ABONNEER NU!

EN KRIJG TOEGANG TOT VAKKENNIS


Probeer de eerste maand GRATIS
Daarna slechts € 230 per jaar (excl. btw)

Rechtbank Noord-Holland 05-03-2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:2357


Datum publicatie27-03-2025
ZaaknummerC/15/344305 / HA ZA 23-526
ProcedureEerste aanleg - meervoudig
ZittingsplaatsAlkmaar
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenErfrecht; Executeur nalatenschap; Berekening legitimaire massa
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Erfrechtelijk geschil tussen de kinderen van erflater en erflaatster over de afwikkeling van beide nalatenschappen. Vaststelling aanspraken van partijen op beide nalatenschappen, waaronder de aan gedaagden toekomende legitieme portie in de nalatenschap van vader. Berekening omvang nalatenschap(pen) en legitimaire massa. Veroordeling executeurs tot medewerking passeren (concept)akte gericht op overdracht aandeel van vader en moeder in maatschap aan voortzettende zoon.

Volledige uitspraak


RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht

Zittingsplaats Alkmaar

Zaaknummer: C/15/344305 / HA ZA 23-526

Vonnis van 5 maart 2025

in de zaak van

1 [eiser sub 1] ,

te [woonplaats] ,
2. [eiseres sub 2],

te [woonplaats] ,

beiden handelend in hun hoedanigheid van executeurs van de nalatenschap van

[erflater] ,

eisende partijen in conventie,

gedaagde partijen in reconventie,

hierna samen in meervoud te noemen: de executeurs of ieder afzonderlijk als [eiser sub 1] respectievelijk [eiseres sub 2] ,

advocaat: mr. G.D.J. Zaalberg,

tegen

1 [gedaagde sub 1] ,

te [woonplaats] ,

advocaat: mr. M. Sliphorst-Dekker,
2. [gedaagde sub 2],

te [woonplaats] ,

advocaat: mr. B.T.A. Visser,

gedaagde partijen in conventie,

eisende partijen in reconventie,

hierna afzonderlijk te noemen: [gedaagde sub 1] , respectievelijk [gedaagde sub 2] .

1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het vonnis in incident van 13 maart 2024;

- de conclusies van antwoord in reconventie (met producties) van de zijde van de executeurs;

- het tussenvonnis van 22 mei 2024 waarbij een mondelinge behandeling is gelast;

- de akte houdende wijziging van eis in reconventie, tevens houdende overlegging producties G12-G25 van de zijde van [gedaagde sub 1] ;

- de akte wijziging eis in reconventie met een aanvullende productie van de zijde van [gedaagde sub 2] ;

- de akte houdende wijziging van eis, tevens houdende overlegging producties 70 en 71 van de zijde van de executeurs;

- de mondelinge behandeling van 19 november 2024. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Mrs. Zaalberg en Sliphorst-Dekker hebben gebruik gemaakt van spreekaantekeningen, die zij ter zitting aan de rechtbank hebben overgelegd en die daarmee onderdeel zijn geworden van de processtukken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2De feiten

2.1.

[eiser sub 1] , [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn broers, en gezamenlijk de kinderen van wijlen [erflater] (hierna: vader) en [moeder] (hierna: moeder). [eiseres sub 2] is de echtgenote van [eiser sub 1] .

2.2.

Vader en moeder waren in algehele gemeenschap van goederen gehuwd.

2.3.

Vader, moeder, [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben sinds 1989 een kwekerij en een planten- en bloemenhandel gedreven onder de naam “Maatschap [de maatschap] ” (hierna: de maatschap). In de loop der tijd hebben meerdere personele mutaties plaatsgevonden, waaronder de toetreding van [moeder] per 1 januari 1991 en de uittreding van [gedaagde sub 2] op een later moment na 1994.

2.4.

De personele mutaties en de wijzigingen in de winstverdeling hebben in de loop der tijd geleid tot (herziene) opeenvolgende maatschapscontracten. Het laatste contract tussen vader, moeder en [gedaagde sub 1] dateert van 22 mei 2007. Daarin is -voor zover van belang- het navolgende opgenomen:

Artikel 3

In de maatschap ingebracht werd door vennoot 1 het eigendom van (..) de [adres 1] (..) tevens werd door sub 1 (rechtbank: lees vader) de bedrijfsopstallen/glasopstanden (..) staande en gelegen nabij de [adres 2] te [woonplaats] (..).

Het woonhuis staande en gelegen aan de [adres 3] te [woonplaats] is uitdrukkelijk van deze inbreng uitgezonderd.

De eigendom van alle roerende goederen zijn alle vennoten bekend en blijken uit de jaarlijks op te stellen balansen der maatschap.

Voorts brengen de vennoten hun volledige kennis, arbeid en vlijt in. (..)

Artikel 6

De vennoot sub 1 en zijn echtgenote sub 3 (rechtbank: lees moeder) en elk door hen aan te wijzen personen, zullen gedurende het bestaan der maatschap het recht hebben tot bewoning om niet van het woonhuis staande en gelegen aan de [adres 1] te [woonplaats] .”

2.5.

In een onderhandse akte uit 2016 afkomstig uit de administratie van vader, is -voor zover van belang- het navolgende opgenomen.

“Overeenkomst ontbinding maatschap

De ondergetekenden:

(rechtbank: lees vader, moeder en [gedaagde sub 1] )

In aanmerking nemende dat:

  • de ondergetekenden sub 1 tot en met sub 3 vanaf 1 januari 1989 een kassenteeltbedrijf in de vorm van een maatschap hebben geëxploiteerd;

  • (..)

  • ondergetekenden sub 1 en 2 (rechtbank: lees vader en moeder) uit de maatschap wensen te treden;

  • de daadwerkelijke datum van uittreding en effectuering wordt vastgesteld in onderling overleg, na toestemming van de financier (Rabobank), doch uiterlijk na onverhoopt overlijden van ondergetekenden sub 1 en sub 2.

  • de ondergetekende sub 3 (rechtbank: lees [gedaagde sub 1] ) het bedrijf van de maatschap per die datum zal voortzetten;

  • de ondergetekenden de voorwaarden en bepalingen ter zake van het uittreden van de ondergetekende sub 1 en 2 bij deze schriftelijk wensen vast te leggen;

Komen overeen als volgt:

Ontbinding

Artikel 1

  1. De maatschap tussen de ondergetekenden sub 1 tot en met sub 3 zal worden ontbonden. De datum van ontbinding en effectuering geschiedt in onderling overleg.

  2. De ontbinding van de maatschap vindt plaats overeenkomstig de bepalingen van deze overeenkomst.

Voortzetting

Artikel 2

De ondergetekenden sub 3 (rechtbank: lees [gedaagde sub 1] ) zet het bedrijf van de maatschap per ontbindingsdatum voort.

Vaststelling financiële gerechtigdheid

Artikel 3

  1. De bepaling/berekening van het aandeel van de ondergetekenden sub 1 en sub 2 vindt plaats naar de agrarische waarde (zijnde een waarde waarbij een agrarische exploitatie nog juist lonend is).

  2. Alle activa en passiva van de onderneming zoals vermeld op de meest recente balans voor de ontbindingsdatum zullen door de ondergetekende sub 3 van de ondergetekenden sub 1 en sub 2 worden overgenomen.

  3. Ondergetekende sub 3 is geen vergoeding verschuldigd ter zake van de overname c.q. de koopsom (agrarische waarde) van het aandeel van ondergetekenden sub 1 en sub 2 wordt geschonken.

(..)

Wijze van voldoening

Artikel 4

Ondergetekende sub 3 is aan ondergetekenden sub 1 en sub 2 geen vergoeding verschuldigd ter zake van de uittreden van ondergetekenden sub 1 en sub 2.”

De akte is ondertekend door vader, moeder en [gedaagde sub 1] .

2.6.

In september 2020 is het perceel aan de [adres 3] verkocht en op 16 oktober 2020 geleverd voor een koopsom van € 565.000,00. [gedaagde sub 1] heeft daarna zijn intrek genomen in de woning aan de [adres 1] . Vader en moeder zijn verhuisd naar een chalet te [woonplaats] .

2.7.

In een handgeschreven stuk, gedateerd op 17 oktober 2020 en ondertekend door vader, moeder en [gedaagde sub 1] is het navolgende opgenomen:

“Overeenkomst tussen [gedaagde sub 1] en [erflater] en [moeder]

Hierbij willen wij [erflater] en [moeder] en [gedaagde sub 1] akkoord gaan zoals de eerder overeengekomen afspraken wat inhoud dat de maatschap ontbonden gaat worden en [gedaagde sub 1] het bedrijf kan voortzetten.

[erflater] en [moeder] gaan akkoord met € 282.500,- (netto bedrag)

Alle uitvoort vloeiende belastingen en kosten zullen ten laste komen van [gedaagde sub 1] .

gemaakte privekosten hierin niet meegenomen

De For belasting van [erflater] en [moeder] zijn ook niet hierin meegenomen.”

(Rechtbank: volgt ondertekening door vader, moeder, [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] en [eiser sub 1] als getuigen.)

2.8.

Omstreeks oktober 2020 is door notaris Salman een conceptakte opgesteld met als titel “AKTE tot VERDELING en (AF)LEVERING MAATSCHAPSVERMOGEN” (hierna: de conceptakte).

De akte strekt er toe dat [gedaagde sub 1] na uittreding van vader en moeder uit de maatschap, de onderneming alleen voortzet zonder daarvoor een vergoeding aan vader en moeder verschuldigd te zijn. Voor zover van belang is in de akte het navolgende opgenomen:

“INLEIDING

(..)

3. Partijen zijn overeengekomen dat partij [erflater] per (..) uit de maatschap treedt. Ter uitvoering daarvan zijn partijen in nader overleg met elkander getreden om de uittreding/ontbinding te realiseren. Naar aanleiding daarvan heeft partij [gedaagde sub 1] (rechtbank: lees [gedaagde sub 1] ) te kennen gegeven dat hij per (..) de onderneming wenst voort te zetten.

De bepalingen waaronder de uittreding en ontbinding zal geschieden zijn vastgelegd in een tussen partijen gesloten overeenkomst ontbinding maatschap, ondertekend door partijen in december tweeduizend zestien, waarvan een kopie aan deze akte zal worden gehecht. (..)”

2.9.

Moeder is op 21 mei 2021 overleden. De maatschap is nadien door [gedaagde sub 1] tezamen met vader voortgezet.

2.10.

Moeder heeft bij testament van 21 januari 1981 over haar nalatenschap beschikt. Samengevat heeft zij [eiser sub 1] , [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ieder voor hun legitieme portie tot erfgenaam benoemd, en vader voor het resterend gedeelte. Bij wijze van ouderlijke boedelverdeling heeft moeder alle activa in haar nalatenschap aan vader toebedeeld onder de verplichting om de tot de nalatenschap behorende schulden voor zijn rekening te nemen en als eigen schuld te voldoen. Aan [eiser sub 1] , [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] heeft moeder wegens hun onderbedeling een vordering op vader in contanten ter grootte van hun erfdeel toebedeeld, welke opeisbaar is op de in het testament opgenomen momenten, zoals het overlijden van vader.

2.11.

Vader is op 21 februari 2022 overleden.

2.12.

Vader heeft bij testament van 3 september 2021 voor het laatst over zijn nalatenschap beschikt. Samengevat heeft vader [eiser sub 1] tot enig erfgenaam van zijn nalatenschap benoemd en [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] van erfopvolging uitgesloten. Verder heeft vader de navolgende legaten ten laste van [eiser sub 1] gemaakt:

“Ik legateer ten laste van de erfgenaam aan:

  1. mijn zoon, de heer [eiser sub 1] (..) bovenop zijn erfdeel (..) mijn eigendom zijnde recreatiewoning (..) zulks zonder inbreng van de waarde in mijn nalatenschap;

  2. mijn zoon, de heer [eiser sub 1] , bovenop zijn erfdeel, de vordering die ik (..) op hem heb, op basis van de aan hem verstrekte geldlening(en), zulks zonder inbreng van laatstbedoeld bedrag in mijn nalatenschap, te rekenen vanaf het moment van aangaan van de lening tot aan het moment van mijn overlijden.

  3. mijn kleinkinderen (..) een bedrag in contanten ter grootte van het twee/derde (2/3e) gedeelte van het resterende saldo van mijn nalatenschap, waarbij de wettelijke regels van aanwas gelden.

(..)

5. Executeur/afwikkelingsbewindvoerder

Benoeming executeur/afwikkelingsbewindvoerder

Ik benoem tot executeurs/afwikkelingsbewindvoerders:

  • mijn zoon, de heer [eiser sub 1] , voornoemd; en

  • mijn schoondochter, mevrouw [eiseres sub 2] (..).

Afzonderlijke/gezamenlijke bevoegdheid

Zijn er twee of meer executeurs, dan kan ieder van hen alle werkzaamheden alleen verrichten.

Taken

De executeur/afwikkelingsbewindvoerder heeft tot taak de belangen van de erfgenamen te behartigen. Hij oefent deze taak uit door de goederen van de nalatenschap te beheren en de schulden van de nalatenschap te voldoen.

De executeur/afwikkelingsbewindvoerder is derhalve, voor zover van toepassing, onder meer bevoegd legaten af te geven, aan verblijvingsbedingen en overnemingsbedingen uitvoering te geven en schulden ter zake van legitieme porties uit te keren. (..)”

2.13.

De maatschap is als gevolg van het overlijden van vader opgehouden te bestaan. De ondernemingsactiviteiten zijn door [gedaagde sub 1] tot op heden voortgezet.

3Het geschil

In conventie

3.1.

De executeurs vorderen -na wijziging van eis- dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

A. [gedaagde sub 1] veroordeelt tot voldoening binnen 14 dagen na vonnis, althans op een door de rechtbank te bepalen moment of momenten, op de betaalrekening bij de Rabobank ten name van de Maatschap [de maatschap] , een bedrag te voldoen van € 479.098, althans een door de rechtbank in goede Justitie te bepalen bedrag;

B. [gedaagde sub 1] veroordeelt tot het verlenen van zijn medewerking, op eerste vordering van de executeurs, indien van toepassing binnen 14 dagen na vonnis, althans op een door de rechtbank te bepalen moment, aan overboeking van de maatschapsrekening aan de boedelrekening van een bedrag van € 407.788,- althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, zulks op straffe, bij gebreke om aan deze bepaling te voldoen, van verbeurte van een dwangsom van € 25.000,- per gebeurtenis - waarbij onder ‘gebeurtenis’ wordt verstaan: de vordering daartoe van de executeurs - welke dwangsom mede strekt tot bestrijding van de kosten en tijdschade van indiening en behandeling van een verzoek tot vervangende gerechtelijke toestemming en de daarmee samenhangende overige kosten;

C. [gedaagde sub 1] gelast om binnen 14 dagen na vonnis kenbaar te maken of hij de activa van de voormalige maatschap ter voortzetting van de onderneming of gebruik in een nieuwe onderneming wenst over te nemen, in dat geval tegen vergoeding aan het ondernemings-vermogen van de voormalige maatschap van de waarde in het economisch verkeer van die activa, welke waarde alsdan zal worden bepaald door taxatie als bedoeld en geregeld in de maatschapsovereenkomst van 1991 onder artikel 12, tweede lid van die overeenkomst, dat wil zeggen door een college van drie hiertoe aan te wijzen onafhankelijke deskundigen, waarvan één zal worden benoemd door [gedaagde sub 1] , één door de executeurs en de derde deskundige door de twee door partijen benoemde deskundigen en welke waarde alsdan door [gedaagde sub 1] in geld aan het ondernemingsvermogen van de voormalige maatschap dient te worden voldaan binnen een periode van één maand, althans de periode die door de rechtbank

zal worden vastgesteld en in dat geval in termijnen zoals deze door de rechtbank worden vastgesteld en waarbij zal gelden dat ingeval [gedaagde sub 1] niet aan dit bevel voldoet, hij geacht zal worden te hebben besloten dat hij de bedoelde activa niet wenst over te nemen zodat deze door de executeurs en afwikkelbewindvoerder te gelde zullen mogen worden gemaakt, ook zonder de medewerking of toestemming van [gedaagde sub 1] ;

D. [gedaagde sub 1] veroordeelt tot het verlenen van zijn medewerking, op eerste verzoek van de executeurs c.q. afwikkelbewindvoerders, bij name [eiser sub 1] en/of [eiseres sub 2] , binnen 14 dagen na vonnis voor zover van toepassing, aan overboeking van 100%, althans het percentage dat de rechtbank in goede justitie van toepassing acht, van de bedragen die [gedaagde sub 1] als gevolg van hetgeen is gevorderd sub C, op de bankrekening van de voormalige maatschap heeft voldaan, vanaf die rekening naar de boedelrekening, zulks op straffe, bij gebreke om aan deze bepaling te voldoen, van verbeurte van een dwangsom

van € 25.000,- per gebeurtenis - waarbij onder ‘gebeurtenis wordt verstaan: de vordering daartoe van de executeurs -, welke dwangsom mede strekt ter bestrijding van de kosten en tijdschade van indiening en behandeling van een verzoek tot vervangende gerechtelijke toestemming en de daarmee samenhangende overige kosten;

E. voor recht verklaart:

a. Dat het ondernemingsvermogen van de voormalige maatschap [de maatschap] niet reeds voor het overlijden onder bijzondere titel is overgegaan naar [gedaagde sub 1] ;

b. Dat tot de nalatenschap van [erflater] géén schuld behoort, bestaande uit de verplichting tot overdracht van het ondernemingsvermogen of delen daarvan aan [gedaagde sub 1] om niet of tegen andere voorwaarden dan die zijn vastgelegd in de maatschapsovereenkomst getekend door de vennoten in 1991;

c. Dat [gedaagde sub 1] gehouden is om aan de executeurs cq afwikkelbewindvoerders, bij name [eiser sub 1] en/of [eiseres sub 2] , binnen een termijn van 14 dagen na de dag van verzending van het daartoe strekkende informatie- en inlichtingenverzoek aan [gedaagde sub 1] , of binnen de langere termijn als aangegeven in het informatie- en inlichtingenverzoek, de informatie en

inlichtingen omtrent het ondernemingsvermogen van de voormalige maatschap te verstrekken die de executeurs in staat stelt om de waarde van elk van de onderdelen het ondernemingsvermogen vast te stellen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van

€ 1.000,- voor elke dag dat [gedaagde sub 1] in gebreke blijft om aan deze verplichting te voldoen;

d. Dat [gedaagde sub 1] geen vordering heeft op de nalatenschap in verband met de in 2010 door de maatschap verstrekte lening aan de familie [naam] althans enige vordering op grond van die verstrekte lening wegens verjaring niet opvorderbaar noch verrekenbaar is;

e. Dat [gedaagde sub 1] geen vordering op de nalatenschap heeft uit hoofde van allocatie van de verkoopopbrengst van [adres 3] aan het privévermogen van [erflater] en [moeder] enerzijds en het ondernemingsvermogen anderzijds, althans dat voor zover [gedaagde sub 1] een vordering op de nalatenschap heeft als gevolg van de mate van allocatie, het niet aan de privévermogens (van [erflater] en [moeder] ) te alloceren deel dient te worden gealloceerd aan het ondernemingsvermogen van de maatschap en niet aan [gedaagde sub 1] in privé, zodat ter zake voor dat deel sprake is van een kapitaalstorting zijdens [erflater] en [moeder] in het maatschapsvermogen voor dat deel;

f. Dat [gedaagde sub 1] geen vordering op de nalatenschap heeft als gevolg van arbeids-ongeschiktheid — of enige andere reden voor verminderde arbeidsinzetbaarheid van [erflater] en/of [moeder] gedurende het bestaan van de maatschap;

g. Dat [gedaagde sub 1] geen vordering op de nalatenschap noch op het ondernemingsvermogen van de voormalige maatschap heeft met betrekking tot door de Brandweer aan hem uitbetaalde vergoedingen;

h. Dat [gedaagde sub 1] geen vordering op de nalatenschap of het ondernemingsvermogen van de voormalige maatschap heeft wegens voorzien in het levensonderhoud van [erflater] en/of [moeder] ;

i. Dat de waarde van de woning van [erflater] en [moeder] ten tijde van het overlijden van [moeder] voor de bepaling van de omvang van de nalatenschap van [moeder] dient te worden gesteld op een bedrag van € 249.000,-;

j. Dat de waarde van de Mercedes van [erflater] en [moeder] ten tijde van het overlijden van [moeder] voor de bepaling van de omvang van de nalatenschap van [moeder] dient te worden gesteld op een bedrag van € 6.500,-;

k. Dat de waarde van de Mercedes van [erflater] ten tijde van het overlijden van [erflater] voor de bepaling van de omvang van de nalatenschap van [erflater] dient te worden gesteld op een bedrag van € 5.500,-;

1. Dat de waarde van het in de kluis van [erflater] en [moeder] aanwezige geld ten tijde van het overlijden van [moeder] en ten tijde van het overlijden van [erflater] dient te worden gesteld op een bedrag van € 9.122,-

m. Dat de waarde van de door de executeurs aangetroffen juwelen per de datum van overlijden van [moeder] en per de datum van overlijden van [erflater] dient te worden gesteld op een bedrag van € 15.000,-, zijnde ongeveer de helft van de door een juwelier geadviseerde nieuwwaarde van die juwelen;

n. Dat niet is gebleken van een onderhandse lening van [eiser sub 1] van zijn ouders ten tijde van het overlijden van [moeder] en dat de onderhandse lening van [eiser sub 1] van [erflater] , ten tijde van diens overlijden, een bedrag van € 45.000,- bedroeg;

o. Dat de waarde van de woning van [erflater] ten tijde van diens overlijden dient te worden gesteld op € 250.000,-;

p. Dat de executeurs niet gehouden zijn aan [gedaagde sub 2] of [gedaagde sub 1] bankafschriften te overleggen over de jaren voor 2021 die zij niet in de administratie van [erflater] hebben aangetroffen;

q. Dat niet is gebleken van schenkingen die [erflater] en/of [moeder] bij leven zouden hebben gedaan die thans nog relevantie hebben voor de bepaling van de omvang van de nalatenschappen van [moeder] en/of [erflater] , anders dan de schenkingen ad € 500,00 aan elk der kleinkinderen en aan [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] ;

r. Dat de vorderingen die de nalatenschap ingevolge het sub nummers A t/m D gevorderde heeft, voor de waardebepaling van de nalatenschap van zowel [moeder] als [erflater] , wegens (verwachte) oninbaarheid van de vorderingen dienen te worden gewaardeerd op nihil, onder de bepaling dat alle bedragen die ingevolge deze betalingsverplichtingen van [gedaagde sub 1] op enig moment aan de boedel ten goede zullen komen, ponds-ponds gewijs conform de uitdelingsrechten van alle betrokkenen op grond van de wet en het testament, op tweejaarlijkse basis (dus om het jaar) aan hen zullen worden uitgekeerd.

F. Gedaagden hoofdelijk veroordeelt in de kosten van deze procedure,

inclusief nakosten.

In reconventie aan de zijde van [gedaagde sub 1]

3.2.

[gedaagde sub 1] vordert - na wijziging van eis - dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

A. de executeurs veroordeelt tot onverkorte en onverwijlde nakoming van de overeenkomst uit december 2016 (productie 21 bij dagvaarding) alsmede tot nakoming van de overeenkomst d.d. 17 oktober 2020 (productie 29 bij dagvaarding), met dien verstande dat de executeurs

gehouden zijn:

  • hun medewerking te verlenen aan het passeren van de definitief op te maken notariële akte tot verdeling en (af)levering maatschapsvermogen (zie productie G10), teneinde de percelen kadastraal bekend gemeente [woonplaats] [kadastraalnummer 1] en nummer [kadastraalnummer 2] aan [gedaagde sub 1] over te dragen, en het vermogen van de onderneming formeel aan [gedaagde sub 1] over te dragen, met ontslag van [eiser sub 1] in zijn hoedanigheid van erfgenaam in de nalatenschap van [erflater] uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de bank, en verder al datgene te doen dat door de notaris noodzakelijk wordt geacht teneinde deze akte te kunnen passeren,

  • hun medewerking te verlenen aan de opheffing van de blokkade op de rekening van de onderneming met IBAN nummer [rekeningnummer] , zodanig dat enkel [gedaagde sub 1] de toegang en de beschikking tot en over deze rekening heeft, onder inlevering van de pinpas die de executeurs in hun bezit hebben, alsmede datgene te doen dat door de Rabobank nodig wordt geacht,

een en ander op straffe van het verbeuren van een dwangsom van € 5.000,- ineens en €

500,- voor iedere dag, dan wel een gedeelte daarvan, dat de executeurs in gebreke blijven aan deze veroordeling te voldoen, dan wel een door de Rechtbank in goede justitie te bepalen

dwangsom.

B. de executeurs veroordeelt tot betaling vanuit de nalatenschap van [erflater] van een bedrag ad € 132.082,21 (zegge: eenhonderd tweeëndertigduizend tweeëntachtig euro en eenentwintig eurocent), dan wel een door de Rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag in verband met de overeengekomen verdeling van de verkoopopbrengst [adres 3] .

C. de executeurs veroordeelt binnen 14 (zegge veertien) dagen na het in deze te wijzen

(tussen)vonnis, dan wel binnen een door de Rechtbank in goede justitie te bepalen termijn, aan [gedaagde sub 1] te doen toekomen alle belastingaanslagen die na het overlijden van [erflater] zijn ontvangen, een en ander op straffe van een door de executeurs hoofdelijk aan [gedaagde sub 1] te verbeuren dwangsom van € 5.000,- ineens, alsmede € 500,- per dag voor iedere dag, dan wel een gedeelte daarvan, dan wel een door de Rechtbank in goede justitie te bepalen dwangsom, indien de executeurs nalatig althans onwillig zijn aan de veroordeling ter zake te voldoen;

D. de legitieme portie van [gedaagde sub 1] in de nalatenschap van [moeder] vaststelt;

E. de legitieme portie van [gedaagde sub 1] in de nalatenschap van [erflater] vaststelt;

F. de executeurs hoofdelijk veroordeelt vanuit de nalatenschap van [erflater] tot betaling aan [gedaagde sub 1] van de legitieme porties over te gaan, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 mei 2021 respectievelijk 21 februari 2022, en wel binnen 5 (vijf) dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis.

G. de executeurs zowel in conventie als in reconventie in de kosten van het geding veroordeelt.

In reconventie aan de zijde van [gedaagde sub 2]

3.3.

[gedaagde sub 2] vordert - na wijziging van eis - dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

A. de legitieme portie van [gedaagde sub 2] in de nalatenschap van moeder vaststelt;

B. de legitieme portie van [gedaagde sub 2] in de nalatenschap van vader vaststelt;

C. de executeurs hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan [gedaagde sub 2] van de legitieme porties vermeerderd met de wettelijke rente vanaf respectievelijk 21 mei 2021 en 21 februari 2022, binnen 5 (vijf) dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis.

3.4.

Op de stellingen en weren van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4De beoordeling

In conventie en in reconventie

4.1.

wijze van procederen/uitgangspunten bij de beoordeling

De rechtbank stelt bij haar beoordeling voorop dat in elke civiele procedure als uitgangspunt geldt dat een procespartij haar stellingen voldoende kenbaar en duidelijk in haar processtukken moet laten verwoorden door haar advocaat. Dit brengt met zich dat een procespartij niet kan volstaan met een enkele verwijzing naar de door hem in het geding gebrachte stukken, maar dat hij concreet dient aan te geven welke stellingen hij op basis van die stukken inneemt en waar die stellingen in de stukken steun vinden of onderbouwd worden.

4.2.

Het ligt (dus) niet op de weg van de rechter (de onderbouwing van) een partijstandpunt af te leiden uit de betreffende producties. Het is immers de specifieke taak van de rechtshulpverlener om zorg te dragen voor een heldere presentatie van de zaak. De Hoge Raad heeft in 2017 1 al overwogen dat de eisen van een behoorlijke rechtspleging meebrengen dat een partij die een beroep wil doen op uit bepaalde producties blijkende feiten en omstandigheden, dit op een zodanige wijze dient te doen dat voor de rechter duidelijk is welke stellingen hem ter beoordeling worden voorgelegd en dat voor de wederpartij duidelijk is waartegen hij zich dient te verweren.

4.3.

In deze zaak wordt in het bijzonder door de executeurs veelvuldig verwezen naar in het geding gebrachte stukken (producties), terwijl in de processtukken zelf niet wordt toegelicht wat daaruit valt af te leiden, laat staan welke relevantie die stukken hebben voor de betrokken stellingen. Dit alles brengt met zich dat de rechtbank slechts kan beslissen op die geschilpunten die als zodanig in de processtukken zijn benoemd, dan wel ter zitting aan de orde zijn geweest en waarover een voldragen partijdebat heeft plaatsgevonden.

4.4.

omvang nalatenschappen

De rechtbank stelt vast dat de vorderingen over en weer betrekking hebben op de afwikkeling van een tweetal nalatenschappen, namelijk die van vader en die van moeder. De gepresenteerde geschilpunten zijn (grotendeels) onlosmakelijk verbonden met de definitieve financiële afwikkeling van beide nalatenschappen.

4.5.

Over de omvang en samenstelling van beide nalatenschappen zijn partijen sterk verdeeld. Uitsluitend van de zijde van [gedaagde sub 1] is een uitgewerkt voorstel voor de berekening van de (erfstelling in de) legitieme in het geding gebracht. De daarin gepresenteerde becijfering is op onderdelen door de executeurs bestreden, en nauwelijks voorzien van onderliggende stukken ter onderbouwing. De door de executeurs in het geding gebrachte boedelbeschrijvingen zijn op onderdelen onderwerp van geschil en evenmin van onderliggende stukken voorzien. Tot slot constateert de rechtbank in dit verband dat niet is gebleken van enig document waarin vader in de periode ná het overlijden van moeder tezamen met de kinderen de aanspraken van [eiser sub 1] , [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] op de nalatenschap van moeder heeft vastgesteld. Aldus is ook niet vast komen te staan wat de omvang is van de vorderingen van [eiser sub 1] , [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] op vader uit hoofde van het ‘langstlevende testament’ van moeder.

4.6.

Dit alles leidt ertoe dat partijen en de rechtbank in de onderhavige procedure zijn aangewezen op een door ieder van partijen op eigen wijze vormgegeven reconstructie van de omvang en samenstelling van beide nalatenschappen. Dit verdraagt zich niet met de inzet van de over en weer ingestelde vorderingen die in essentie gericht zijn op en nopen tot een nauwkeurige becijfering van de aanspraken van alle partijen in beide nalatenschappen, hetzij in de positie van legitimaris hetzij in die van erfgenaam. Om de rechtbank in staat te stellen tot een verantwoorde beoordeling ligt het, zoals hiervoor al is overwogen , op de weg van partijen om voldoende gemotiveerde feitelijke stellingen te betrekken en deze zoveel mogelijk van een deugdelijke schriftelijke onderbouwing te voorzien. Voor zover dat niet het geval is , heeft het partijdebat (dus) niet de nodige helderheid opgeleverd en is de rechtbank niet in staat (gesteld) tot een adequaat en beargumenteerd oordeel te komen. In die gevallen zal reeds daarom aan bewijslevering niet worden toegekomen.

4.7.

Omdat het partijdebat in overwegende mate betrekking heeft op het geschilpunt van de maatschap, ziet de rechtbank aanleiding de daarop betrekking hebbende vorderingen in reconventie als eerste te beoordelen.

In reconventie aan de zijde van [gedaagde sub 1]

4.8.

maatschap/conceptakte (vordering onder 3.2 sub A)

Kern van het geschil is de beantwoording van de vraag of het aandeel van vader en moeder in de maatschap in de afwikkeling van de nalatenschappen betrokken moet worden. De executeurs hebben deze vraag bevestigend beantwoord, [gedaagde sub 1] ontkennend. De relevante stellingen en verweren zullen hierna in de beoordeling aan de orde komen.

4.9.

Vaststaat dat vader aan de conceptakte (2.8), die tot doel had het aandeel van vader en moeder in de maatschap aan [gedaagde sub 1] over te dragen, geen uitvoering heeft gegeven. Tot het passeren van de (definitieve) akte door de notaris is het bij leven van vader niet meer gekomen. Daaruit concludeert de rechtbank met de executeurs dat het aandeel van zowel vader als moeder in afwikkeling van de nalatenschap van vader moet worden betrokken.

4.10.

De executeurs hebben echter niet gemotiveerd weersproken dat vader tezamen met [gedaagde sub 1] meerdere keren bij de notaris is geweest en dat deze bezoeken hebben geleid tot de conceptakte. Dat concept is gedetailleerd, bevat inhoudelijk geen “losse eindjes” en is geheel in lijn met de schrifturen uit 2016 (2.5) en 2020 (2.7). Daarin is consistent en zonder enig voorbehoud door vader, moeder en [gedaagde sub 1] afgesproken dat [gedaagde sub 1] de onderneming zou voortzetten zonder daarvoor een vergoeding aan vader en moeder als uittredende vennoten verschuldigd te zijn. In de akte wordt bovendien expliciet verwezen naar de overeenkomst uit 2016, waarin de bepalingen waaronder de uittreding zal plaatsvinden, gedetailleerd zijn beschreven.

4.11.

Dat de conceptakte niet (langer) overeenstemde met de wil van vader is tegen deze achtergrond door de executeurs onvoldoende aannemelijk gemaakt. Dit geldt te meer omdat [gedaagde sub 1] gemotiveerd en onder verwijzing naar de door hem in het geding gebrachte correspondentie heeft gesteld dat -kort gezegd- de finale afwikkeling om meerdere redenen vertraging had opgelopen. Met name ging het daarbij om (1) de verkoop op termijn van de [adres 3] om te kunnen voldoen aan de door partijen beoogde fiscaal gunstige arrangementen en (2) het verkrijgen van een ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van vader en moeder uit de in de afwikkeling te betrekken hypothecaire geldleningen van de Rabobank. Deze uitleg van [gedaagde sub 1] is zodanig steekhoudend dat de executeurs niet konden volstaan met een niet nader gemotiveerde betwisting.

4.12.

Tot slot hebben de executeurs nog betoogd dat de overeenkomst uit 2016 (2.5) op grond van het bepaalde in artikel 7:177 BW is komen te vervallen en dat - naar de rechtbank begrijpt - om die reden van de executeurs niet kan worden verlangd dat zij hun medewerking aan het verlijden van de akte verlenen. Daarin volgt de rechtbank de executeurs niet. Het door de executeurs aangehaalde wetsartikel houdt in dat voor zover een schenking de strekking heeft dat zij pas na het overlijden van de schenker zal worden uitgevoerd, en zij niet reeds tijdens het leven van de schenker is uitgevoerd, de schenking vervalt met het overlijden van de schenker, tenzij de schenking door de schenker persoonlijk is aangegaan en van de schenking een notariële akte is opgemaakt. Aldus dient allereerst vast komen te staan dat de overeenkomst (1) een schenking aan [gedaagde sub 1] bevat en (2) dat deze de strekking had om pas na overlijden van vader te worden uitgevoerd. Op beide punten hebben de executeurs onvoldoende invulling gegeven aan de op hen rustende stelplicht. Zo hebben de executeurs in het geheel geen stellingen betrokken over de waardering van het maatschapsvermogen ten tijde van het opstellen van vorenbedoelde overeenkomst in relatie tot de (omvang van de) door [gedaagde sub 1] verkregen bevoordeling, al was het maar in de vorm van een rudimentaire becijfering. Evenmin hebben de executeurs het bestaan en de omvang van de gestelde bevoordeling van [gedaagde sub 1] ter zitting toegelicht. Daar komt bij dat voor zover al sprake zou zijn van een bevoordeling in de vorm van een schenking aan [gedaagde sub 1] , uit de overeenkomst niet volgt dat deze tot strekking had pas na het overlijden van de schenker (vader) te worden uitgevoerd. Integendeel, de tekst van de overeenkomst biedt daartoe geen enkel houvast, terwijl het handelen van vader, moeder en [gedaagde sub 1] tezamen juist blijk geeft van een bestendig streven naar een overdracht bij leven van vader aan [gedaagde sub 1] .

4.13.

blokkade rekening

Sterk samengevat heeft [gedaagde sub 1] aan het gevorderde ten grondslag gelegd dat voor hem door toedoen van de executeurs sinds eind november 2022 de toegang tot de bankrekening van de maatschap is geblokkeerd. Deze blokkade is ten onrechte en bemoeilijkt de bedrijfsvoering, aldus [gedaagde sub 1] .

4.14.

De rechtbank wijst het gevorderde af. Gelet op de betwisting door de executeurs, heeft [gedaagde sub 1] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het aan hen is te wijten dat de rekening is geblokkeerd en – voor zover daar al sprake van is – dat het in de macht van de executeurs ligt om de blokkade op te heffen.

4.15.

Dit alles leidt tot de tussentijdse slotsom dat het gevorderde deels toewijsbaar is, namelijk voor zover het de medewerking van de executeurs aan het passeren van de akte betreft zoals hierna in het dictum vermeld. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de veroordeling een dwangsom te verbinden. Van een reëel gevaar dat de executeurs niet vrijwillig aan deze veroordeling zullen voldoen, is de rechtbank niet gebleken. Dit geldt te meer omdat partijen ter zitting eenstemmig hebben verklaard de nalatenschappen ten finale af te willen wikkelen.

4.16.

verkoopopbrengst [adres 3] (vordering onder 3.2 sub B)

Sterk samengevat heeft [gedaagde sub 1] aan het gevorderde ten grondslag gelegd dat hij met vader en moeder is overeengekomen dat de verkoopopbrengst van de [adres 3] deels aan de onderneming zou toekomen en voor het overige tussen vader en moeder enerzijds en [gedaagde sub 1] anderzijds bij helfte zou worden verdeeld. In de overeenkomst van 17 oktober 2020 (2.7) is daarom opgenomen dat aan vader en moeder een netto te ontvangen bedrag van

€ 282.500,00 toekomt. Omdat vader en moeder van de verkoopopbrengst een bedrag van

€ 414.582,21 hebben ontvangen, zijn zij het verschil van € 132.082,21 nog aan [gedaagde sub 1] verschuldigd.

4.17.

De rechtbank wijst het gevorderde af. Gelet op de betwisting door de executeurs had het op de weg van [gedaagde sub 1] gelegen voldoende gemotiveerde stellingen te betrekken waaruit de gestelde afspraak met vader en moeder blijkt. De enkele verwijzing naar het in de (zeer summiere) overeenkomst van 17 oktober 2020 genoemde bedrag geeft zonder nadere context in de overeenkomst zelf onvoldoende houvast voor het bestaan van de gestelde afspraak.

4.18.

De door [gedaagde sub 1] in het geding gebrachte geluidsopname en transcriptie van het gesprek van vader, moeder en [gedaagde sub 1] met een medewerker van de Rabobank op 9 september 2020 ondersteunen de stelling van [gedaagde sub 1] evenmin in afdoende mate. Gelet op de betwisting door de executeurs had het op de weg van [gedaagde sub 1] gelegen de relevante momenten in het ruim 55 minuten durende gesprek aan te wijzen waaruit de gestelde wilsovereenstemming met vader en moeder blijkt over de verdeling van de verkoopopbrengst. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat, voor zover [gedaagde sub 1] heeft bedoeld dat de overeenstemming volgt uit de uitlatingen van moeder in de achttiende minuut van de transcriptie, [gedaagde sub 1] daarin niet kan worden gevolgd. De verklaringen van moeder zijn daartoe te summier, zijn in de kern een reactie op de verklaringen van [gedaagde sub 1] zelf en lijken niet geheel in lijn met de verklaring van vader in dezelfde minuut. Kortom, daaruit kan de rechtbank geen eenduidige conclusie trekken. Nadere stellingen en voor bewijslevering vatbare feiten waaruit de gestelde overeenstemming volgt, zijn door [gedaagde sub 1] niet betrokken c.q. gesteld. Aan bewijslevering komt de rechtbank dan ook niet toe, zodat het gevorderde voor afwijzing gereed ligt.

4.19.

belastingaanslagen (vordering onder 3.2 sub C)

Ter zitting is deze vordering door [gedaagde sub 1] ingetrokken, zodat deze niet langer beoordeling behoeft.

4.20.

De resterende vorderingen in reconventie van de zijde van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] die geheel gericht zijn op becijfering van de (legitimaire) aanspraken op beide nalatenschappen zullen later in de beoordeling worden betrokken.

In conventie

4.21.

maatschap (vorderingen onder 3.1A en B)

De rechtbank constateert dat de executeurs het gevorderde niet hebben voorzien van een inzichtelijke en met stukken onderbouwde specificatie. Weliswaar is onderaan het petitum in de dagvaarding (in een tweetal voetnoten) een becijfering tot de gevorderde totaalbedragen opgenomen, maar daaruit valt zonder nadere toelichting van de zijde (van de raadsman) van de executeurs niet af te leiden wat de herkomst is van de aldaar genoemde afzonderlijke bedragen, welke onduidelijkheid ook na de zitting onverminderd is blijven voortbestaan. In zoverre hebben de executeurs volstrekt onvoldoende invulling gegeven aan de op hen rustende stelplicht. De rechtbank verwijst naar hetgeen zij hiervoor onder 4.1- 4.3 heeft overwogen.

4.22.

Ondanks deze onduidelijkheid ten aanzien van de hoogte van de gevorderde bedragen, leidt de rechtbank uit de beperkt voorhanden stellingen van de executeurs af dat de vorderingen betrekking hebben op de door de executeurs voorgestane wijze van vereffening van het maatschapsvermogen en de aansluitende overboeking van een deel daarvan op de boedelrekening. Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor in reconventie heeft overwogen en beslist, is de grondslag aan het gevorderde komen te ontvallen en ligt het voor afwijzing gereed.

4.23.

overdracht vermogen maatschap/boedelrekening (vorderingen onder 3.1C en 3.1D)

Uit hetgeen hiervoor in reconventie is overwogen, volgt dat de executeurs geen belang bij toewijzing van het gevorderde hebben. Het gevorderde zal daarom afgewezen worden.

4.24.

verklaringen voor recht (vordering onder 3.1E)

a-c. Uit hetgeen de rechtbank hiervoor in reconventie ten aanzien van de/het maatschap/ondernemingsvermogen heeft overwogen en beslist, volgt dat de executeurs geen belang bij het gevorderde onder a-c hebben. Het gevorderde ligt daarom voor afwijzing gereed.

d. Gelet op de erkenning door [gedaagde sub 1] dat hij geen vordering heeft op de familie [naam] ontbreekt het belang bij het gevorderde en ligt het voor afwijzing gereed.

e. In reconventie heeft de rechtbank al op dit geschilpunt beslist. Bij gebrek aan belang ligt het gevorderde voor afwijzing gereed.

f-i. Naar de rechtbank uit de beperkte stellingen van de zijde van de executeurs afleidt, zijn de vorderingen bij wijze van anticipatie op een mogelijk(e) verweer/tegenvordering van de zijde van [gedaagde sub 1] / [gedaagde sub 2] ingesteld. Omdat zulke verweren/tegenvorderingen achterwege zijn gebleven , zijn deze punten geen onderwerp van geschil en liggen deze vorderingen bij gebrek aan belang voor afwijzing gereed.

j. De rechtbank wijst het gevorderde toe. De door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] bepleite hogere waarde van € 10.000,00 is onvoldoende onderbouwd. Het had op de weg van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] gelegen stukken in het geding te brengen waaruit deze hogere waarde volgt.

k. Niet (langer) in geschil is dat aan de Mercedes per sterfdatum van vader een waarde van € 5.500,00 toegekend kan worden. Daarom hebben de executeurs geen belang bij het gevorderde en zal het afgewezen worden.

l. Niet langer in geschil is dat de waarde van het in de kluis van [erflater] en [moeder] aanwezige geld ten tijde van het overlijden van [moeder] en ten tijde van het overlijden van [erflater] dient te worden gesteld op een bedrag van € 9.122,-. Daarom hebben de executeurs geen belang bij het gevorderde en zal het afgewezen worden.

m. Ten aanzien van de juwelen volgt de rechtbank [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] in hun verweer voor zover het ertoe strekt dat de executeurs onvoldoende hebben gemotiveerd dat de sieraden (slechts) voor circa de helft van de getaxeerde waarde in de afwikkeling betrokken moeten worden. Daarom ziet de rechtbank geen aanleiding van de getaxeerde waarde van in totaal € 28.755,00 af te wijken en zullen de sieraden voor dit bedrag in de verdere beoordeling worden betrokken. Het gevorderde ligt daarom voor afwijzing gereed.

n. De rechtbank constateert dat het partijdebat zeer beperkt van aard is, waarbij opmerking verdient dat partijen over en weer terughoudend zijn geweest met het verwijzen naar relevante producties. Daarin zijn naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten te vinden voor het bestaan van de gestelde lening aan [eiser sub 1] ten tijde van het overlijden van moeder. In zoverre is het gevorderde voor toewijzing vatbaar.

Voor het overige ligt het gevorderde voor afwijzing gereed. Vaststaat dat vader in juni 2022 een bedrag van € 50.000,00 ter leen heeft verstrekt. De door de executeurs, althans [eiser sub 1] , gestelde aflossing van € 5.000,00 op de lening is door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] gemotiveerd bestreden. In de verdere beoordeling houdt de rechtbank het er dan ook voor dat met inachtneming van het legaat ter zake, tot de nalatenschap van vader een vordering op [eiser sub 1] behoort van € 50.000,00.

o. De rechtbank wijst het gevorderde af. Niet (langer) is in geschil dat aan de woning per sterfdatum van vader een waarde van € 250.000,00 toegekend kan worden. Daarom hebben de executeurs geen belang bij het gevorderde en zal het afgewezen worden.

p. Zonder enige toelichting op het gevorderde van de zijde van de executeurs, ziet de rechtbank niet in welk belang de executeurs bij het gevorderde hebben. Het gevorderde ligt daarom voor afwijzing gereed.

q. Naar de rechtbank uit de beperkte stellingen van de zijde van de executeurs afleidt, is het gevorderde bij wijze van anticipatie op een mogelijk(e) verweer/tegenvordering van de zijde van [gedaagde sub 1] / [gedaagde sub 2] ingesteld. Omdat zulke verweren/tegenvorderingen achterwege zijn gebleven, zijn eventuele schenkingen van vader en moeder bij leven geen onderwerp van geschil geworden en ligt het gevorderde bij gebrek aan belang voor afwijzing gereed.

r. De rechtbank wijst het gevorderde af. Daargelaten de -enigszins terughoudend geformuleerd- onheldere formulering, is enige toelichting op (de grondslag van) het gevorderde en het door de executeurs beoogde rechtsgevolg noch in de stukken noch ter zitting verkregen.

En verder in reconventie aan de zijde van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2]

4.25.

De rechtbank constateert dat beide broers in de procedure zowel qua standpunt als onderliggende argumentatie en documentatie gezamenlijk zijn opgetrokken wat betreft de berekening van hun aanspraken op beide nalatenschappen. [gedaagde sub 2] heeft daartoe overzichten in het geding gebracht voorzien van een inzichtelijke specificatie van de in de berekening te betrekken vermogensbestanddelen, de aan ieder toekomende breukdelen en hij heeft daaraan een conclusie verbonden in de vorm van een becijfering van de legitieme. Behoudens de geschilpunten die hiervoor bij de beoordeling aan de orde zijn geweest, hebben de executeurs noch [gedaagde sub 1] de berekeningen van [gedaagde sub 2] inhoudelijk bestreden. Daarom zal de rechtbank bij de verdere beoordeling de door [gedaagde sub 2] in het geding gebrachte specificaties met inachtneming van de hiervoor gegeven beslissingen tot uitgangspunt nemen.

4.26.

vaststelling erfdeel (ter grootte van legitieme) in nalatenschap moeder

Moeder heeft in haar testament [eiser sub 1] , [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] tot erfgenamen benoemd voor het breukdeel van de hen toekomende legitieme portie. Ondanks dat het testament voor de inwerkingtreding van het huidige erfrecht per 1 januari 2003 is opgesteld, leidt de rechtbank uit het beperkte partijdebat af dat partijen eensgezind zijn in hun opvatting dat bij de verdere uitwerking het aan de legitimarissen toekomende breukdeel naar huidig recht tot uitgangspunt moet worden genomen. Aldus komt de rechtbank tot de navolgende berekening van het erfdeel van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] in de nalatenschap van moeder:

4.27.

vaststelling legitieme aanspraak in nalatenschap vader

Bij de berekening van de aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] toekomende legitieme portie neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat allereerst de hoogte van de legitimaire massa bepaald moet worden (4:65 BW). In die berekening zullen alle door vader aan zijn kinderen gedane giften bij de waarde van de goederen van zijn nalatenschap moeten worden opgeteld, alsmede de giften die aan de kleinkinderen zijn gedaan binnen vijf jaar voor zijn overlijden (4:67 sub d en e BW). De omvang van de legitimaire aanspraak is gelijk aan het legitieme breukdeel van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] (1/6 gedeelte) van de legitimaire massa (4:64 BW). In vervolg op hetgeen de rechtbank hiervoor onder 4.12 ten aanzien van de maatschap heeft overwogen, is evenmin gebleken van giften van andere aard die in mindering op de legitimaire massa strekken dan wel in mindering op de legitieme gebracht moeten worden (artikel 4:70 BW) . Dit alles leidt tot de navolgende berekening:

De wettelijke rente is toewijsbaar met ingang van de dag waarop [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hun vorderingen uit hoofde van de legitimaire aanspraak bij wijze van eis in reconventie in rechte aanhangig hebben gemaakt, als nader in het dictum vermeld. Voor een eerdere ingangsdatum hebben [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] geen enkele onderbouwing gegeven. Dat de executeurs op een eerder moment in verzuim zijn geraakt, is daarom gesteld noch gebleken.

4.28.

Uit het testament van vader (2.12) volgt dat [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] in hun hoedanigheid van executeur tevens afwikkelingsbewindvoerder gehouden zijn de schulden van de nalatenschap van vader te voldoen (artikel 4:7 BW) , zo ook de aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] toekomende legitieme portie en de schuld wegens overbedeling uit hoofde van het erfdeel van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] in de nalatenschap van moeder. Aldus hebben [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] ieder een vordering op de nalatenschap van vader van in totaal € 90.975,48 (29.948,63 + 61.026,85). Het gevorderde is daarom toewijsbaar op de wijze als hierna in het dictum vermeld.

En verder in conventie en in reconventie

4.29.

proceskosten

Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5De beslissing

De rechtbank

In conventie

5.1.

verklaart voor recht dat de waarde van de Mercedes van [erflater] en [moeder] ten tijde van het overlijden van [moeder] voor de bepaling van de omvang van de nalatenschap van [moeder] dient te worden gesteld op een bedrag van € 6.500,-;

5.2.

verklaart voor recht dat niet is gebleken van een onderhandse lening van [eiser sub 1] van zijn ouders ten tijde van het overlijden van [moeder] ;

In reconventie aan de zijde van [gedaagde sub 1]

5.3.

veroordeelt de executeurs medewerking te verlenen aan het passeren van de definitief op te maken notariële akte tot verdeling en (af)levering maatschapsvermogen (zie productie G10 van de zijde van [gedaagde sub 1] ), om:

  • de percelen kadastraal bekend gemeente [woonplaats] [kadastraalnummer 1] en nummer [kadastraalnummer 2] aan [gedaagde sub 1] over te dragen;

  • het vermogen van de onderneming aan [gedaagde sub 1] over te dragen;

  • [eiser sub 1] in zijn hoedanigheid van erfgenaam in de nalatenschap van [erflater] te ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de bank,

en verder al datgene te doen dat door de notaris noodzakelijk wordt geacht om deze akte te kunnen passeren;

5.4.

stelt de aanspraak van [gedaagde sub 1] op de nalatenschap van moeder vast op € 29.948,63;

5.5.

stelt de legitieme portie van [gedaagde sub 1] in de nalatenschap van vader vast op € 61.026,85;

5.6.

veroordeelt de executeurs hoofdelijk tot betaling aan [gedaagde sub 1] van een bedrag van

€ 90.975,48 vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 8 november 2023 tot aan de dag der algehele voldoening;

In reconventie aan de zijde van [gedaagde sub 2]

5.7.

stelt de aanspraak van [gedaagde sub 2] op de nalatenschap van moeder vast op € 29.948,63;

5.8.

stelt de legitieme portie van [gedaagde sub 2] in de nalatenschap van vader vast op € 61.026,85;

5.9.

veroordeelt de executeurs hoofdelijk tot betaling aan [gedaagde sub 2] van een bedrag van

€ 90.975,48 vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 8 november 2023 tot aan de dag der algehele voldoening;

En verder in conventie en reconventie aan de zijde van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2]

5.10.

verklaart de beslissingen onder 5.3, 5.6 en 5.9 uitvoerbaar bij voorraad;

5.11.

compenseert de proceskosten aldus dat ieder de eigen kosten draagt;

5.12.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. Haverkate, mr. J.S. Reid en mr. M.C. van Rijn en in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2025.

1

HR 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:404

meer blogs >> podcasts >>

BLOGS en PODCASTS

Alimentatie berekenen bij samengestelde gezinnen: een tussenstand
Mr. Hedy Bollen, 17-12-2024
Diverse auteurs deden de laatste jaren voorstellen om het alimentatierekenen voor samengestelde gezinnen te verbeteren. De auteur zet de voorstellen op rij en geeft ze een persoonlijke score.
Podcastgesprek: Nieuwe rekenmethodiek voor kinderalimentatie bij samengestelde gezinnen? (II)
Mr. Jan Bram de Groot en Mr. Rob van Coolwijk, 13-11-2024
Nadat in het eerste deel van dit tweeluik de achtergrond van de discussie werd geschetst, zoomen Rob van Coolwijk en Jan Bram de Groot in dit deel nader in op de door De Groot voorgestelde rekenmethodiek.
Podcastgesprek: Nieuwe rekenmethodiek voor kinderalimentatie bij samengestelde gezinnen? (I)
Mr. Jan Bram de Groot en Mr. Rob van Coolwijk, 11-11-2024
Wat zou er moeten wijzigen voor kinderalimentatie bij samengestelde gezinnen en waarom? Rob van Coolwijk gaat hierover in gesprek met Jan Bram de Groot, voorzitter van de Expertgroep Alimentatienormen.
Vaststelling vaderschap van een overleden man: kan daar verweer tegen worden gevoerd?
Mr. dr. Myriam Lückers, 05-11-2024
De weduwe wordt niet aangemerkt als belanghebbende bij een verzoek gerechtelijke vaststelling vaderschap van haar overleden man, aldus HR 4 oktober 2024. Is verweer in een dergelijke zaak dan niet mogelijk?
Unieke beschikking: van rechtswege onstaan ouderlijk gezag aangetekend in gezagsregister
Michelle Booij-Smid, 05-11-2024
Meeroudergezinnen lopen nog altijd tegen problemen aan met betrekking tot juridisch ouderschap en gezag. In deze zaak bood Rechtbank Amsterdam de moeders en hun kind een oplossing.
Verjaarde vorderingen en de verdeling van de nalatenschap
Mr. Arend de Bakker, 08-10-2024
Kunnen verjaarde rechtsvorderingen in de verdeling van de nalatenschap betrokken worden? De auteur analyseert diepgaand de literatuur en de jurisprudentie hierover. Een blog, bestemd voor de superspecialist!
Aansprakelijkheid bij scheidingsbegeleiding? Een reëel risico
Drs. Jasper Horsthuis, 08-10-2024
In een uitspraak van de rechtbank Den Haag werd een mediator aansprakelijk gesteld voor vermeende tekortkomingen bij de begeleiding. Wat mag van een scheidingsprofessional worden verwacht?
Zorgregeling voor baby’s en hele jonge kinderen: een nieuw uitgangspunt
Mr. Eline Gubbens, 08-10-2024
Recent wetenschappelijk onderzoek naar contactregelingen voor jonge kinderen heeft geleid tot nieuwe inzichten met betrekking tot zorgregelingen. Wat zien we daarvan terug in richtlijnen en jurisprudentie?
Podcastgesprek: Dga en scheiding
Mr. Frank van den Barselaar en Drs. Jacqueline van der Vorm, 10-09-2024
De echtscheiding van een dga is vaak bijzonder complex. Fiscalisten Frank van den Barselaar en Jacqueline van der Vorm bespreken met elkaar verschillende financiële en fiscale aspecten hiervan.
Podcastgesprek: Ondernemer en scheiding
Drs. Jacqueline van der Vorm en Mr. Frank van den Barselaar, 27-08-2024
Fiscalisten Jacqueline van der Vorm en Frank van den Barselaar bespreken de verschillende aspecten die komen kijken bij de begeleiding van ondernemers en/of hun partner bij een scheiding.
×

Rapport alimentatienormen versie 2024

 

INHOUDSOPGAVE

Voorwoord
1. Inleiding
2. Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen
2.1 Inleiding
2.2 Modellen voor het bepalen van het netto besteedbaar (gezins)inkomen
2.3 Verschillende soorten inkomen
2.4 Kindgebonden budget
3. Behoefte
3.1. Algemeen
3.2 Het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen
3.3 Behoefte van de ex-partner
4. Draagkracht
4.1 Algemeen
4.2 Berekening van draagkracht voor kinderalimentatie en partneralimentatie (algemeen)
4.3 Bepalen van draagkracht voor kinderalimentatie voor kinderen tot 21 jaar
4.4 Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie
4.5 Inkomensvergelijking (voorheen jusvergelijking)
4.6 Bijzondere omstandigheden die de draagkracht kunnen beïnvloeden
4.7 Inkomensverlies van een onderhoudsplichtige
4.8 Uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn
4.9 Fiscale gevolgen van het hebben van een auto van de zaak
4.10 Draagkracht bij verpleging in een instelling voor langdurige zorg
5. Stappenplannen en rekenvoorbeelden
5.1 Stappenplan kinderalimentatie
5.2 Stappenplan partneralimentatie
5.3 Rekenvoorbeelden niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten
5.4 Rekenvoorbeeld aanvaardbaarheidstoets

Voorwoord

Wettelijke maatstaven

De hoogte van kinder- en partneralimentatie is afhankelijk van de behoefte van degene die recht heeft op alimentatie en van de draagkracht van degene die de alimentatie moet betalen (artikel 1:397, lid 1, Burgerlijk Wetboek). Behoefte en draagkracht zijn open normen, dat wil zeggen dat niet in wet- of andere regelgeving is vastgelegd wat daaronder precies moet worden verstaan.

Aanbevelingen en rekenmodellen

In het Rapport alimentatienormen (hierna: het rapport) doet de Expertgroep Alimentatie (hierna: de expertgroep) aanbevelingen voor het concretiseren en toepassen van deze open normen in het juridische debat en voor het aan de hand daarvan berekenen van de hoogte van kinder- en partneralimentatie.

Met deze aanbevelingen beoogt de expertgroep de rechtseenheid te bevorderen en bij te dragen aan de voorspelbaarheid van de uitkomst van een alimentatieprocedure. Het rapport is uitdrukkelijk niet bedoeld als handboek voor alles wat met alimentatie te maken heeft. Het rapport bevat geen aanbevelingen voor onderwerpen die buiten de reikwijdte van de begrippen behoefte en draagkracht en het aan de hand daarvan berekenen van alimentatie vallen. Die onderwerpen komen daarom in dit rapport niet aan bod. Als een vraag daarover voorligt, zal de rechter een op het geval toegesneden oordeel geven.

Voor het berekenen van alimentatie heeft de expertgroep modellen ontwikkeld (zie bijlage 1). Verschillende uitgevers brengen rekenprogramma’s uit die gebaseerd zijn op deze reken- modellen.

Het rapport is in 2023 ingrijpend herschreven en gemoderniseerd: indeling, stijl en taalgebruik zijn gewijzigd, maar inhoudelijk zijn de aanbevelingen hetzelfde gebleven. Voor de leesbaarheid is het rapport in de wij-vorm geschreven. Waar staat dat ‘wij’ iets doen mag gelezen worden dat de expertgroep aanbeveelt om dat zo te doen.

Gebruik van het rapport

Dit rapport is geschreven door rechters met het doel de aanbevelingen toe te passen bij de beoordeling van aan hen voorgelegde alimentatiegeschillen. Rechters kunnen van de aanbevelingen afwijken. Zij zullen dat in de regel alleen doen als er bijzondere omstandig- heden zijn. Bij die beoordeling speelt wat partijen stellen en hoe zij dat onderbouwen een belangrijke rol. Een relatief strikte toepassing van de aanbevelingen bevordert de rechtseenheid en de voorspelbaarheid van rechterlijke beslissingen.

Advocaten, mediators en anderen maken voor hun advieswerk en (rechts)bijstand gebruik van het rapport. Bij de meeste alimentatiekwesties maken partijen zelf afspraken, zonder tussenkomst van een rechter. Dat staat partijen vrij. Belangrijk is dat zij bij die afspraken binnen de wettelijke kaders blijven.
Gemeenten kunnen de aanbevelingen in dit rapport gebruiken bij verhaal van bijstands- uitkeringen. De specifieke bestuursrechtelijke vragen rond bijstandsverhaal vallen buiten het bestek van dit rapport.

Rapport 2024

De editie van 2024 bevat een belangrijke wijziging. Met ingang van 2023 is ook voor de bepaling van de draagkracht voor partneralimentatie het forfaitaire systeem van toepassing. Uitgangspunt daarbij is dat de onderhoudsplichtige een budget voor de eigen lasten heeft. Voor bijzondere lasten die volgens de onderhoudsplichtige niet uit dat budget kunnen worden bestreden (bijvoorbeeld herinrichtingskosten, advocaatkosten etc.) gelden nu zowel voor kinderalimentatie als voor partneralimentatie dezelfde uitgangspunten (zie hoofdstuk 4.6).

Den Haag, december 2023

mr. J.B. de Groot, voorzitter

mr. Y. Oosting, secretarisLeeuwarden, december 2022

1. INLEIDING

In artikel 1:392, lid 1, BW staat wie op grond van bloed- of aanverwantschap gehouden zijn tot het verstrekken van levensonderhoud. Dat zijn de ouders, de kinderen en behuwd- kinderen, schoonouders en stiefouders. In deze wetsbepaling staat niet wie de onderhouds- gerechtigden zijn. Dat kunnen we afleiden uit de formulering en uit andere artikelen in Titel 17 van Boek 1, BW.

In dit rapport doet de expertgroep aanbevelingen voor het vaststellen of wijzigen van de hoogte van kinder- en/of partneralimentatie na het verbreken van de relatie (alleen bij kinderalimentatie), echtscheiding, na het verbreken van een geregistreerd partnerschap en na scheiding van tafel en bed.

Het gaat daarbij om:

  • een bijdrage van de ouder in de kosten van verzorging en opvoeding van zijn of haar kind(eren) aan de andere ouder  (kinderalimentatie) of direct aan het kind (indien dat 18 jaar of ouder is);
  • een uitkering tot levensonderhoud aan de gewezen echtgeno(o)t(e), de echtgenoot van wie iemand gescheiden is van tafel en bed en de gewezen geregistreerde partner (partneralimentatie). Hierna spreken wij in al deze gevallen van ex-partners.

Op grond van artikel 1:404, lid 1, BW zijn ouders verplicht naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen. Gedurende het huwelijk of geregistreerd partnerschap zijn ook stiefouders onderhoudsplichtig voor de minderjarige kinderen van hun echtgenoot of geregistreerde partner die tot hun gezin behoren (art. 1:395 BW). Ouders, en in voorkomend geval stiefouders, zijn ook onderhoudsplichtig voor hun kinderen van 18 tot 21 jaar (artikel 1:395a BW). Voor kinderen vanaf 21 jaar zijn ouders onderhoudsplichtig op grond van artikel 1:392, lid 1, BW.

Als ouders uit elkaar gaan, moeten zij afspraken maken over de verdeling van de kosten van hun kind of kinderen. In de praktijk betekent dit meestal dat de ene ouder aan de andere (verzorgende) ouder – dat is de ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft – of aan het kind zelf als dat 18 jaar of ouder is (kinder)alimentatie moet betalen. Als de ouders er samen niet uitkomen, zal de rechter op verzoek bepalen welk bedrag aan kinderalimentatie een ouder moet betalen.

Als een ex-partner partneralimentatie moet betalen aan de andere partner, kunnen zij daar samen afspraken over maken. Als zij daar met elkaar niet uitkomen, zal de rechter daarover desgevraagd beslissen. 

Of en welke bedrag(en) iemand aan alimentatie moet betalen hangt ervan af: 

  1. of er een onderhoudsverplichting is, en
  2. of sprake is van behoeftigheid (dit geldt niet voor kinderen tot 21 jaar), en
  3. of de onderhoudsgerechtigde behoefte heeft aan een financiële bijdrage, en
  4. of de onderhoudsplichtige draagkracht heeft om de bijdrage te betalen.

ad 1. Rangorde onderhoudsverplichtingen

Kinderen en stiefkinderen die de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt, hebben voorrang boven alle andere onderhoudsgerechtigden. Deze voorrangsregel is aan de orde als iemand verplicht is levensonderhoud te verstrekken aan twee of meer personen, terwijl hij of zij onvoldoende draagkracht heeft om dit levensonderhoud aan alle onderhoudsgerechtigden volledig te verschaffen (art. 1:400, lid 1, BW).

Door deze voorrangsregel moet een onderhoudsplichtige eerst de kinderalimentatie voor kinderen en stiefkinderen tot 21 jaar betalen en pas daarna (als aan de overige voorwaarden is voldaan) de alimentatie voor (stief)kinderen vanaf 21 jaar en de partneralimentatie.

ad 2. Behoeftigheid

Voor het opleggen van een alimentatieverplichting moet bij ex-partners en kinderen vanaf 21 jaar sprake zijn van behoeftigheid. Een onderhoudsgerechtigde is behoeftig:

  • wanneer hij of zij niet in staat is om (geheel) in het eigen levensonderhoud te voorzien, omdat hij of zij de nodige eigen middelen mist; én
  • hij of zij deze eigen middelen niet in redelijkheid kan verwerven.

Indien de onderhoudsgerechtigde geen of onvoldoende inkomsten heeft om in het levensonderhoud te voorzien, kan er aanleiding zijn om rekening te houden met een bepaalde verdiencapaciteit. Dat wil zeggen de mogelijkheid om in redelijkheid inkomen te verwerven. Of er aanleiding bestaat om met een verdiencapaciteit rekening te houden is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, zoals opleiding, werkervaring, de geboden tijd om werk te zoeken, de gezondheid en de zorg voor kinderen.

Als een onderhoudsgerechtigde over vermogen beschikt, kan het onder omstandigheden redelijk zijn dat we verlangen dat iemand op dit vermogen inteert.

De expertgroep geeft geen richtlijnen over de behoeftigheid.

Ad 3 en 4. Behoefte en draagkracht

Behoefte

Behoefte is – ook bij kinderen – een van de wettelijke maatstaven voor vaststelling van alimentatie. Volgens vaste jurisprudentie is behoefte geen absoluut begrip. Het bestaan en de omvang van de behoefte hangen af van de individuele omstandigheden en moeten we van geval tot geval bepalen. Allerlei omstandigheden kunnen hierbij een rol spelen.

In elk geval is behoefte niet beperkt tot het bestaansminimum.

Draagkracht

Of iemand draagkracht heeft om alimentatie te betalen hangt enerzijds af van de inkomsten en het vermogen en anderzijds van de noodzakelijke uitgaven die daarop in mindering komen.

Daarbij gaat het niet alleen om de middelen waarover de onderhoudsplichtige beschikt, maar ook over die waarover hij redelijkerwijze had kunnen beschikken. Bij de uitgaven gaat het niet alleen om de uitgaven voor de onderhoudsplichtige zelf, maar kunnen ook de uitgaven een rol spelen voor anderen van wie het onderhoud voor rekening van de onderhoudsplichtige komt.

De vast te stellen alimentatie mag niet hoger zijn dan enerzijds de behoefte van de onderhoudsgerechtigde en anderzijds de draagkracht van de onderhoudsplichtige.

De laagste van die twee vormt de maximale bijdrage. De omstandigheden van partijen kunnen aanleiding geven de alimentatie lager dan dit maximum vast te stellen.

Opbouw van het rapport

In hoofdstuk 2 leggen we de begrippen netto besteedbaar inkomen en netto besteedbaar gezinsinkomen uit en laten we zien hoe we deze berekenen. In hoofdstuk 3 gaan we in op het bepalen van de behoefte voor zowel kinderalimentatie als partneralimentatie. In hoofdstuk 4 staan we stil bij het bepalen van de draagkracht voor kinder- en partneralimentatie. In dat hoofdstuk gaan we ook in op de zorgkorting die een rol speelt bij het bepalen van het bedrag aan kinderalimentatie dat iemand moet betalen. In hoofdstuk 5 zetten we aan de hand van twee stappenplannen met voorbeelden uiteen hoe we de behoefte en de draagkracht en uiteindelijk het bedrag aan kinder- en partneralimentatie bepalen.

Achter het rapport zitten de volgende bijlagen:

  • Bijlage 1 Model voor de netto methode, model voor de bruto methode en de toelichting op de modellen.
  • Bijlage 2 Diverse tarieven.
  • Bijlage 3 Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen.
  • Bijlage 4 Draagkrachttabel kinderalimentatie.

2 Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen

2.1 Inleiding

Behoefte en draagdracht bepalen we voor kinder- en partneralimentatie op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen respectievelijk het netto besteedbaar inkomen. Bij kinderalimentatie speelt naast het netto besteedbaar (gezins)inkomen het kindgebonden budget een rol.

In dit hoofdstuk bespreken we de begrippen netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen.

Onder netto besteedbaar inkomen verstaan we het bruto inkomen verminderd met de daarover verschuldigde of ingehouden premies sociale verzekeringen (inclusief de inkomens- afhankelijke bijdrage premie zorgverzekeringswet) en loon- en/of inkomstenbelasting. Het netto besteedbaar gezinsinkomen is het gezamenlijke netto besteedbare inkomen van de (ex-)partners toen zij nog een gezin vormden.

2.2 Modellen voor het bepalen van het netto besteedbaar (gezins)inkomen

De expertgroep heeft twee modellen gemaakt waarmee we het netto besteedbaar inkomen berekenen: het netto model en het bruto model. Beide modellen staan in Bijlage 1 bij dit rapport.

In het netto model gebruiken we netto inkomensgegevens om het netto besteedbaar (gezins)inkomen te bepalen. In het bruto model berekenen we het netto besteedbaar inkomen aan de hand van (onder andere) de bruto inkomensgegevens.

2.2.1 Het netto model

We kunnen het netto model gebruiken bij het bepalen van de draagkracht van een onder- houdsplichtige met een inkomen uit dienstbetrekking of een uitkering van minder dan € 1.930 bruto per maand (incl. vakantietoeslag). Het bruto inkomen vinden we in een loon- of salarisspecificatie of in een specificatie van de uitkering. Ook het daarvan resterende netto inkomen blijkt uit die specificaties. De gehele berekening voeren we vervolgens uit met nettobedragen op maandbasis.

Het netto model kunnen we ook gebruiken als het inkomen niet is onderworpen aan de heffing van loon- en inkomstenbelasting in Nederland.

Het netto besteedbaar inkomen vinden we in het netto model bij post 8.

  

2.2.2 Het bruto model

We gebruiken het bruto model bij bruto inkomens vanaf € 1.930 per maand en bij alle inkomens buiten dienstbetrekking (bijvoorbeeld bij IB-ondernemers). We gebruiken het bruto model ook als er fiscale voordelen zijn (bijvoorbeeld bij uitgaven voor inkomens- voorzieningen), fiscale bijtellingen, bij bezittingen die in box 3 belast zijn of als specifieke heffingskortingen een rol spelen. Het invullen van dit bruto model is in grote lijnen vergelijkbaar met het invullen van een aangifte voor de inkomstenbelasting.

In het bruto model vinden we het netto besteedbaar inkomen bij post 121.

2.3 Verschillende soorten inkomen

2.3.1 Inkomen uit dienstbetrekking of uitkering

Werknemers en uitkeringsgerechtigden kunnen hun inkomen met loonstroken, uitkerings- specificaties en/of één of meer jaaropgaven aantonen.

2.3.2 Winst uit onderneming

Een natuurlijke persoon die een onderneming op eigen naam of in samenwerking met anderen drijft (IB-ondernemer), geniet winst uit onderneming. De ondernemer moet inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen betalen over de gerealiseerde winst, na aftrek van ondernemersaftrekken en eventuele andere aftrekposten. Het komt regelmatig voor dat een ondernemer niet de gehele nettowinst (het netto besteedbaar inkomen dat volgt uit de berekening met het bruto model) voor het levensonderhoud gebruikt. Een deel van de winst (waar al inkomstenbelasting over is betaald) blijft dan in de onderneming achter, bijvoorbeeld om daarmee investeringen te doen of om (bedrijfs)schulden af te lossen. Het netto besteedbaar inkomen is dan lager.

Bij het bepalen van de draagkracht van een ondernemer kijken we naar wat deze ondernemer in redelijkheid aan inkomen uit de onderneming kan verwerven zonder de continuïteit van de onderneming in gevaar te brengen. We moeten daarom een schatting makenvan de toekomstige ontwikkelingen in de onderneming (een prognose). In de praktijk lijkt de gedachte te bestaan dat we daarvoor moeten kijken naar het gemiddelde resultaat van de laatste drie jaren. Hoewel dat gemiddelde resultaat helpend kan zijn bij het maken van de prognose (en inzage in recente jaarstukken van de ondernemer daarvoor onmisbaar is), is dat gemiddelde resultaat slechts één van de omstandigheden die bij het maken van de prognose een rol kan spelen.

2.3.3 De directeur-grootaandeelhouder

De directeur-grootaandeelhouder in een vennootschap (meestal een BV) krijgt in de regel salaris, net als een werknemer in een ‘normale’ dienstbetrekking. Daarnaast kan hij winst- uitkeringen (dividend, winst uit aanmerkelijk belang) ontvangen. Wanneer een directeur-grootaandeelhouder privéuitgaven laat voorschieten door of geld leent van de BV die deze schuld in rekening-courant boekt, kan er aanleiding zijn om bij het bepalen van de behoefte en/of draagkracht met deze opnames rekening te houden. 

2.3.4 Inkomen uit vermogen

In bepaalde gevallen kunnen we bij het bepalen van het netto besteedbaar inkomen rekening houden met werkelijke inkomsten uit vermogen, zoals inkomen uit de verhuur van onroerend goed. Dat inkomen moet dan in elk geval bestendig beschikbaar (kunnen) zijn.

2.4 Kindgebonden budget

Het kindgebonden budget is een inkomensafhankelijke maandelijkse bijdrage van de overheid die bij alleenstaande ouders wordt verhoogd met een zogeheten ‘alleenstaande ouderkop’.

Het kindgebonden budget is bedoeld als inkomensondersteuning voor (in beginsel) de ouder die kinderbijslag voor het kind ontvangt.

3. BEHOEFTE

3.1 Algemeen

Bij het bepalen van het bedrag dat iemand aan kinder- en/of partneralimentatie moet betalen, houden we rekening met de behoefte van de onderhoudsgerechtigden (volgens art. 1:397, lid 1, BW). De wetgever heeft de betekenis van het begrip behoefte niet nader ingevuld. Het is een zogenoemde open norm. Behoefte kunnen we omschrijven als het bedrag dat nodig is voor de kosten van levensonderhoud en dat aansluit bij de mate van welstand waarin partijen tijdens hun samenleving hebben geleefd. Het bestaan en de omvang van de behoefte hangen dus af van de individuele omstandigheden. Daarbij kunnen algemene ervaringsregels een rol spelen (volgens art. 149, lid 2, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

Bij kinderalimentatie houden we er rekening mee dat ouders de kosten van verzorging en opvoeding van hun kinderen niet helemaal zelf hoeven te betalen. De kinderbijslag die de ouders (in de regel: de ouder bij wie een kind het hoofdverblijf heeft) ontvangen dekt een deel van die kosten. Het restant komt voor rekening van de ouders zelf. Dat restant noemen we in dit rapport ‘het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’.

Hierna gebruiken we in het kader van kinderalimentatie daarom niet de term ‘behoefte’, maar spreken we van ‘het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’ of kortweg ‘eigen aandeel’.

Bij partneralimentatie beveelt de expertgroep voor het bepalen van de behoefte het gebruik aan van een vuistregel, de zogenoemde hofnorm. Zie voor een uitleg van de hofnorm paragraaf 3.3.1 en 3.3.2.

3.2 Het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

3.2.1 Inleiding

De expertgroep doet in dit rapport een concrete aanbeveling voor het bepalen van het eigen aandeel. Deze aanbeveling berust op de algemene ervaringsregel dat ouders in gezinnen een vast percentage van het beschikbare inkomen besteden aan hun kind(eren).

We bepalen het eigen aandeel aan de hand van de Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen (Bijlage 4). In deze bijlage staat ook een toelichting op hoe de tabel werkt. In de tabel is rekening gehouden met de kinderbijslag. In de regel ontvangt de ouder bij wie een kind het hoofdverblijf heeft de kinderbijslag.

Hierna bespreken we de onderwerpen die van belang zijn bij het bepalen van het eigen aandeel.

3.2.2 De Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

De Tabel eigen aandeel is als volgt tot stand gekomen.

De welstand van het gezin waarin de ouders met de kinderen leven en daarmee de hoogte van de uitgaven voor de kinderen hangt samen met het netto besteedbaar gezinsinkomen.

Uit onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) blijkt dat ouders een bepaald percentage van dat gezinsinkomen aan hun kinderen besteden.

De Tabel eigen aandeel is gebaseerd op dit onderzoek. Het systeem is uitgewerkt in het rapport Kosten van kinderen ten behoeve van vaststelling kinderalimentatie. https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/rapport-kosten-kkn-sept-2006.pdf  In 2018 hebben het CBS en het NIBUD voor het laatst onderzoek gedaan naar de percentages van het gezinsinkomen die ouders aan hun kinderen besteden. De bedragen in de Tabel eigen aandeel zijn sinds 2019 gebaseerd op de cijfers uit dit laatste onderzoek. Het Nibud actualiseert de bedragen in de tabel jaarlijks met de meest actuele percentages van de kosten van kinderen en de kinderbijslagbedragen. De bedragen in de tabel worden verder niet geïndexeerd.

We berekenen het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen na scheiding op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen in de laatste periode dat de ouders en de kinderen een gezin vormden. Dit omdat de kinderen aan de welstand zoals die aanwezig was toen de ouders met de kinderen nog bij elkaar woonden gewend zijn geraakt en zij door de scheiding van de ouders – in beginsel – niet slechter af zouden moeten zijn.

Het eigen aandeel per kind is lager naarmate er meer kinderen in een gezin leven. Dat komt doordat de gemiddelde kosten per kind (door “schaalvoordelen”) dalen bij meer kinderen.

In de Tabel eigen aandeel houden we geen rekening met de leeftijd(en) van de kinderen.

De tabel is gebaseerd op gemiddelde bedragen aan kinderbijslag. Als er meer kinderen in een gezin zijn, bepalen we het eigen aandeel per kind door het tabelbedrag te delen door het aantal kinderen.

3.2.3 Bepalen eigen aandeel op basis van het laatste gezinsinkomen toen de ouders nog bij elkaar waren

In beginsel bepalen we het eigen aandeel op basis van het gezamenlijke inkomen dat ouders hadden toen zij nog bij elkaar waren, inclusief het kindgebonden budget en andere (fiscale) aanspraken (zoals de aanspraak op de inkomensafhankelijke combinatiekorting).

Wanneer we het eigen aandeel vaststellen op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen in een eerder jaar dan het jaar waarin de kinderalimentatie ingaat, indexeren we dat eigen aandeel naar het jaar van ingang.

3.2.4 Eigen aandeel bij gezinnen met minderjarige kinderen en kinderen van 18 tot 21 jaar

De Tabel eigen aandeel ziet op kosten van minderjarige kinderen. Bij het gebruik van de tabel gaan we er voor het aantal kinderen van uit dat alle kinderen minderjarig zijn, ook als er naast een minderjarig kind of kinderen één of meer kinderen van 18 tot 21 jaar zijn.

3.2.5 Eigen aandeel bij ouders die nooit met het kind of de kinderen in gezinsverband hebben samengeleefd

Wanneer ouders nooit in gezinsverband met het betrokken kind of de kinderen hebben samengeleefd, bepalen we het eigen aandeel door het gemiddelde te nemen van het eigen aandeel berekend op basis van het inkomen van de ene ouder en het eigen aandeel op basis van het inkomen van de andere ouder. Op deze manier beoordelen we de welstand die het kind bij iedere ouder afzonderlijk ervaart of zou hebben ervaren als het alleen bij die ouder opgroeit of was opgegroeid. Met (inkomsten van) nieuwe partners houden we geen rekening.

Bij de bepaling van het inkomen van iedere ouder afzonderlijk houden we rekening met het kindgebonden budget en andere (fiscale) aanspraken (zoals de aanspraak op de inkomensafhankelijke combinatiekorting), indien de ouder voldoet aan de voorwaarden om daarvoor in aanmerking te komen of zou voldoen als het kind bij hem of haar zou opgroeien (zoals de inkomens- en vermogensgrens). Voor een ouder bij wie het kind niet opgroeit gaat het om een fictief bedrag (alsof het kind alleen bij die ouder zou opgroeien).

3.2.6 Bijzondere kosten

In de tabelbedragen zijn alle gebruikelijke kosten van een kind, zoals voeding, kleding en huisvesting begrepen. Allerlei kosten en activiteiten zijn uitwisselbaar. Zo kunnen ouders het bedrag voor ‘ontspanning’ in het eigen aandeel op verschillende manieren besteden: van voetbal tot paardrijden en van computergame tot vioolles. Uit het CBS-onderzoek blijkt dat hogere uitgaven in een gezin aan de ene post samengaan met lagere uitgaven aan een andere post. Met andere woorden, wanneer een gezin een meer dan gemiddeld bedrag aan bijvoorbeeld kleding besteedt, dan hoeft dat niet te betekenen dat voor de post kleding een correctie moet plaatsvinden. Ouders bezuinigen dan op één of meer andere posten. Vanwege die uitwisselbaarheid kunnen we slechts in globale termen aangeven in welke gevallen naast de tabelbedragen met bijzondere kosten rekening kan worden gehouden.

Bepaalde extra kosten kunnen zo uitzonderlijk zijn, dat ouders deze niet kunnen betalen uit de standaardbedragen in de tabel en deze uitgaven daadwerkelijk op het (gezins) inkomen drukken. Voorbeelden zijn de kosten voor:

  • een gehandicapt kind;
  • topsport;
  • privélessen;
  • extra hoge schoolgelden; en
  • kinderopvang of oppaskosten die – na aftrek van de kinderopvangtoeslag en eeneventuele bijdrage van de werkgever – zo hoog zijn dat deze niet gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven op andere posten.

[[NOTE: Volgens het rapport Kosten van kinderen behoren ook hoge oppaskosten in verband met de verwerving

van inkomsten tot de categorie bijzondere kosten die niet in de tabel verwerkt zijn. Uit onderzoek van het

CBS uit de tijd voor de huidige systematiek van financiering van de kinderopvang is echter gebleken dat

bij een echtpaar oppaskosten niet leiden tot in totaal hogere kosten van kinderen. Kennelijk worden in

die situatie hoge oppaskosten of kosten van kinderopvang gecompenseerd met lagere uitgaven aan een

andere post. Hoewel dit onderzoek dateert van de tijd vóór de huidige systematiek van financiering van

kinderopvang, acht de expertgroep het aannemelijk dat dit in het merendeel van de gevallen nog steeds

zo is. Indien echter sprake is van dermate hoge kosten voor kinderopvang of dermate hoge oppaskosten

dat deze niet (volledig) gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven op andere posten, kan dat

leiden tot in totaal hogere kosten van kinderen dan het tabelbedrag.]]

Bij dergelijke bijzondere extra kosten berekenen we het eigen aandeel als volgt. Als ouders de betreffende extra kosten al voor de scheiding maakten, dan trekken we deze kosten (minus tegemoetkomingen daarop van bijvoorbeeld werkgever of overheid) af van het netto besteedbaar gezinsinkomen. Het eigen aandeel bepalen we vervolgens op basis van het resterende netto besteedbaar gezinsinkomen. Het nieuwe eigen aandeel bestaat uit het in de tabel gevonden bedrag plus de extra kosten na de scheiding, opnieuw verminderd met de eventuele tegemoetkomingen in die kosten.

Als de kosten pas na de scheiding zijn ontstaan, berekenen we het eigen aandeel op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen zonder correctie en tellen we de bijzondere kosten op bij het gevonden eigen aandeel.

3.2.7 Vermindering of wegvallen van inkomen van één van de ouders na (echt)scheiding

Vermindering of wegvallen van inkomen van een ouder na (echt)scheiding mag geen invloed hebben op de hoogte van het eigen aandeel. Het welvaartsniveau ten tijde van het uit elkaar gaan blijft in beginsel bepalend. Wel kan dit lagere inkomen tot een lagere draagkracht en dus een lagere bijdrage leiden.

3.2.8 Stijging van het eigen aandeel na een latere aanzienlijke inkomensstijging van een van de ouders

Wanneer het inkomen van een ouder na scheiding zodanig stijgt dat het hoger is dan het (gezins)inkomen tijdens het huwelijk of de samenleving, is de expertgroep van mening dat dit invloed moet hebben op de hoogte van het eigen aandeel. Indien het gezinsverband zou hebben voortgeduurd, zou die verhoging immers ook een positieve invloed hebben gehad op het bedrag dat voor de kinderen zou zijn uitgegeven. In dat geval bepalen we het eigen aandeel op basis van dat hogere inkomen van die ouder opnieuw.

3.2.9 Stijging van het eigen aandeel na een latere aanzienlijke inkomensstijging van één van de ouders die nooit met het kind/de kinderen in gezinsverband hebben samengeleefd

Ook voor kinderen van ouders die niet in gezinsverband hebben samengewoond, vindt de expertgroep dat een aanzienlijke inkomensstijging van één van de ouders invloed moet hebben op de vaststelling van het eigen aandeel. We berekenen het eigen aandeel opnieuw als het netto besteedbaar inkomen van één ouder stijgt tot boven de feitelijke netto besteed- bare inkomens van de ouders samen bij de eerdere vaststelling van het eigen aandeel (de drempel), vermeerderd met het destijds werkelijk genoten kindgebonden budget. Als de inkomensstijging de ouder betreft die voor het betreffende kind of kinderen geen kindge- bonden budget ontvangt, dan verstaan we onder het gestegen netto besteedbaar inkomen dat inkomen zonder bijtelling van een fictief kindgebonden budget.

Als de drempel is gehaald berekenen we het eigen aandeel vervolgens opnieuw op de wijze zoals hiervoor omschreven voor de berekening van het eigen aandeel van ouders die nooit hebben samengewoond, maar dan op basis van de actuele inkomens van de beide ouders.

Daarbij beoordelen we de situatie weer alsof het kind bij die ouder zou wonen, zodat wel met het (fictief) kindgebonden budget waar dan aanspraak op zou bestaan rekening moet worden gehouden én met eventuele heffingskortingen waar in die – fictieve – situatie aanspraak op zou bestaan.

3.2.10 De behoefte van kinderen van 18 tot 21 jaar

De Tabel eigen aandeel kunnen we niet gebruiken voor het bepalen van de behoefte van kinderen van 18 tot 21 jaar.

Studerenden

Voor kinderen van 18 tot 21 jaar die onder de Wet studiefinanciering (Wsf) vallen heeft de expertgroep geen aparte maatstaven ontwikkeld. We nemen voor het bepalen van de behoefte de normen van de Wsf tot uitgangspunt. Volgens de Wsf bestaat het budget voor een student uit een normbedrag voor de kosten van levensonderhoud, een tegemoetkoming

in de kosten van lesgeld danwel het collegegeldkrediet en de reisvoorziening. Een student die stelt voor één of meer bepaalde posten een hoger budget nodig te hebben, moet dat aannemelijk maken. De aanspraken die een student heeft op studiefinanciering of een andere tegemoetkoming (zoals een bijdrage uit een privaat studiefonds) kunnen de behoefte onder omstandigheden verlagen. In het algemeen zijn de basisbeurs en de aanvullende beurs (een gift) behoefte verlagend, omdat van een student in redelijkheid mag worden verlangd dat hij binnen de genoemde termijn een diploma haalt. De rentedragende lening en het collegegeldkrediet moeten wel altijd worden terugbetaald en verlagen de behoefte in beginsel niet.

Voor studenten in het hoger onderwijs is de Wsf-norm voor thuiswonende studenten gelijk aan die voor uitwonende studenten. Heeft een thuiswonende student geen woon- last, dan kan dat de behoefte verlagen, bijvoorbeeld met een bedrag ter hoogte van de gemiddelde basishuur.

Niet studerenden

Voor niet-studerenden van 18 tot 21 jaar kunnen we bij het bepalen van de behoefte eveneens aansluiten bij het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud uit de Wsf.

De bedragen voor studiekosten (boeken en leermiddelen) die in de norm zitten, trekken we daar dan van af.

Eigen inkomsten van kinderen van 18 tot 21 jaar

Structurele eigen inkomsten van kinderen van 18 tot 21 jaar kunnen de behoefte verlagen.

Kind van 18 tot 21 jaar ontvangt zorgtoeslag

Uit het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud wordt een kind van 18 tot 21 jaar geacht ook de premie voor de zorgverzekering te voldoen. In dat normbedrag is al rekening gehouden met een ontvangen zorgtoeslag. Een eventuele zorgtoeslag hoeven we dus niet nog afzonderlijk in mindering te brengen.

3.2.11 De behoefte van kinderen vanaf 21 jaar

Ook een kind van 21 jaar en ouder kan behoefte hebben aan een bijdrage in zijn levensonderhoud.

Anders dan kinderen tot 21 jaar, kan een meerderjarig kind in beginsel alleen aanspraak maken op een bijdrage van een (van de) ouder(s) wanneer dat kind behoeftig is. Daarvan is sprake als het niet in staat is om (geheel) in het eigen levensonderhoud te voorzien omdat het:

a. de nodige eigen middelen mist en

b. deze in redelijkheid niet kan verwerven.

De behoefte van een kind vanaf 21 jaar kunnen we vervolgens op dezelfde wijze bepalen als die van kinderen van 18 tot 21 jaar.

3.3 Behoefte van de ex-partner

3.3.1 Inleiding

Voor het bepalen van de netto behoefte in het kader van partneralimentatie heeft de rechtspraak een eenvoudig te hanteren vuistregel ontwikkeld: de zogenoemde hofnorm.

De hofnorm berust op de algemene ervaringsregel dat de kosten van twee afzonderlijke huishoudens (dus na scheiding) hoger zijn dan de helft van de kosten van een gezin.

De hofnorm is volgens de expertgroep een heldere en in de praktijk eenvoudig te hanteren maatstaf die leidt tot een reële schatting van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde na het verbreken van het huwelijk of geregistreerd partnerschap.

Ontvangen kinderalimentatie, kinderbijslag en kindgebonden budget zijn geen inkomen van de onderhoudsgerechtigde ouder, maar zijn bedoeld voor de kinderen. Deze bedragen maken daarom geen deel uit van het eigen inkomen of de verdiencapaciteit van de onderhoudsgerechtigde.

3.3.2 Toepassing van de hofnorm

Uitgangspunt bij toepassing van de hofnorm is dat het gehele netto besteedbaar gezinsinkomen beschikbaar is geweest voor het levensonderhoud van beide partijen.

Wanneer in het gezin kinderen waren voor wie de ouders onderhoudsplichtig waren, dan verminderen we het netto besteedbaar gezinsinkomen met het eigen aandeel van de ouders in de kosten van die kinderen.

De behoefte op basis van de hofnorm bedraagt dan Netto besteedbaar gezinsinkomen

€ .....

Af: Eigen Aandeel kosten kinderen voor wie ouders onderhoudsplichtig waren

€ ..... -/-

Beschikbaar tijdens huwelijk / geregistreerd partnerschap

 ..... 

Behoefte: 60 %

€ .....

Toepassing van de hofnorm heeft als bijkomend voordeel dat ex-echtgenoten niet in een positie worden gebracht waarin zij zich genoodzaakt zien tot nodeloos escalerende discussies over individuele op een behoeftelijst voorkomende kostenposten, hoe gering van omvang ook. Indien een partij het niet eens is met de behoefte die is berekend aan de hand van de hofnorm, ligt het op de weg van die partij om toepassing van de hofnorm gemotiveerd te betwisten en te onderbouwen hoe hoog de behoefte volgens hem/haar is.

3.3.3 Nieuwe relatie onderhoudsgerechtigde zonder ‘samenwonen als waren zij gehuwd’ in de zin van artikel 1:160 BW

Een nieuwe relatie van de onderhoudsgerechtigde die niet het karakter heeft van ‘samen- leven als waren zij gehuwd’ of ‘als waren zij geregistreerd partner’ kan behoefte verlagend werken.

4. DRAAGKRACHT

4.1 Algemeen

Bij het bepalen van de hoogte van het bedrag van kinder- en partneralimentatie houden we (naast de behoefte van de onderhoudsgerechtigde, zie hoofdstuk 3) rekening met de draagkracht van de onderhoudsplichtige(n) (vgl. art. 1:397, lid 1, BW). Wij hanteren als uitgangspunt dat een onderhoudsplichtige voor het eigen levensonderhoud naast een bedrag voor wonen en ziektekosten ten minste een bedrag ter grootte van de bijstandsnorm nodig heeft.

Bij kinderalimentatie kunnen we het begrip draagkracht omschrijven als het bedrag dat een ouder kan bijdragen aan de kosten van verzorging en opvoeding van het kind. Bij partner­ alimentatie ziet het begrip draagkracht op het bedrag dat de onderhoudsplichtige (maximaal) kan betalen aan partneralimentatie. De expertgroep hanteert bij het bepalen van draagkracht als uitgangspunt dat een onderhoudsplichtige na het betalen van alimen- tatie genoeg geld overhoudt om in het eigen levensonderhoud te voorzien.

In par. 4.2.1. geven wij aan de hand van een kernschema aan hoe we draagkracht voor kinder- en partneralimentatie bepalen. In par. 4.2.2 volgt een toelichting op de begrippen die we daarbij gebruiken.

In par. 4.3 en verder gaan we in op van de verdeling van de kosten van de kinderen over de ouders en de berekening van het bedrag van kinderalimentatie.

In par. 4.4 gaan we in op de berekening van draagkracht voor en het bedrag aan partneralimentatie.

In par. 4.5 en verder staan we stil bij enkele bijzondere situaties.

4.2 Berekening van draagkracht voor kinderalimentatie en partneralimentatie (algemeen)

4.2.1. Kernschema voor het berekenen van draagkracht

Draagkracht voor kinder- en partneralimentatie berekenen we aan de hand van het volgende kernschema:

inkomsten    
  Netto besteedbaar inkomen volgens bruto of netto methode €...  
  (alleen bij kinderalimentatie) kindgebonden budget €... +  
  €...
af: lasten    
  Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3) € …  
  Woonbudget (30% van het NBI) € …  
  Andere noodzakelijke lasten € … +  
Draagkrachtloos inkomen   €…
Draagkrachtruimte   €...

Draagkracht is een percentage (draagkrachtpercentage) van het bedrag aan draagkrachtruimte.

4.2.2 Toelichting op de begrippen in het kernschema

4.2.2.1 Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen

Zie voor de uitleg van deze begrippen hoofdstuk 2.

4.2.2.2 Draagkrachtloos inkomen

Het bedrag dat de onderhoudsplichtige nodig heeft voor zijn eigen noodzakelijke lasten en dat daarom geen draagkracht voor het betalen van alimentatie oplevert, noemen we het draagkrachtloos inkomen. Het draagkrachtloos inkomen bestaat uit de gecorrigeerde bijstandsnorm, het woonbudget en andere noodzakelijke lasten.

4.2.2.3 (Gecorrigeerde) bijstandsnorm

Bij de bepaling van de draagkracht hanteren we als uitgangspunt dat de onderhoudsplichtige voor zichzelf ten minste het bestaansminimum moet behouden naast een redelijk gedeelte van zijn draagkrachtruimte. Het bestaansminimum bepalen we aan de hand van de bijstandsnorm. Dat is het bedrag dat de onderhoudsplichtige bij afwezigheid van eigen middelen van bestaan als uitkering krachtens de Participatiewet zou ontvangen. Dit bedrag is afhankelijk van de (nieuwe) gezinssituatie. De Participatiewet onderscheidt diverse categorieën. Daarvan zijn er drie voor de draagkrachtberekening van belang: alleenstaanden (daaronder zijn ook alleenstaande ouders –ongeacht het aantal kinderen – begrepen), gehuwden (met of zonder kinderen) en pensioengerechtigden in de zin van art. 7a eerste lid van de Algemene Ouderdomswet. In artikel 22 Participatiewet is de verhoogde norm voor pensioengerechtigden opgenomen. In beginsel rekenen we met de  norm voor een alleenstaande en houden we geen rekening met de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a Participatiewet. Wel houden we rekening met de verhoogde norm voor pensioengerechtigden. De jongerennorm passen we niet toe.

Het bedrag van de bijstandsnorm verminderen we met de in de bijstandsnorm begrepen componenten voor wonen en zorgkosten en vermeerderen we met een vast bedrag voor de kosten van de zorgverzekering en – afhankelijk van de hoogte van het netto besteed- baar inkomen – een bedrag voor onvoorziene uitgaven. In het kernschema noemen we de uitkomst daarvan de gecorrigeerde bijstandsnorm.

Aldus bepalen we het bedrag van de gecorrigeerde bijstandsnorm (2024, eerste halfjaar) als volgt:

Bijstandsnorm   € 1.284
Af: Wooncomponent € 189  
Af: ziektekostencomponent € 42  
Bij: totaal ziektekosten € 166  
Onvoorzien € 50  
Totaal af/bij    -/- € 15
Gecorrigeerde bijstandsnorm (afgerond op € 5)   € 1.270

Voor AOW-gerechtigden geldt op grond van de Participatiewet een bijstandsnorm van € 1.426 (2024, eerste halfjaar). Voor hen verhogen we het bedrag van de gecorrigeerde bijstandsnorm tot € 1.415.

4.2.2.4 Woonbudget

De onderhoudsplichtige wordt geacht vanuit het woonbudget alle redelijke lasten voor een woning passend bij zijn/haar inkomen te kunnen voldoen. Daaronder verstaan we onder meer:

  • voor een huurwoning: de huur (verminderd met eventuele huurtoeslag), verplichte servicekosten en lokale belastingen;
  • voor een koopwoning: de rente over de eigenwoningschuld verminderd met het fiscaal voordeel in verband met de eigen woning, gangbare aflossingen op die schuld, inleg voor spaar- of beleggingspolissen die aan de hypotheek zijn gekoppeld, premie voor de opstalverzekering, lokale belastingen en polder- of waterschapslasten en onderhoudskosten.

Voor zowel huur- als koopwoningen geldt dat de onderhoudsplichtige (redelijke) lasten voor gas, water en licht die meer bedragen dan het bedrag dat hij vanuit de bijstandsnorm kan voldoen ook vanuit het woonbudget moet betalen.

Als een onderhoudsplichtige duurzaam aanmerkelijk hogere woonlasten heeft dan het woonbudget kunnen we met die extra lasten rekening houden als we kunnen vaststellen dat deze lasten niet vermijdbaar zijn en dat het (voort)bestaan daarvan niet aan de onderhoudsplichtige kan worden verweten (zie 4.6.2).

Indien (mogelijk) sprake is van een tekort aan draagkracht om in de behoefte te voorzien en er aanwijzingen zijn dat de werkelijke woonlasten van een onderhoudsplichtige duur- zaam aanmerkelijk lager zijn dan het woonbudget, bijvoorbeeld omdat deze samenwoont, kan er reden zijn om met een bedrag lager dan het woonbudget te rekenen.(Hoge Raad 16 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:586.) Het ligt op de weg van de onderhoudsplichtige om in dat geval inzicht te geven in de eigen werkelijke woonlasten. Indien een onderhoudsplichtige samenwoont met een nieuwe partner, is bij de beoordeling of bij de onderhoudsplichtige sprake is van een duurzaam aanmerkelijk lagere werkelijke woonlast het uitgangspunt dat de partner de helft van de gezamenlijke woonlast kan dragen.

Het fiscaal voordeel dat betrekking heeft op de eigen woning tellen we niet bij het netto besteedbaar inkomen. Het fiscaal voordeel met betrekking tot de eigen woning evenals andere fiscale aspecten spelen wel een rol bij de bepaling van het verzamelinkomen, dat relevant is voor (bijvoorbeeld) de berekening van het kindgebonden budget.

4.2.2.5 Andere noodzakelijke lasten

Bij het bepalen van draagkracht kunnen we naast de gecorrigeerde bijstandsnorm en het woonbudget rekening houden met lasten van de onderhoudsplichtige die niet vermijdbaar en ook niet verwijtbaar zijn aangegaan of voortbestaan. We noemen die lasten ‘andere noodzakelijke lasten’. Een voorbeeld van een dergelijke last is de aflossing op schulden waarvoor beide partijen draagplichtig zijn. In par. 4.6.2 gaan we hier dieper op in.

4.2.2.6 Draagkrachtruimte

Het verschil tussen het netto besteedbaar inkomen en het draagkrachtloos inkomen noemen we de draagkrachtruimte. Bij een positieve draagkrachtruimte is de onderhoudsplichtige in staat alimentatie te betalen.

4.2.2.7 Draagkrachtpercentage, draagkracht en vrije ruimte

We hanteren als uitgangspunt dat we vanaf een bepaald inkomen niet de gehele draag- krachtruimte gebruiken voor het opleggen van een onderhoudsverplichting, maar dat we slechts een bepaald percentage daarvan bestempelen als draagkracht. Dit percentage noemen we het draagkrachtpercentage. We verdelen de draagkrachtruimte daardoor over onderhoudsplichtige en onderhoudsgerechtigde(n) in een verhouding die vastligt in het draagkrachtpercentage. Alle onderhoudsverplichtingen brengen we in beginsel ten laste van de draagkracht.

Voor kinderalimentatie is het beschikbare percentage te vinden in de draagkrachttabel (bijlage 4). Voor partneralimentatie hanteren we 60% procent als draagkrachtpercentage.

De resterende 40% van de draagkrachtruimte noemen we de vrije ruimte. Dit bedrag kan de onderhoudsplichtige gebruiken om vrij te besteden en/of om al dan niet tijdelijk hogere lasten van te betalen.

4.3 Bepalen van draagkracht voor kinderalimentatie voor kinderen tot 21 jaar

4.3.1 Inleiding

Ouders (en in voorkomend geval een stiefouder) zijn verplicht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding respectievelijk levensonderhoud en studie van hun minderjarige kinderen en hun meerderjarige kinderen tot 21 jaar. In de praktijk komt het er voor minderjarige kinderen op neer dat de ene ouder aan de andere ouder (in de regel de ouder waar het kind het hoofdverblijf heeft) kinderalimentatie betaalt. Die andere ouder betaalt zelf ook mee aan de kosten van de kinderen. Waar wij hierna spreken over het bepalen van de draagkracht voor kinderalimentatie, bedoelen wij tevens het bepalen van de draagkracht van de verzorgende ouder om bij te dragen aan de kosten van verzorging en opvoeding/de kosten van levensonderhoud en studie van de kinderen.

Kinderalimentatie heeft voorrang op alle andere onderhoudsverplichtingen. Daarom nemen we bij de bepaling van de draagkracht voor kinderalimentatie alleen de financiële situatie van de onderhoudsplichtige(n) in aanmerking. We houden geen rekening met een nieuwe partner/echtgeno(o)t/geregistreerde partner. De gedachte hierachter is dat een nieuwe partner in staat moet worden geacht in het eigen levensonderhoud te voorzien, terwijl we dit van een kind niet verwachten.

4.3.2 De draagkrachttabel (Bijlage 5)

In de draagkrachttabel in bijlage 5 geven we aan hoe we de draagkracht voor kinderalimentatie – uitgaande van het kernschema – bij een bepaald netto besteedbaar inkomen bepalen.

Daarvoor tellen we het na de scheiding (te) ontvangen kindgebonden budget op bij het netto besteedbaar inkomen van de ouder die het kindgebonden budget ontvangt. (Zie ECLI:NL:HR:2015:3011.)

Vanaf een bepaald netto besteedbaar inkomen plus kindgebonden budget (2024: € 1.965) hanteren we een draagkrachtpercentage van 70%. Bij lagere netto besteedbare inkomens is het draagkrachtpercentage hoger. Er resteert dan een lager of geen bedrag aan vrije ruimte.

Zie hiervoor de draagkrachttabel.

Bij de lagere inkomens verlagen we in de gecorrigeerde bijstandsnorm de post ‘onvoorzien’.

Bij een netto besteedbaar inkomen plus kindgebonden budget van € 1.815 (2024) of minder, gaan we uit van een minimumdraagkracht van € 25 voor één kind en € 50 voor twee of meer kinderen.

Vanaf de AOW-leeftijd gelden andere bedragen.

4.3.3 Ouder(s) met een uitkering krachtens de Participatiewet of met een inkomen tot bijstandsniveau

We nemen geen draagkracht aan bij een ouder bij wie een kind het hoofverblijf heeft en die een bijstandsuitkering ontvangt, ook niet als die ouder een kindgebonden budget ontvangt.

Het aannemen van draagkracht in een dergelijk geval leidt er namelijk toe dat het aandeel in de kosten van de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft lager wordt. Dat zou de verhaalsmogelijkheid van de bijstand door de gemeente beperken. Daardoor draagt de gemeente (en niet de betreffende ouder) een deel van de kosten van de kinderen.

Bij een niet-verzorgende ouder met een uitkering krachtens de Participatiewet of bij één of beide ouders met een inkomen tot bijstandsniveau beveelt de expertgroep aan om wel een minimumdraagkracht aan te nemen. De bijdrage kan desondanks lager dan de minimum draagkracht uitvallen, bijvoorbeeld door de zorgkorting of als sprake is van niet vermijdbare

en niet vermijdbare lasten (zie par. 4.6.2 en verder).

Ter verduidelijking dient het volgende schema:

 

Minimale 

Draagkrachtvergelijking?
(par. 4.3.4)
Verzorgende ouder met bijstandsuitkering Nee Nee
Verzorgende ouder met inkomen tot bijstandsniveau Ja Ja *
Niet-verzorgende ouder met bijstandsuitkering Ja Ja *
Niet-verzorgende ouder met inkomen tot bijstandsniveau Ja Ja *

* Alleen als de gezamenlijke draagkracht van de ouders meer is dan het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen.

4.3.4 Verdelen van het eigen aandeel over de ouders met een draagkrachtvergelijking en toepassen van de zorgkorting

Nadat we het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen hebben bepaald en de draagkracht van de ouders hebben vastgesteld, kunnen we berekenen welk bedrag iedere ouder moet bijdragen in de kosten van de kinderen.

De verplichting tot bijdragen van een onderhoudsplichtige is mede afhankelijk van de draagkracht van andere onderhoudsplichtigen. Indien de ouders na de scheiding samen voldoende draagkracht hebben om volledig in het eigen aandeel te voorzien, berekenen we wie welk deel van dat eigen aandeel moet dragen. Hiervoor maken we een draagkrachtvergelijking.

Het is niet nodig een draagkrachtvergelijking te maken als de gezamenlijke draagkracht van de ouders gelijk is aan of minder is dan het eigen aandeel. Dan beperken we de bijdrage van de onderhoudsplichtige ouder tot diens draagkracht. We houden bij het bepalen van de draagkracht wel rekening met een extra heffingskorting en/of een kindgebonden budget waarvoor een ouder door aanwezigheid van deze kinderen in aanmerking kan komen.

Bij een gezamenlijke draagkracht die gelijk is aan het eigen aandeel of bij een tekort, verdelen we de beschikbare draagkracht in beginsel gelijk over alle kinderen waarvoor de betrokkene onderhoudsplichtig is, tenzij er een aantoonbaar verschil is in het eigen aandeel voor het ene en het andere kind.

4.3.5 Zorgkorting

Bij een zorg- of omgangsregeling voorziet de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft gedurende de tijd dat het kind bij die ouder verblijft ‘in natura’ in een deel van de kosten van het kind. Om die reden dalen de kosten die de ouder bij wie het kind het hoofverblijf heeft. We bepalen de kosten van de zorgregeling op basis van een percentage van het eigen aandeel. Dit percentage is afhankelijk van het gemiddeld aantal dagen per week – vakanties meegerekend – dat het kind doorbrengt bij of voor rekening komt van de ouder waar het kind niet zijn hoofdverblijf heeft.

We berekenen de zorgkorting over het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen volgens de betreffende tabel. We houden dus geen rekening met extra kosten.

De zorgkorting is:

  • 5% bij gedeelde zorg gedurende minder dan 1 dag per week;
  • 15% bij gedeelde zorg op gemiddeld 1 dag per week;
  • 25% bij gedeelde zorg op gemiddeld 2 dagen per week;
  • 35% bij gedeelde zorg op gemiddeld 3 dagen per week.

De zorgkorting bedraagt in beginsel ten minste 5% van het eigen aandeel (tabelbedrag), omdat ouders onderling en jegens het kind het recht en de verplichting hebben tot omgang.

In ieder geval tot dat bedrag zou de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft in de zorg moeten kunnen voorzien.

Verder hanteren we het uitgangspunt dat de ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft de ‘verblijfsoverstijgende kosten’ (zoals schoolgeld, contributie voor sport, kleding en dergelijke) draagt. Daarvoor heeft deze ouder 30% van het eigen aandeel vermeerderd met de kinderbijslag ter beschikking.

Uitzonderingen op toepassing van de zorgkorting zijn mogelijk, bijvoorbeeld indien de ouder bij wie het kind zijn hoofdverblijf niet heeft, zijn of haar verplichting tot omgang of verdeling van de zorg niet nakomt.

Zorgkorting bij co-ouderschap

Co-ouderschap is een niet-wettelijke term die in de praktijk gangbaar is voor verschillende varianten van gedeelde zorg. Ook hier is het uitgangspunt dat de ouders naar rato van hun draagkracht in de kosten van een kind bijdragen. De zorgkorting verwerken we op de in hoofdstuk 5 bij stap 6 beschreven wijze in de berekening, waarbij wij geen onderscheid maken tussen ruime zorgregelingen en co-ouderschap.

Het is mogelijk dat de co-ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft voor de inkomstenbelasting voor een kind aanspraak maakt op de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Als dat het geval is houden we hier rekening mee bij de berekening van het netto besteedbaar inkomen van die ouder.

4.4 Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie

4.4.1 Inleiding

Bij de berekening van draagkracht voor partneralimentatie gelden grotendeels dezelfde uitgangspunten als die wij hiervoor bij de kinderalimentatie hebben uiteengezet. Ook hier is het netto besteedbare inkomen van de onderhoudsplichtige het vertrekpunt.

4.4.2 Afwijkingen in het kernschema

Op grond van artikel 1:400, lid 1, BW heeft kinderalimentatie voorrang boven alle andere onderhoudsverplichtingen. Als de gewezen partner niet alleen aanspraak maakt op partneralimentatie, maar ook op kinderalimentatie, maken we eerst een draagkrachtberekening voor kinderalimentatie. Op basis van de behoefte van de kinderen en de draagkracht van de ouders maken we een draagkrachtvergelijking.

Vervolgens maken we een draagkrachtberekening op de hiervoor onder 4.2.1 omschreven wijze voor de vaststelling van partneralimentatie. Het aandeel van de ouder in de kosten van de kinderen brengen we in mindering op de berekende draagkracht. De resterende draagkracht kunnen we aanwenden voor partneralimentatie.

Anders dan bij kinderalimentatie tellen we bij het berekenen van draagkracht voor partneralimentatie een eventueel (te) ontvangen kindgebonden budget niet op bij het netto besteedbare inkomen.

Fiscale aftrekbaarheid betaalde partneralimentatie

Bij partneralimentatie heeft de onderhoudsplichtige op grond van artikel 6.3, lid 1, Wet IB 2001 recht op een persoonsgebonden aftrekpost voor de betaalde alimentatie.

De onderhoudsplichtige die inkomstenbelasting verschuldigd is, kan in het betreffende jaar in aanmerking komen voor vermindering of teruggaaf van inkomensheffing. We duiden dit wel als fiscaal voordeel.

Als de onderhoudsplichtige recht heeft op deze persoonsgebonden aftrek dan neemt zijn betaalcapaciteit in feite toe, zodat die persoon per saldo meer kan missen dan het bedrag van de berekende draagkracht. Indien een onderhoudsplichtige daadwerkelijk aanspraak kan maken op een fiscaal voordeel, is dus sprake van ‘extra draagkracht’ gelijk aan het voorzienbare fiscaal voordeel. Bij de laagste inkomens, te weten de inkomens onder € 1.400 bruto per maand inclusief vakantietoeslag (ongeveer € 1.090 netto), laten we deze extra draagkracht buiten beschouwing, omdat door heffingskortingen toch al geen inkomsten- belasting hoeft te worden betaald. Bij hogere inkomens hevelen we het fiscaal voordeel in de bruto methode over naar de onderhoudsgerechtigde(n).

4.5 Inkomensvergelijking (voorheen jusvergelijking)

Als sprake is van eigen inkomen van een onderhoudsgerechtigde en/of van een relatief hoge behoefte en draagkracht, kan het redelijk zijn dat we de financiële situatie van partijen nader vergelijken. De expertgroep vindt het redelijk dat de onderhoudsgerechtigde inclusief de partneralimentatie niet meer te besteden heeft dan de onderhoudsplichtige. Met andere woorden: de onderhoudsgerechtigde hoeft niet in een betere financiële positie te worden gebracht dan de onderhoudsplichtige. Daarvoor berekenen we bij welk bedrag aan partneralimentatie het besteedbaar inkomen van partijen gelijk is. Eventuele bijzondere niet verwijtbare en niet vermijdbare lasten aan de zijde van de onderhoudsplichtige en/of de onderhoudsgerechtigde nemen we mee in de vergelijking. Dit geldt ook voor eventuele kosten van kinderen, voor zover deze hoger zijn dan een te ontvangen kindgebonden budget door de betreffende partij. Als voor de onderhoudsgerechtigde dan een hoger bedrag resteert dan voor de onderhoudsplichtige vindt een correctie van de hoogte van de alimentatie plaats en verlagen we deze in beginsel tot een zodanige alimentatie waarbij beide partijen een gelijk besteedbaar inkomen hebben. Met behulp van een alimentatierekenprogramma kan dit bedrag eenvoudig worden berekend.

De kinderalimentatie die de onderhoudsgerechtigde ontvangt, rekenen we toe aan de desbetreffende kinderen en geldt voor die ouder niet als inkomen. Wel houden we bij de bepaling van het inkomen van die ouder rekening met de eventuele inkomensafhankelijke combinatiekorting in verband met de aanwezigheid van kinderen in het gezin.

Het schema (in een situatie waarin de onderhoudsplichtige een niet vermijdbare extra last heeft en kinderalimentatie betaalt, terwijl de onderhoudsgerechtigde een kindgebonden budget ontvangt) kan voorgaande beschrijving van een vergelijking verduidelijken.

Onderhoudsplichtige   Onderhoudsgerechtigde    
NBI volgens post 120 € ... NBI volgens post 120   € ...
Af: niet vermijdbare lasten € ...      
Resteert € ...      
Af: aandeel in kosten kinderen € ... Af: aandeel in kosten kinderen € ...  
    Minus ontvangen KGB € ...  
    Totaal kosten kinderen (KGB > aandeel: 0)   € ...
Inkomen voor vergelijking € ... Inkomen voor vergelijking   € ...

De beide inkomens voor de vergelijking tellen we vervolgens bij elkaar op en delen we door twee. Als de onderhoudsgerechtigde na betaling van de berekende partneralimentatie een hoger bedrag overhoudt dan de uitkomst van die som, dan stellen we dat bedrag op verzoek van de alimentatieplichtige naar beneden bij.

4.6 Bijzondere omstandigheden die de draagkracht kunnen beïnvloeden

4.6.1 Inleiding

Een alimentatieverplichting die een rechter heeft opgelegd mag niet tot gevolg hebben dat de onderhoudsplichtige niet meer in de eigen noodzakelijke kosten van bestaan kan voorzien.

Er kunnen zich omstandigheden voordoen waarin we met een hoger draagkrachtloos inkomen rekening houden dan enkel de som van de (forfaitaire) woonlast en de gecorri-  geerde bijstandsnorm.

Als een onderhoudsplichtige niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten heeft, kunnen we met die lasten rekening houden bij het bepalen van het draagkrachtloos inkomen.

Zie par. 4.6.2.

Als een onderhoudsplichtige lasten heeft die we als niet-vermijdbaar maar wel als verwijtbaar aanmerken, dan kan dat reden zijn om de aanvaardbaarheidstoets toe te passen.

Die houdt – kort gezegd – in dat we toetsen of een onderhoudsplichtige na aftrek van zijn lasten (waaronder alimentatie) minder dan 95% van de geldende bijstandsnorm overhoudt.

Zie par. 4.6.3.

In par. 4.6.4 beschrijven we hoe we kunnen omgaan met de draagkracht van iemand die is toegelaten tot de wettelijke schuldsanering of in een buitenwettelijk schuldsaneringstraject is opgenomen.

Hoe we omgaan met een inkomensverlies dat een onderhoudsplichtige zelf heeft veroorzaakt behandelen we in par. 4.7.(ECLI:NL:HR:1998:ZC2556)

In par. 4.10 gaan we in op de draagkracht bij verpleging van een onderhoudsplichtige in een instelling voor langdurige zorg.

4.6.2 Lasten die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar zijn

We kunnen het draagkrachtloos inkomen verhogen als bepaalde niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten vaststaan, ongeacht of die lasten voor, tijdens of na het huwelijk zijn ontstaan. Na deze verhoging brengen we het draagkrachtloos inkomen in mindering op het netto besteedbaar inkomen. Wat overblijft is de draagkrachtruimte. Daarvan is in beginsel 70% beschikbaar voor kinderalimentatie en 60% voor partneralimentatie. De resterende 30% respectievelijk 40%: de draagkrachtvrije ruimte, dient -mede- om financiële tegenvallers op te vangen.

Een vermijdbare last is een last waarvan de betaler zich geheel of gedeeltelijk kan bevrijden. Dat is bijvoorbeeld het geval als de betaler de schuld met spaartegoed kan aflossen. De betaler kan zich dan geheel bevrijden van de last. Als de betaler de hoogte van zijn maandelijkse aflossingen kan verlagen, kan hij zich gedeeltelijk van die last bevrijden: de hogere aflossing is dan vermijdbaar. Ook een last die een betaler ergens anders binnen het budget kan opvangen is vermijdbaar (bijvoorbeeld binnen de post ‘onvoorzien’ in de gecorrigeerde bijstandsnorm of met de draagkrachtvrije ruimte). Omdat een vermijdbare last niet op het inkomen hoeft te drukken, houden we daar geen rekening mee in de draagkrachtberekening.

Een verwijtbare last is een last die de onderhoudsplichtige met het oog op zijn onder- houdsverplichting niet had mogen laten ontstaan of die hij niet mag laten voortbestaan.

Een verwijtbare last drukt wel op het inkomen van de onderhoudsplichtige, maar heeft geen voorrang op de betaling van alimentatie. De onderhoudsplichtige dient deze last in beginsel uit zijn vrije ruimte te voldoen. Indien door het opleggen van een alimentatieverplichting een onaanvaardbare situatie zou ontstaan, kan de onderhoudsplichtige een beroep doen op de aanvaardbaarheidstoets (zie hierna par. 4.6.3).

Een last die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar is, drukt op het inkomen van de onderhouds­plichtige: hij kan zich niet van die last bevrijden. Een dergelijke last nemen we daarom op in het draagkrachtloos inkomen als deze last voorrang moet hebben op de kosten van ver­ zorging en opvoeding, levensonderhoud en studie van de kinderen en/of de kosten van levensonderhoud van de ex-partner.

Voorbeelden van lasten die op deze wijze in het draagkrachtloos inkomen zouden kunnen worden opgenomen zijn (niet uitputtend):

  • Rente en aflossing van de restschuld van de voormalige gezamenlijke woning;
  • Herinrichtingskosten (voor zover niet te bestrijden uit het woonbudget);
  • Kosten voor (verplichte) bijstand van een advocaat;
  • Reiskosten voor werk.

Woonlasten voormalige echtelijke woning als niet verwijtbare en niet vermijdbare last

Als een onderhoudsplichtigde lasten van de (voormalige) echtelijke woning (gedeeltelijk) betaalt en de onderhoudsgerechtigde in die woning woont, passen we het woonbudget voor beiden aan door de werkelijke woonlasten in aanmerking te nemen: voor degene die in de voormalige echtelijke woning woont: zijn aandeel in die last; voor degene die de woning heeft verlaten: de eigen werkelijke woonlasten en daarnaast zijn of haar aandeel in de lasten van de (voormalige) echtelijke woning.

4.6.3 Verwijtbare lasten: de aanvaardbaarheidstoets

Elke onderhoudsplichtige dient de eigen financiële huishouding en daarmee zijn of haar draagkracht zo goed mogelijk in te richten. Het aangaan van extra lasten kan verwijtbaar zijn als de onderhoudsplichtige die last met het oog op zijn of haar onderhoudsverplichting niet had mogen aangaan of laten voortbestaan. Met een verwijtbare last houden we bij het bepalen van de draagkracht geen rekening.

Als de onderhoudsplichtige zich niet van die verwijtbare last kan bevrijden en na betaling van de op te leggen alimentatie niet meer in staat is om in de eigen noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, dan kan hij of zij een beroep doen op de aanvaardbaarheidstoets.

In het algemeen vinden we dat sprake is van een onaanvaardbare situatie als de onderhoudsplichtige minder dan 95% van het voor hem of haar geldende bedrag van de bijstandsnorm (art. 22a Participatiewet) overhoudt om in de noodzakelijke lasten te voorzien. De onderhoudsplichtige moet – onderbouwd met onderliggende stukken – stellen dat van een dergelijke situatie sprake is door volledig en duidelijk inzicht te geven in zijn inkomens- en vermogenspositie en zijn bestedingen.

4.6.4 Schuldsanering

Een onderhoudsplichtige ouder die is toegelaten tot de Wettelijke schuldsanering natuurlijke personen kan de rechter-commissaris verzoeken bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag rekening te houden met de onderhoudsverplichting voor zijn kinderen. Onder omstandigheden mogen we van de onderhoudsplichtige ouder verwachten dat hij van

deze mogelijkheid gebruik maakt, bijvoorbeeld indien duidelijk is dat de financiële positie van de ouders gezamenlijk zodanig is dat sprake is van een klemmend tekort om in de behoefte van de kinderen te voorzien. Als de rechter-commissaris geen rekening houdt met de zorg- of onderhoudsverplichting of als een toegekende correctie onvoldoende is om aan de alimentatieplicht te voldoen, dan beveelt de expertgroep aan de te betalen bijdrage op nihil te bepalen voor de duur van de schuldsanering.

Voor een ouder die een minnelijk schuldsaneringstraject doorloopt, geldt hetzelfde: deze kan de bewindvoerder vragen bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag rekening te houden met de onderhoudsverplichting voor zijn kinderen.

4.7 Inkomensverlies van een onderhoudsplichtige

Nadat partijen de hoogte van kinder- en/of partneralimentatie zijn overeengekomen of de rechter die heeft vastgesteld, kan de hoogte van het inkomen van een onderhoudsplichtige veranderen. Als een onderhoudsplichtige buiten zijn schuld (een deel van) zijn inkomen verliest, houden we in beginsel rekening met het nieuwe (lagere) inkomen. We verwachten van die onderhoudsplichtige dat hij er alles aan doet om snel weer zijn oude inkomen te verwerven. Als dat niet lukt dan ligt het op zijn weg om dit te stellen en te onderbouwen.

Indien een onderhoudsplichtige zelf een inkomensvermindering heeft veroorzaakt, hangt de beslissing om deze vermindering van inkomen bij de bepaling van zijn draagkracht al dan niet buiten beschouwing te laten af van het antwoord op de vraag of:

1. hij redelijkerwijs het oude inkomen weer kan verwerven; en

2. of dit van hem kan worden gevergd.

Is het antwoord op beide vragen positief, dan gaan we uit van het oorspronkelijke inkomen.

Is echter het antwoord op (één van) beide vragen negatief, dan hangt het van de omstandigheden van het geval af of we een inkomensvermindering geheel of ten dele buiten beschouwing laten. In het bijzonder moeten we bezien of de onderhoudsplichtige uit hoofde van zijn verhouding tot de onderhoudsgerechtigde zich met het oog op diens belangen had behoren te onthouden van de gedragingen die tot inkomensvermindering hebben geleid. Is dat niet het geval, dan rekenen we met het nieuwe verminderde inkomen.

Is dat wel het geval dan rekenen we met het oude fictieve inkomen. Het buiten beschouwing laten van de inkomensvermindering mag in beginsel niet ertoe leiden dat de onderhoudsplichtige als gevolg van zijn aldus berekende fictieve draagkracht bij de voldoening aan zijn onderhoudsplicht feitelijk niet meer over voldoende middelen van bestaan beschikt en in ieder geval niet over minder dan 95% van de voor hem geldende bijstandsnorm. Hierbij gaan we in beginsel ervan uit dat de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a Participatiewet niet voor hem geldt.

4.8 Uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn

Bij uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn hanteren wij het volgende uitgangspunt: wanneer we die uitgaven als persoonsgebonden aftrekpost meenemen bij het berekenen van het netto besteedbaar inkomen, dan nemen wij die uitgaven ook mee als lasten bij de berekening van de draagkracht en de alimentatie. Als we bepaalde (aftrekbare) uitgaven niet meenemen als lasten bij de berekening van de draagkracht van de onderhoudsplichtige, dan nemen we de fiscale voordelen van deze uitgaven ook niet mee in de berekening. Anders zouden we alleen de ‘lusten’ optellen bij het netto besteedbaar inkomen en de lasten niet meenemen bij het berekenen van het draagkrachtloos inkomen. Op sommige werknemers en op de genieters van resultaat uit overige werkzaamheden, ondernemers en directeuren-grootaandeelhouder zijn de werknemersverzekeringen en/of pensioenvoorzieningen niet van toepassing. Uitgaven voor inkomensvoorzieningen, bijvoorbeeld in verband met arbeidsongeschiktheid of pensioen, kunnen we, indien deze niet bovenmatig zijn, in aanmerking nemen. Bij de vaststelling van de draagkracht voor partneralimentatie wordt het netto besteedbaar inkomen verminderd met de netto premie, dat wil zeggen de premie verminderd met eventueel fiscaal voordeel.

4.9 Fiscale gevolgen van het hebben van een auto van de zaak

Met de fiscale bijtelling vanwege een auto van de zaak houden we geen rekening.

4.10 Draagkracht bij verpleging in een instelling voor langdurige zorg

Een onderhoudsplichtige die wordt verpleegd in een instelling voor langdurige zorg is daarvoor een eigen bijdrage verschuldigd. Conform de handelwijze van het Centraal Administratie Kantoor (CAK) stellen we deze bijdrage vast op basis van het verzamelinkomen van de onderhoudsplichtige. We kunnen onder omstandigheden rekening houden met een onderhoudsverplichting jegens minderjarige kinderen en kinderen tussen de 18 en 21 jaar. Het verdient aanbeveling de draagkracht zo te berekenen dat we het netto inkomen van de onderhoudsplichtige verminderen met de noodzakelijke lasten (denk aan kleding en ontspanning en de eigen bijdrage.

5. Stappenplannen en rekenvoorbeelden

5.1 Stappenplan kinderalimentatie

We laten hierna in drie stappen met rekenvoorbeelden zien hoe we het bedrag aan kinderalimentatie bepalen. Na het stappenplan geven we enkele rekenvoorbeelden voor bijzondere situaties.

De rekenvoorbeelden laten zien hoe we bepaalde berekeningen maken. De bedragen in de rekenvoorbeelden zijn fictief. Alle bedragen zijn steeds per maand en afgerond op hele euro’s, tenzij anders vermeld.

Waar we hierna bij het berekenen van draagkracht ‘ouders’ schrijven, bedoelen we ook onderhoudsplichtige stiefouders.

Stap 1: Vaststellen van het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

Voor het vaststellen van het eigen aandeel bepalen we eerst het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van huwelijk/samenleving. netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van huwelijk/samenleving

Besteedbaar inkomen ouder I € 1.800
Besteedbaar inkomen ouder II € 1.150
Aanspraak kindgebonden budget € 50
Totaal besteedbaar gezinsinkomen € 3.000

Aan de hand van de Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen (Bijlage 4) bepalen we op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen inclusief kindgebonden budget het eigen aandeel. Voor een gezin met één kind is dat € 395 per maand.

In de tabellen voor 2024 is rekening gehouden met kinderbijslag vanaf 1 januari 2024.

Daarnaast is rekening gehouden met de hoge inflatie van het afgelopen jaar. Het percentage kosten van kinderen is opgehoogd met 1 tot 2 procentpunt.

Rekenvoorbeeld berekenen eigen aandeel bij netto besteedbaar gezinsinkomen tussen twee kolombedragen

Ligt het netto besteedbaar gezinsinkomen tussen twee tabelbedragen in, dan verhogen we het eigen aandeel vanaf het laagste tabelbedrag naar rato.

Stap 2: Bepalen van de draagkracht van de ouders

Rekenvoorbeeld bepalen draagkracht ouders

De draagkracht van een ouder berekenen we in beginsel op basis van het eigen netto besteedbaar inkomen en (indien van toepassing) het kindgebonden budget op het moment dat de kinderalimentatie ingaat of wijzigt.

De ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft (in dit voorbeeld: ouder I) heeft een netto besteedbaar inkomen van € 2.000. Deze ouder ontvangt een kindgebonden budget van € 400.

De ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft (ouder II), heeft een netto besteedbaar inkomen van € 2.600. Deze ouder draagt een niet verwijtbare en niet vermijdbare last (dat is een andere noodzakelijke last) van € 200.

De onderstaande berekeningen kunnen we samenvatten in de formule:

Draagkracht = 70%

[NBI -/- (0,3 x NBI + gecorrigeerde bijstandsnorm + overige noodzakelijke lasten)]

Draagkracht Ouder I    
Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen € 2.000  
Kindgebonden Budget € 400  
Totaal   € 2400
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3) € 1.270  
Woonbudget € 720  
Andere noodzakelijke lasten € –  
Totaal (= draagkrachtloos inkomen)    € 1.990
Draagkrachtruimte   € 410
Draagkracht 70% (afgerond)   € 287
     
Draagkracht Ouder II    
Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen € 2.600  
Kindgebonden Budget € –  
Totaal    € 2.600
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3)  € 1.270  
Woonbudget € 780  
Andere noodzakelijke lasten € 200  
Totaal (= draagkrachtloos inkomen)   € 2.250
Draagkrachtruimte   € 350
Draagkracht 70% (afgerond)   € 245

Stap 3: Draagkrachtvergelijking, zorgkorting en bepalen hoogte van dekinderalimentatie

We verdelen van het eigen aandeel over de ouders door het maken van een draagkrachtvergelijking.

Rekenvoorbeeld draagkrachtvergelijking

De ouders in het rekenvoorbeeld in stap 2 hebben één kind en het eigen aandeel is € 450.

De gezamenlijke draagkracht van ouder I en ouder II is € 532 (€ 287 + € 245).

De kosten verdelen we over beide ouders volgens de formule:

Formule:

eigen draagkracht / gezamenlijke draagkracht x eigen aandeel

Het aandeel van ouder I bedraagt (afgerond):

Formule:

287 / 532 x 450 = 243

Het aandeel van ouder II bedraagt (afgerond):

Formule:

245 / 532 x 450 = 207

Samen € 450

Eigen Aandeel   € 450
Draagkracht Ouder I € 287  
Draagkracht Ouder II € 245  
Totale draagkracht    € 532
Ouder I draagt  € 243  
Ouder II draagt  € 207  

Voor het berekenen van het bedrag aan kinderalimentatie dat de ouder bij wie het kind niet staat ingeschreven moet betalen aan de andere ouder brengen we zorgkorting in mindering op het bedrag dat die ouder draagt.

Ouder II draagt  € 207
Zorgkorting 15%  € 68
Ouder II betaalt  € 139

Bijzondere situaties

Rekenvoorbeeld bepalen eigen aandeel van ouders die nooit in gezinsverband hebbensamengeleefd (par. 3.2.4)

Ouders hebben samen met het kind nooit samengewoond en een gezin gevormd. Het kind heeft het hoofdverblijf bij ouder I. Het eigen aandeel van de ouders is het gemiddelde van het bedrag dat elk van hen aan het kind zou besteden als dit bij hem/haar woont/zou wonen.

Besteedbaar inkomen ouder I  € 2.000
Kindergebonden Budget  €  400
Totaal  € 2.400
Eigen Aandeel ouder I volgens tabel  € 294
   
Besteedbaar inkomen ouder II  € 2.600
Kindergebonden Budget (fictief)  € 200
Totaal  € 2.800
Eigen Aandeel ouder II volgens tabel  € 361
   
Eigen Aandeel ouder I volgens tabel  € 294
Eigen Aandeel ouder II volgens tabel  € 361
Totaal Eigen Aandeel beide ouders  € 655
Waarvan de helft  € 328

Rekenvoorbeeld tekort aan gezamenlijke draagkracht van ouders om in het eigen aandeel te voorzien

Als de gezamenlijke draagkracht van ouders onvoldoende is om het eigen aandeel volledig te kunnen bekostigen, moeten zij in elk geval tot de grens van hun draagkracht bijdragen. In het onderstaande voorbeeld is het eigen aandeel € 800.

Voorbeeld

Draagkracht ouder I  € 354  
Draagkracht ouder II  € 312  
Totale draagkracht    € 666
Draagkrachttekort    € 135
     
Draagkracht ouder II    € 312
Ouder II betaalt aan ouder I    € 312

Tekort aan gezamenlijke draagkracht en zorgkorting

Als sprake is van een zorgregeling, maken we een uitzondering op de regel dat de zorgkorting de bijdrage vermindert. Uitgangspunt is dat de ouders ieder de helft van het tekort dragen.

Als de helft van het tekort minder is dan de zorgkorting, dan brengen we de helft van het tekort in mindering op de zorgkorting. Het restant van de zorgkorting brengen we in mindering op de te betalen bijdrage.

Voorbeeld

Eigen Aandeel    € 800
Zorgkorting 15%  € 120  
Draagkracht Ouder I  € 354  
Draagkracht Ouder II  € 312  
Totale draagkracht    € 666
Draagkrachttekort    € 135
Helft tekort    € 67
     
Draagkracht Ouder II    € 312
Zorgkorting  € 120  
Af: helft tekort  € 67  
In aanmerking te nemen zorgkorting    € 53
Ouder II betaalt aan Ouder I    € 259

Als de helft van het tekort meer is dan het bedrag van de zorgkorting dan verminderen we de te betalen bijdrage niet met zorgkorting.

Eigen Aandeel    € 1.200
zorgkorting 15%  € 180  
Draagkracht Ouder I  € 354  
Draagkracht Ouder II  € 312  
Totale draagkracht    € 666
draagkrachttekort    € 535
helft tekort    € 267
     
Draagkracht Ouder II    € 312
zorgkorting  € 180  
af: helft tekort  € 267  
in aanmerking te nemen zorgkorting    €–
Ouder II betaalt aan Ouder I    € 312

5.2 Stappenplan partneralimentatie

Hierna laten we in drie stappen met rekenvoorbeelden zien hoe we het bedrag aan partneralimentatie bepalen. De rekenvoorbeelden laten zien hoe we bepaalde berekeningen maken.

De bedragen in de voorbeelden zijn fictief. Alle bedragen zijn steeds per maand en afgerond op hele euro’s, tenzij anders vermeld.

Ontvangen kinderalimentatie, kinderbijslag en kindgebonden budget zijn bestemd om de kosten van levensonderhoud (verzorging en opvoeding) van de kinderen te bestrijden.

De (resterende) kosten van de kinderen drukken op het inkomen van de ouder(s) en zijn daarom van invloed op de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde en op de draagkracht van de onderhoudsplichtige.

Stap 1: Bepalen van de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde

De resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde bepalen we – kortgezegd – door op de huwelijksgerelateerde behoefte zijn of haar eigen inkomen en/of verdiencapaciteit in mindering te brengen.

We bepalen de huwelijksgerelateerde behoefte van de onderhoudsgerechtigde aan de hand van de hofnorm.

Volgens de hofnorm is de huwelijksgerelateerde behoefte:

60% [netto besteedbaar gezinsinkomen -/- (indien van toepassing) het (toen de ouders nog in gezinsverband leefden) voor rekening van de ouders komende eigen aandeel in de kosten van de kinderen].

Rekenvoorbeeld bepalen huwelijksgerelateerde behoefte

Het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsplichtige voordat partijen uit elkaar gingen was € 3.500 per maand.

Het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsgerechtigde voordat partijen uit elkaar gingen was € 2.000 per maand.

Tot het gezin behoren twee kinderen. Het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen is € 800 per maand.

De behoefte op basis van de hofnorm is dan

Inkomen onderhoudsplichtige  € 3.500  
Inkomen onderhoudsgerechtigde  € 2.000  
Kindgebonden budget  € –  
Netto besteedbaar gezinsinkomen    € 5.500
Af: Eigen Aandeel kosten kinderen    € 800
Beschikbaar voor echtgenoten/partners    € 4.700
Behoefte volgens hofnorm: 60%    € 2.820

Vervolgens stellen we vast of de onderhoudsgerechtigde over de middelen beschikt om in de behoefte van € 2.820 te voorzien of die in redelijkheid kan verwerven (verdiencapaciteit).

De resterende behoefte is de behoefte volgens hofnorm -/- eigen inkomen / redelijkerwijs te verwerven inkomen.

Rekenvoorbeeld bepalen resterende behoefte (zonder kinderen)

Behoefte volgens hofnorm: 60%    € 2.820
Af: eigen inkomen onderhousgerechtigde  € 2.000  
Aanvullende verdiencapaciteit  € 500  
Eigen inkomen inclusief verdiencapaciteit    € 2.500
Resterende behoefte    € 320

Rekenvoorbeeld bepalen resterende behoefte (met kinderen)

Behoefte volgens hofnorm: 60%      € 2.820
Af: eigen inkomen onderhousgerechtigde  € 2.000    
Aanvullende verdiencapaciteit  € –    
Eigen inkomen inclusief verdiencapaciteit    € 2.000  
Aandeel in levensonderhoud kinderen  € 350    
Ontvangen KGB  € 250    
Kosten kinderen uit eigen inkomen    € 100  
Voor onderhoudsgerechtigde zelf beschikbaar      € 1.900
Resterende behoefte      € 920

Stap 2: Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie

De draagkracht voor partneralimentatie bepalen we op basis van het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsplichtige aan de hand van de in par. 4.4 genoemde uitgangspunten.

Rekenvoorbeeld: netto besteedbaar inkomen, draagkrachtloos inkomen,draagkrachtpercentage en draagkracht

Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen  € 3.500  
Bij: extra verdiencapaciteit  € –  
Totaal    € 3.500
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.4)  € 1.175  
Woonbudget  € 1.050  
Andere noodzakelijke lasten  € –  
Totaal (=draagkrachtloos inkomen)    € 2.225
Draagkrachtruimte    € 1.275
Draagkracht 60% (afgerond)    € 765

Voor het bepalen van de draagkracht van een onderhoudsplichtige is niet alleen diens feitelijke inkomen van belang, maar ook het inkomen dat hij of zij redelijkerwijs kan verwerven.

Bij partneralimentatie hanteren we een draagkrachtpercentage van 60. Op het gevonden bedrag brengen we het aandeel van de onderhoudsplichtige ouder in de kosten van verzorging en opvoeding van minderjarige kinderen en de kosten van levensonderhoud en studie van kinderen tot 21 jaar in mindering. In dit voorbeeld gaan wij ervan uit dat dat aandeel € 450 is.

Draagkracht 60% (afgerond)  € 765
Aandeel in levensonderhoud kinderen  € 450
Resteert voor partneralimentatie  € 315

Omdat betaalde partneralimentatie fiscaal aftrekbaar is (tot maximaal het gecombineerde tarief in de tweede schijf) bruteren we dit netto bedrag.

Stap 3: Inkomensvergelijking

Rekenvoorbeeld inkomensvergelijking zonder kinderen

Netto Besteedbaar Inkomen (NBI) Partner I  € 3.000
Netto Besteedbaar Inkomen (NBI) Partner II  € 2.000
Netto Besteedbaar Gezinsinkomen (NBGI)  € 5.000
Behoefte volgens Hofnorm  € 3.000
Resterende behoefte Partner II (na aftrek NBI)  € 1.000
Draagrkracht Partner I voor PAL 2023  € 555
Inkomensvergelijking  € -500

De draagkracht van de onderhoudsplichtige is minder dan de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde. Daarom kan de partneralimentatie niet hoger zijn dan de laagste van deze twee: € 555 (netto).

Als de onderhoudsgerechtigde na ontvangst van partneralimentatie een hoger netto inkomen overhoudt dan de onderhoudsplichtige, dan kan de onderhoudsplichtige een beroep doen op inkomensvergelijking. Na vergelijking blijkt dat beide partijen een gelijk netto inkomen hebben als de partneralimentatie € 500 bedraagt. Onderhoudsgerechtigde en onderhoudsplichtige hebben dan allebei € 2.500 te besteden.

Rekenvoorbeeld inkomensvergelijking met kinderen

  Patner I Partner II  
Netto Besteedbaar Inkomen (NBI)    € 3.000 € 2.000 € 5.000
Kindgebonden Budget tijdens huwelijk      € 200
Netto Besteedbaar Gezinsinkomen (NBGI)      € 5.200
Eigen aandeel ouders      € 600
Beschikbaar voor (ex-)partners tijdens huwelijk      € 4.600
Behoefte    € 2.760  
Draagkracht KAL 2023  € 648 € 158  
Aandeel kosten kinderen  € 483 € 117  
KGB na scheiding  € – € 400  
Kosten kinderen na aftrek KGB  € 483 € -  
Resterende behoefte (na aftrek eigen NBI)    € 760  
Draagkracht PAL 2023  € 555    
Resteert voor PAL na aandeel kosten kinderen  € 72    
Inkomen na aftrek kosten kinderen  € 2.517 € 2.000  
Inkomensvergelijking   € -259 € 259  

In dit voorbeeld is de draagkracht van de onderhoudsplichtige (na aftrek van de kinderalimentatie) lager dan de behoefte van de onderhoudsgerechtigde en ook lager dan het bedrag (na inkomensvergelijking) waarbij partijen een gelijk besteedbaar inkomen hebben.

In dat geval beperken we de partneralimentatie tot € 259 netto per maand.

5.3 Rekenvoorbeelden niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten

Als een partij stelt en – al dan niet tegenover de betwisting door de wederpartij – voldoende onderbouwt dat sprake is van lasten die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar zijn, dan kunnen we deze lasten opnemen in het draagkrachtloos inkomen.

Rekenvoorbeeld niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten

NBI    € 2.500
Forfait noodzakelijke lasten  € 1.270  
Woonbudget  € 750  
Aflossing restschuld  € 200  
Draagkrachtloos inkomen    € 2.220
Draagkrachtruimte    € 280
Draagkracht kinderalimentatie (70%)    € 196
Draagkracht partneralimentatie (60%)    € 168

Woonlasten voormalige echtelijke woning

Indien een onderhoudsplichtige lasten van de (voormalige) echtelijke woning (gedeeltelijk)betaalt en de onderhoudsgerechtigde in die woning woont, passen we het woonbudget aan door de werkelijke woonlasten in aanmerking te nemen: voor degene die in de voormalige echtelijke woning woont: zijn aandeel in die last; voor degene die de woning heeft verlaten: de eigen werkelijke woonlasten en daarnaast zijn of haar aandeel in de lasten van de (voormalige) echtelijke woning.

Rekenvoorbeeld woonlasten voormalige echtelijke woning

Netto besteedbaar inkomen van de vertrokken ouder/partner is € 3.500 per maand.

Zijn aandeel in de netto woonlast van de (voormalige) echtelijke woning is € 500 maand.

De eigen werkelijke woonlast is € 800 per maand. Het netto besteedbaar inkomen van ouder/partner die is achtergebleven is € 1.500 maand, het kindgebonden budget € 300 per maand en de woonlast € 200 per maand.

NBI achterblijvende ouder/partner    € 1.500
KGB    € 300
NBI voor kinderalimentatie    € 1.800
Forfait noodzakelijke lasten  € 1.270  
Werkelijke woonlasten  € 200  
Draagkrachtloos inkomen    € 1.470
Draagkrachtruimte    € 330
Draagkracht kinderalimentatie (70%)    € 231
     
NBI vertrokken ouder/partner    € 3.500
Forfait noodzakelijke lasten  € 1.270  
Eigen werkelijke woonlasten  € 800  
Lasten echtelijk woning  € 500  
Draagkrachtloos inkomen    € 2.570
Draagkrachtruimte    € 930
Draagkracht kinderalimentatie (70%)    € 651

5.4 Rekenvoorbeeld aanvaardbaarheidstoets

In het onderstaande voorbeeld is sprake van fictieve bedragen!

Een alimentatieplichtige ouder heeft een verwijtbare maar niet te vermijden last van € 400 per maand. Het NBI van die ouder bedraagt € 1.800 en op basis daarvan is de draagkracht voor kinderalimentatie € 60 per maand.

De werkelijke woonlasten bedragen € 500 en de woontoeslag is € 100. De premie zorgverzekering is € 140 per maand en de zorgtoeslag is € 100.

De aanvaardbaarheidstoets leidt tot een verlaging van de kinderalimentatie tot € 39 per maand.

NBI Alimentatieplichtige      €­ 1.800
Bijstandsnorm alleenstaande 2024  € 1.284    
Af: wooncomponent 2023  € 189    
Af: nominale premie ZVW 2023  € 42    
Bijstandsnorm minus woonlasten en ZVW    € 1.137  
       
95% daarvan    € 1.080  
Woonlasten  € 500    
Af: huurtoeslag  € 100    
Werkelijke woonlasten    € 400  
Zorgverzekering  € 140    
Af: zorgtoeslag  € 100    
Overige zorgkosten  € –    
Werkelijke zorgkosten    € 40  
  €–    
  €–    
  €–    
Overige (verwijtbare) lasten    € 400  
Totaal noodzakleijke lasten      € 1.920
Resteert      €­ 39
       
Draagkracht/ geldende kinderalimentatie      €­ 60
Te betalen      € 39
Ga nu naar Overzicht wetten - Ga naar wetsartikel:

Wetten, regelgeving en verdragen

Geen wetnummer opgegeven.

Wetten en regelgeving

Verdragen en uitvoeringswetten

Beschikbare Officiële bekendmakingen in de kennisbank:

Informatie

Wanneer er op een icoon is geklikt in een Artikel, dan kan hier extra informatie komen te staan.
Lexicon
BRONNEN