2.20.
In het onder 2.14 vermelde hoger beroep heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, vestiging Leeuwarden, bij beschikking van 17 januari 2013 de beschikking van de kinderrechter bekrachtigd. Het hof overwoog onder meer het volgende:
“(…) Ter zitting van 10 december 2012 is de zaak behandeld, gelijktijdig met het hoger beroep dat door de stiefvader was ingesteld tegen de beschikking van 25 september 2012 waarbij onder meer zijn verzoek tot ondertoezichtstelling van [de minderjarige, rb] is afgewezen (…).
Ter zitting is de moeder verschenen, bijgestaan door haar advocaat. Namens de raad was mevrouw [B] aanwezig. De heer [C] was aanwezig als vertegenwoordiger van BJZ. Ook de vader en de pleegouders zijn verschenen, evenals de stiefvader die werd bijgestaan door zijn advocaat. (…)
1. De minderjarige, rb] is geboren uit het huwelijk van haar ouders (…) Dit huwelijk is enkele maanden na haar geboorte geëindigd. In september 2005 is de moeder in het huwelijk getreden met [stiefvader, rb]. In september 2011 heeft moeder de huwelijksrelatie met de stiefvader feitelijk verbroken. Zij heeft de echtelijke woning in [plaats 4] verlaten en is met [de minderjarige, rb] ingetrokken bij haar ouders in [plaats 2] . De contacten tussen [de minderjarige, rb] en haar stiefvader zijn daarna volledig verbroken en (nog) niet hersteld. Vanaf dat moment zijn de contacten tussen [de minderjarige, rb] en haar vader weer op gang gekomen en inmiddels gaat [de minderjarige, rb] eenmaal per veertien dagen een weekend bij hem en zijn gezin op bezoek.
3. De stiefvader heeft zich op 24 februari 2012 gewend tot de rechtbank met het verzoek een omgangsregeling vast te stellen tussen hem en [de minderjarige, rb]. Hij heeft tevens verzocht [de minderjarige, rb] onder toezicht te stellen.
4. Bij beschikking van 16 mei 2012 heeft de rechtbank de raad opgedragen onderzoek te verrichten naar de mogelijkheden van omgang tussen de stiefvader en [de minderjarige, rb]. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat dit onderzoek zo nodig, indien de raad daartoe aanleiding ziet, ambtshalve uitgebreid kan worden naar een beschermingsonderzoek,
5. De raad heeft op 22 juni 2012 besloten om het onderzoek uit te breiden naar de verzorgings- en
opvoedingssituatie van [de minderjarige, rb] omdat er aanwijzingen bestonden over een ernstige bedreiging van de belangen van [de minderjarige, rb] in verband met de echtscheidingstrijd die tussen de moeder en de stiefvader is ontstaan, het verbreken van de contacten van [de minderjarige, rb] met de stiefvader en het herstel van de contacten tussen haar en de vader die zij voordien jaren niet had gezien, en de wens van de moeder om met [de minderjarige, rb] bij haar nieuwe partner in [plaats 1] te gaan wonen.
6. Op grond van zijn onderzoeksbevindingen heeft de raad in zijn rapport van 13 juli 2012 geconcludeerd dat een kinderbeschermingsmaatregel aangewezen is om [de minderjarige, rb] zoveel als mogelijk is uit de strijd van de volwassenen te halen en te bereiken dat [de minderjarige, rb] voorlopig in haar vertrouwde omgeving bij de grootouders kan blijven. De raad heeft daarom op 17 juli 2012 de rechtbank verzocht [de minderjarige, rb] onder toezicht te stellen en machtiging te verlenen tot uithuisplaatsing voor de duur van zes maanden. De rechtbank heeft bij beschikking van 31 juli 2012 de ondertoezichtstelling uitgesproken en heeft de verzochte machtiging verleend.
(…)
De positie van de stiefvader (…)
11. In het hoger beroep van de stiefvader heeft het hof bij afzonderlijke beschikking van heden onder meer geoordeeld dat de stiefvader niet als belanghebbende in de zin van artikel 798 lid 1 Rv kan worden aangemerkt in de onderhavige procedure, omdat hij -kort gezegd- niet (mede) het gezag over [de minderjarige, rb] uitoefent en sinds september 2011 evenmin sprake is van een verzorging en opvoeding van [de minderjarige, rb] binnen zijn gezin. De omstandigheid dat sprake is van 'family life' tussen hem en [de minderjarige, rb] noch de omstandigheid dat hij (samen met de moeder) tot september 2011 [de minderjarige, rb] in zijn gezin heeft verzorgd en opgevoed is onvoldoende grond om hem wel als belanghebbende aan te merken.
12. Wel heeft het hof onder meer in deze laatste omstandigheden aanleiding gezien om de stiefvader aan te merken als derde in de zin van artikel 800 lid 2 Rv, nu deze meebrengen dat zijn verklaring in verband met de beoordeling van het verzoek van betekenis kan zijn. Om die reden is de mondelinge behandeling in onderhavige zaak ook voortgezet in zijn aanwezigheid en heeft hij, zowel persoonlijk als bij monde van zijn advocaat, de gelegenheid gehad om zijn mening kenbaar te maken.
Het hoger beroep van de moeder
13. De grieven van de moeder richten zich uitsluitend tegen de verleende machtiging tot uithuisplaatsing voor zes maanden en niet tegen de ondertoezichtstelling voor een jaar. (…)
15. De moeder stelt inhoudelijk dat er geen gronden zijn die een uithuisplaatsing van [de minderjarige, rb]
noodzakelijk maken. Zij geeft aan dat zij tijdens het huwelijk met de stiefvader verantwoordelijk is geweest voor de verzorging en opvoeding van [de minderjarige, rb]. Zij wil deze taken graag weer op zich nemen, ook nu dat voor [de minderjarige, rb] een verhuizing naar [plaats 1] zal betekenen. Volgens de moeder zijn verhuizingen van kinderen met (een van) hun ouders naar een andere plek in Nederland niet ongewoon. In dat verband benadrukt zij dat haar wens om zich met [de minderjarige, rb] te vestigen in [plaats 1] bij haar nieuwe partner een weloverwogen en doordachte beslissing is geweest, dat zij [de minderjarige, rb] op zorgvuldige wijze heeft laten kennismaken met deze nieuwe partner en dat zij in [plaats 1] voorbereidingen heeft getroffen voor wat betreft de schoolgang van [de minderjarige, rb] en de hulpverlening voor [de minderjarige, rb]. De moeder meent dat zij op deze wijze voldoende rekening heeft gehouden met de belangen van [de minderjarige, rb]. De verhuizing van [de minderjarige, rb] naar [plaats 1] zal geen wijziging brengen in de omgangsregeling tussen [de minderjarige, rb] en haar vader, terwijl de moeder bereid is haar medewerking te verlenen aan omgang tussen [de minderjarige, rb] en haar stiefvader indien en voor zover een rechter een dergelijke omgangsregeling zal vaststellen. De moeder wijst er verder op dat de huidige situatie voor [de minderjarige, rb] onduidelijk is en dat, ook na de uithuisplaatsing, door de verschillende betrokkenen aan [de minderjarige, rb] wordt 'getrokken'.
16. Uit de stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat de vader, de moeder en de stiefvader verwikkeld zijn in een strijd over de vraag naar de definitieve woon- en verblijfplaats van [de minderjarige, rb]. Tussen de stiefvader en de moeder speelt deze kwestie binnen de echtscheiding waarbij zij elkaar diskwalificeren als opvoeder en in het bijzonder strijden over de (on)mogelijkheden van omgang tussen [de minderjarige, rb] en de stiefvader. Met het vertrek van de moeder en [de minderjarige, rb] in september 2011 naar [plaats 2] zijn de contacten tussen [de minderjarige, rb] en de stiefvader verbroken, terwijl deze haar jarenlang feitelijk heeft mee verzorgd en opgevoed in zijn gezin. Deze contacten zijn nog niet hersteld omdat de stiefvader vooralsnog weigert mee te werken aan de begeleide omgangscontacten die de rechtbank nodig heeft geoordeeld in verband met de weerstand van de moeder en [de minderjarige, rb]. Tussen de moeder en de vader speelt deze kwestie binnen de uitoefening van het gezamenlijk ouderlijk gezag waaraan de vader de afgelopen jaren nauwelijks tot geen feitelijke uitvoering heeft gegeven en het recente herstel van de contacten tussen [de minderjarige, rb] en haar vader.
17. Uit het raadsrapport blijkt dat [de minderjarige, rb] wordt geconfronteerd met de strijd van de volwassenen over haar huidige en toekomstige woonplek en in deze strijd wordt betrokken. Zij is zich bewust van de wensen van haar vader, haar moeder, en haar grootouders ten aanzien van haar toekomstige definitieve woonplek en zij geeft in gesprekken aan ieder van de volwassenen die reactie ten aanzien van het wonen die zij meent die dezen willen horen. [de minderjarige, rb] is ook doordrongen van het besef dat een beslissing, hoe die ook zal luiden, een aantal van deze volwassenen zal teleurstellen. Dat maakt haar verdrietig en zij voelt zich daarvoor verantwoordelijk. Het hof is met de raad en BJZ van oordeel dat dit duidelijke aanwijzingen zijn dat [de minderjarige, rb] in een ernstig loyaliteitsconflict is geraakt die een bedreiging vormt voor haar sociaal emotionele ontwikkeling. De medewerker van BJZ heeft ter zitting in hoger beroep bevestigd dat [de minderjarige, rb] als het ware 'klem' zit tussen de volwassenen die belangrijk voor haar zijn.
18. Beëindiging van de uithuisplaatsing op dit moment, zal de strijd tussen de ouders en de stiefvader verhevigen terwijl dan ook de grootouders ten volle in deze strijd betrokken zullen worden. [de minderjarige, rb] zal zonder meer de weerslag van deze strijd meekrijgen. Verder zullen contacten tussen [de minderjarige, rb] en de vader, maar ook de contacten tussen [de minderjarige, rb] en de grootouders en de mogelijke (herstel)contacten tussen [de minderjarige, rb] en de stiefvader onder druk komen staan en er is een reëel risico dat deze voor [de minderjarige, rb] belangrijke contacten, als gevolg van de strijd en/of praktische belemmeringen, zullen worden teruggebracht tot een minimum.
19. [ De minderjarige, rb] verblijft sinds september 2011 bij haar grootouders die haar, in de onzekere periode na
de feitelijke scheiding tussen de moeder en de stiefvader en de verhuizing van de moeder naar [plaats 1] , stabiliteit en veiligheid hebben geboden. [De minderjarige, rb] voelt zich daar prettig en haar ontwikkeling verloopt voorspoedig. Het hof acht het in het belang van [de minderjarige, rb] noodzakelijk dat zij in haar huidige vertrouwde omgeving kan blijven, in afwachting van beslissing die genomen moet worden over haar definitieve woon- en verblijfplaats. Een machtiging tot uithuisplaatsing is daarvoor noodzakelijk.
20. Deze uithuisplaatsing kan echter niet voor langere duur een 'oplossing' zijn voor (het laten voortbestaan van) de conflicten tussen de betrokken volwassenen. Het is de verantwoordelijkheid van deze volwassenen om hun onderlinge problemen op te lossen zonder [de minderjarige, rb] daarmee te belasten. In ieder geval zal op korte termijn een beslissing moeten worden genomen over de definitieve woonplek van [de minderjarige, rb], bij voorkeur in en na overleg tussen alle betrokkenen. Het is voor de ontwikkeling van [de minderjarige, rb] namelijk van groot belang dat deze beslissing wordt onderschreven door ieder van de betrokken volwassenen en dat deze door ieder van hen ook in woord en daad wordt uitgedragen naar [de minderjarige, rb]. De gezinsvoogd kan bij dit overleg mogelijk een ondersteunende en begeleidende rol spelen.
21. Anders dan de moeder lijkt te denken, kan de beslissing over de toekomstige woonplek van [de minderjarige, rb] niet door de gezinsvoogd door middel van een schriftelijke aanwijzing worden genomen. Indien vorenbedoeld overleg niet mogelijk is of indien betrokkenen, onder wie in het bijzonder de vader en moeder van [de minderjarige, rb], niet op korte termijn tot overeenstemming kunnen komen, moet de kwestie door de meest gerede partij aan de rechter worden voorgelegd. De vraag bij wie een minderjarige haar of zijn hoofdverblijf zal hebben is immers primair een vraag naar de uitoefening van het gezag en deze vraag kan, indien de ouders die het gezag gezamenlijk uitoefenen niet tot overeenstemming kunnen komen, aan de rechter worden voorgelegd in het kader van artikel 1:253a BW.
22. Het vorenstaande, in onderling verband en samenhang beschouwd, brengt het hof tot het oordeel dat een uithuisplaatsing op dit moment nog noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van [de minderjarige, rb]. Het hof zal dan ook de beschikking waarvan beroep voor zover daartegen beroep is ingesteld, dus op het punt van de verleende machtiging tot uithuisplaatsing, bekrachtigen. (…)”
2.23.
Op 23 januari 2013 heeft de externe klachtencommissie van de raad een groot aantal klachten van eiseres gegrond verklaard. Voor zover thans van belang heeft de externe klachtencommissie het volgende overwogen:
“Korte samenvatting van de feiten:
Tijdens de zwangerschap van [de minderjarige, rb] gaan klaagster en de biologische vader uit elkaar. [De minderjarige, rb] wordt geboren op het adres van grootouders (mz) en groeit op met klaagster. Ze wonen aanvankelijk in bij grootouders. Als [de minderjarige, rb] 1.5 jaar is, gaan klaagster en [de minderjarige, rb] wonen bij de [stiefvader, rb] (Friesland). Deze relatie duurt ongeveer 7 jaar. In september 2011, gaan [de minderjarige, rb] en moeder, na het verbreken van de relatie met de [stiefvader, rb], weer bij grootouders (mz) wonen. De biologische vader van [de minderjarige, rb] is woonachtig in [plaats 3] . Klaagster krijgt dan een nieuwe relatie (met [de huidige echtgenoot van eiseres, rb], voornoemd) in [plaats 1] (juli 2011). Ze gaat daar ook werken. De [stiefvader, rb] verzoekt op 24 februari 2012 bij de rechtbank Zwolle -Lelystad om een omgangsregeling tussen hem en [de minderjarige, rb] vast te stellen. De rechtbank houdt bij tussenbeschikking van 24 april 2012 de beslissing aan en verzoekt de raad om een omgangsonderzoek in te stellen. In haar tussenbeschikking geeft de rechtbank aan dat, indien daartoe aanleiding zou bestaan, het onderzoek moet worden uitgebreid naar een beschermingsonderzoek. Tijdens het omgangsonderzoek verneemt de raad dat klaagster met [de minderjarige, rb] naar [plaats 1] wil verhuizen in de zomer van 2012 (woonplaats nieuwe partner). De raad start daarop ambtshalve het beschermingsonderzoek. De klachten van klaagster hebben, kort samengevat, betrekking op de onprofessionele bejegening van klaagster, het niet juist vermelden van een aantal feiten in het raadsrapport en de afhandeling van een eerdere ingediende klacht bij de raad. (…)
Klachtonderdeel 2
Klaagster:
Klaagster heeft maar een conceptrapport ontvangen en niet zoals de klachtbeslissing vermeldt 'op 29 juni 2012 zijn conceptrapporten naar u toegestuurd'.
Raad:
Klaagster heeft inderdaad op 29 juni 2012 maar één conceptrapport ontvangen. Er is immers dan nog geen beschermingsrapport.
Commissie:
De commissie stelt vast dat er op 29 juni 2012 één conceptrapport naar klaagster is gestuurd. [De commissie heeft aan het einde van haar beslissing vermeld dat zij de onjuiste feiten heeft aangepast, rb]
Klachtonderdeel 3
Klaagster:
Klaagster ontkent een conceptrapport te hebben ontvangen van het beschermingsraadsrapport, zoals in de klachtbeslissing wordt gesteld op pagina 2. Klaagster geeft aan ook niet in de gelegenheid gesteld te zijn mondeling of schriftelijk op het rapport te reageren.
Raad:
Hoewel het Kwaliteitskader ons daartoe wel verplicht is er geen conceptrapport aangaande bescherming naar klaagster gestuurd. Ook heeft klaagster het bewuste rapport niet kunnen inzien en bespreken, terwijl het Kwaliteitskader ons ook daartoe verplicht. Deze niet fraaie handelwijze is te verklaren door de tijdsdruk om tijdig, voorafgaand aan de zitting van de rechtbank, ons advies te kunnen overleggen. Aan deze afweging is in het MDO uitdrukkelijk aandacht besteed. Er is dus voorrang gegeven aan het tijdig adviseren van de rechter.
Klaagster heeft daardoor geen inzage in het bewuste rapport en geen gesprek daarover gehad. Er is voor gekozen om [de minderjarige, rb] voor de zomervakantie duidelijkheid te geven.
Commissie:
De commissie stelt vast dat de raad in strijd heeft gehandeld met het Kwaliteitskader door klaagster geen inzage te geven in het concept beschermingsrapport. De commissie stelt verder vast dat klaagster ook niet in de gelegenheid is gesteld daarop mondeling of schriftelijk te reageren. De raad heeft daardoor, bewust, het beginsel van hoor en wederhoor niet in acht genomen bij een rapport dat een advies bevat met voor klaagster en [de minderjarige, rb] verstrekkende gevolgen en maatregelen. Omdat de zienswijze van klaagster niet is opgenomen in het rapport is niet uit te sluiten dat de lezer van het rapport (bijvoorbeeld de behandelend rechter) een vertekend dan wel onjuist beeld krijgt van de situatie. Het feit dat er onder tijdsdruk moest worden gehandeld en dat, in de ogen van de raad, een spoedeisend belang aanwezig was, mag geen reden zijn om het beginsel van hoor en wederhoor niet toe te passen. De raad staat immers andere middelen ter beschikking om spoedeisendheid op te lossen, bv. door het vragen van een spoedmachtiging. De commissie oordeelt dan ook dat de raad op deze onderdelen onzorgvuldig heeft gehandeld.
De commissie overweegt ambtshalve dat het raadsrapport op onderdelen steunt op de weergave van subjectieve opvattingen van de raadsonderzoeker. De commissie noemt als voorbeeld de constatering van de raadsonderzoeker dat klaagster naar zijn mening zo snel zwanger is geworden en dat dit zijn beeld bevestigt dat klaagster eerst handelt en pas later bekijkt wat dit voor anderen, waaronder [de minderjarige, rb], betekent. Dergelijke subjectieve opvattingen worden niet door feiten ondersteund en zijn dus onvoldoende objectief van aard. Omdat aanknopingspunten die het standpunt van de raadsonderzoeker onderbouwen ontbreken, zo is niet bekend wat de raadsonderzoeker begrijpt onder "het snel zwanger zijn", bestaat het gevaar dat het uiteindelijke advies van de raad aan de rechtbank niet door argumenten van voldoende gewicht wordt gedragen. Het is goed mogelijk dat deze subjectieve invulling samenhangt met de omstandigheid dat een belangrijke partij, namelijk klaagster, niet door de raad is gehoord, waardoor een correctie niet heeft kunnen plaatsvinden. De klacht is op dit onderdeel gegrond. (…)
Klachtonderdeel 5
Klaagster:
Klaagster leest in de klachtbeslissing dat haar zwangerschap de directe aanleiding is geweest om in het MDO te besluiten om het onderzoek uit te breiden naar het beschermingsonderzoek. Klaagster is hiervan niet op de hoogte gebracht en vindt deze aanleiding opmerkelijk.
Raad:
De zwangerschap dient, samen met de aanstaande verhuizing, gezien te worden als één van de gewijzigde omstandigheden waardoor het beschermingsonderzoek is opgestart. Voor de zomervakantie zou er, in het belang van [de minderjarige, rb], duidelijkheid over de te bewandelen weg moeten bestaan. De formulering in de klachtbeslissing is op dit punt onvolledig dan wel onjuist. De zwangerschap behoort gezien te worden als één van de gewijzigde omstandigheden, waarover echter niet goed is gecommuniceerd.
Commissie:
In de klachtbeslissing is op pagina 6 opgenomen dat (alleen) de zwangerschap van klaagster de directe aanleiding is geweest om in het MDO te besluiten het onderzoek uit te breiden naar een beschermingsonderzoek. De commissie stelt vast dat de formulering in de klachtbeslissing niet volledig is, omdat tijdens het onderzoek ter zitting is gebleken dat de zwangerschap samen met de verhuizing, door de raad als één van de gewijzigde factoren is beschouwd voor de start van het beschermingsonderzoek. De klacht is op dit onderdeel gegrond.
(…)
Klachtonderdeel 6
Klachtonderdeel 6 (inhoudende dat nu door de raad erkend wordt dat eiseres een stabiele factor is geweest voor de minderjarige maar dat zij betreurt dat dit niet in het rapport verwerkt is en dat er ook niet is gekeken naar alternatieve mogelijkheden om een uithuisplaatsing te voorkomen zodat de minderjarige niet gescheiden wordt van de stabiele factor in haar leven, de moeder, rb.) is door regiodirecteur al gegrond verklaard.
Klachtonderdeel 7
Klaagster:
Zowel het beschermingsrapport (pagina 2) als de klachtbeslissing (pagina 7) bevatten de foutieve vermelding dat [de minderjarige, rb] samen met klaagster bij grootouders is gaan wonen. Hierdoor ontstaat het beeld dat klaagster pas na de geboorte van [de minderjarige, rb] bi] grootouders is gaan wonen. Dat is onjuist. [de minderjarige, rb] is geboren in het ouderlijk huis van klaagster. Daarna is ze bij de [stiefvader, rb] gaan wonen en na 7 jaar is [de minderjarige, rb] weer woonachtig bij grootouders.
Raad:
De klachtbeslissing en het beschermingsrapport bevatten op dit punt een feitelijke onjuistheid.
Commissie:
De commissie stelt vast dat het beschermingsrapport ten onrechte vermeldt dat [de minderjarige, rb] ‘na de geboorte met haar moeder bij grootouders (mz) is gaan wonen’. [De minderjarige, rb] is namelijk geboren in het ouderlijk huis van klaagster. De klacht is op dit onderdeel gegrond.
Klachtonderdeel 8
Klaagster:
Klaagster meldt dat de situatie bij grootouders niet veilig is; de zus van klaagster heeft contacten in criminele milieu (hennep) en de mogelijkheid bestaat dat deze zus ook bij grootouders gaat wonen. Er is ten onrechte geen onderzoek verricht naar de opvoedsituatie in [plaats 1] . Het verblijf in [plaats 2] is immers maar tijdelijk. Een uithuisplaatsing mag alleen worden gevraagd als uiterste middel. De raad heeft onzorgvuldig gehandeld omdat
onderzoek naar opvoedmogelijkheden door de ouder zelf voorop had moeten staan. Klaagster is van mening dat [de minderjarige, rb] best een verhuizing met hulpverlening aankan.
Raad:
Het rapport had explicieter moeten vermelden dat klaagster heeft aangegeven dat de situatie bij de grootouders niet zonder meer veilig is. De situatie in [plaats 2] is voor [de minderjarige, rb] het meest stabiel. Door tijdsdruk moest er voor de zomervakantie duidelijkheid komen. Het is de wens van [de minderjarige, rb] om niet te verkassen en om op school in [plaats 2] te blijven. De situatie in [plaats 2] zorgt voor continuïteit in het leven van [de minderjarige, rb]. Er is geen twijfel over de opvoedingscapaciteiten van klaagster. Het probleem is dat de volwassenen in het leven van [de minderjarige, rb] niet op een lijn zitten. Er is geen overeenstemming waardoor [de minderjarige, rb] telkens tot een keuze wordt gedwongen, terwijl juist de volwassenen de beste keuze voor [de minderjarige, rb] zouden moeten maken.
Commissie:
De commissie stelt vast dat de raad niet onzorgvuldig heeft gehandeld door geen onderzoek in te stellen naar de situatie in [plaats 1] . De onderzoeksvragen die in het rapport op pagina 1 zijn vermeld verplichten de raad daartoe niet. Andere gronden die daartoe aanleiding zouden gegeven zijn niet gesteld noch gebleken. Over de veiligheidssituatie bij grootouders wordt in de bijlage bij het rapport gemeld, zodat de rechtbank daarvan kennis kon nemen. De klacht is op dit onderdeel niet gegrond.
Klachtonderdeel 9
Klaagster:
Klaagster geeft aan dat de raad de problematiek van [de minderjarige, rb] bagatelliseert door te zeggen dat zij slechts een paar deukjes heeft opgelopen. Door de uithuisplaatsing wordt de ontwikkeling van [de minderjarige, rb] ernstig in gevaar gebracht, namelijk omdat ze dan gescheiden wordt van de meest stabiele factor in haar leven.
Raad:
De raad heeft met deze opmerking willen aangeven dat het wonderwel goed gaat met [de minderjarige, rb]. Door de handelwijze van volwassenen is de hulp echter niet van de grond gekomen. [de minderjarige, rb] bezit blijkbaar de kracht om zich, na zoveel te hebben meegemaakt, redelijk goed te ontwikkelen.
Commissie:
De commissie overweegt dat de raad de problematiek van [de minderjarige, rb] niet (heeft) onderschat en dat de raad op dit punt niet onzorgvuldig heeft gehandeld. De klacht is op dit onderdeel niet gegrond.
Klachtonderdeel 10
Klaagster:
Het raadsrapport vermeldt ten onrechte dat klaagster geen hulpverlening accepteert en dat vrijwillige hulpverlening moeilijk tot stand komt. Klaagster heeft weldegelijk hulpverlening (ook in [plaats 2] ) georganiseerd, namelijk bij schoolmaatschappelijk werkster [X] . Deze heeft [de minderjarige, rb] ook aangemeld bij het KIES programma (Kinderen In Echtscheidings Situaties) in [plaats 1] . Het AMK heeft ook geadviseerd en een overdracht gedaan aan BJZ in verband met een mogelijke indicatie voor inzet opvoedondersteuning (IOG). Bureau Jeugdzorg concludeert dan vervolgens dat er geen hulpverlening (IOG) nodig is. Klaagster heeft dus alle hulp aangenomen. Het beschermingsrapport, met de zinsnede 'vrijwillige
hulpverlening komt niet of onvoldoende tot stand' is dan echter al naar de rechter. Klaagster heeft daarover geen bezwaar kunnen maken omdat zij het concept-rapport nooit heeft ontvangen. In het omgangsrapport op pagina 12 staat vermeld: "hulpverlening aan [de minderjarige, rb] zelf, lijkt op dit moment niet nodig." Ook op pagina 8 van de klachtbeslissing vermeldt de directeur nog dat [de minderjarige, rb] geen last heeft van kindproblematiek, maar van problemen tussen volwassenen. Klaagster vraagt zich af waar het verwijt dat ze geen hulp accepteert op is gebaseerd als er wordt vastgesteld dat er geen kindproblematiek is?
Raad:
De hulpverlening heeft bij de gewijzigde omstandigheden onvoldoende kans van slagen gekregen. Er is niet iets tot stand gekomen waardoor er verandering te bespeuren is. Over de bereidwilligheid van klaagster tot het ontvangen van hulp bestaat geen twijfel. Klaagster heeft weldegelijk hulp georganiseerd (zie o.a. p. 9 beschermingsrapport), zowel voor zichzelf als voor [de minderjarige, rb]. Over de vraag welke hulp klaagster verder nog dient te regelen had duidelijker gecommuniceerd moeten worden.
Commissie:
De commissie stelt vast dat de in de visie van de raad niet gelukte hulpverlening op twee onderdelen een belangrijke rol speelt in het rapport, namelijk bij de start en het einde van het onderzoek. De commissie zal beide onderdelen hierna afzonderlijk toelichten.
Een belangrijke reden voor de start van het beschermingsonderzoek is dat 'vrijwillige hulpverlening niet of onvoldoende tot stand komt ' (p.1 beschermingsrapport). De overgelegde stukken leveren echter geen aanwijzingen op voor de aannemelijkheid van een falende hulpverlening waardoor de ontwikkeling van [de minderjarige, rb] zou worden bedreigd. Ook het onderzoek ter zitting levert geen aanwijzingen op voor die stellingname. Het is, zo wordt duidelijk tijdens de zitting, juist een aantal te wijzigen omstandigheden, zoals een naderende verhuizing en de zwangerschap, die voor de raad de aanleiding heeft gevormd het beschermingsonderzoek te starten. De commissie stelt vast dat het raadsrapport op dat punt derhalve onjuiste informatie bevat waardoor ernstige twijfel ontstaat over de ontstaansgrond van het beschermingsrapport. De commissie oordeelt dat het rapport op dit onderdeel ondeugdelijk is opgebouwd en dat de klacht gegrond is.
De vaststelling van een falende hulpverlening speelt ook nog een grote rol aan het slot van het rapport, als wordt concludeert dat de ontwikkeling van [de minderjarige, rb] ernstig wordt bedreigd en dat een OTS en uithuisplaatsing daarom passende maatregelen zijn. Het belangrijkste argument voor deze conclusie is de omstandigheid dat 'hulpverlening in een vrijwillig kader onvoldoende kans van slagen heeft', oftewel met andere woorden, dat de benodigde hulpverlening tussen de volwassenen niet van de grond is gekomen (p. 13 beschermingsrapport). Op diverse pagina's in het rapport wordt immers vermeld dat hulpverlening aan [de minderjarige, rb] zelf niet nodig lijkt (p. 4 en 13 beschermingsrapport). Het gaat dus om hulpverlening die gericht is op het bereiken van afstemming tussen de betrokken volwassenen. Daarbij wordt dan gedoeld op klaagster, stiefvader, grootouders en vader. Los van de vraag of [de minderjarige, rb] hulp behoeft stelt de commissie vast dat klaagster voor [de minderjarige, rb] in ieder geval actief hulp heeft ingeschakeld. Uit de stukken blijkt dat zij, deels op eigen initiatief, hulp heeft ingeschakeld voor het welzijn van [de minderjarige, rb], zowel in [plaats 2] als in [plaats 1] . Verder is, ook tijdens het onderzoek van de commissie, geen duidelijkheid gekomen over de wijze waarop klaagster volgens de raad dan wél invulling had moeten geven aan de inspanningsverplichting om de noodzakelijke hulpverlening op gang te brengen. Daardoor is ook niet duidelijk geworden of klaagster, indien zij wel op de hoogte zou zijn geweest van de juiste hulp, deze hulp niet zou hebben ingeschakeld, hetgeen toch een voorwaarde lijkt bij het advies zoals door de raad gegeven. De klacht is op dit onderdeel gegrond.
(…)
Klachtonderdeel 13
Klaagster:
In de klachtbeslissing wordt gebruik gemaakt van een stuk dat feitelijke onjuistheden bevat. De raad behoort uit te gaan van feiten. Er is geen hoor en wederhoor geweest. Op pagina 11 van het omgangsrapport wordt uitgegaan van feiten die door de raadsonderzoeker eenzijdig en vanuit zijn visie worden weergegeven. Vooral de zinsnede dat klaagster wijze van aangaan en verbreken van relaties met belangrijke mensen een negatief voorbeeld voor [de minderjarige, rb] is, stoort klaagster. Immers, klaagster heeft in haar leven maar één keer een relatie verbroken en dat was met stiefvader. Zij is zelf door de vader van [de minderjarige, rb] verlaten. Daarnaast heeft klaagster wel degelijk eerst in [plaats 2] werk gezocht. Nadat zij kennis kreeg aan [haar huidige echtgenoot, rb] is zij regelmatig te [plaats 1] verbleven, echter is zij vier dagen in de week in [plaats 2] geweest om de zorg voor [de minderjarige, rb] op zich te nemen. Ten slotte heeft klaagster de contacten tussen [de minderjarige, rb] en de biologische vader gestimuleerd. Als de biologische vader deze contacten uit de weg gaat kan klaagster dat niet worden verweten. Omdat er geen hoor en wederhoor is geweest, heeft klaagster haar visie van het verhaal niet kunnen geven.
Raad:
Het gaat ook over de relatie tussen [de minderjarige, rb] en de volwassenen. Klaagster heeft daarin niet altijd
de juiste keuze gemaakt.
Commissie:
De commissie stelt vanwege de schending van het beginsel van hoor en wederhoor vast dat de op pagina 11 in het raadsrapport genoemde feiten mogelijkerwijs een subjectieve lading bezitten, namelijk de visie van de raadsonderzoeker. Omdat klaagster niet in de gelegenheid is geweest haar visie daarover te geven is de betrouwbaarheid van de genoemde feiten en omstandigheden in het geding. Omdat aan de juistheid van de feiten kan worden getwijfeld is ook de daarop gestoelde conclusie, dat er twijfels zijn of moeder de belangen van [de minderjarige, rb] voorop stelt bij haar keuzes, onvoldoende onderbouwd. De commissie is van oordeel dat het rapport op dit onderdeel niet deugdelijk is. De klacht is op dit onderdeel gegrond.
(…)
Klachtonderdeel 21
Klaagster:
Ten onrechte verbindt de raad geen gevolgen aan gegronde klachten. Welk nut heeft het werken met kwaliteitskaders als deze niet in acht worden genomen? Waarom wordt er gewerkt met klachtenregelingen als deze geen effect hebben?
Raad:
Feitelijke onjuistheden worden aangepast in het rapport en reacties van klaagster worden als bijlagen toegevoegd aan het rapport. Dat is in deze zaak ook gebeurd.
Commissie:
De commissie stelt vast dat de raad op deze klachtonderdelen niet onzorgvuldig te werk is gegaan. De klacht is op dit onderdeel niet gegrond. (...)”