkracht/ geldende kinderalimentatie      €­ 60
Te betalen      € 39
Ga nu naar Overzicht wetten - Ga naar wetsartikel:

Wetten, regelgeving en verdragen

Geen wetnummer opgegeven.

Wetten en regelgeving

Verdragen en uitvoeringswetten

Beschikbare Officiële bekendmakingen in de kennisbank:

Informatie

Wanneer er op een icoon is geklikt in een Artikel, dan kan hier extra informatie komen te staan.
Lexicon
BRONNEN